BEWIJZEN, DAT DE PLAATS EN OMTREK WAAR NU GROOTE KERK EN TOREN STAAN, WELLIGT EERTIJDS AAN HEIDENSCHE EERDIENST GEWIJD WAREN, ER ECHTER STELLIG EENE HEIDENSCHE BEGRAAFPLAATS WAS.

a. De ligging aan den IJssel.

„Eerst zij nog opgemerkt, dat bij de meeste heiligdommen, eene gewijde tempelbron, kom of ander water was, dat tot reiniging diende.”

Mr. van den Bergh.

Reeds poogden wij den lezer een begrip te schenken van waterbevolking en watervereering, zoowel van elders als van dit oord, en waarover men gelieve te zien bladz. 77–99, als ook hier van toepassing kunnende zijn. En hoewel alles, daar vermeld, reeds pleit voor genoemde eeredienst, zijn er, deze uitgenomen, nog meerdere bewijzen van stroomvergoding alhier aan te brengen, en wij zullen die ook aanvoeren, nadat wij eerst iets gezien hebben, van hetgeen daaromtrent elders wordt aangetroffen, zullende dit weder stof tot vergelijking voor ons aanbrengen.


Het valt ons al dadelijk op, dat zoovele steden waar men voorvaderlijke gedenkteekenen heeft gevonden, juist aan rivieren gelegen zijn. Hoe komt dat, geachte lezer?—Zeker, de aanslibbing der rivieren maakte het oord spoedig voor bewoning geschikt, en de rivieren verschaften onderling verkeer en welvaart; doch welligt zal de stroomvereering insgelijks daarmede in verband kunnen worden gebragt.

Immers, zij hadden voor die eerdienst zoodanige gehechtheid, dat de critische van den Bergh zich er aldus over uitlaat:1 »Deze eerdienst was zoo diep bij hen ingeworteld, dat die nimmer geheel is uitgeroeid kunnen worden, niettegenstaande de Christelijke geloofspredikers aanhoudend ten sterkste daartegen ijverden en deze dienst als heidensch en vloekwaardig afmaalden en ook vele wetten daartegen gerigt zijn. Men meene echter niet, dat zij het water zelf als eene godheid vereerden: zij beschouwden het als de verblijfplaats der goden en daarom heilig, bijna gelijk als de omtrek der heiligdommen gewijd was.

Uitgenomen nog een aantal geleerden, spreekt ook de heer Tydeman2 in dezer voege. Verder merkt hij op, dat, onder de rivieren, vooral de Rijn, de Rhoer en de Vecht in aanzien stonden, terwijl men dacht—aldus vervolgt hij—dat zij door goden werden bewoond, wier rang zich naar de grootte en voortreffelijkheid dezer stroomen schikte.

Voornamelijk in de bogten der wateren was het, dat men offers aanbragt en de mythologische plegtigheden verrigtte.

In Westphalen wijzen de overleveringen nog meeren aan, van welke men gelooft, dat zij grondeloos zijn3, met andere onderaardsche meeren gemeenschap hebben, of waarin op sommige tijden een dof onderaardsch geluid wordt gehoord. Dikwijls waren deze gewijde wateren met bosch omzoomd of door een prachtig woud gedekt.

Het groote gewigt, dat men aan deze waterdienst hechtte, toonde zich vooral ook daarin, dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren of meeren gebouwd werden; dat er bij een heiligdom of bij een gewijd offerwoud geen put, enz. mogt ontbreken.

Nog zeer veel zouden wij kunnen aanhalen. Uit het aangevoerde is nogtans reeds voldoende gebleken, dat de riviervergoding bij de ouden in groot aanzien was.

Wat kunnen wij nu toepassen op den IJssel, waaraan de kerk gebouwd is?

Er werd aangetoond:

a. De omtrek der heiligdommen was geheiligd. Welnu, de IJssel hier als heiligdom beschouwd, was dus de omtrek geheiligd en daarom eene plaats van vereering.

b. Vooral de Rijn was in aanzien. Men denke dat de bevallige IJsselstroom een tak des statigen Rijns was.

c. Dikwijls waren de gewijde plassen met een prachtig woud gedekt. De lezer wete, dat het schakenbosch er bij lag.

d. En ten slotte: dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren gebouwd werden, is juist hetgeen wij voor onze plaats wilden beweren, in zoo ver namelijk dat wij hier door kerk, plaats van heidensche vereering verstaan.

Hier nog bijgevoegd, dat de plaatsen van heidensche vereering dikwijls in die der Christenen overgingen, en men wordt te meer genoopt, te zeggen, dat hier zoodanige overgang zal hebben plaats gehad.

Het is en blijft vooralsnog gissen, en wij herhalen dus: welligt was op die plaats een heidensch heiligdom. Stelliger bewijzen nogtans zullen wij aanvoeren, dat die plaats eerst eene heidensche begraafplaats was, waarin later de Christen zijne lijken begroef.

b. In den omtrek der Groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.

»Id solum observatur, ut corpora clarorum virorum certis lignis crimentur. Struem rogi nec vestibus nec odoribus cumulant, sua cuique orma, quorundam igni et equus adjecitur.—Sepulcrum cespes erigit.”

Tacitus, de Mor. Germ.

»Levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht, slechts in tweederlei woning: in die der werkzaamheid en rust.”

Ds. Heldring, Opsporing van Oudheden.

Al de heidensche volken, zegt Tydeman, stelden een buitengewoon hoogen prijs op eene eerlijke en welvoegelijke begraafplaats. Deze mogt niet verkocht of overgedragen worden. Ieder graf was als het ware een altaar, waarbij men de afgestorvenen voortdurend moest huldigen; en eene begraafplaats te schenden, was eene groote misdaad.

De plegtigheden nogtans waren bij de verschillende godendiensten niet dezelfde.

Freijer beval het begraven der lijken in grafheuvelen.

Odin wilde dat men het lijk verbrandde en de asch òf in de zee wierp òf in eene lijkbus in een ronden grafheuvel bijzettede.4

Bij Blommaert5 vinden wij o. a. nog in dezer voege omtrent heidensche begrafenisplegtigheden gewag gemaakt:

»Uit het geloof aen de Walhalla, waer niemand dan gesneuvelden werden toegelaten, kwam de dood op het slagveld vereerend voor. Daerop te vallen was de zaligste dood des Belgs.”6

Hij beschouwde het leven als een proeftijd om tot de zael der onsterfelijken, de verblijfplaats der goden en walkuren7, te geraken, en voor niets was hij meer beducht, dan, als eene vrouw of een onvrije, door langdurige ziekte gefolterd op zijn bed te moeten sterven en als deze naer de zael van Hela8 te dalen. Door deze begrippen geleid, bragten velen zichzelven, nadat zij vooraf de wigchelarij daarover geraedpleegd hadden, met het zwaerd den dood toe wanneer eene hevige ziekte hen overviel, ten einde alzoo regtstreeks naer de goden te varen.”

En zoo was het, genegene lezer:

Als een van Bato’s kroost, na lang en smartvol lijden,

Zijn strijdbijl of zijn zwaard daar doelloos hangen zag,

Dan kiemde soms de lust van d’aard zich te bevrijden,

Dan slaakte hij den wensch: mogt ik het dezen dag!

»’t Is eervol,” zei hij dan, »te leven of te sterven:

Te leven op de jagt, te sneuvlen op het veld;

Waarom, Walkuren7! moest ik deze gunste derven?

Groot, groot toch is het loon te sneuvlen als een held!”

Zie, daar treedt een priester nader

Met een langen, witten baard;

En de kranke zegt hem: »Vader!

Ik ben ’t leven moe op aard.

Nimmer mogt uw uitspraak falen.

Blusch ik zelf mijn lichttoorts uit:

Toeven mij Walhalla’s zalen,

Of neemt Hela8 mij ten buit?”—

»Hoor” dus zegt de priester plegtig,

»’t Vooglenheir en ’t heilig ros9;

Vriend, de goden zijn geregtig,

Maak uw band met Midgard10 los.

’t Voegt den held als held te sterven;

Dappre, ’t is de wil der goôn;

Hela zal u niet verwerven:

In Walhalla is uw loon.”

Een lach omplooit zijn mond; hij neemt het duchtig wapen,

Het zware slagzwaard op, en zwaait het om zich heen;

Wat dof en hol gekraak! hij treft zich aan de slapen:

Het was der goden wil, zijn lichttoorts was gedoofd.

»Het lijk eens gesneuvelden vorsten,” aldus vervolgt Blommaert, »werd op een versierd bed gelegd, en in het beste gewaed of wapenrusting gehuld, getooid met zwaerd en schild.

»En uitgestrekt en koud ziet men den held daar liggen,

Gekleed in wapendos, en naast hem schild en zwaard;

Als markbod was hij steeds de voorste in de wiggen11,

Nu is hij in Walhal en beter dan op aard.”

Zoo spraken dan welligt de vrienden en allen die hem kwamen bezoeken, en die gedurende drie nachten en drie dagen12 daar de lijkwacht hielden. Men bragt den doode dronken toe, en hief liederen te zijner gedachtenis aan.

Zoo bijv.:

Het was Alfadurs wil dat deze held ging scheiden;

Heft dus den horen op, wijl hij zich reeds verblijdt

Bij ’t roemrucht voorgeslacht. Geëindigd is zijn lijden;

Heft, heft den horen op; hem zij dees dronk gewijd!

»Dan had eene uitvaert plaets. De doode, door zyn geslacht en gebueren gevolgd, werd naer de begraefplaets gedragen, gewoonlijk (let wel) in de nabyheid van het woud of de kerk der landstreek. Daer werd het doodenmael gehouden, het lijk op een houtstapel tot assche verbrand en deze, in eene lijkbus verzameld, werd met een zodenheuvel overdekt of in den grond van het gemeen kerkhof bijgezet. Deze lijkbrand had gewoonlijk des avonds plaets bij ondergaende zon, hetwelk microcosmisch voor den dood van Baldur werd gehouden, en de plegtigheden, by de begrafenis van Baldur gevolgd en zoo juist in de Edda beschreven, zullen wel te dezer gelegenheid gevolgd zijn geweest. By den lijkbrand van vorsten of uitstekende wijkingen verbrandde men op den zelfden scheijerstapel met den held ook zijn paard, en hefte men lofliederen ter hunner eere aan.”13

En de dagvorstin zonk neder

En verloor zich achter ’t woud,

En de bleeke maan steeg teder

Boven bosch en kreupelhout.

Langzaam vloot langs de IJsselboorden

’t Water tot in de oceaan.

En in velerlei akkoorden

Hieven vooglen ’t danklied aan.

Ziet, een lijkstoet treedt uit ’t lommer,

En een ros bij toom geleid.

’t Manlijk wezen tuigt van kommer,

Doch niet een die tranen schreit.14

Hoog, van uitgelezen twijgen,15

Is de houtmijt opgeregt;

Hoog zal dra de vlam ook stijgen,

Is het lijk er op gelegd.

Weldra spelen rosse vlammen

Dartel spel met lijk en paard;

Daarna wordt de asch des krijgshelds

Liefdevol bijeen vergaard.

En een grijsaard, oud van dagen,

Spreekt intusschen van den held,16

Hoe hij strijden kon en jagen;

Alles, alles wordt vermeld.

Allen blijven ’t doodmaal vieren,

Allen die genoodigd zijn,

En mogt hun geen rouwfloers sieren,

Geener rouwe was in schijn.

Weer den horen volgeschonken,

Nog een lijkdronk ingesteld,

Ter gedachtenis geklonken

Van den afgestorven held.

„De heidensche begraefplaetsen—ten slotte—bestonden in grafheuvelen voor enkele personen of voor een gansch geslacht, en in gemeene begraefplaetsen.”

Zien wij nu wat wij weder voor de punten onzer beschrijving hiervan kunnen toepassen.

Dat men ook hier prijs stelde op eene heilige begraafplaats, bleek reeds doordat dezelve aan den IJssel ligt. Dat men begroef in de nabijheid van het heilig bosch, kan ook op deze plaats, als bij het schakenbosch liggende, worden toegepast.

Het sterkste bewijs voor dit hoofdstuk is dit:

De heidenen verbrandden hunne lijken, en was het een persoon van aanzien, dan werd ook het ros mede verbrand. En ook dit, geachte lezer, is ons gebleken in het grijze Oudewater. Zoodanige voorvaderlijke begraafplaats werd er ontdekt in den omtrek der kerk.

Ach, wie dacht er echter aan, toen men, eenige weken geleden, op dat gedeelte der oude heidensche begraafplaats waar nu een kaaspakhuis staat, in laatstgenoemd gebouw den bodem verlagende, men eene menigte verbrande houtskoolbeenderen, waaronder de overblijfselen van een paard, en asch ontdekte?17 Ach, wie dacht er aan, herhalen wij, dat men de rustplaats schond van—wie weet het—welken dapperen voorvader, en men de beenderen verwijderde van zijn moedig ros, dat hem zoo fier welligt rondvoerde door de digte drommen van moordende vijanden? Ach, wie dacht er aan, toen het werkvolk de deels wel verschroeide doch nog niet geheel verbrande dierenbeenderen—het moet uit de pen—verkocht aan een beenderenkoopman: dat men overblijfselen verkocht eener heidensche begrafenis?

Eerst toen een en ander reeds ontruimd en op elkander gereden was, vernamen wij, dat zulks gevonden was, en toch, wij weten niet welk gevoel ons overmeesterde toen wij daarbuiten op den aardhoop die wezenlijk eerwaardige overblijfselen verstrooid vonden liggen; toen wij van het vele een stukje geroosterd been en houtskool medenamen om die zorgvuldig te bewaren. Welk gevoel overmeesterde ons het meest? Was het de interessante ontdekking voor mijne geboorteplaats, of het gevoel, overblijfselen te bezitten—hoe nietig ook—van hem die ook eenmaal hier leefde en ontsliep met de zalige hope, om in Walhalla den nectar te drinken uit de bekkeneelen van verslagen vijanden; van hem, wiens lijk en strijdros eenmaal daar, in het tegenwoordige Oudewater, ten voedsel dienden aan de rosse vlammen van den grooten houtmijt, hoog opflikkerende langs de bevallige IJsselboorden? Wie zegt het? Zeker altans, wij keerden zonderling aangedaan huiswaarts.

Vraagt gij, geachte lezer: Waar is de heuvel? waar de urne?—het wederwoord is: de heuvel is reeds vroeger geslecht, welligt toen de eerste hut of het eerste huis daarop gebouwd is. En de urne zal waarschijnlijk òf verbroken òf welligt tot huiselijk gebruik zijn ingerigt. Alleen de houtskolen en de beenderen bleven en werden onder de dit jaar opgebrokene bevloering bedolven, dewijl de industrie van het verkoopen der kalkachtige overblijfselen van dieren en, helaas! ook van menschen toen nog niet zoo in gebruik was.

Wie zal het echter nu nog ontkennen hetgeen aan het hoofd dezes staat: In den omtrek der groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.

c. Het Helletje.

In den loop der mythologische schets is de godin Hela reeds menigmalen ter sprake geweest, het is hier echter de plaats iets meer van deze neder te schrijven.

Hela is de godin der benedenwereld. Zij doodt of vervolgt niet, zij neemt slechts de zielen in bewaring der menschen die op hun bed sterven, en houdt ze onverbiddelijk in hare woning vast. Zij is half zwart en menschenkleurig, somtijds geheel zwart; zij reed op een driebeenig paard rond, pest en ziekten verkondigend.18

Zij is de dochter van den boozen Loki en van eene reuzin.19 Zij was het die Baldur niet wilde laten gaan nadat hij met misteltein gedood was, en zij staat alzoo met de dooden en begraafplaatsen in verband.

Overigens—zegt Buddingh20—schijnt in de water- en vuurdienst een gebruik bij uitingen te hebben plaats gehad, waarvan wij meenen dat ook ten onzent nog hoewel zwakke sporen aanwezig zijn, namelijk dat men de dooden gaarne over een stroomend water, eene helrivier, een meer of zoo iets heen voerde, hetzij dan naar het begrip der ouden naar Chimle (den hemel) of naar het gebied der doodsgodin Hela.

Ook nu weder zullen wij bij vergelijking tot zeer interessante gevolgtrekkingen komen.

Op het oude kerkhof, aan het zuidelijk gedeelte des torens, staat een huisje, het Helletje genaamd. Bij al het voorgaande dat wij reeds van dit kerkhof weten, herinnert dit Helletje zoo duidelijk aan de beheerscheres der dooden, Hela, dat hier, o. i., geen twijfel over is, te meer nog daar men, zooals werd aangehaald, de dooden zoo gaarne over een stroomend water voerde; ook dit toch was de rusteloos stroomende IJssel, waaraan ook het Helletje ligt.

De geachte lezer nu zal wel begrijpen, dat daar waar Hela dus hier eertijds woonde, waar zij hare heerschappij over de dooden uitoefende: de plaats Hela genoemd werd, en dat de woning of woningen, hier nader gebouwd, den naam van de beheerscheres der dooden uit de Noordsche Mythologie bleef behouden. Indien hij dit aanneemt, zooals wij dit aannemen, dan hebben wij ook door dit vertoog een bewijs te meer aangebragt, dat het kerkhof eene heidensche begraafplaats geweest is.

d. De begraafplaats der heidenen wordt het kerkhof der Christenen.

Het voorloopig laatste bewijs, dat de bewuste plaats vroeger eene plek was waar het stoffelijk overschot der heidenen bewaard werd, zal nu vermeld worden.

Alles, geachte lezer! wat hiervoren aangehaald is om te bewijzen dat de bewuste plaats wezenlijk eene heidensche begraafplaats was, wordt versterkt door de zaak die wij nu nog alleen kunnen beoordeelen, dat die plaats een Christen-kerkhof werd.

Omtrent vele plaatsen uit ons dierbaar vaderland is dit reeds ten duidelijkste gebleken.

En dit verwondere niemand. De ouden reeds, zagen wij immers dat zoo veel eerbied betoonden aan het stoffelijk overschot hunner dooden, en die eerbied was nog geenszins verflaauwd toen de ijverige geloofsverkondigers ook hier het evangelie kwamen verkondigen. Deze predikers nu moesten natuurlijk zooveel uitroeijen, dat met de kerk in strijd was. Zouden zij hun nu ook de plaats niet laten waar de assche hunner vaderen rustte en waar zij ook eenmaal hoopten te zijn? Neen, ook hier werd zeer wijsselijk besloten, ten einde hen te spoediger voor het omhelzen der nieuwe leer te bewegen, de oude rustplaats der dooden te behouden. Daardoor had hij, de nieuw bekeerde, immers de zoete hoop, bij zijne vaderen te rusten, die, wel is waar, in Walhalla ontslapen waren; doch beider stoffe zou zich nader toch vereenigen, alhoewel de Christenen het begraven van lijken invoerden. En het geschiedde: de begraafplaats der heidenen werd ook in Oudewater het kerkhof der Christenen, en de assche van heiden en de beenderen van Christenen zijn beiden langs den IJsseloever vereend, en weelderig voedt zich het spigtig kerkhofgras met de zwarte aarde die van beiden overbleef. Bij het onwetend ontdekken der heidensche begraafplaats, hiervoren vermeld, vond men ook een aantal menschenbeenderen. Men had er eerbied voor, en zij werden weder in den grond bedolven onder de nieuwe bevloering.

Ach, smaken zij die rust, die stille rust, die wij eenmaal ook onze assche toewenschen! Denke er zoo ieder over; wij zagen het immers: levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht, slechts in tweederlei woning: in die der werkzaamheid en rust.


1 Woordenboek der Nederlandsche Mythologie. 

2 Tydeman. Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie. 

3 Ook de waterkom tusschen Utrecht en Oudewater is, naar men zegt, grondeloos. (Zie over dit watervlak ook bladz. 99 dezer beschrijving.) 

4 Tydeman, Mythologie, 295. 

5 Blommaert, Aloude geschiedenis, bladz. 143–146. 

6 De schrijver noemt hier bij voorkeur zijne natie. Deze woorden »des Belgs” gelieve onze natie te beschouwen als »van onzen voorvader”, dewijl dat gebruik, of liever die begeerte ook hier kan toegepast worden.

De Schrijver. 

7 De Walkuren reden onzigtbaar voorop in den strijd, en kozen de helden die sneuvelen zouden. 

8 Hela was de heerscheresse der doodenwereld. Alhoewel de benaming »hel” als strafplaats voor een zondig aardsch leven in eenige noordsche talen aan Hela schijnt te doen denken, zoo kunnen zoogenaamde veelweters de hel hierom niet wegcijferen. Dan toch zou het woord »God”, dat de heidenen ook hadden, ook slechts eene ijdele klank zijn, en wij weten het immers, dat onze Goddelijke Verlosser, de bron van alle waarheid, dikwijls van die strafplaats gesproken heeft. Men begrijpe ons dus wel. Alleen de klank van de Hela in de fabelleer der heidenen en de hel in de Godsdienst der Christenen biedt overeenkomst aan. 

9 Naar het geluid der vogelen en het gehinnik der rossen werden vele zaken geregeld. 

10 Midgard is de aarde. 

11 Deze volkeren voerden hunne voetknechten aan in het uiterlijk van wiggen. Zoodanige wig—door de Romeinen Cuneus genoemd—diende om de slagorde der vijanden van een te splijten. De hoogsten in rang waren steeds de eersten of voorsten, dat vorst werd. Weder een overgang, geachte lezer. 

12 Men weet dat zij bij nachten telden, niet bij dagen. 

13 Blommaert. 

14 Schreijen was te week voor den krachtigen voorvader. 

15 Men had eene of meer houtsoorten die het liefst voor lijkbrand gebezigd werden. Certis lignis, zegt Tacitus. 

16 „En terwijl de rossche vlammen nu blinken dan bezwijmen, op en omstralen naar alle zijden, de lijkmijt in vollen brand staat en den kring der aanwezigen sterker en sterker verlicht met een aanwakkerenden rooden gloed, heft de aanvoerder Chrenebedar een schril gehuil en ontzettend gekrijt aan, luid roepende den naam des dooden, en zijne stem verheffende met akelige kracht, totdat de lijkbrand heeft uitgeblaakt, de mijt is verteerd, en geen vlamme meer opflikkert uit den zaamgestorten hoop.” Hofdijk, Historische landschappen, bladz. 76 en 77. 

17 Dit gebouw staat aan de N.W.zijde des kerktorens aan den hoek der straat en is op het kadaster aangeduid als 825.

De vochtige houtskolen zagen de werklieden voor steenkolen aan.

De beenderen waren dikwijls tot groote onregelmatige stukken, waarschijnlijk door het vet, in elkander geschroeid en hadden—gevoegd bij den vochtigen grond waarin zij waren—eene aanmerkelijke zwaarte. De ontruiming had plaats in 1858. 

18 Blommaert, 123. 

19 Van den Bergh. 

20 Buddingh, 148. 

BEGRAFENISPLEGTIGHEDEN VOORHEEN EN NU.

»En wat ik al gaarne bijwoon of niet—men zal mij al zeer ligt bij een Christelijk feest aantreffen.

Ook vindt gij mij ligt bij eene begrafenis, als als ik mijn medemensch ten grave breng. Hoewel mijne ziel dan geene vreugde vindt, zoo is er toch nog eene gedachte in die ure, welke mij met een zachten vrede vervult, het is de gedachte: deze is dan ook wederom ten einde van zijne loopbaan gekomen, heeft gestreden en geleden en is den laatsten kamp te boven.”

Ds. Heldring.

Het kwam ons niet ongepast voor, eenmaal aan de begrafenisplegtigheden der heidenen bezig zijnde, nog iets weinigs daarvan te herhalen en ook nu weder daarna te zien wat wij nog in onzen tijd als gewijzigde heidensche overblijfselen daarvan te beschouwen hebben.

Bij de heidenen zagen wij, als iemand het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, hem dronken ter eere brengen en bezoeken.

Ook in onzen tijd komt men dikwijls ten sterfhuize om den doode te zien, en al brengt men hem nu geen dronken meer toe: de stille traan, heenbiggelende over de heete wang, en uw gezegde: »hij was groot en regtschapen” zegt niet minder.

Bij de heidenen had men reeds een lijk-aanvoerder, die met de regeling der begrafenis belast werd, Chrene bedar genaamd. Hierin zijn onze woorden grienen, huilen voor Chrene, en bidder voor bedar. De overeenstemming is zeer opmerkelijk.

Boerenbegrafenissen zijn alhier nog het meest eigenaartig en het meest met het grijs verledene instemmende.

Ook Hofdijk maakt hiervan gewag. Zie slechts wat hij op bladz. 75 van zijne »Historische landschappen” zegt, over eene begrafenis der ouden schrijvende:

»Ware het nu spade schemering en niet slechts dalende zonne, zoodat u de aloude dragt en het voorkomen der Germanen niet in het oog viel en gij slechts de donkere gedaanten langs u voorbij zaagt gaan—gij zoudt gelooven eene gewone dorpsbegrafenis te hebben aanschouwd.

»Ook thans nog treft u de overeenkomst van het eerwaardig gebruik”, en Buddingh, het zelfde onderwerp beschrijvende, meldt in dezer voege: »dat men bij begrafenissen ook steeds veel prijs stelde (vroeger en ten platten lande meer dan thans in de steden) op het beijeren, op het bombam van klokken, ten einde daardoor den duivel te verschrikken of van het lijk te houden, schijnt wel eenigzins ons vermoeden te bevestigen, dat men ook in het heidendom dat bombambeijeren, hetzij dan van klokken of hoedanig ook, gekend hebbe.” Hoe dit zij: ook in Oudewater worden nog zelden de klokken voor lijken van stedelingen, minder zelden voor gestorven buitenmenschen geluid. Als er dan hier een doode is en de familie of betrekkingen willen de begrafenis naar aloud gebruik doen plaats hebben, dan wordt hij, zoo men dat noemt, eerst overluid, hetwelk zich daardoor opmerkt, dat men driemaal met eene klok klept die ligt van klank is; daarna gaat men met groote klokken aan het luiden, en bij mannelijke dooden is de plegtigheid nu vooreerst hiermede gedaan.

Is het echter eene vrouw, die gestorven is, dan klept men nog eens na het luiden ter onderscheiding.1

Zooals reeds werd opgemerkt, gaat men dan den doode bezoeken, en onder het klokkengelui wordt het lijk daarna begraven. Dit klokkengelui begint voor de buitenmenschen zoodra men aan de grens der gemeente is, waar omstreeks het lijk van den wagen wordt genomen en de stad doorgedragen. Ook zij die het lijk vergezellen, volgen dan loopende achter de baar.2 Bezie dezen optogt nu wat nader. Zie, daar gaat nog, als ten tijde van het heidendom, de lijkaanvoerder of bidder; ter zijde van dezen loopt3 een agent van policie, dan volgen de dragers met de zwarte lijkbaar, en daarachter de nabestaanden, vrienden en geburen, de mannen met rouwfloers om den hoed, soms tot aan de kniën van achter afdalende, de vrouwen insgelijks in rouwgewaad met regenkleeden over het hoofd, waarachter hun aangezigt soms bijna geheel wegschuilt.

Het gebruik dezer regenkleeden is zeer oud. Eeuwen en eeuwen terug droeg men die immer in het dagelijksch leven: zoodanig hoofdkleed was toen gebruikelijk. Men ziet het reeds eenigzins op de teekening eener vrije vrouw uit de 10de eeuw, en de afbeelding eener bejaarde vrouw uit de 15de eeuw4 heeft dit veel duidelijker. Hoe de wijze van kleederdragt ook veranderde: dan, als men in rouwe gedompeld was, behield men dit en behoudt men dit nog tot in onzen tijd.5

Terwijl wij dit opmerken, zijn wij reeds het kerkhof genaderd, het stoffelijk overschot wordt in de groeve nedergelaten, en nadat men nog eenmaal heeft gezien in het graf, dat weldra de asch des dierbaren afgestorvene zal bevatten, verlaat men den Godsakker, onder luid geween of verborgen smarte, zooals men hem betrad. Weder aan de grens der stad gekomen, houdt men nu met klokkenluiden op, en bidder en agent verwijderen zich.

Men denke echter niet dat men nu zonder bidder is; neen, van den eersten dag dat het lijk er was, wordt naar aloud gebruik de eerste buurman, naar de stad of beter naar het kerkhof aan wonende, tot groefbidder benoemd. Die belast zich dan met de meeste werkzaamheden aan de begrafenisplegtigheden verbonden, en bij dien aan huis wordt ook het „vetje” of doodmaal gehouden.—„Doodmaal!” zegt gij welligt, „dit had ook, zooals hiervoren bleek, reeds in het heidendom plaats!” en uwe aanmerking is teregt.

Prikkelt dit welligt uwe weetgierigheid hiervan iets meer te weten, zoo luister:

»Wat de begrafenismaaltijden en lijkburen onder het heidendom waren,” zegt Buddingh, bladz. 147, »schijnt ons toe, te blijken door hetgene Aug. Schrader, Germ. Myth. 1843 (uit Boltens »Gesch. der alten Ditmarsen”, I, 315, enz.) aanhaalt, welke laatste berigt, dat het heidendom gewoon was, na het ter aarde bestellen der asch aan ieder die deze plegtigheid hetzij uit aanverwantschap of nabuurschap had bijgewoond, een hoorn of houten schaal met bier of andere dranken gevuld, aan te bieden, die men eerst ter eere der goden, daarna ook van den afgestorvene ledigde.”

Bij al het voorgaande wat wij reeds van de begrafenisplegtigheden voorheen en nu met elkander vergeleken en de treffende overeenkomst zagen, komt de zaak dat de buren er bij waren in aanzien. Den buurman toch zagen wij reeds groefbidder; de buurman spant niet zelden zijne paarden voor den lijkwagen; bij den buurman vindt ook het lijkmaal plaats, en waarin bestaat dit—bij de heidenen, zagen wij, in bier; en waarin nog—in brood en bier.

»Het heidendom,” dus zegt Buddingh nog, »schijnt echter een duidelijk onderscheid gemaakt te hebben tusschen dezulken die aan eene ziekte, en anderen die in den oorlog of een gevecht overleden of gevallen waren. De eersten werden in het Noorden Bior (ons Piers) genoemd.” Het verschil is hiervoren reeds aangetoond, doch indien het dus waar is (waaraan wij niet twijfelen) dat een buiten het gevecht gestorvene, piers genoemd werd, dan verklaren wij daaruit tevens ons Oudewatersch spreekwoord: »hij is zoo dood als een pier”.

Grootendeels en nu voorloopig genoeg, hebben wij de mythologie van Oudewater en omtrek beschreven. Voorloopig genoeg, zeggen wij: hoe ligt toch zal het plaats kunnen hebben, dat, bij het vermelden van historische feiten, daarin nog mythologische daadzaken zijn doorweven, die dus met elkander een geschiedkundig geheel zullen uitmaken. Alleenlijk noemen wij nu de heksenwaag.

Bij het schrijven over de natuurleer onzer vaderen, hopen wij, zaken te hebben aan het licht gebragt, die eeuwen hier in dit belangwekkend oord plaats hadden en eeuwen daarna met een onzigtbaren sluijer tijdens het Christendom waren bedekt, en toch hebben wij het gewaagd dien sluijer op te ligten en rond te zoeken in den mythologischen chaos van weleer.

Mogen deze woorden—hopen wij—niet euvel worden opgenomen! Indien wij toch, vóór er iets van de Mythologie dezer belangwekkende plaats in het licht was, door bestudeerden ons de aanmerking hoorden maken met een spottenden trek op het gelaat; hoe het mogelijk was? Oudewater mythologisch te beschouwen; dan moet er wel een dikke sluijer over heen gespreid zijn geweest.

Omtrent vele facta hiervoren vermeld, zal men ongeloovig de schouders ophalen, en als zoodanig getroostten wij ons reeds vele aanmerkingen van onbevoegde beoordeelaars. Bijna alles echter wat vermeld is, schreven wij meest op het gezag van geleerden, en wij maakten voor Oudewater en omtrek de toepassing, verkregen—wij durven het zeggen—door langdurige studie en scherp onderzoek; en wij passen nu gerust de woorden van Hofdijk toe ook op dit oord: »Zoo gaat het oude heidendom, al is het ook met gemaskerd, met dikwerf gansch verhuld gelaat, nog altoos onder ons rond.” Men neme echter in aanmerking, dat de vermelde daadzaken brokstukken, niet dan hier en daar verspreidde bouwstoffen zijn van het gebouw, dat verdwenen is—eene mythologie van ons land. Velen hebben reeds met verbazende inspanning hunne krachten aangewend, die bouwstoffen uit het stof der eeuwen op te rakelen, echter niet om de mythologie weder in te voeren, zooals met pedante dwaasheid wel gezegd werd, doch om leven, zijn en denken, nader te leeren kennen van ons roemrucht voorgeslacht waaraan wij zooveel verpligt zijn.

Dit was dan ook eene onzer drijfveeren, bij deze beschrijving, en wanneer later velen uit ons vaderland door het opduiken van mythologische overblijfselen uit het oord hunner bewoning—al is het ook in het oog van velen belagchelijk die in kinderspel enz. te zoeken—wanneer velen dan hunne bouwstoffen hebben aangebragt, dan vindt men welligt door schifting, wrijving en vergelijking daarvan onderling, het grootste gedeelte weder der mythologie onzer vaderen, die men voor altijd dacht opgelost in den onstuimigen en woeligen tijd-oceaan.

Hierdoor zal men dan ook nog betere contrasten kunnen zien tusschen heidensche godendienst en Christen Godsdienst; dan zal het duistere van het heidendom, dat viel en diep viel, al sterker en sterker afsteken bij het lichtende Christengeloof; dan zullen wij ons nog meer dankbaar gevoelen omtrent de eerste predikers van het Christendom in ons dierbaar vaderland.

Alzoo gingen wij dan door met de mythologische beschrijving, met den ijver van dit onderzoek immers kwam, zooals wij zagen, ook allengs de overtuiging van het nut daarvan. De fragmenten die wij opmerkten, leerden ons zien wat heidensch en verderfelijk is in onzen tijd, en mede wat onmiskenbaar verhevens tevens zij hadden die in den nacht van ongeloof omdoolden en zich nog niet konden verwarmen aan de koesterende stralen van het gezegende Christendom; die fragmenten leerden ons oordeelen over het geheel dat verloren is,—deden ons eindelijk zien, dat deze plaats of gepaster dit oord reeds vóór de invoering van het Christendom in ons vaderland, bewoond werd door onze voorouders van Germaanschen stam. Welke echter de namen onzer voorouders in deze oorden waren, zij ons vergund onder ons geschiedkundig gedeelte te beschrijven, dat nu aan de beurt is.


1 Welligt nemen ons sommige uit de schoone sekse het kwalijk indien wij het wereldkundig maken waarom men zegt dat dit naklepje is. Nu, laat ons het dan verzwijgen, dat men dit doorgaans beschouwt, omdat velen harer bij hun leven steeds het laatste woord willende hebben, men haar dit ook bij haren dood toekent. 

2 Alle overledenen van buiten, wie ook, worden naar de stad gereden. Voor nabestaanden die dit niet kunnen bekostigen, wordt het gratis gedaan, meestal door de buren. In de buurt Willeskop zelfs wordt de lijkwagen, ook van den minsten daggelder, door vier paarden getrokken. 

3 Dit laatste echter niet als ten tijde van het heidendom. 

4 Beiden naar Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden

5 Ook de kap der nonnen laat dit oude hoofdkleed nog zien; ook die veranderden hun kleed niet, hoe dit bij anderen mogt wisselen.