Oudewaters naamreden hebben wij in onze geologische schets reeds getracht te verklaren.
Oudewater is gelegen in het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland, aan den Hollandschen IJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands van Schoonhoven en Woerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen driehoek vormt.1
Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou—volgens de getuigenis van den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius—dit plaatsje omtrent het jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop van Utrecht tot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners, benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden zijn geschonken.2
Zooals men dus bemerkt, behoorde Oudewater reeds zeer vroeg, ook wat het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen van Utrecht; totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den winter” (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop van Utrecht, deze plaats nevens andere steden, voor een zekere somme gelds, aan zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen.3
Tengevolge dezer verpanding, behoorde Oudewater nu onder Holland en wel onder het oude Noord Holland, want deze landstreek werd alzoo genoemd, omdat zij ten noorden van den IJssel lag.4
Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus in dien tijd steeds aan Holland en de goederen van het graafschap gebleven was, heeft keizerin Margaretha, als gravin van Holland, die na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen, het bestuur over Holland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt verleend, dat Oudewater nooit meer van de Graaflijkheid van Holland gescheiden zoude mogen worden.5
Intusschen begon Oudewater reeds eene vrij aanmerkelijke plaats te worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319 het Lombardshuis alhier, tot ’s Graven weder opzeggings toe gegeven werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de Lombardhuizen eerst in 1327 te Schiedam, iets voor 1342 te Delft waren, terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf Willem den III aan den Bisschop van Suden, om die van Oudewater 200 »pont suarter tornoys” te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.
Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het voor en na ontvangen van een aantal regten en privilegiën. Zoo werd door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters van Oudewater niet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten gaan halen bij Schepenen van Oudewater, voorzeker geen geringe onderscheiding.
In 1324 werd aan die van Oudewater verlof verleend, om buitenlieden, mits »goede knapen” zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen gebruik gemaakt hebben.
In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt, al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn, zooals uit het stuk zelve is op te maken.
In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen van Woerden, te Oudewater moest ter markt gebragt worden, op een boete van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken, dat eene verpachting van ’s Graven »Gruiten” te Oudewater voor vijf jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden” van Oudewater door denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester van Zuid Holland gebood dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen.”
In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stad Oudewater door keizerin Margaretha als gravin van Holland, geconfirmeerd werd, in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten, in dit zelfde jaar (1346) aan Oudewater het privilegie schonk, om het nooit meer van de Graaflijkheid van Holland te scheiden.6
Tot dus verre was alles in Oudewater vrij rustig toegegaan, indien wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel, dreigende wolken te zamen, waarvan Oudewater en deszelfs bewoners weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.
Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel, zich eene telg van een der adelijkste huizen van Holland, Heere Jan van Arkel, bevond.
Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los te maken.” Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nu Oudewater voor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de jeugdige gemijterde Oudewater aantastte, en dat op den dag na Maria Boodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen en legertenten voor Oudewater gezien werden.”
»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg, Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders.7 De kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed, ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid, waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige zwaard!”
»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid en eenige Utrechtsche Raadslieden, waren in een der weinige huizen, die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen, wat men met den puinhoop zou aanvangen.
»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar echtgenoot in de bres gevallen is. Misschien, dat de Stichtschen, haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,—ik doorzie het, nu zij met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt haar doel—één punt des tijds—Zie hoe het vlamt! nog een wijle—het knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop, een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, van Utrechts achtbaren zoeken zal.”8
Toen nu de Hollanders vernomen hadden, dat Oudewater aldus door de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en stad en toog met deze heirkracht tot bij Schoonhoven. De poorters uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger der Hollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er lang en heet gevochten was, behielden die van Utrecht het slagveld en behaalden wederom de victorie. Vele Hollandsche edelen werden gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent Sinte Martijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap.9
Dan, keeren wij tot Oudewater terug. In hetzelfde jaar 1349, toen de kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook het zoo zeer geschokte Oudewater ruimschoots deel nam.
Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen, kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar gemaal naar Beijeren ontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels der regering in handen te nemen.
Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen, doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte.10
De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bij Schoonhoven gesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel aan toe.
Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, van Holland, Zeeland en West-Vriesland, behoudende voor haar alleen Henegouwen zoo lang zij leefde.
De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349 te Munchen in Beijeren gegeven, en werden sedert te Geertruidenberg bezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote getale, en door de steden Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Leiden, Geertruidenberg, Delft, Haarlem, Alkmaar, Amsterdam en Oudewater die te dezer tijden, de aanzienlijkste steden van Holland, Zeeland en West-Vriesland waren.11
Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden, om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.
Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd, zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naar Holland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350, de ridders, knapen en steden waaronder ook Oudewater, die hem hulde gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige maanden—naauwelijks toch had Willem afstand van ’s lands regeringe gedaan of hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden, onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.
Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan, sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.
De steden nu, die zijne zijde hielden, waren Dordrecht, Delft, Leiden, Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Medemblik, Oudewater, Geertruidenberg, Schiedam en Rotterdam, waarbij zich kort daarna ook Vlaardingen voegde.12
Terwijl wij Oudewater nu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen, laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei herlevende Oudewater terug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351 van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt, zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte, met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel” waardoor Oudewater ten minste van die zijde eenige verademing kreeg.13
In hetzelfde jaar, bleef Oudewater met de andere steden van Holland borg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna, dochter van den hertog van Braband en weduwe van Willem den IV, Grave van Holland nog te eischen had.14
Dordrecht en de elf andere steden—waaronder ook Oudewater—bevroedende, dat zij de meeste lasten van den binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen een bijzonder verbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor schade te bevrijden.15
Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte vrede tot stand, en de graafschappen van Holland en Zeeland benevens de heerlijkheid van Vriesland gingen nu van het stamhuis van Henegouwen in dat van Beijeren over,16 en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeld Oudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355, en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen.17
Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver van Wijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de Bisschop niet gelukkig zijnde met het op de been brengen van vele wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders aldus weinig tegenstand in het Sticht.18
»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten, door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren weg na Oudewater ende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede van Montfoort, en die van Montfoort waren op die tydt groote vrienden ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters van Montfoort vernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer Zweer van Montfoort haren heere op dien tijd binnen Utrecht was, zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen, ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle haar soudenieren ghevangen.”19
In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door den Burggrave van Montfoort weder ontslagen.
De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno 1356 eene vrede tusschen Holland en het Sticht tot stand kwam.
In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart benoemd.20
Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrent Oudewater aantreffen, is eene vergunning om zijne landpoorters, buiten den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over den IJssel bij Oudewater, »wit onse stede overgaende op ten gaenwech van den IJsseldijc.”
Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan ook Oudewater gedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367 een accoord tusschen Oudewater en het Waterschap van Woerden getroffen werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over de Linschoten; en een belofte der hoogheemraden van Woerden om de sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.
Het eerst, dat wij Oudewater nu weder in de historiebladen aantreffen, is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart van Holland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten wille, Oudewater vermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop van Luik, benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt, dat hij omtrent Oudewater hier op geen regt had21, of hij heeft zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan instede daarvan gegeven het Land van Voorne met de stad Briel.22
»Middellerwijl had Oudewater nu van de zijde der Utrechtenaars onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs opvolger Arnold van Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving weder veel te verduren.
Ook hij had met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig oorlog voeren hem eigen was. Ook hij had het met de Hollanders en den Hertog te kwaad en nadat eerst Zwammerdam en Naarden veel van hem geleden hadden, kreeg Oudewater zijn beurt.
»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent voor Oudewater en het was ten jare 1374””23 »Ik vind ergens aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield, en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden geboden, met storm innam.24 Ik durf voor de juistheid van deze aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uyt Oudewater LXXIII mannen.””25 »In ieder geval, het blijkt mij uit het feit van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van Arkel voor Oudewater een vrede houdende nabuur geweest is.”26
Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook over het stapelregt te Dordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380 tusschen den Burggrave van Leiden en die van deze stede Oudewater dusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hoog gestegen, dat Grave Albrecht van Beijeren als scheidsregter tusschen beide partijen optrad. Deze twist was »om der tollen tot Alphen ende daaromtrent.”27
In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd28 en ten jare 1393 werd Oudewater met eenige andere steden door hem vrij gesproken van alle stapelregt te Dordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid ontstaan was.29
Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten weder terug.
Die van Oudewater waren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste verwoeste en een andere telg »veel lude van Oudewater verwonnen hadde van Lyve ende van goede” ten minste zeker is het, dat die van Oudewater dan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij »in die heerscip van Haestrecht hadde gevangen, Melis Aerritssoen boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in der heerscip van Haestrecht woende.” De twist was van dien aard dat zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd.30
Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna Albrecht tot Grave van Holland werd verheven31 en als zoodanig komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden van Oudewater voor.
Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert dien tijd, had Albrecht groote genegenheid opgevat voor Aleida van Poelgeest, die te ’s Gravenhage bij hem ten hove was.32 Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ook Oudewater moest daaraan deel nemen.
Zie hier wat er van de zaak is:
Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer.33 De wrok steeg dermate, dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene wonden om.34
Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor eveneens het leven.35
De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen36 benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht, ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester, hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven en goed verbeurd te hebben.37
Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden van Oudewater omtrent dezen tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe, dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en, derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van den graaf aan die van Oudewater aangaande het aanhouden van een hunner poorters met zijn goed door den »tolner” van Gouda, waaromtrent zij hun beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt, dat hij »twee of drie of vier van den gerechte van Oudewater geerne geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende oic gemachticht van der stede wegen van Oudewater dat sy een entlic dadingh met hem ende synen rade aangaan mochte van den breucken die sy hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde.”38
Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen hebben” en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12 personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen heeft.”39 Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening het gevolg is geweest, verleende hij de stede Oudewater echter in het volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom van het stapelrecht40 te Dordrecht. Niet echter, dan nadat er ten jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand, ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke breuken als sy jegens ons misdaen hebben”41 kwam er eene meer gunstige stemming omtrent Oudewater in ’s graven gemoed, daar hij de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer van ter Goude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had, te houde tot den voorzegden tijd.42” Niet lang echter duurde het, of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:
Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn Plackaert gegeven tot Gorichem op ten dach ende in ’t Jair voirsz., allen sinen Tolneren van Holland ende van Zeeland, dat si der steede van Oudewater en horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden, veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende tot myns Heeren wederseggen.
Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach van der Poirteren goede ’t Oudewater die opgehouden waren voir die Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren van Oudewater, ende hoir goide veilich soude laten varen voir bi myns Heeren Tollen, tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten, op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is.”
Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het jaar 1394, aan Schiedam en Oudewater het oprigten eener stedelijke school vergund werd,43 dat zeer pleit voor den bloei, waarin te dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314) een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien van Oudewater te dien tijde, dat het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten, en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten.”
Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de stad Oudewater zelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag ten jare 1393 aan die van Oudewater bij oirconde beloofde, met Heer Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf voldaan waren44; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden van Oudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in den Haag waarbij de Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hij Woerden en Oudewater ten zelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die moeght leveren ten onsen wille.” Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden, zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan.45
Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen bevonden, als de Burggrave van Montfoort en de Burggrave van Leiden, dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van Albrecht met Oudewater niet meer te twijfelen viel.
Inmiddels ontvlugtte de Graaf van Oostervant, Albrechts zoon, die als de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde, Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.
Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in 1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave van Oostervant, en ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in ’s Hertogen gunste.46
De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen, die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging deelnemen. Der Hollandsche en Zeeuwsche steden werden, ten gevolge van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333 vermeld, vinden wij Oudewater vreemd genoeg, niet aangeteekend en hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van ’s Graven zijde, worden aangemerkt.
Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht ten jare 1400 met hen een bestand, zijnde Stavoren als toen de eenige stad in Vriesland die nog Hollandsche bezettingen hield.47
Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog geraakt waren48, en wij houden het er voor, dat het de waarheid is, trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners van Oudewater in 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo hadden die van Oudewater omtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge gedaan” aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande van Woerden, en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht, op voorwaarde, zij moesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van sestienhondert scilden.”49
Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van ’s Graven zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede, immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden” schonk hij Oudewater vrijdom voor zijne tollen te Sparendam en Heusden niet alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van alle diensten in Oost-Vriesland voor hem en zijne nazaten50, onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging van Oudewater op de grenzen van Holland, de voordeelen die uit het wel bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen.”
Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten, het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnen Oudewater, dat tot nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn.51
En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van graaf Albrecht, die direct op Oudewater betrekking hebben.52
Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere personen eenige hulp kon verkrijgen.53 Zoolang het dus niet hoog noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder en Rentmeester der grafelijke inkomsten van Holland bekleedde, niet zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering, doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp, dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog Albrecht openlijk den oorlog aan te doen.54
Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.
Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had, verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in ’s Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen, gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot rede te brengen.55
Willem verklaarde toen in 1401, het van Oudewater naburige Haastrecht, Vliste, Stolwijk en andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd, en bande hem ten eeuwige dage uit Holland. Arkel zeide hierop eerst den Hertog en56 kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.
Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad onzer beschrijving.
Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar57 zich uit, Oudewater was eene der sterkste grensvestingen van Holland. Ook werd zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van alle krijgstogten in Vriesland die hij zelve of zijne zoone niet bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij de stad trouwelijk bescherme zoude.58 Deze stad poogde Arkel te verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters.”
Weten wij nog uit de divisie kronijk59 dat hij voor Oudewater verscheen »met een deel ghewapenste volcx”, dan was het zeker een groote eer voor het stedeke Oudewater, dat het den verbitterden en heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.
Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen” leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle nachten te sluiten.60
Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een, van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.
Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd hij dan ook in het stedeke Oudewater zelve ingehuldigd61. Men ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die van Oudewater bevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.
Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der Graafschap van Holland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen, ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders Hertoghe Aelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe Steede, ende Poirteren van Oudewater vriendelick ontfangen hebben, ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen, tot onsen getrouwer Stede van Oudewater voorsz: derzelver onzer Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget, confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van onzen Voirvaders Graven te Holland, van onzen Lieven Heer ende Vader Hertoghe Aalbrecht voorsz: ende van ons bezeegeld hebben, ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer Steede ende Poirteren van Oudewater voorsz: dair in te houden, ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.
In Oirkonden &c. Gegeven in den Hage op ten xi. dach in Maert Anno xiiijc ende vier. Secundum Cursum.
Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering, met het vermelden van oude bescheiden en privilegien op Oudewater betrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf, de stad onzer beschrijving voor dat gemis aan voorregten schadeloos te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond 140562, vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stede Oudewater om van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogen eischen, en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het leven te berooven.
Het volgende privilegie in 1405 was ’s Graven vergunning, om binnen der stede gebied, eenen molen te mogen zetten; nog belooft Willem in dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande, Oudewater nimmer meer te zullen scheiden van de grafelijkheid van Holland, en tevens stelde hij die van Oudewater bij ander voorregt van dit jaar, vrij, van het betalen van morgen geld.63
In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën van graaf Willem omtrent Oudewater gewag gemaakt, doch in deze tijden werden er tusschen Oudewater en het nabij gelegen Woerden vele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld, dat de hoog-heemraden van Woerden aan Oudewater beloofden om de brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte, waarin de hoog-heemraden van den Lande van Woerden zich verbinden, de sluis binnen Oudewater liggende, te verlagen, met bijvoeging, dat wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd, die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.
Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die van Oudewater en oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij in 1414 toestond, om binnen Oudewater een nonnenklooster van de St. Franciscus orde van penetentiae te stichten64. En nu mijne lezers, willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt, en welke rol Oudewater er in speelt.
Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad, met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn van Frankrijk die in het jaar 1417, kinderloos overleed.
Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba, legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge, wendde hij zich tot de edelen en steden van Holland, die hij ter algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te huldigen65.
Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer beschrijving. Ook de Schouten, Burgemeesters, Schepenen en Raden66 van Oudewater hadden »plegtiglijk gezworen, dat zij Jacoba, Daufijne van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten, overlijden mogt, voor zijne erfdochter en leenvolgster erkennen, en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden zullende bijstaan.”
En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba, zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle steden van Holland, uitgenomen Dordrecht ingehuldigd.
Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, dat Oudewater zich aan de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.
Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van ’s Graven overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken en alras hadden zij zich van het naburige IJsselstein meester gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke weder spoedig aan ’s gravinne zijde was.—Hare regering begon alzoo niet gelukkig.
Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben; wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van de grafelijke kroon ging betwisten.
Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend, en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende,67 ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij zijne nicht bestookte.
Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog van Braband, waardoor de Landzaten naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.
Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van de gravin met den hertog van Braband in ernstige onderhandeling te treden.68 Ten jare 1418 kwam die verbintenis dan ook tot stand, en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave van Holland en Zeeland, wordende hij door de steden, waar onder ook Oudewater, als zoodanig gehuldigd.
Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.
Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel, wij vinden vermeld,69 dat de steden Haarlem, Delft en Leiden omtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove” 529½ engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.—Maar ook Oudewater, nevens zes andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te zullen dragen.70
Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een beleg van Dordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche steden, brieven afgezonden, om over het belegeren van Dordrecht te raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat Jacoba, nog in dit jaar, het verlies van Rotterdam te betreuren had, werd er omtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen gemaakt.71 In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld, dat het Baljuw- en Dijkgraafschap van Zuid-Holland aan de gravinne als »leengoed” werd afgestaan; Oudewater werd er ingelijks onder begrepen, wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende jaren, door de Hertogen van Brabant en Beijeren in het gemeen zouden geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog van Beijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.
Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en oir of erfgenaam aangenomen.
Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naar Brabant gereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar, ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen, en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het jaar 1420, Treneijs Pietersoon in Oudewater tot Schout benoemde,72 die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van zijne vrienden was.
Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421, Jan van Brabant noemt zijnen »lieven Neve” zoo kunnen wij die zoete woordjes niet te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij te Oudewater weder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van zijnen aanhang.73
Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.
Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had, om in het Sticht te vallen en onder anderen Amersfoort en Montfoort in te nemen.74
Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok tegen de Montfoortenaars dat die van Oudewater in het volgende jaar 1420 gretig de gelegenheid,—echter eene noodlottige gelegenheid—te baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen beneden Schoonhoven tot aan Oudewater toen reeds door het Sticht onder brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.
»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, en Montfoort koos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk van Montfoort, zich door een wakker wapenfeit vermaard.
»Bij een inval van die van Oudewater in ’t Sticht, trok Lodewijk in der haast te Montfoort zoo vele manschappen zamen, als er uit de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke, toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden; maar die van Oudewater moesten ’t eindelijk opgeven en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld; terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker eeren ende met sulcker gewin gedaen waren.”75
Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht voor Oudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die van Oudewater zich mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd, insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd” menigeen gevallen zijn.
Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan van Beijeren beoorlogen, doch Oudewater hoewel hoekschgezind, stond, schijnt het te veel onder van Beijeren, om zich niet aan zijne zijde te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.
De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken, en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen van Brabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan van Brabant, en weldra was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422) huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog van Glochester en ook hij noemde zich alras Grave van Henegouwen, van Holland, Zeeland, enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog van Glochester aantreffen, begint zich ook Philips, hertog van Beijeren als vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan te merken.
Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester, te Bergen gevangen genomen en naar Gent gevoerd. Zij wist echter hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en drie dagen daarna te Woudrichem zijnde, werd zij door heer Jan van Viane naar Oudewater, Schoonhoven en Gouda gevoerd en in die steden, waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne erkend.76
Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij uitersten wille aan Philips, hertog van Bourgondie, afgestaan, en nu maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.
Nu wist de hertog van Brabant spoedig te weeg te brengen, dat de Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch, mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo had zij in haren tegenspoed toch den troost, dat Oudewater, nevens Gouda en Schoonhoven, aan hare zijde bleven.
In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek door Jacoba’s tegenpartij tot stedehouder over Holland benoemd.
Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog overgegaan, wordende kort hierop het beleg voor Schoonhoven geslagen.
Jacoba, beducht voor Gouda, waar zij zich meest ophield, had den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap met Oudewater afgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij nu den naderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu in het jaar 142577 tot een gevecht bij Alphen. Die van Gouda, Schoonhoven en Oudewater vielen hen nu onvoorziens op het lijf,78 schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning, en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels van Haarlem, Leiden en Amsterdam, in vreugde en gejuich binnen Gouda.
Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij in Zeeland, waar de troepen der Gravin met hulp van die uit Engeland, in 1426 een gevecht bij Brouwershaven verloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar leger tot voor Haarlem en ook bij dien veldtogt, werd de banier van Oudewater aan hare zijde niet gemist;79 maar ook in dit beleg, keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen ramp na de anderen trof.
Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw80, toen zij zich in de grootste benaauwdheid te Gouda ophield, en haar huwelijk met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427: doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bij Wieringen bijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een leger op Gouda aan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.
Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren, wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den echt mogt treden, dat Philips de Regering van Holland bleef behouden onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.
Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog door Holland en Zeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der Landen doende huldigen.81 Slechts 7 weken na het verzoenen met de betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien veranderd had, in een acte omtrent Oudewater voor als Ruwaard.
Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang ontbloot zijnde:
Philips, by der Genaden Gods Hertoge van Bergoenjen, Graef van Vlaenderen, van Artoys en van Bourgoenjen, Palentyn, Heere van Salins en van Mechelen, Ruwaert over die Landen van Henegouwen, van Holland, van Zeeland, ende van Vriesland, doen kont allen luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede van Oudewater aen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, ’t welck is t’ alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz: recht te versetten maer een werve ’s jaers alsoo wy seggen, ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem geconfirmeert hadden; Soo is ’t dat wy om des besten wille belast hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten, die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen, tot die tyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken, ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt, alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des ’t oirkonde soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.
Gegeven in onsen Stede van Dordrecht, op den vyftienden dach van Augusto, in ’t Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht en twintich.