1 Batavia Sacra 2de Deel pag 164. Halma toon. der Nederlanden 2 D. pag. 133 en Rademaker, kabinet 4 D. pag. 223. 

2 Batavia Sacra 2de D. pag. 164. 

3 Van Kinschot, beschrijving van Oudewater pag. 5–8. 

4 Ibid. bladz. 1. 

5 ib. blz. 8. Het zij hier voorloopig aangestipt, dat deze vereeniging met Holland nog later door Graaf Willem den VI van Holland in het jaar 1404 is bevestigd geworden. 

6 Deze jaartallen en daadzaken omtrent de handvesten, privilegiën, enz. ontleenen wij voornamelijk aan de handvesten en privilegiën van Oudewater, bij van Kinschot, alwaar men die stukken in zijn geheel vindt opgenomen. Dit neme men ook in het vervolg dezer schets in gedachte. 

7 Ook Jan en Jacob van Driel,—de Schrijver. 

8 Zie Heda Historia bladz. 244 verg. van Duijn Oudewater’s Moord bladz. 43. Het laatste gedeelte dezer mededeeling is ontleend aan het Cl. Tielense bladz. 352 (overgenomen uit Dr. Römer’s bijdrage in de Utrechtsche Almanak getiteld Utrecht en Oudewater.). 

9 Diuisie Kronijk, fol. 136, van het Negende Cappittel vs. 

10 Wagenaar, Vaderlandsche Historie III D. bladz. 271–272. 

11 Ibid. bladz. 274 en 275. 

12 Ibid. bladz. 275–280. 

13 Zie dit stuk overgenomen bij van Kinschot bladz. 280–285. 

14 Zie de inhoud van dit verbond bij van Kinschot pag. 502 en volg. 

15 Groot Placaatboek, bij Wagenaar, bladz. 281 vs. 

16 Groot Placaatboek III D. pag. 4. 

17 Wagenaar Historie III D. pag. 284. 

18 Wagenaar pag. 285. 

19 Diuisie Kronijk, 25 diuisie, dat XI Cappittel. 

20 Wagenaar id. p. 292. 

21 Men zal herinneren, dat Keizerin Margaretha aan die van Oudewater het voorregt verleend had, dat hunne stad, nimmer van Hollands Grafelijkheid gescheiden mogt worden. 

22 Zie breedvoeriger van Kinschot pag. 11 tot 18a. 

23 Zie het Chron. auctius. pag. 274. 

24 Van Duyn Oudewaters-moord, p. 44. 

25 Vide het Chron. aucteus. 

26 Bijdrage van R. C. H. Römer, getiteld: Utrecht en Oudewater in den Utrechtschen Volks-almanak. 

27 Zie het rapport van Albrecht bij van Kinschot, pag. 223 vs. 

28 Ibid. pag. 294 tot 295. 

29 Ibid. pag. 297 tot 301, Boxhorn, pag. 81. 

30 Zie de inhoud van de bijlegging der twist, bij van Kinschot, pag. 295 en 696. 

31 Wagenaar III Deel pag. 321. 

32 Wagenaar III Deel pag. 321. 

33 Ibid. 

34 Ibid. pag. 322. 

35 ib. pag. 322. 

36 Joan a Leydis, libr. XXXI cap 42. Veldenaar, pag. 95. Op Wagenaar III D pag. 322. 

37 Wagenaar, ib. 

38 In deze overname hebben wij het woord „graaf” gebruikt ten einde het meer begrijpelijk te maken, des graven klerk gebruikte daarvoor het woord „mijnheer”; vide van Kinschot, pag. 296, en volg. 

39 Van Kinschot, pag. 297. 

40 Ib. pag. 297 tot 301

41 Ib. pag. 301. 

42 Ib. 

43 Zie Hofdijk geschiedenis der Nederlanden, pag. 169. 

44 Van Kinschot pag. 303. In die oirconde staat, dat Otto van Asperen wegens Willem Kusers dood balling was, en in de vroeger vermelde besluiten van Albrecht, waren de bezittingen der zoodanigen verbeurd. 

45 Ibid. pag. 309 en 310 en Wagenaar III D. pag 324. 

46 Symon Speyaert en Claes van den Gheer in hechtenis zittende te Oudewater, werden mede in 1396 voor den Hove van den Haag ontboden, nevens de Schout van Oudewater, om tusschen de twee eersten eene questie uit den weg te ruimen, die waarschijnlijk op de tijdsomstandigheden betrekking had. Zeker is het, dat er ten jare 1396 nog een geschil aanhangig was, tusschen Aerent Sluismanssoen en Wouter Ludolfssoen, die door eerstgenoemde aangeklaagd was, als in het openbaar zijne ontevredenheid te hebben betuigd over den vrede. Zie van Kinschot pag. 316 en 317. 

47 Wagenaar III D. pag. 342. 

48 Ib. pag. 342 en 343. 

49 Zie die twee stukken in de privilegien van Oudewater bij van Kinschot pag. 317 a 320. 

50 Men herinnere zich, dat Stavoren nog steeds Hollandsche bezetting hield. 

51 Zie bij van Kinschot pag. 322 en 325, en bij ons hiervoren pag. 321 a 323. 

52 Uitgezonderd twee bescheiden, in het zelfde jaar 1. dat het land van Woerden in zijn watergang gescheiden zoude zijn van Rijnland en 2. een placcaat van Albrecht »van een seggen ende gescheyden tusschen den Burch-Grave van Leyden ende die van Oudewater roerende van de tolle.” 

53 Wagenaar III D. pag. 343. 

54 Ib. pag. 344. 

55 Ib. pag. 345. 

56 Ib. 

57 Ib. pag. 346. 

58 De onderzoekende schrijver, verwijst naar de privilegien van Oudewater.

De hoofd inhoud van het bedoelde stuk, hebben wij echter op pag. 388 ter behoorlijker plaatse reeds medegedeeld. 

59 Die seventwintichste divisie, dat LIIII. Capittel pag. CLIIIII. 

60 Utrechtsche Volks-Almanak 1859, pag. 43. 

61 Kinschot is op pag. 325 in abuis, waar hij doet voorkomen, dat hij in het begin des jaars 1404 tot Grave was verkozen, doch zijn vader stierf Ao. 1404 in den winter, waarna hij hem opvolgde. Alle schrijvers van gezag immers, vermelden zijn dood in den winter van 1404. Wanneer wij dus bij van Kinschot daar vinden Anno XIIII ende vier moet dit noodwendig zijn, Anno XIIII ende vijve. 

62 Kinschot meldt 1404 moet zijn 1405. 

63 Van een paar andere bescheiden van Willem den VI. ten jare 1405 kunnen wij in den tekst niet uitweiden.—Zie den inhoud echter bij van Kinschot, pag. 329 en 330. 

64 Men zie hierover in het breede, pag. 225, 249 van dit werk. 

65 Wagenaar, III D. p. 408 en 409. 

66 Van Kinschot, pag. 337. 

67 Wagenaar ib. pag. 418. 

68 Ibid. pag. 420. 

69 Bij Wagenaar III D. pag. 427. 

70 Van Kinschot pag. 505 en 506. 

71 Men zie den inhoud, bij ibid III D. pag. 432–434. 

72 Van Kinschot pag. 340. 

73 Zie hunne namen bij ib. pag. 342. 

74 Wagenaar III D. pag. 438. 

75 Zie Hofdijk en van Lennep, Merkwaardige Kasteelen in Nederland II D. pag. 82. 

76 Wagenaar III D. pag. 463, en Monstrelet Vol II pag. 27. 

77 Wagenaar III D. pag. 468. 

78 Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 341. 

79 Dr. D. J. Veegens, Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd, p. 109. 

80 Verg. Wagenaar III D. pag. 491. 

81 Veldenaar pag. 130, Wagenaar pag. 489. 

82 Wagenaar ib. pag. 509. 

83 Wagenaar, ib. pag. 530. tot en met 535. en van Kinschot, pag. 368. tot en met pag. 370. 

84 Wagenaar IV. D. pag. 100. 

85 Wagenaar, IV. D. pag. 174. 

86 Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 342 en Wagenaar, IV D. pag. 188. 

87 ib. pag. 181. 

88 Omtrent dezen tijd (in 1480) sloten die van Oudewater een verdrag met de stad Utrecht. Dit bezwaarlijk tusschen den tekst kunnende invoegen en het toch moetende vermelden, zoo plaatsen wij dit in een noot. Men zie den inhoud van dit verdrag bij van Kinschot, pag. 390, en 391. 

89 Diuisie Cronyck, 33 diuisie 21 capittel. 

90 Zie Wagenaar, IV D. pag. 191 en 192. 

91 Crimen, sentent boek, gequot A. fol. 11, vers. bij Wagenaar, IV D. pag. 196. 

92 Diuisie Cronyck, 31 diuisie, 31 capittel, vergeleken met Wagenaar, IV D. pag. 196 en 197. 

93 Wagenaar, IV D. pag. 201 en 202, raadplegende Amelgarde, Gesta Ludoveci XI Libr. VI Capittel 21 vesius Hoorn pag. 125. Chron. van Ao. 1481–1483 en Matth. Tom. I pag. 397, 399 en 405. 

94 Wagenaar IV D. pag. 208 raadpl. Chron. van Ao. 1481–1483, pag. 410–415. 

95 Diuisie Chron. 31 diuisie, 37 capittel. 

96 Diuisie Chron. 31 diuisie, 39 capittel. 

97 Wagenaar, IV D. pag. 205. 

98 Wagenaar IV D. pag. 215. 

99 Zie diuisie Cron. die 31 duisie. dat XLIII capittel. 

100 Zie Wagenaar IV D. pag. 216. 

101 Wagenaar IV D. pag. 244. 

102 Wagenaar pag. 248, en Jonker Fransen oorlog pag. 88 en 97. 

103 Verg. Wagenaar IV D. pag. 248. 

104 Diuisie Cron. 31 diuisie, 68 capittel, Wagenaar, IV D. pag. 260, Jonker Frans, oorlog, pag. 250. 

105 Zoo was zijne benaming als Grave van Holland, meer bekend is hij echter geworden, onder den naam van Karel den V, die als Keizer. 

106 Wagenaar IV D. pag. 354. 

107 Repert. der Plac. pag. 3. 

108 Groote Chron. diuisie XXXII Capittel 46. 

109 Repert. der Plac. pag. 3 Wagenaar IV D. pag 398 en 399. 

110 Men zie het plac. bij van Kinschot, pag. 400, 401 en 402. 

111 Repert. der pl. van het graafschap Holland bij Wagenaar, IV. D. pag 429 en 430. 

112 Volgens veler meening zond ook Oudewater eertijds schepen ter haringvisscherij uit. Het ongeveer 15 minuten van Oudewater liggende slot (nu ruïne) te Vliet wijst de sage aan, als de plaats, van waar haringbuizen uitvoeren. Dan vergezelden de vrouwen van de visschers hunne mannen tot aan het gehucht Goejanverwellesluis, dat zijn naam er van zoude gekregen hebben. De naam toch van de doorklievers van het zilte nat, is nog in deze dagen Jan, Janmaat; Aan de sluis, werden zij dan toegeroepen Goe Jan vaarwel.

Wij nemen de uitlegging van dien naamsoorsprong over, uit eene der jaargangen van het Tijdschrift de Navorscher

113 Zie Wagenaar IV. D. pag 470. 

114 Ibid. pag 470 en 471. 

115 Zie pag. 347 van dit werk. 

116 De geauthenthiseerde copij, berust ter gemeente secretarij. 

117 Vóór Hoeff Willemsz, waarmede zij aanvangt, staat aan den kant: Piet vā. Evenzoo staan later bij iederen hoofdman een paar namen aan den kant geschreven, vermoedelijk van hen, die later die betrekking waarnamen. Aanm. van R. C. H. Römer. 

118 Onder deze: „die in ’t gastuys sijn die clouck sijn.” 

119 Zie het Chron. auct. Joann de Beka In Matthaei Vet. aevi Analect. T III pag. 316 volg. verg. van Kinschot, Besch. d. stad Oudewater blad. 51. 

120 Zij wordt in oude bescheiden, dikwijls Remijnsbrug geheeten. 

121 Zie van Kinschot t. a. p. blz. 21 vlgg. en 50. 

122 Wagenaar V. D. pag. 275. 

123 Wagenaar, V D. pag. 420, 421 en 422. 

124 Philips II heette hij als koning van Spanje doch Philips III als grave van Holland

125 Dat Karel dit nu juist verleend heeft, hierin willen wij niet achterhaald worden, wij verwijzen naar het hoofdstuk „de heksenwaag” van dit werk. 

126 Zie Wagenaar VI D. pag. 5. 

127 Zie Wagenaar VI D. pag. 40. 

128 Wagenaar VI D. pag. 186 en 187. 

129 Simon Stijl, opkomste en bloei der Vereenigde Nederlanden pag. 185 en volg. 

130 De zeer bekende Watergeus Gerrit Gerritsen, was te Oudewater geboren.—Zie pag. 366 van dit werk. 

131 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243. 

132 Onze plaats was de eerste in Zuid-Holland

133 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243. 

134 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 144. 

135 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 247. 

136 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 250. 

137 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 256. 

138 Wij zagen het dus reeds, dat Oudewater ten jare 1572 weer op de eerste vergadering der staten, die ’s prinsen zijde hielden tegenwoordig was. Het moet ons niet verwonderen, dat wij de gemagtigden uit Oudewater in de statenraad weer na zoo groote tusschen ruimte zitting zien nemen, indien wij bij Wagenaar VI D. 378 lezen. „De kleine steden, die sedert een aantal jaren, niet ter dagvaart plegen te verschijnen, kregen nu weder plaats in dezelve, opdat men haar, door het zoet der regering zou aanlokken tot het williger dragen der gemeene lasten, en anderen, die het nog met Alva hielden te ligter te doen omslaan.” 

139 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 253. 

140 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 254. 

141 Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 273. 

142 Bor Nederlandsch historien, pag. 17. 

143 A. van Duyn Oudewaters moord, pag. 7. 

144 Römer in zijne bijdrage Utrecht en Oudewater in den Utrechtsche Volks almanak. 

145 De bijzonderheden van den togt zijn meest uit van Duijn, Oudewaters moord, die wij voor de waarheid derzelve aansprakelijk houden. 

146 Zie ook de bijdrage van Dr. R. C. H. Römer in den Utrechtschen Volksalmanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575, van pag. 43 tot en met pag. 63. 

147 Hoofdts Nederlandsch historiën, pag. 401. 

148 Resol. der Staten van Holland, 12 Julij 1575. 

149 Ib. 9 Aug. Anno. 1575. 

150 Hoofdst. Nederlandsche historie, pag. 422. 

151 P. Bor, Nederlandsche Beroerte, VIII B. pag. 121. 

152 A. van Duyn, Oudewaters moord, pag. 10. 

153 Van Duyn, pag. 10, en van Kinschot pag. 223 en 224, melden omtrent een vlugteling het volgende. Nadat hij met paard en wagen en de tilbare goederen, op het voorbeeld zijner gebaren gevlugt was, werd hij door ’s vijands vooruit gespatte ruiterij zoo snel vervolgd, dat hij eindelijk, zich niet meer kunnende vleijen, het gevaar te ontsnappen, eerst zijn bevrachte wagen dwars over den weg reed, zijne paarden losmaakte en toen, na het medegevoerde te hebben achtergelaten, in het wegrennen, ten bewijs zijner nu vast gewaande vrijheid, den najagenden Spanjaard spottend toeriep, „Seneca, Seneca volg mij nu zoo gij kunt, ik zit nu te paard zoowel als gij.” 

154 Hoofts. Nederlandsche historien, pag. 432. 

155 Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121 A. 

156 Van Duyn, pag. 10. 

157 Wij gissen nabij het tegenwoordig Gemeente huis van Honcoop. 

158 Hoofts. Nederl. historien, pag. 423. 

159 Van Duyn, pag. 11, alwaar hij breeder de ontruiming van die sterkte uiteen zet. 

160 P. Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121. 

161 P. Bor, pag. 121 A. 

162 Die noodmunten waren van 20 en 40 stuivers, men zie de afbeelding bij van Loon I. D. pag. 206. en van Kinschot pag. 231. 

163 De brug over dit water, had de Spanjaard weggebroken, de rede waarom van Dam, vroeger naar Goejanverwellesluis getogen was, doch zich zoo zeer te leur gesteld vond. 

164 P. C. Hooft, Nederlandsche historie, D. I, B. 10 pag. 433. 

165 Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B. fol. 121 B. 

166 Ib. 

167 De eerste kogel die in de kerk geschoten werd, hangt nog aan de gewelven van dien tempel. 

168 Tot narigt voor hen, die dit doel van Hierges vreemd zullen vinden, omdat de stadsgracht nu te ver van den toren gelegen is, diene, dat de stadsvestingmuur toen ter tijde aan of zeer digt voorbij den toren liep, dat de Yssel als de gracht beschouwd werd, en dat het Veer nog niet aan de stad getrokken was, dit werd eerst in 1585 vergund.—Zie meerdere bewijzen, in de bijdrage van R. C. H. Romer, in de Utrechtsche Volks-Almanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575. 

169 Bor, VIII B, pag. 121 B. 

170 Hooft, pag. 423. 

171 Bor, Nederlandsche beroerten, VIII, B, pag. 121 B. 

172 Hooft, Nederlandsche historien, pag. 423. 

173 Bor, pag. 121 vso a. 

174 Van Duijn, Oudewaters moord, pag. 14. 

175 Bor, VIII, B. pag, 121 vso a. 

176 Hoofts historien pag. 423. 

177 Hoofts. Nederl. historien, pag. 423. 

178 Bor, Nederl. beroerten, VIII B. pag. 121, vso a. 

179 Hoofts. Nederl. historien, pag. 423. 

180 Bor, VIII, B, pag. 121, vso a. 

181 Ib. 

182 Hoofts. Nederl. historien, pag. 424. 

183 Bor, Nederlandsche Beroerten, VIII B pag. 121, vso. A. 

184 Hoofts. Nederlandsche Historiën, pag. 424.