Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder over Holland en Zeeland benoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.

Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van Diephold en dat de religieuse zusters Oudewater moesten ontruimen en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249) daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk, in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.

Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430 had Philips zich in Holland, Zeeland en West Vriesland als grave weten te doen huldigen82, toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat jaar zijne aanzienlijke magt weder met meerder regt bevestigd werd.

Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het huwelijk treden, en toch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.—Men begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkheden Voorne, Zuid-Beveland, en Tholen, benevens de tollen van Holland en Zeeland gedurende haar leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.—

De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten kroon geluk aanbrengt!

Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die van Oudewater niet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende, zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.

Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op de Oost-Zee handel te drijven.—Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van beide zijden het gevolg.

De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog aan te doen, versterkt door een verdrag dat zij sloten met den Hertog van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in 1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden, de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen, begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen, en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden—voorts moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden omtrent 80 »Baardsen” zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo moest dan ook Oudewater zorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse” in gereedheid te hebben.83

Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt, gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in 1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van Holstein verzoende, enz., enz.

Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop van een paar jaren, met meer hevigheid dan ooit te woeden, zoodat in verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en wereldlijken magt konden beteugeld worden. Oudewater moet echter vrij rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren en Raden van Oudewater geschreven, dat zij op een en ander een zeer waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande van Holland wesende” en tevens beval de Grave er bij, dat indien de poorters van IJsselstein het in hunne gemeente te kwaad kregen door de troebele tijden, dat die van Oudewater dan, het zij bij dag of nacht, hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er des te veiliger zouden kunnen zijn.

De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het geviel, dat die van IJsselstein de wijke binnen Oudewater zochten, dat men dan in Oudewater beter in staat was de stad te bewaren, om het grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is ons echter niet gebleken, dat de poorters van IJsselstein ooit van die vergunning hebben gebruik gemaakt.

Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden van Oudewater als mede eene van Anno 1456.

Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de klagten der steden Schoonhoven, Oudewater, Woerden, Weesp, Muiden en Naarden over het vorderen van morgen geld in het Sticht van Utrecht gedaan, dat die van Holland in het Sticht van Utrecht geërfd zijnde, niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.

Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrent Oudewater vermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar 1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden waaronder ook Oudewater als graaf werd erkend.84

Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen- als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks, van hem omtrent Oudewater aantreffen.

Hij sneuvelde in den slag bij Nancy ten jare 1477, nalatende eene dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en tweespalt van binnen.

In Holland toch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.

De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen, die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden uitweken, en alras door Hoekschen vervangen werden.85 Dit toch gebeurde onder anderen te Gouda, Schoonhoven en elders en zoo ook spoedig in Oudewater.

Van Berkum, in zijne beschrijving van Schoonhoven maakt over een en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij van Schoonhoven hersteld was, stond de gemeente te Schoonhoven onder dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van der Veer, stadhouder van Holland, verzoekende van hem, in de stad in hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te zijn, doch er volgde niets op, en Schoonhoven bleef Hoeksch, en bragt met die van Dordrecht en ter Gouda even na paschen in het jaar 1479, Oudewater insgelijks aan die zijde.”86

Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.

Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in de lente des jaars 1478 deed hij als kerkelijke voogd en momboir van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen, wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid door de staten gedaan,87 en spoedig (den 6 April 1478) werd dan ook Oudewater door Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd, zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.

Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard hadden, troffen wij ook Oudewater aan,88 niettegenstaande Gouda en Schoonhoven »met loosheden” de stad aan hare zijde gekregen hadden.89

Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van die partij, en zoo stout werden zij, dat Leiden waaruit zij verdreven waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is, alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was, Oudewater weder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan uit Holland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste in de steden te herstellen, dat hem echter nergens gelukte dan te Hoorn en te Gouda.90

In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig in Oudewater af. Eerst werd het hoekschgezinde Dordrecht ingenomen, en daarna vielen ook Schoonhoven en Oudewater weder in de magt der Kabellaauwschen. Tot het innemen van Oudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor gestraft.91

Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen naar Dordrecht, Gouda, Oudewater en Schoonhoven, alwaar hij de verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde92 en aldra onderwierp ook Leiden zich aan den Grave.

Nadat de zaken nu aldus door Maximiliaan in orde gebragt waren, was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op de Stichtsche grenzen liggende Oudewater was die krijg alles behalve rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot dien oorlog een weinig ontwikkelen.

De stad Utrecht, alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren Bisschop David van Bourgondië, die de stad had moeten ruimen, was in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de Utrechtschen, die onder Reijer van Broekhuisen Leiden hadden helpen bemagtigen, waren niet zonder buit naar Utrecht gekeerd. Dit, doch vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten, tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied bevonden werden, zelfs werden die van Utrecht alomme in Holland vast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men den ijverig hoekschgezinden Burggrave van Montfoort en de hoeksche ballingen uit Utrecht deed vertrekken, dit geschiedde echter niet, en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg, die drie jaren duurde.—Men zeide in Holland wel, dat die oorlog gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche ballingen in de stad.93

Wel poogde Utrecht een verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos, Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken, en dit gelukte hem niet.94

Naarden werd nu door de Stichtschen verwoest en Jutphaas door de Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op de Vaart sloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, na Schoonhoven, na Oudewater, na IJsselstein en na Woerden, niemant en sach na den anderen om.”95

Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt, en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnen IJsselstein, Oudewater en Woerden, en ook Weesp werd van meerder krijgsvolk voorzien.96

In het volgende jaar, werd er te Schoonhoven eene dagvaart gehouden, tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, en Utrecht ter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche vijandelijkheden gingen even hevig haren gang.97

Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne van Holland, en haar eenige zoon Philips, een kind van vier jaren, was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van getrouwheid der Hollanders.

Na dit vermeld te hebben, willen wij Oudewater en omtrek verder hun rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.

Noodwendig moeten wij met den aanslag op Dordrecht in 1482 beginnen.

De Burggrave van Montfoort dan, had in genoemd jaar een aanslag ondernomen op Dordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding hield,98 en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voor Dordrecht en alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en voeren die Mase op tot voorby Vloerdinghen. Dit hadden die Hollanders schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren in roere, ende vele van die schepen voeren na Zeeland ende dardere keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende gingen nader Gouda toe, ende daer stont een blockhuys opten dyck, dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man verloren »ende sy worde van die van der Gouda achtervolgt, maer sy en deden hen niet, ende ghenakende die stede van Oudewater quamen hen te ghemoet die knechten, en een deel poorters van der stede, ende sy hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen vast volck af, maer die van Oudewater hadden tmeeste verlies van hare poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die van IJsselsteyn daer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus met grooter avontueren weder binnen de stad van Utrecht.99

Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en met name Oudewater zich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die van Utrecht nooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag op Utrecht voorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven boeten.100

Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk van Oudewater gewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des geschuts in den omtrek, wel zullen die van Oudewater deel hebben genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd« in de gehouden dagvaarten.

Doch onze orde van zaken vordert, dat wij vlugtig nagaan wat er inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige weinige jaren Oudewater weer in de geschiedrollen vermeld vinden.

Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder van Lalaing, de sloten van Harmelen en de Haar bemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogden IJsselstein te bemagtigen, doch vruchteloos, en de Hollanders namen zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David, weder het Blokhuis op de Vaart terug, dat kort daarna ten gronde toe, werd geslecht.

Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de Hollanders in 1483 ook Montfoort, eveneens met het voornemen, dit ten gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het beleg weder spoedig op.

Nu was het de beurt voor Utrecht zelve. Nog in dit jaar werd het belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnen Utrecht met grooten luister, en de Bisschop die gevangelijk naar Amersfoort was gevoerd, werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stede Oudewater zijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.

Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden, weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan zooveel mogelijk partij te trekken.101

Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend, zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder aantreffen.

Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde, bemagtigde nog in 1488 Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voor Schoonhoven, doch met verlies van meer dan 200 man, oorlogswerktuigen en schepen, weken zij naar Rotterdam terug.102

Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave van Montfoort, het slot te Woerden, van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en landbouwerswoningen.—De omtrek van Oudewater had een zeer lastigen nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden veel van hem te lijden.103

Zóó naderde het jaar 1489—Maximiliaan was nu sedert de wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd, om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche steden uit, waaronder dus ook Oudewater, tot het beteugelen der hoeksche woelingen.

Het eerst moest nu Rotterdam weder aan zijne zijde gebragt worden, en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans, integendeel poogde Schiedam te verrassen, dat hem echter niet gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat zij bemagtigden, en met de stede Geertruidenberg die zij overrompelden, doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden, leden zij nabij Rotterdam eene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg was, dat Rotterdam weder overging.

Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan het land had afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst poogde hij in het begin van October 1489, Naarden in te nemen, doch het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over die teleurstelling, of, dat hij dacht, dat men te Oudewater niet zoo op zijne hoede zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voor Oudewater verscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich vergenoegen moest, den toren van buiten de stad gezien te hebben.104

De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den handel, te meer voor een stedeke als Oudewater, dat met zijne kleine schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de bovenzijde was, door Montfoort en Woerden en beducht als men dus moest zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk ging maken.

In 1490 dan, werd Montfoort belegerd, en na grooten tegenstand, die den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige voorwaarden bedongen en Holland en Oudewater behoefden ingevolge dat verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij ook Woerden had moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent 1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen, die nu bijna 150 jaren geduurd had.

Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den II, als Grave van Holland en Zeeland ingehuldigd.

Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in de bescheiden van Oudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen te mogen doen opsluiten binnen Schoonhoven, Langerack, Liesveld en Oudewater en het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de voetboogschutters van het St. Joris Gild te Oudewater.

Wij hebben dit voor Oudewater belangwekkende octrooi, ter behoorlijke plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt, en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van, moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ook Oudewater weder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd van Oudewater, dat het legt „op die frontieren van onsen landen van Holland strekkende aan den gestichte van Utrecht ende lande van Gelre” enz.

Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukking Gelre gebruikte.

Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter, hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op het einde der 15de eeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk, dat de Hollanders en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand, doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig is, dat Oudewater zoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had, niet alleen van Utrecht als oock van de voorsz. lande van Gelre.

Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een zoon te Gent geboren werd, die wij later onder den naam van Karel den II105 zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.

Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed in het jaar 1506 te Burgos in Spanje, en Karel volgde hem in dit jaar op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.

De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in 1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakte verdrag met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs fransche hulpbenden.

Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval in Holland beducht was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bij Nijmegen lag, hadden de Hollanders het meeste te vreezen.

Nadat hij nu in Brabant vele veroveringen gemaakt had, viel hij in Holland. Men poogde Oudewater te verrassen, doch de bezetting en de poorters hielden zich dapper en Oudewater werd niet genomen, »het mislukte” schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren.”106

Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immers Bodegraven werd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot te Muiderberg en de stad Weesp werden bemagtigd. Hevig was de strijd, die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld in Groningerland.

Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende hij dan ook als grave gehuldigd.

Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt is het volgende:

De schouw en de zorg der dijken in Holland was, van de tijden van Willem de II toevertrouwd geweest aan dijkgraven en heemraden, die uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu, had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij een voet lands in deze gewesten bezat.

Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.

Onder de archieven nu, die Oudewater bezit, vinden wij eene geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi, tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk van Bodegraven af tot den Linschoterdijk toe, door 5 heemraden, als een uit Delft, een uit Leijden, twee uit Gouda en een uit Oudewater, met den castelein en dijkgrave van Woerden, ook ten onzent had men dus redenen van ontevredenheid.

Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voor Oudewater hadden gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers te Mechelen tusschen den heer van Montfoort, appellant ter eenre, en den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of IJsselpoort der stede Oudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op, maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.

In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om geene »stilzaat” met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen107 en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde maand Nieuwpoort bij Schoonhoven te overrompelen.108 Nu was men insgelijks voor Oudewater en Woerden bezorgd, en het Hof gaf dra, in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen schuilen, te slechten en uit te roeijen.109

Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het ter neder te schrijven.

Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer tot Breda &c. Stadhouder Gnail., die President ende Raide des Coninx van Castille, van Leon, van Grenade, van Arregon &c. Eertshertoege van Oistenryck, Hertoege van Bourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen van Holland, Zeeland en Vriesland, den Eersten gezwoeren Boede Exploictier van der Camere van den Raide in Holland hier op versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list voirsien behoert te wesen en te remedien over ’t gunt dat tot cruchenisse d’selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede van Oudewater veel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die vianden hem selven souden moegen bergen en soe na derselver Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te gebueren tenderende tot verlies van d’ selver Stede, wair inne wij behoeren te voirsien, soe is ’t dat wy u ontbieden ende bevelen, dair toe committeeren mits des, is ’t noot dat ghy van stonden aan trect binnen der voirsz. Stede van Oudewater, ende aldaar bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende Boomgairden ofte andere Landen binnen acht honderd treeden van de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen, dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh Phls: Guldens dieselve ’t appliceren halff tot Pro: van der C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier van d’ voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen binnen den voirsz. tyde dat hy ’t selve doe doen tot costen van den genen die in gebreeke sal wesen en ’t selve offgebroecken appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van ’t welk te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u wedervaren sal wesen.

Gegeven in den Hage onder ’t Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in ’t Jaar ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide van Hollant, Zeelant ende Vriesland. Ondergeteykent C. DAM.

Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin der 16. eeuw nog in den omtrek van Oudewater was en het is tevens opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden dijk,” nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit, kan zien.

Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515 overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid, of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in het geheugen lag.

Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van beide partijen slecht gehouden werd.

Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen, en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren ingelijks van voornemen Oudewater vaarwel te zeggen. De verdediging der stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nu Oudewater pogen te nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar van wege »zijn C. M.” aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte van lijve en goed binnen Oudewater weder te keeren, en het spreekt van zelve, dat aan hen, die de gemeente nog niet waren uitgetogen, dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk verboden werd.110

Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen, werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.

Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave van Holland in 1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook aldus, bij voorkeur zoo noemen.

Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld, met den franschen Vorst François den I.

De hevigheid van den krijg drukte Holland zeer, trouwens alle leenmannen werden ter heervaart ontboden, niet om het graafschap, maar den keizer te dienen,111 en ook de steden moesten ieder een zeker getal weerbare mannen aanbrengen.—Voeg hier bij, dat de gelderschen in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar in Holland vele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld van den benarden toestand van deze gewesten.

Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield, en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij, die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets, dat te meer algemeen vreugde verwekte.112

Een en ander had echter ’s lands middelen zóó uitgeput, dat men in 1525, ƒ 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door de staten, waarbij ook de gemagtigden van Oudewater waren, om een aantal redenen geweigerd.—De staten tegen den 17 Junij wederom te Geertruidenberg beschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had, om genoemde som bij een te brengen.—De afgevaardigden eenigsins aan het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor het einde der maand, zoo mogelijk met gunstiger rapport te Breda te verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden, dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maar Delft, Oudewater en Alkmaar benevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen tijd er na, besloten echter de staten, Delft alleen uitgezonderd, een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.

Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527 werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.

De stad Utrecht intusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van Gelre eenig krijgsvolk in Utrecht gelegd en men begrijpt, dat deze zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag meer in het Sticht uit te breiden.—De Bisschop geen kans ziende, de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land van beide partijen zeer te lijden.113

De Hollanders het innemen van Utrecht vernomen hebbende, baarde hun dit veel ontsteltenis.—Terstond werden maatregelen genomen tegen eenen zoo lastigen nabuur.—Onder anderen werd er bevel gezonden naar Amsterdam en Gouda, om krijgsvolk te zenden naar Weesp, Oudewater en andere grenssteden van Holland.

De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen, Amsterdam had versterking gezonden naar het slot te Muiden, doch zij werden niet binnen gelaten. Gouda had aan die van Oudewater insgelijks eenige knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen.114

Wat was de reden van die weigering van Oudewater? Bestond er eene vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden met die van Oudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.

De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van State, waarin de hertog nevens de stad Utrecht, verklaarden in goeden vrede en nabuurschap met Holland te willen leven.

De Bisschop, nog steeds uit de stad Utrecht gebannen zijnde, verzocht in dit jaar om onderstand aan Holland, en men kwam om die rede te Schoonhoven bij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer aangelegen was, dat de Gelderschen uit het Sticht werden verdreven. De bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van het Sticht den keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den alouden Hollandschen bodem.

De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden, de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528 toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbij Montfoort en Woerden naar den Hage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.

Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere niemand, dat de krijg wederom heet werd.

Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het voornaamste, was het verlies van Utrecht, dat hen bij verrassing in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer van Utrecht zoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.

Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering in Utrecht gehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uit Oudewater waren er tegenwoordig.115

Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrent Oudewater vinden gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere van Montfoort, dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe van Linschoten, Snellerwaard en Heekendorp zal mogen gevangen brengen, in Z. K. M. gevangenisse binnen Oudewater tot zijner majesteits of zijner erven weder opzeggen.

Wij zien dus, dat nu het Sticht onder het gebied van den keizer stond, Montfoort ook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.

Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot bij de Linschoter poort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de Wierinken.116

Nu Utrecht dan ook met Holland onder een gebied staat, zal het niemand verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet zoo menigvuldige openlijke gevechten met Oudewater hadden; Oudewater had vooreerst het groote periode doorleefd, grensvesting te zijn, tegen het trotsche Sticht van Utrecht.

Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer beschrijving niet, of weinig, in algemeene noch bijzondere geschiedenis vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta, kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in groot getal te Brussel begroet, en ook nu werd Oudewater wederom vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin van Hongarije, tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij weder naar Duitschland vertrok.

In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre die Oudewater, zoo als wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen, had de woelige van Egmond Holland beoorloogd.

Nog in dit jaar was men ook namens Oudewater op een aantal dagvaarten tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden, en de edelen met de kleine steden, waaronder Oudewater. Wij mogen het echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen, doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot en met 151.

Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder over Holland en Zeeland geweest was, overleed hij in dit jaar, wordende nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van Chalons prins van Oranje.

Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd, met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra deze gewesten weder verbazend te lijden.

Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te willen afstaan, indien de landvoogdesse Holland er mede bevrijden kon van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was in Holland voor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed begrijpen, waarom men in het jaar 1542 te Oudewater voor het eerst van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen, zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de muren der stad te vervoegen.

Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang, èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken van Oudewater in dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den inhoud nader van te doen kennen.

Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.

A.

Hoeff Willēsz117 hoemā vande Linschoete’ poort tot dat toeringen toe aft’ adriaē goessensz en̄ is lanck XXV roeden ēn heeft onder hem:

(volgen de namen van 21 manschappen.)

B.

Hermē Huygēsz hoemā van dat toerentge aft’ adriaē goessēsz. tot dat torentgē aft’ tgastuys en̄ is lanck XXXIII roeden en heeft onder hem:

(29 manschappen.)

C.

Dirck Woutersz hoemā van dat toerengē aft’ tgastuys totte nyeuwē toern toe en̄ is lanck XXXVIII roeden en̄ heeft onder hem:

(29 manschappen.)118

D.

Wout’ Willēsz. hoemā van den nyeuwe toern tot dat torentgē toe after meeus huygesz. en̄ is lanck XXXV roeden en̄ heeft onder hem:

(32 manschappen.)

E.

Jan Geritsz. Vinck hoemā van dat toerntgē aft’ meeus huygēsz. tot dat oultaer toe en̄ is lanck XXVII roeden en̄ heeft onder hem:

(25 manschappen.)

F.

Gerit Taets Geritsz. hoemā van dat outaer tot die weerden poort toe en̄ is lanck XXIII roeden en heeft onder hem:

(22 manschappen.)

G.

Adriaē Henrick Simōsz. hoemā van den weerden poort tottē doode luyden toern toe en̄ is lanck XXVII roeden en̄ heeft onder hem:

(24 manschappen.)

H.

Jan Jansz. Cock hoemā tusschē den doode luyden toern tot koentges toern en is lanck XL roeden ende heeft onder hem:

(35 manschappen.)

J.

Jan Jacobsz. Speyert hoemā van koentges toern tot die yselpoort toe en̄ is lanck XL roeden en̄ heeft onder hem:

(33 manschappen.)

K.

Cornelis Ottēsz hoemā vande Yselpoort tot dat twyncket toe en̄ heeft onder hem:

(18 manschappen.)

L.

Piet’ Cornelisz hoemā vanet twynket tot die brouckerpoort toe en̄ is lanck XXXIII roeden en̄ heeft onder hem:

(25 manschappen.)

M.

Gerit Sybertsz, hoemā vande broucker poort tot die mole toe en̄ is lanck XXVII roeden en̄ heeft onder hem:

(20 manschappen).

N.

Gerit Geerlofsz. hoemā van de molē tottē biēssetoern toe en̄ is lanck L roeden en̄ heeft onder hem:

(33 manschappen.)

O.

Piet’ Jansz, hoemā vandē biēse toern tot scutters toern toe en̄ is lanck XXXII roeden en̄ heeft onder hem:

(16 manschappen).

P.

Cornelis Symōsz hoemā vande scuttoern tot die linscoet’ poort toe en̄ is lanck XXII roeden en̄ heeft onder hem:

(11 manschappen.)

Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak 1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging van Oudewater bestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeff CIↃCCCC ende een, wert Jan Heer ’t Arckel, tot Pierlepont, ende des lants van Mechelen vyant des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren, Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant enz., dair hij syn ontseg brieven op sende op die Nyeborch by Alcmaer ende maecte een reijse op Oudewater ende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden, die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene, die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den Dulen gaet, men des nachts open vant, die men alle nacht plach te sluten ende die doir staet in der stadt muir.”119 Mogt evenwel dit vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt, maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug120, in regte lijn met geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort.121

Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.

Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre en Zutphen aan zijn gebied wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging, waardoor men in Holland nu voor goed van die oorlogszuchtige zijde verlost werd.

In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder van Holland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem van Nassau, die in 1533 te Dillenburg geboren, nu even 11 jaren oud was, welke wij spoedig (in 1549) als stadhouder van Holland zullen leeren kennen.

Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten staat verkeerde, zelfs had men op de twee tienden, die traaglijk inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden, die de impost niet getrouwelijk opbragten, met name Oudewater en Woerden scherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te kwijten.122

Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polder Snelrewaard en Zuid-Linschoten bij Rijnland wordt ingenomen. Onder anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uit Montfoort en 1 uit Oudewater.

Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op een beteren voet gebragt werd.

Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het jaar 1555 te vervolgen.

Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest, van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen 20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.

De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor 12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uit Delft en Leijden in 8 steden, waar onder ook Oudewater. De uitslag hier van was, dat er in dit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam.123

In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar 1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II aangeduid.124

In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hij Oudewater het voorregt125 zegt men, tot het wegen van menschen, verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel gered werd.

Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.—Wij vonden echter tot dusver niet aangeteekend, dat zij tot in Oudewater was doorgedrongen en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.

De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.—Hij had gezien, dat zij in Duitschland een aantal Vorsten en Staten vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was, er werden scherpe placcaten tegen de belijders van het protestantismus gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.—Ook zijn zoon Philips, was een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte, kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die in Spanje het eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op, die hij eindelijk verloor.126

In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in de Nederlanden geweest. In Spanje werd nu zijne tegenwoordigheid vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden benoemd, de Bisschop van Atrecht, den Prins van Oranje, de grave van Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem van Aytta voorzitter van den geheimen raad.127

Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als zoodanig aangesteld over Holland, Zeeland en Utrecht.

De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naar Spanje.

Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in 1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.

De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich ook in onze gewesten al meer en meer uit.

Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden, en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.

Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te doen. Ook te Oudewater vinden wij in dit jaar het eerst van hervorming gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars van Oudewater het eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij, die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden om te veronderstellen, dat de beeldstormerij in Oudewater niet heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest te zijn.128

De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan129 die een aantal menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een vermakelijke, maar tevens ongelukkige droom. Zij ondervonden straks, dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der beeldstormerij zoude straffen.—Ook het verbond der edelen ging te niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij, waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.—Zelfs hoorde men reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.