LX.

O, in steen gehouwen Schoonheid, te midden van het gedrang en rumoer der waereld staat gij stom en stil, alleen en ongenaakbaar.

De groote Tijd zit bekoord aan uw voeten en preevelt: „Spreek, spreek tot mij, geliefde, spreek, mijn bruid!”

Maar uw spraak is in steen verslooten, Onbeweegbare Schoonheid!