Henri Borel, in een artikel over Tagore, schreef onlangs: „Er bestaat voor den Oosterling geen toeval. Toeval bestaat alleen voor wie het mystieke verband der dingen niet ziet. Zóó was het ook geen toeval, dat juist enkele jaren vóór dezen verschrikkelijken wereldoorlog, die het debacle is van de westersche, bijna uitsluitend materieel-intellectueele beschaving, over Europa de stem gehoord werd van den oosterschen dichter-wijsgeer Rabindranath Tagore, brengend de geestelijke tijding, dat een nieuwe era aan zal breken voor het westersche gevoelsleven en de westersche kunst”.
Inderdaad is het succes, waarmee Tagore geest en hart in Europa veroverd heeft, overweldigend. In een paar jaren tijds zijn meerdere zijner werken in bijna al de voornaamste Europeesche talen vertaald geworden, en niet alleen in Engeland, maar ook in Rusland hebben reeds opvoeringen van eenige zijner tooneelwerken plaats gevonden.
Naar mijn overtuiging echter brengt Tagore die geestelijke boodschap niet alleen voor Europa, doch ook voor alle andere volkeren buiten dit werelddeel, zoo zij slechts de deuren van hun geestes-woningen willen openen om den verkwikkenden wind, die van uit Bengalen aanwaait, beladen met den geur van de heerlijkste zielebloemen in hun atmosfeer te doen aanzweven. Ik acht het niet onmogelijk, dat ook op Java éénmaal de stem van Tagore onder de zonen des lands een talrijk gehoor zal vinden, want zelfs nu reeds begint de groote Bengalees onder de Javanen enkele bewonderaars en vereerders te tellen, ofschoon het aantal Javaansche overzettingen van Tagore’s verzen nog maar luttel is te noemen. Wanneer de Javaansche letterkunde verrijkt wordt met producten uit de Indische, speciaal Bengaalsche litteratuur, hebben wij dit te danken aan den toenmaligen Raden Mas Ario Soorjo Soeparto, thans prins Mangkoe Negoro VII; en aan hem zijn dan ook degenen verplicht, die, ofschoon geen enkele Europeesche taal kennende, toch onder de bekoring zijn geraakt van Tagore’s sublieme poëzie.
Henri Borel zegt: „In ons land was het Frederik van Eeden—en dat het juist deze, en geen andere was, kan evenmin een toeval zijn—die het eerst Rabindranath Tagore in dichterlijke, Nederlandsche taal tot ons bracht.” Hij veroorlove mij op mijn beurt te zeggen: het kàn ook geen toeval wezen, dat juist Raden Mas Ario Soorjo Soeparto, zelf kleinzoon van een grooten dichter—prins Mangkoe Negoro IV—het eerst getroffen werd door de schoonheid der van Eedensche overzettingen en toen besloot langs dien weg den Hindoe-zanger in het land der Javanen binnen te halen. Maar wat is dit een mysterie! De sporen op den weg, waarlangs de Hindoe-leermeesters rechtstreeks uit hun land naar Java kwamen getogen, zijn eeuwenlang reeds uitgewischt, doch de Javanen hebben nimmer hun oude guru’s vergeten. Na eeuwenlange scheiding schijnt het verlangen naar het wederzien zóó sterk te zijn, dat de Javanen hen weder in hun land binnenleiden, al was het langs den ontzachelijken omweg van Engeland en Nederland.
Het is met het oog op deze groote waarschijnlijkheid, deze zekerheid, durf ik wel te zeggen, dat ik mij gelukkig acht in uw midden het een en ander te kunnen mededeelen omtrent den grooten dichter, opdat gij van den aanvang af zult beseffen, wèlk een geest op het punt staat van zijn rijkdom en zijn schoonheid aan geestelijke schatten het noodige te geven voor den bloei van ons cultuur-leven. De mededeelingen, welke ik u nu ga doen, zijn grootendeels ontleend aan de Biographische studie over Tagore door diens landgenoot Basanta Koomar Roy.
De schrijver begint met ons te vertellen in welk een omgeving de dichter-wijsgeer het eerste levenslicht aanschouwde. „Poëzie,” zegt hij, „vormt een deel van ons dagelijksch leven in Indië. De eerste zegen, dien het pas geboren kindje bij zijn komst op deze wereld ontvangt, is in verzen. Wanneer het groeiende kind iets onzindelijks doet, reciteert de moeder een klein versje, waarin zij het wijst op de onwelkome gevolgen van zulk een daad. Wanneer het kind naar school gaat, worden de eerste lessen in het alphabet gegeven in verzen. Wanneer de opgeschoten jongen Sanskrit begint te leeren, is één van de eerste çloka’s, die in zijn geheugen worden ingeprent, deze: „De twee groote zegeningen, die een wijding geven aan de verschrikkingen dezer harde wereld, zijn: het smaken van den nectar der poëzie en het hebben van een goed gezelschap”. De meeste vakken, welke een student in het Sanskrit te leeren heeft, zijn geschreven in verzen—de regels der grammatica, de aphorismen der metaphysica en logica, de botanische en medische wetenschappen, astronomie, chemie en physica zijn alle in verzen. De Ramayana, het meest gelezen boek overal in Indië, is in verzen. Bij het huwelijk wordt het jonge paar ingezegend door mantram’s in verzen; en verder wanneer, na den dood, het lichaam aan het vuur of aan de aarde wordt toevertrouwd, is het weer de Hindoe-Muze der Poëzie, die de laatste woorden te zeggen heeft.”
In zulk een land en in een familie, die sedert de 10e eeuw aan den geestelijken horizon van Indië geschitterd heeft, werd Rabindranath Tagore, de Nobelprijs-winner van 1913, geboren op den 6en Mei 1861.
Op het gebied van maatschappelijke en godsdienstige hervormingen, in de herleving van schilderkunst en muziek, op het terrein van politiek en industrieel nationalisme, hebben de leden der Takur-familie (verengelscht in Tagore) onschatbare diensten aan hun land bewezen, en daarvoor verwierven zij zich de hooge achting van het Indische volk, van het Bengaalsche in het bijzonder. Prosonno Koomar Tagore, een grondbezitter, was een rechtsgeleerde van grooten naam; hij schreef en gaf boeken uit over rechtsgeleerde en opvoedings-vraagstukken en was de stichter en voorzitter der „British Indian Association”. Raja Sir Surindra Mohun Tagore, ongetwijfeld een der grootste muziek-geleerden van Indië, stichtte „de Bengaalsche Muziekschool” en „de Bengaalsche Hoogeschool voor Muziek” en schreef vele boeken over Hindoe-muziek en muziekinstrumenten. Gogonindranath en Abanindranath Tagore zijn befaamde schilders en leiders in de herleving der Hindoe-schilderkunst. De laatste telt bijna alle jonge schilders van naam, als Asit Koomar Haldar en Nanda Lal Bose, onder zijne discipelen. Beroemd zijn van Abanindranath „The victory of Buddha” en „Karna and Kunti”. Maharaja Ramanath Tagore, de broeder van des dichters grootvader, was politicus en publicist. Dwarakanath, de grootvader, was land-edelman, stichtte de „Grondbezitters-vereeniging”; philantroop en sociale hervormer ageerde hij tegen de satī (weduwen-verbranding). Dwijendranath, de oudste broeder des dichters, een philosoof, is iemand met zulk een rein en heilig gemoed, dat de eekhorens van de boomen afspringen om tegen zijn knieën op te klauteren en de vogels neerstrijken op zijne handen.
Verreweg de merkwaardigste van des dichters voorouders was zijn eigen vader: Debendranath Tagore. Hij was Raja nòch Maharaja, titels waar hij niets om gaf, aangezien het volk hem reeds versierde met een schooneren titel, nl. dien van „Maha Rishi” (Groote Wijze). Ofschoon Debendranath niet de intellectueele wedergade was van zijn leermeester Raja Ram Mohun Roy, den vader van het moderne Indië, vond hij toch in toewijding voor de zaak der sociale en religieuze hervormingen, in bereidwilligheid om te offeren aan en te lijden voor een beginsel, zijn gelijke niet. Zoon van een prins, maar begaafd met een hoogen zin voor moreele plicht, weigerde hij, ofschoon er geen wettige noch documentale verbintenis bestond, één onwaardig „neen” te zeggen en gaf héél zijn uitgestrekt landgoed aan de schuldeischers zijns vaders, zoodat hij zichzelven bracht tot de positie van een pauper. Geen wonder, dat het volk hem versierde met den titel Maharshi; en geen wonder ook, dat de goedgezinde schuldeischers, bewogen door de heroïsche eerlijkheid van Debendranath, een compromis sloten en eenig eigendom overlieten aan den jeugdigen wijze en ziener.
Maharshi Debendranath Tagore was een van Indië’s grootste geestelijke leiders. Zijn godsvrucht was aanstekelijk. Eens vroeg hem een sceptisch-gezinde vriend: „Gij spreekt altijd en altijd over God! Wat hebt gij voor bewijzen, dat er inderdaad een God is?”
De Maharshi wees op een licht en vroeg toen zijn vriend: „Weet ge, wat dat is?”
„Een licht”, was het antwoord.
„Hoe weet ge, dat daar een licht is?”
„Ik zie het; en het behoeft geen bewijs, het is van-zelf-sprekend.”
„Zoo is het ook met het bestaan van God”, antwoordde de Maharshi. „Ik zie Hem in mij en buiten mij, in elk ding en dóór elk ding, en het behoeft geen bewijs; het is van-zelf-sprekend”.
Het zou mij te ver voeren om verder over den Maharshi te spreken. Wie genoeg bewondering koestert voor een edel en opofferend leven, voor het lijden en strijden van een machtigen geest in zijn vurige liefde tot God, leze de autobiographie van den grooten wijze. Het zijn uren van hoog-geestelijk genot en van wijding, welke men al lezende in dit boek doorbrengt. Ik wil u slechts één episode verhalen uit het leven van dezen merkwaardigen man. Het is het verhaal van een bezoek, dat leden van de Brahmo-Somaj, de godsdienstige vereeniging door Ram Mohun Roy gesticht ter aanbidding van het eenig en eeuwig Wezen, aan den Maharshi brachten. „Wij werden binnengeleid in de ruime verandah op de tweede verdieping, waar de eerbiedwaardige oude man op een stoel gezeten was. Wij bogen eerbiedig en namen onze zitplaatsen in. De Maharshi nam het eerst het woord. „Sinds gij, drie maanden geleden, hier gekomen zijt, is mijn verbinding met de uitwendige wereld zeer verminderd. Ik zie minder dingen en hoor minder woorden. Maar dat beteekent voor mij geen verlies. Wanneer mijn omgang met de buitenwereld afneemt, dan neemt mijn Yoga met de innerlijke wereld snel toe. Nu doe ik geen poging om die vereening te zoeken. Ik zit bij mij zelven en verheug mij in dit gezelschap”. Terwijl hij deze woorden sprak, glansde zijn aangezicht van innerlijke ontroering. Nadat het gesprek lang geloopen had over het wel en wee van de Brahmo-Somaj, zeide de grijsaard ten slotte tot zijn bezoekers: „God heeft ulieden geroepen om de Brahma-Dharma te preeken voor dit arme volk van Indië, en in het bijzonder voor Bengalen, ons zwak, noodlijdend en hulpeloos land. Zooals de moeder haar zwakste kind het teederst lief heeft, zoo heeft ook God deze grootere liefde betoond aan deze Zijn arme kinderen. Voor die bijzondere genade zijn wij God hoogst dankbaar. Hij heeft ulieden een bijzondere gunst toegestaan en heeft u geschikt geacht voor uw werk. Ik heb mijn laatste werk over Paraloka en Mukti, het génerzijds en de zaligheid, in een klein boekje uitgegeven. Ik bied u dit aan.” Na deze woorden vertrokken de pelgrims, zeer getroost en innerlijk gesterkt en geholpen.
Prof. Max Müller, aan wien wij dit verhaal ontleenden, teekent er bij aan: „Ik dacht, dat deze blik op wat in Indië binnenshuis gebeurt, en wat zelden gezien of zelfs maar vermoed wordt door degenen, die ons zooveel vertellen van de paleizen, de Raja’s en Maharaja’s, den wagen van Jaganāth, den Toren van het stilzwijgen, of van de grotten van Ellora, waard was om opgeteekend en bewaard te worden. Het kon den waren vrienden van Indië belang inboezemen. Wij hebben slechts de Indische kranten op te slaan om berichten te ontmoeten omtrent menschen, die hetzelfde heilige en godvruchtige leven hebben geleid als Debendranath Tagore, maar desniettemin, in de oogen van het Indische volk, den rang van een Paramahamsa niet hebben bereikt. Sommige hunner, die in hun land als heiligen zijn vereerd, worden door Europeesche critici als dwazen of als fanatici beschouwd. Toch hebben zij hun eigen plaats in hun eigen land, en zij vertegenwoordigen een macht, welke nooit veronachtzaamd zou kunnen worden door de heerschers van „arm, zwak en hulpeloos Bengalen”.
Alvorens verder te gaan over Debendranath Tagore, ben ik u een verklaring schuldig van het woord Paramahamsa. Max Müller zegt: „De welbekende naam, waarmee sommige dezer wijzen en heiligen worden genoemd, is Paramahamsa, een naam, welke moeilijk vertaald kan worden. Studenten, die plegen te spotten en te glimlachen bij het vernemen van elke gewoonte of traditie der Hindoe’s, vertalen dien naam letterlijk met „Groote Gans”, maar het is juister om dien klassieken titel weer te geven met „Hoog-vliegende Adelaar”. Bovendien is hamsa, ofschoon hetzelfde woord als „gans”, niet dezelfde vogel.”
Kenschetsender voor de beteekenis van Paramahamsa schijnt mij toe een gezegde van den godsminnaar Rama Krishna: „De zwaan kan melk van water afscheiden; hij drinkt alleen de melk op en laat het water achter. Andere vogels kunnen dit niet. Evenzoo is God (wezen) innig met Maya (schijn) vermengd; gewone menschen kunnen Hem niet gescheiden van Maya zien. Alleen de Paramahamsa (de groote ziel—hier is een woordspeling op hamsa, dat tegelijk „ziel” en „zwaan” beduidt) werpt Maya weg en neemt alleen God in zich op”.
Keeren wij nu tot Debendranath Tagore terug. De Maharshi heeft in zijn vroege jeugd zeer weelderig geleefd. In zijn autobiographie vertelt hij zelf van zijn levensommekeer, die hoogst merkwaardig is om de analogie met den ommekeer van Rabindranath zelven. Trouwens, er zijn meer gelijkenissen in de levens van vader en zoon. Het zich één voelen met hun volk en met de menschheid in het algemeen komt bij den vader aan het licht door alle voorrechten verbonden aan een hooge geboorte prijs te geven, en zich voortaan, als primus inter pares, te wijden aan de sociale en religieuze opvoeding van het volk; bij den zoon komt dat tot uiting in zijn leven en werken o.a. in de oprichting van de jongens-republiek in Bolpur en is „een ding van schoonheid” geworden in zijn 8e vers uit de Gitanjali. Hij spreekt hier „het mysterie van het geboren worden” aan, verpersoonlijkt in de Moeder, en zegt:
„Een kind in vorstelijk gewaad, met juweelsnoeren om den hals, heeft geen plezier meer in het spel, zijn kleeding hindert hem bij elken stap.
Uit angst om haar te scheuren of te besmeuren durft het niet met de anderen gaan en vreest zelfs zich te bewegen.
Moeder! de keetenen van uw opschik zijn niet begeerlijk, als ze afhouden van de gezonde aarde, als ze berooven van het toegangsrecht tot het groote feest van menschelijk gemeenschapsleeven”1.
De levenswending van Debendranath luidt in zijn autobiographie ongeveer als volgt:
„In den nacht, voorafgaande aan den dag, waarop mijn grootmoeder op den oever van de Ganges zou verscheiden, zat ik op een mat, nabij het hutje uitgespreid; de volle maan was aan den horizon opgekomen en dicht bij mij lag het aanstaande graf. Toen was men bezig met Kirtan-liederen te zingen om mijne grootmoeder.
„Wanneer zal die gezegende dag toch komen,
Wanneer zal ik het sterfelijk lijf verlaten
U roepende bij name, o Heer?”
Een zachte wind droeg de klanken tot mijne ooren; plotseling kwam een vreemde ontroering over mijn geest. Van dat oogenblik werd ik een geheel ander mensch.—Ik voelde een hevigen afkeer van weelde. Het matje, waarop ik zat, scheen mij de eenige en geschikste zitplaats toe. De rijke carpetten en al het andere leken mij waardeloos. Ik voelde in mij een klaarheid en een vreugde, welke ik nimmer tevoren kende … de vreugde, die ik op dien dag gevoelde bij het graf, overweldigde mijn ziel … Niemand kan die vreugde ervaren door zijn hoofd met logische redeneeringen te vullen … Wie zegt, dat er geen God is? Hier is het bewijs van zijn bestaan … Ik kon dien nacht niet slapen. De reden van mijn slapeloosheid was de extase der ziel, alsof héél dien nacht het maanlicht zelf zich over mijn geest had gespreid.”
Bij het bericht van den dood des Maharshi’s schreef de geleerde Ananda Mohun Bose „als zoon van Dwarakanath en, naar ik meen, eerste secretaris van de „British Indian Association” had hij reeds lang Maharaja kunnen worden. Maar hij koos het beste deel. Maharaja’s sterven, maar Maharshi’s leven voort, leven voort in de dankbare harten der komende geslachten. Zonder twijfel zal de Maharshi blijven voortleven voor altijd, en de jongere generaties zullen begeesterd worden door de sublimiteit van zijn karakter”.
⁂
Rabindranath was de jongste zoon in een familie van 7 broeders en 3 zusters. Men zegt, dat geboren dichters meestal schoon zijn en ook Rabindranath was geen uitzondering op dezen regel. Lang is hij in Indië beroemd geweest, zoowel om zijn poëzie als om zijn schoonheid. „Inderdaad toonen zijn portretten een treffende gelijkenis met de beste beeltenissen van den Galileïschen dichter, die geen enkelen versregel ooit geschreven heeft, maar die de wereld heeft geheiligd met de majesteit zijner levenspoëzie en van zijn woorden.” Het golvende haar van den Hindoe-zanger, het breede ongerimpelde voorhoofd, de glanzende donkere en magnetische oogen, de als gebeeldhouwde neus, de krachtige en toch zachte kin, de fijne gevoelige handen, zijn welluidende stem, de vriendelijke glimlach, zijn levendige zin voor vroolijkheid en zijn natuurlijke, goede levenswijze maken hem tot een betooverende persoonlijkheid en tot de zuivere belichaming van den kunstenaar.
Daar de God-minnende vader van den dichter veel placht te reizen, kon hij zich niet altoos met de opvoeding zijner kinderen bezig houden. En ongelukkigerwijze viel de opvoeding van „Rabi” in plaats van in de handen zijner moeder of van de dienstmaagden, in die der mannelijke bedienden. Deze waren verschrikkelijke meesters en toonden zich zeer wreed voor het kind. Om het werk van kinderen-oppassen gemakkelijker te maken, sloten zij het in een kamer op, en vaak trokken zij, bij wijze van straf, met een krijtstreep een cirkel in de kamer en gelastten het kind niet uit dien cirkel te gaan. Gelukkig voor het kind kwam die cirkel wel eens te liggen dicht bij een venster, dat uitzicht gaf op een tuin met vijver, bloembedden en vruchtboomen. Dan placht het kind te kijken naar de kaleidoscopische bewegingen der menschen, der dieren en der vogels. De eenden, die speelden in het water, zoekende naar voedsel, de menschen—sommigen keuvelende en zich koesterende in de zon, anderen vruchten of bloemen plukkende—boeiden het kind zoozeer, dat het daardoor al het verdriet in zijn eenzame opsluiting vergat.
Ofschoon Rabi op deze wijze de voordeelen van veronachtzaamd te worden genoot, deed toch de gevangenschap zijn hart verlangen naar vrijheid. Dat uitzicht op de dingen daarbuiten verhoogde zijn smachten naar de vereening met de natuur, en later door deze naar de vereening met God in de natuur. Dit gescheiden zijn maakte zijn liefde voor de natuur zóó hevig, dat, wanneer de vrijheid aangebroken was, de vreugde over de ontmoeting met de natuur om zoo te zeggen wederkeerig was. Natuur koesterde het kind aan haar boezem, en dit begon de natuur met hart en ziel lief te hebben. De scheiding maakt den zegen der vereening van geliefden zooveel te heerlijker.
Het eenzaam bestaan in de kamer maakte het kind nadenkend, en de kiem van zijn later mysticisme werd aldaar gelegd. In een zijner brieven verhaalt de dichter ons van eenige ervaringen uit zijn kindertijd: „Ik herinner mij slechts vaag de dagen mijner vroegste jeugd. Maar ik herinner mij toch zeer goed, dat nu en dan op sommige ochtenden een soort van onuitsprekelijke vreugde zonder eenige reden zich van mijn hart meester maakte. De heele wereld scheen mij vol geheimenissen. Elken dag placht ik met een klein bamboestokje in den grond te graven in de hoop één daarvan te ontdekken. Al de schoonheid, de liefelijkheid en de geur van deze wereld, al de bewegingen der menschen, het gerucht op straat, het geschreeuw van den kiekendief, de palmboomen in onzen familietuin, de banyan-boom bij den vijver, zijn schaduw op het water, de morgengeur der bloemen—al deze dingen deden mij de aanwezigheid gevoelen van een slechts schemerig vermoed wezen, dat zoovele vormen aannam om mij gezelschap te houden”.
Elders heet het: „Het was mij, alsof de natuur haar handen gesloten hield en mij vroeg „Zeg mij eens, wat ik in mijn handen heb”, en ik durfde nooit te antwoorden, want al wat denkbaar is, was daar te vinden”.
In dien tijd was de toekomstige dichter pas zes of zeven jaren oud. Zoo aandachtig keek hij naar de dingen in de natuur en zoozeer verheugde hij zich daarover, dat hij de muren van het schoolvertrek haatte, die hem van zijne geliefden gescheiden hielden. Zij werden hem nog ondragelijker, doordat de onderwijzer in de Bengaalsche litteratuur, een man van middelmatige ontwikkeling en met grove manieren hem grooten afkeer inboezemde. De koppige leerling wilde nimmer een woord spreken en had het heele jaar door de monopolie op het laagste cijfer in de klasse. Maar aan het einde van het jaar werd het schriftelijk werk nagekeken door Srijut Madhusudan Bachaspati en zie, de jonge Tagore kreeg den hoogsten graad van al de leerlingen. De onderwijzer was woedend en gaf den autoriteiten zijn vermoeden te kennen, dat er partijdigheid jegens den domkop in het spel was geweest. Onder direct toezicht van den superintendant der school werd hij voor de tweede keer geëxamineerd en ook ditmaal sloeg hij het record. Maar het bleef sukkelen met den jongen droomer en verhuizing van de eene naar de andere school volgde.
Op een dag—toen was Rabindranath nog pas zeven jaren oud—nam hem zijn oudere neef Jyotiprokash plotseling bij den arm en zeide „Je moet verzen schrijven”.
„Hoe kan ik dat doen? Ik weet niet hoe”, antwoordde de toekomstige schrijver van Gan, Gitanjali en The Gardener.
„Ik zal het je leeren. Ik heb Shakespeare’s Hamlet gelezen, en ofschoon ik geen dichter ben, meen ik toch uit je neigingen te kunnen opmaken, dat je door oefening eens een groot en oorspronkelijk dichter zult worden”. Inderdaad een treffende voorspelling!
In dezelfde school, waar de gehate onderwijzer les gaf, won de poëet in den dop de vriendschap van een anderen onderwijzer, Srijut Satkowri Datta. Deze had dichterlijke neigingen en toen hij den verborgen aanleg van Rabindranath had ontdekt, gaf hij hem dikwijls lessen in versificatie. De onderwijzer schreef b.v. de eerste twee versregels en vroeg den jongen van 10 jaar de strofe te beëindigen. B.v. schreef de onderwijzer:
„Rabi Karay jalatan achilaw sabai
Barasha varasha dilaw ar vai nai.”
De ontluikende poëet voegde hieraan toe:
„Mingan din haway chilaw saroboray
Ekhan tahara sukhay jalawkrira kawray.”
Met andere woorden schreef de onderwijzer:
„Een ieder was afgemat door de schroeiende stralen der zomerzon, maar nu worden zij gerust gesteld door den komst van den regentijd.”
De vlugge leerling voltooide de gedachte op deze wijze:
„De vermagerde visschen hebben een ellendig bestaan in den vijver geleid, maar nu voelen zij zich gelukkig en vroolijk in het water.”
Omstreeks dien tijd kwam de vader thuis van een langdurige afwezigheid in andere streken van Indië. De Maharshi vernam van de poëtische neigingen zijns zoons en nadat hij den aanleg van den jongen grondig had waargenomen, nam hij hem uit school en deed zich door hem vergezellen op een reis over het Himalaya-gebergte, teneinde hem op te voeden in de school der natuur: De jonge Tagore was buiten zichzelven van blijdschap, dat hij nu de school kon verlaten en onder de hoede kwam van zijn eigen vader. Zijn hart klopte onstuimig, nu hij op het punt stond de bergen van nabij te kennen. Toen de knaap den eersten avond, dien hij buiten Calcutta doorbracht, in een palankijn gedragen werd naar Bolpur Shanti-Niketan (het „vredes-oord” in Bolpur, het landhuis zijns vaders, waarin deze zich na maatschappelijken arbeid terugtrok voor zijn meditatie’s en voor zijn geestelijk werk), sloot hij langs den heelen weg tot aan de bangalo zijn oogen, alleen om de schoonheid der natuur niet in het matte licht der vallende duisternis te zien en opdat hij des te grooter vreugde zou beleven bij het aanschouwen van het landschap in den glans van het morgenlicht.
Toen hij na eenigen tijd het Himalaya-gebergte bereikt had, kwam hij tot het inzicht, dat hij hier vond, waarnaar zijn hart zoo hevig had verlangd: een rijkdom aan natuurschoon, stralend door de weelderigheid van heerlijke kleuren en majestueuse vormen. Hier maakte zijn vader hem bekend met de godheden, die op hun beurt den knaap wezen op de duizenderlei geheimenissen en op de majesteit dezer wonderen. Onderwijl gaf hem zijn vader les in Engelsch en Sanskrit en in de Bengaalsche taal, in botanie en astronomie.
Destijds had de elfjarige Rabindranath reeds de voornaamste boeken uit de Bengaalsche letterkunde gelezen en was hij juist begonnen met „in verzen te stamelen”. In het volgende jaar stierf zijn moeder en de groote droefheid om haren dood versterkte in den knaap de liefde voor de natuur.
Na den dood zijner moeder woonde hij te Chandranagore, in een huis met uitgestrekten tuin nabij de Ganges. De tegenstelling tusschen de majestueuse grootschheid der Himalaya-bergen en de zachte melodie van de Ganges, vermeerderde zijn fantasie en scherpte zijn verstand. Uren achtereen staarde hij naar den geheimvollen stroom of placht hij toe te zien, hoe de maan den heiligen stroom kuste op zijn gouden rimpelingen. Nacht op nacht bracht hij op het platte dak door en verloor zich in bespiegelingen over het geheimenis van den sterrenhemel. Zoo hield hij zich verscheidene jaren bezig met zijn droomerijen en met de studie der Engelsche en Bengaalsche litteratuur, met het maken van gedichten en opstellen voor verschillende tijdschriften, in het bijzonder voor zijn familietijdschrift Bharati, dat nu door zijn geleerde zuster Sreemati Swarna Koomari Devi wordt uitgegeven.
Op den leeftijd van veertien jaren schreef hij reeds zijn eerste gedichten; als zestienjarige jongeling ging hij naar Europa en bezocht University College te Londen om in de rechten te studeeren, maar spoedig keerde hij weer naar zijn vaderland terug, daar de rechtsstudie in het geheel niet met zijn aanleg en zijn liefde overeenkwam. Zijne geleerde brieven toonen zijn beheersching der Bengaalsche taal, zijn breedte van blik en de scherpte van zijn opmerkingsgave ten opzichte van sociale problemen. In Engeland vervolmaakte hij zijn kennis der Engelsche taal en maakte zich een vloeiende proza-stijl eigen, die slechts weinigen in Indië bezitten.
Na zijn terugkeer in het vaderland schreef hij het meerendeel zijner romans, b.v. Gora en Nouka Dubi en van zijn drama’s, b.v. Raja o Rani en Chitra. Tusschen zijn vijf en twintigste en vijf en dertigste levensjaar vervaardigde hij zijn liefdesgedichten en gaf o.a. uit de verzameling Sonar Tari.
Nog eenmaal treffen wij hem in Engeland aan, waar hij een moeilijken tijd vol droefheid en smart moet doorgemaakt hebben; het waarom is onbekend. Hij keerde naar Indië terug en leefde als een kluizenaar aan den oever van de Padma.
⁂
Na deze periode van wereld-verloochening brak tegen zijn 40e jaar zijn sterkste tijd in al zijn pracht en rijkdom aan. Het was ook toen, dat hij in Bolpur een school oprichtte, waar hij de Indische jeugd wilde groot brengen in een wereld- en levensbeschouwing, waartoe hij zelf had moeten doordringen, teneinde persoonlijkheden op te kweeken voor den dienst van het vaderland. In deze openlucht-school zitten de kinderen op hun matjes onder de boomen en krijgen er les in litteratuur, geschiedenis, aardrijkskunde en alle andere vakken op een wijze, die in doelmatigheid niet onder doet voor de methoden op gewone scholen. „Shanti Niketan” of „het oord van Vrede” bij Bolpur ligt op den Weg van Delhi naar Calcutta. Zij ligt in een groote vlakte te midden van rijstvelden, waar, tusschen palmboomen, het hooge huis verrijst. Op die eenzame plaats trok een halve eeuw geleden des dichters vader, de Maharshi Debendranath, zich soms terug, telkens als hij ontdekte dat onafgebroken aandacht voor wereldsche zaken niet goed voor de ziel is, die soms eenzaamheid en tijd voor overdenking noodig heeft. Daar bouwde hij een ashram of kluizenarij, waar men rust voor het hart, vrede voor den geest en vreugde voor de ziel herwinnen kan. In een soort van kapel zijn daar veertig jaren lang dagelijks gebeden gezegd. Na den dood des Maharshi’s wilde de zoon, dat er grooter invloed zou uitgaan van het rustoord van zijn vader.
Op de plek, waar zijn vader overdacht en bad stichtte Rabindranath zijn school. Sinds 1905 hoort men kinderstemmen waar eens volkomen stilte heerschte. Slaaphutten met gras overdekt verrezen voor de kinderen bij huizen voor de meesters, met roode klimplanten overgroeid.
Deze instelling heeft niets te maken met de regeering, haar staf is niet officieel, geen stelselmatige routine wordt opgedrongen aan meesters en jongens. Zij is één met land en landaard, gelijk de boomen die de school omringen. In deze school steunt Indië op zich zelf en uit het zich ongedwongen. Geen poging wordt gedaan om iets vreemds op te leggen, om iets Indisch te ontwortelen of te dwingen, en om vreemde methodes door vreemde leeraars te laten toepassen. De onderwijzers zijn Indisch. Ze zijn Indisch in hun gedachten, in hun gewoonten, in hun sympathieën, in hun kleeding. De regeering heeft geweigerd subsidie aan de school te geven, omdat de voorwaarden, waaronder ze die alleen wilde geven, niet werden aangenomen.
„Ze wilden mijn jongens onder anderen dwingen den geheelen dag stijf op banken in de school te zitten”, zeide Tagore, „terwijl ik het veel beter acht dat ze op matten zitten onder de boomen. Daarom en omdat een jong patriottisch dichter als onderwijzer aan mijn school verbonden is, staat de school geplaatst op de zwarte lijst der politie. Pogingen zijn aangewend om haar te onderdrukken, dreigende officieele circulaires zijn aan de ouders gezonden.”
Maar die vervolging maakte de school enkel dierbaarder aan den dichter, die diep overtuigd is een goed werk voor de bevolking en toekomst van zijn land te verrichten. De jongens doen al het huiswerk in de gebouwen en moeten hun eigen kleederen wasschen. Zij kiezen uit hun midden een commissie, die het werk heeft overgenomen van den „huishouder”, dien ze weleer hadden. En een van de resultaten hiervan was, dat al reeds dadelijk bleek, hoe bij den aankoop van rijst honderd roepijen per maand bespaard werden. En dit stelsel van zelfregeering wordt in alles doorgevoerd. De meesters der verschillende klassen kiezen zelven uit hun midden een hoofd, dat voor een jaar benoemd wordt, doch herkiesbaar is. Tucht wordt gehandhaafd en straffen worden uitgesproken door school-kapiteins en schoolrechters, die elke maand door de jongens gekozen worden. Ze hebben een hof van appèl gevormd, dat, zoo noodig, de eindbeslissing geeft, eens per veertien dagen, betreffende elke overtreding of oneenigheid tusschen de jongens zoo op school als in de speelvelden. Er is een avondschool opgericht voor de dorpsbewoners, waarin Tagore’s jongens onderwijs geven. Tagore zelf geeft in zijn school geen les; maar de dagen, dat „Gurudev” de jongens bezoekt, zijn ware feestdagen voor de discipelen. De grootere jongens, geïnspireerd door het voorbeeld van den grooten meester, snellen in de speeluren naar het naburige dorp om den armen goed te doen, hen te helpen bij het bouwen hunner woningen en om op bescheiden wijze de onwetenden te onderrichten. De hoofdgedachte in deze school is de kinderen op te voeden in den zin van wereldbroederschap.
De volgende anecdote is zeer kenschetsend voor den geest, die er heerscht in de verhouding tusschen leerlingen en leermeesters.
Eens speelde een jongen van zes zomers met Tagore’s baard, terwijl hij op den schoot van den dichter zich had neergevlijd. Plotseling zeide het kind: „Gurudev, ge schrijft zooveel gedichten; waarom leert ge me niet, hoe ik gedichten moet schrijven?”
„Mijn kind,” antwoordde Tagore, „de last der poëzie is buitengewoon zwaar te dragen; soms voel ik, of ik daaronder zal bezwijken. Ik wensch je niet daarmede te belasten.”
„Goed”, zeide het kind ernstig, „dan zal ik mezelven leeren gedichten te schrijven. Zij schijnen alle van uw gedichten te houden, ofschoon gij daaronder een beetje gebukt gaat.”
Toen die jongen ongeveer 10 jaar oud was geworden, heeft hij eenige mooie gedichten in het Bengali geschreven en werd een trouw medewerker aan een der schoolcouranten.
De liefde, welke de studenten te Bolpur den grooten meester toedragen, grenst aan adoratie. De atmosfeer in deze school ademt dan ook geheel den geest van den stichter. Geen wonder, dat het instituut, dat gegrondvest is op de meditatieplaats van den maharshi, het middelpunt vormt van Tagore’s werkdadig leven, daar hier gerealiseerd worden de heerlijke denkbeelden, welke zijn geschriften tot kostbare schatten der menschheid hebben gemaakt. Aan deze school heeft de dichter de som van den Nobel-prijs en de opbrengst van al zijn boeken ten geschenke gegeven.
Daarna heeft de dichter weer een jaar lang in Amerika en Engeland vertoefd, waar hij zich bezig hield met de uitgave zijner eigen werken en van de autobiographie van zijn in 1904 gestorven vader. In beide landen zijn hem een bewondering en belangstelling ten deel gevallen, die van dag tot dag stegen.
Met de politiek heeft Tagore zich nimmer willen bemoeien. Integendeel, hij sloeg iedere uitnoodiging af om aan politiek mee te doen. Slechts éénmaal, toen in 1908 in het provinciaal congres de partijen niet tot overeenstemming konden komen, gaf hij aan de uitnoodiging gehoor om de leiding der vergadering op zich te nemen en het gelukte hem dan ook heel gauw de partijen tot een compromis te brengen.
Tagore’s veelzijdigheid is verbazingwekkend. Hij is een diepzinnig filosoof en geestelijke leider; in deze laatste hoedanigheid is hij een der oprichters van de Indische Nationale Universiteit in Calcutta en de stichter en directeur der stedelijke kunstacademie in die stad. In zijn handen berust de uitgave der tijdschriften Sadhana, Bangardasan, Bharati en Tattvabodhini. Hij is paedagoog en een goede bestuurder van zijn zamindary; geschiedvorscher, zanger en componist. Hij dicht n.l. op zijn eigen compositie’s en zingt zelf zijn liederen voor degenen, die ze hooren willen. Zoo heeft hij ongeveer 500 liederen vervaardigd en op muziek gezet. Hier volge een gedeelte van wat ik over Tagore als zanger schreef in „De Amsterdammer”, Weekblad voor Nederland.
Volgens Henri Borel geeft de Oostersche philosoof C. Jinarajadasa, de schrijver van het mooie boekje Bloemen en Tuinen, als zijn meening te kennen, dat de kunst van zingen een mystieken grond heeft, en dat alles voor een zanger hierop neerkomt, dat hij, hetgeen hij noemt zijn „grondtoon” heeft gevonden, die van goddelijk-kosmischen aard is. Iedere waarlijk goddelijke zanger zal dàn eerst zijn stem ontwikkeld hebben, door inzicht in zichzelf, en door oefening verkregen kennis van de verborgen geestelijke krachten in zich, zijn „grondtoon” heeft gevonden, en alzoo zijn geestelijk inwezen heeft „gestemd” in harmonie met de groote, rythmische, muzikale Wet van den Kosmos.
Mij is nimmer een dergelijk voorrecht te beurt gevallen als den heer Borel, die in een Thibetaansch Lama-klooster, in het noorden van China, door priesters heeft hooren zingen, zóó als hij in zijn geheele leven niet heeft gehoord. Hij zegt: „Ik kan dezen zang niet beschrijven, maar het was mij, of de diepste levensmysteriën er mij door geopenbaard werden, en het gaf mij eene ontroering van mijn gansche wezen, zooals ik er nooit meer een gehad heb.”
Ofschoon dus bij ervaring niet wetende de waarheid der betooverende macht van den zang, wanneer deze aangolft uit het innerlijk van den gods-vreugdigen zanger, meen ik toch, behalve dan in de mededeeling van den heer Borel zelve, aan wijzigingen daaromtrent te vinden. En ik wil als iemand, die zichzelven een toon gevoelt in de harmonie van het Al, noemen den landgenoot van Jinarajadasa, den dichter Rabindranath Tagore.
Het is bekend, dat deze dichter ook muziek schrijft voor zijne verzen. Van de wetenschap der muziek weet hij maar weinig; hij is geen muziekgeleerde gelijk een ander beroemd lid van zijn geslacht, Surindra Mohan Tagore, de stichter van de Bengaalsche hoogeschool voor muziek en die, naar ik meen, eere-dokter is in de muziekwetenschappen. Doch door zijne de ziel roerende stem boeit Rabindranath honderden, wanneer hij zijn geestelijke liederen zingt in de kerk der Brahmo Somaj, de secte door Ram Mohan Roy gesticht ter aanbidding van het eeuwige en onveranderlijke Wezen, dat het heelal schept en onderhoudt.
Uit alle oorden van Bengalen komen de menschen derwaarts om den dichter te hooren zingen en tot zelfs in de vensternissen van de kerk gaan de menschen staan om naar de stem van Rabindranath te luisteren.
Dit wijst er op, dat Tagore een waarlijk goddelijke zanger is, dat hij door de beving van zijn blijde ziel de harten zijner toehoorders weet te ontroeren. Vele zijner gedichten uit de Gitanjali getuigen onmiddellijk van deze innerlijke bewogenheid, van dit: dat hij „de harp zijns levens gestemd heeft naar de nooten van altijd-duur.”2
De verrukking zelve van den zanger, wanneer hij zit „in de gehoorzaal bij den grondeloozen afgrond, waaruit de muziek der toonlooze snaren opgolft”, wanneer zijn inwezen zich een noot voelt in de Al-harmonie, vormt o.a. de gedachte in Wij-zang no. II.
„Als gij mij zegt te zingen, dan is het of mijn hart zal breeken van trots; ik zie u in ’t gelaat en tranen koomen in mijn oogen.
Al wat ruw en wanluidend is in mijn leeven versmelt tot één zoete harmonie—en mijn aanbidding spreidt vleugelen als een blijde voogel, die vlucht neemt over de zee.
Ik weet, dat mijn zang u behaagt. Ik weet dat ik alleen als een zanger tot uw aanweezen nader.
Met den rand van de wijd spreidende wiek mijns gezangs raak ik uwe voeten,—tot waar ik mij nooit te reiken zou vermeeten.
Dronken van zanggeluk vergeet ik mijzelven en noem ik U Vriend, die toch mijn Heer zijt.”
Sprekende aanduidingen van Tagore’s levensinzicht, dat de mensch in ’t algemeen zich bewust moet worden van zijn plaats in de éénheid der schepping, dat de menschheid zichzelve een accoord moet gevoelen in den eeuwigen wereldzang om daardoor de hoogste wijsheid en tevens het hoogst denkbare geluk en de hoogste vreugde deelachtig te worden vindt men verder in de Wij-zangen I, III, XV, XXXXIX, LXV, LXIX.
Muziek schijnt een essentiëel bestanddeel te zijn in het leven van dezen dichter, want niet alleen zelf beoefent hij de muziek en worden de gasten in het huis Tagore onthaald op muziek, waarvan de tonen uit de shubahar week en weemoedig stroomen gelijk het fluisteren uit een andere wereld, maar ook in zijn klein republiekje in Shanti Niketan bij Bolpur vormen muziek en zang het begin en het einde der dagtaak van zijn geliefde scholieren.
J. Ramsay Mac Donald vertelt van zijn verblijf in Shanti Niketan: „Ik bracht den nacht door in de instelling. Vroeg ontwaakte ik, toen de dageraad nog slechts een lichtstreep was in de duisternis. Ik hoorde een liefelijk gezang. Elken ochtend gaat het jongenskoor hymnen zingend door de tuinen en op dezelfde wijze wordt de dag besloten. Een kwartier uur ’s ochtends on eveneens ’s avonds zitten de jongens stil neder in overpeinzing van wat ze zongen. Tweemaal in de week komen zij bijeen in de kapel tot gemeenschappelijke aanbidding van God, en Rabindranath spreekt hun toe en wekt hen op tot goed leven en streven, tot godsdienst in daden.”
Ik cursiveer in daden, want hierin ligt de grond van Tagore’s grootheid als dichter, musicus en filosoof, dat bij hem zijn wijsheid, zijn leer van liefde en humaniteit niet alleen schoon-klinkende theoriën zijn en dat zijn kunstuitingen niet slechts vormen het pronkgewaad van vernuft en intellect, maar de vriendelijke schaduwboomen, waarlangs het pad van zijn practische leven gaat.
Frederik van Eeden duidt dit verschil aan met „weeten” en „gevoelsweeten”.
Mij wil het voorkomen, alsof het vinden van den „grondtoon” van des menschen zelf naar de wijsgeerige aanschouwing van Jinarajadasa identiek is met wat Tagore noemt: „Naar waarheid vereenigd te zijn in kennis, liefde, en dienst met alle wezens, en alzoo zijn zelf te realiseeren in den alles-doordringenden God is de kern van goedheid; en dit is de sleutel tot de leeringen der Upanishads: Prāno virāt! (Het leven is onmetelijk).”
Dat Tagore deze uitspraak grondt op zijn eigen innerlijk, op zijn „zijn in harmonie met het Oneindige”, dat dus met „gevoelsweetenschap” Tagore zijn wijsheid leert en zijn liederen zingt, getuigt het slot van zijn lezing „The Realisation of Beauty”, een naklank als het ware van vers LXIX uit de Wij-zangen:
„Verleden nacht”, zegt hij, „in de stilte, welke de duisternis doordrong, stond ik alleen en ik hoorde de stem van den zanger van eeuwige melodieën. Toen ik slapen ging, sloot ik mijn oogen met deze laatste gedachte in mijn geest, dat zelfs, wanneer ik onbewust ben, de dans van het leven voort zal gaan in de stille arena van mijn slapend lichaam, gelijken tred houdende met de sterren. Het hart zal kloppen, het bloed zal blijven stroomen in mijn aderen, en de millioenen levende atomen van mijn lichaam zullen trillen in harmonie met den klank van de harpsnaar, welke beeft bij de aanraking van den Meester.”
⁂
Vóór alles echter is Tagore dichter, dichter der liefde. Liefde vloeit hem uit zijn hart, uit zijn zinnen en uit zijn ziel, gelijk een onafgebroken stroom, die in zijn windingen alle mogelijke vormen aanneemt, van af het grove tot het geestelijke, van het bekende tot het onbekende en van het eindige tot het oneindige. Hij verklaart de liefde in al haar menigvuldige uitdrukkingen—die der moeder, van het kind, van den echtgenoot, van de vrouw, van den minnaar, van de geliefde, van den patriot, van den levens-vreugdige; de liefde voor de natuur en de liefde voor God. Zijn verzen brengen het gemoed in verrukking, bedaren den klop van het hart en vullen de oogen met tranen.
De uitdrukking der liefde is hem zoo natuurlijk, doordat hij evenals vele andere dichters door alle phasen der liefde is heengegroeid—van af de vereering der zinnen tot de rust der heiligen. Hij kent de huivering der liefde, den romantischen hartstocht, de zwaarmoedigheid der teleurstelling, den afgrond der vertwijfeling, de diepte der rust en de extatische verwerkelijking van „zijn” „geest” en „zaligheid” (sat, chit, anandam).
Toen de golvende stroom der jeugd den dichter plotseling had overvallen, kon de jonge man slechts liefde en romantiek zien. Dezelfde natuur, hetzelfde volk, hetzelfde leven—en toch scheen elk hem geheel anders als toen hij als kind daarnaar placht te kijken. Waar had de verandering plaats gevonden, in hem of in de wereld? Spoedig kwam hij tot het inzicht, dat éérst hij en toen de wereld veranderd was, opdat deze steeds in aanraking met hem kon blijven. Dit inzicht heeft hij later, terugblikkende op zijn romantische levensperiode, belichaamd in het gedichtje „Het stralend visioen der jeugd”, als vers no. XV in The Gardener opgenomen:
„Ik ren als het muskushert rent in de schaduw van het woud, dol door zijn eigen geur.
De nacht is midden-Mei-nacht, de wind is Zuidewind.
Ik raak van mijn pad af en ik ga dwalen, ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek.
Het beeld van mijn eigen begeerte komt uit mijn hart en danst.
Het stralend vizioen vliedt heen.
Ik tracht het vast te grijpen, het ontwijkt me en leidt me van mijn weg af.
Ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek.”3
Dit is dus een terugblik op de periode, toen hij als epicurist en bon-vivant leefde. Elegante kleeding uit de kostbaarste zijden stoffen, lekkere spijzen, vurige romans, gloeiende liefdes-gedichten—dat waren de dingen, die zijn belangstelling geheel in beslag namen. In zijn Jiban Smriti bekent hij openhartig, dat hij in dien tijd geen betrekkingen onderhield met den traditioneelen geestelijken stroom in zijn familie. Toch lag in zijn diepste „ik” steeds een sterken ondergrond van de geestelijke natuur, die hij van zijn vader geërfd had.
Ontkend kan niet worden, dat niettegenstaande dien diepen ondergrond, vele zijner jeugdgedichten door den bovenstroom zijns levens sterk waren gekleurd. Inderdaad verwekten eenige daarvan de ergernis der oude Hindoe-moralisten. Toen op zekeren dag in een Indisch studentenpension iemand een van Tagore’s liederen zong, riepen eenige jonge mannen uit: „Waarvoor dat gemeene lied?” Hun werd geantwoord, dat het een van Rabi Babu’s liederen was, maar zij wilden het niet gelooven, totdat hun de gedrukte verzen werden getoond. Toen gaven zij toe, dat achter de luchtige, ietwat zwoele woorden, een diepere zin verborgen lag. Het lied luidt ongeveer: