„Hierheen, mijn liefste, kom hierheen!
O kom in mijnen tuin der vreugde binnen
en zie, hoe heerlijk mijne bloemen bloeien.
Zacht waait de wind met bloemengeur beladen;
het maanlicht schemert zacht en murmelnd springt
een zilver-beekje uit ’t woudpad vroolijk af.
Hierheen, mijn liefste, kom hierheen!
Laat ons elkaâr des harten diepte toonen
de bloemen zaam’lend der onsterflijkheid.
Wij zullen in verterende verrukking
de ééne voor den ander kransen winden.
Wij zullen naar de sterren kijken lang,
tot zij verbleeken in den morgenschemer.
In dezen onzen rijk-getooiden hof,
geliefde, zullen wij voor immer blijven
en liedren zingen in uitbund’ge vreugde.
Hier zullen onze harten in ’t geheim’nis
en ’t wondre raadsel van dit leven sidderen.
Ja, en de dagen en de nachten zullen
voorbij ons gaan, als waren zij visioenen
des liefde-gods, en vol verlangen zullen
wij beiden slechts van eeuw’ge vreugde droomen.”
In het gedicht „De Bayadère” verbindt hij het zinnelijk-erotische met edele menschelijkheid.
„In ’t stof der wegen, voor Mathura’s poorten,
lag slapend Upagupta uitgestrekt.
Gesloten was de poort, gedoofd de lichten,
des hemels glans met wolken overdekt.
Daar stiet zich lichtlijk tegen ’t lijf des vromen
een vrouwenvoet: luid klonk haar enkelring.
Ontwaakt zag hij een lamplicht siddrend beven
en oogen met een blijde tinteling.
Het lichaam van den wijn der jeugd nog dronken
en van de pracht van edelsteen verzaad’
zoo stond voor Buddha’s knecht de Bayadère
en vroeg verbaasd „Wat doet gij hier zoo laat?
Niet uwer waardig is het stof der wegen,
O wees mij wèlgezind en volg mij nu!”
.… „Ga dan vooraan, gij schoonste aller schoonen,
zoodra het tijd is, kom ik wel bij u!”
Een bliksemstraal doorschoot het nachtlijk duister
toen Upagupta zoo gesproken had.
Vreesachtig vluchtte naar de stad de schoone
lang nagestaard door oogen, droef en mat.
— — — — — — — — — —
— — — — — — — — — —
En maanden gingen onder storm en regen,
zij hebben Upagupta nooit gestoord.
De lente kwam; daar schetterden schalmeien—
de heil’ge schreed toen langzaam naar de poort.
Wie lag daar voor Mathura’s hooge muren
in ’t stof der straten weenend uitgestrekt,
van pijnen trillend en haar jeugdig lichaam
met zwarte zweren schriklijk overdekt?
Der pest ten prooi, ach zij, de Bayadère!
Door hare vrienden uit de stad verjaagd!
Niet één heeft haar gelaafd de droge lippen,
door woest verlangen naar één teug geplaagd.
Toen zette zich de monnik naast haar neder
en nam haar smartlijk hoofd in zijnen schoot,
en laafde haar en zalfde hare wonden:
haar reddend uit de klauwen van den dood.
„Wie zijt gij dan?” vroeg toen de Bayadère.
„Engel van medelij, ach, zeg mij nu!”
… „Ik heb u eenmaal vast beloofd te volgen
zoodra het tijd is … en ik ben bij u”.4
De Hindoe’s van den ouden stempel werden op Rabindranath zeer ontstemd, daar zij dachten, dat hij de jeugd van Indië door de zinnelijkheid zijner liefdes-poëzie en liederen ging demoraliseeren; in het bijzonder gold dit de verzamelingen „Liefde” (Prem), „Jeugddroomen” (Jouban Sapna) en het lyrische drama Chitrangada. Tagore werd er van verdacht het romantisme van het Westen in Indië te willen invoeren en zich te willen afscheiden van den klassieken ernst, waarmee de Indische litteratuur de menschelijke hartstochten placht te behandelen. Maar in hun ijver om voor de Indische jeugd de zaligheid der Nirwana-onwetendheid te bewaren, vergaten die moralisten, dat in de geschriften van den jongen dichter niets was te bespeuren van de soms ruwe gemeenheid van een vroegeren Bengaalschen dichter, Bharat Chandra Rai Gunakar, die door de Bengaalsche jeugd maar al te ijverig werd gelezen.
Terwijl Tagore den tijd verdeelde tusschen het verblijf in zijn paleisachtig huis te Calcutta en dat in Shanti Niketan te Bolpur, kwam hij dáár in aanraking met de drukte, het rumoer en de politiek in de maatschappij, en hìer putte hij uit de inspiratie van de natuur en van de stilte de krachten voor zijn innerlijken groei. Intusschen vloeide steeds de stroom van stukken, opstellen, liederen en gedichten. Zooals de beide uitwendige krachten, vertegenwoordigd in Calcutta en Shanti Niketan, op elkaar inwerkten, zoo streden ook in zijn binnenste de tegenstroomingen der zinnelijkheid en des geestes om eindelijk te komen tot volkomen harmonie. In de periode van zijn twijfel, zijn vertwijfeling en onzekerheid schreef de dichter gedichten als „De roeping der Zorg”, „Klacht van het Geluk”, „Vertwijfeling der Hoop”.
Eindelijk kwam de diepere tegenstroom der geestelijke natuur weder aan de oppervlakte en nu werd zijn leven ten volle van den geest dezer wedergeboorte doordrongen. Hij vond nu, wat hij steeds gezocht had. Van dezen ommekeer in zijn leven lezen wij in een brief: „Op een morgen van uit mijn verandah zag ik de zon opgaan boven het loof der boomen in den tuin; de schellen vielen mij van de oogen. Een zeldzame glans overspreidde de heele wereld rondom mij—zaligheid en schoonheid schenen over de gansche wereld als zeegolven te ruischen.… Toen bleef mij niemand of niets—wat het ook zij—onwelkom. Wanneer de lieden, wier gezelschap mij voorheen onaangenaam was, naderden, zou mijn hart mij vooruit hebben willen loopen om hun welkom te heeten. Zelfs de grove gestalten en gelaatstrekken van eenige arbeiders, die langs de straat gingen, hadden een innerlijken glans voor mij”.
Met de verandering in den mensch veranderden ook toon en karakter zijner gedichten. Tot aan den rand gevuld met liefde voor God en voor deze wereld, voelde hij niets, schreef hij niets, wat niet door liefde-gedachten voor het geestelijk leven, voor de eeuwige schoonheid en liefelijkheid der natuur was doordrongen. De zon, de maan, de sterren aan den hemel, de boomen en de bloemen op de aarde, zij spraken tot hem in een taal van liefde voor het hoogste Wezen, wiens handwerk zij zijn.
Het vermengen van aardsche en hemelsche elementen is een typische karaktertrek van den Indo-Arischen geest. Daarom zal een Indiër, wanneer hij voorbeelden van Tagore’s mystieke gedichten moet opnoemen, niet aarzelen om ook uit De Hoovenier, die „lyrische gedichten over liefde en leven”, zijn keuze te doen. Deze gedichten zijn bloemen, die de dichter ons uit zijnen tuin aanbiedt; vandaar de titel. Westerlingen houden liever godsdienstige en minnedichten uit elkaar. De Oosterling daarentegen ziet ook in de aardsche liefde een afglans van de liefde tot God en zoo tracht ook Tagore den glans van het hoogere licht binnen te laten, opdat Gods licht onze aardsche vreugde en ons aardsch werk moge beschijnen en deze aardsche dingen veranderen in hemelsche. Tagore’s minnedichten voeren ons op tot die geestelijke hoogten, waar menschelijke liefde door die hooge liefde doordrongen wordt en verandert van aanschijn. Zijn poëzie is in waarheid „het aardsche dialect van een hemelsche taal”.
In een bloemlezing van Tagore’s mystieke poëzie, door K. S. Ramaswami Sastri, vind ik o.a. het volgende heerlijke vers uit De Hoovenier:
„Gij zijt de avondwolk, die aan den hemel mijner droomen drijft.
Ik kleur u en boetseer u altijd-door met mijn liefde-verlangen.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eindelooze droomen.
Uw voeten zijn roozerood door den gloed van mijn hartsbegeeren, Sprokkelaarster van mijn zangen van zonsondergang.
Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak van mijn smarten-wijn.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eenzame droomen.
Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe oogen verdonkerd, Bezitster van de diepte van mijn blik!
Ik heb u gevangen, mijn Liefste, en u gewikkeld in het net mijner muziek.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn onsterfelijke droomen.”5
Wat een hemelsche verrukking klinkt er in het volgende gedicht, mede uit De Hoovenier:
„Toen zij met vlugge stappen voorbij ging, raakte mij de zoom van haar kleed.
Van het onbekende eiland eens harten kwam een plotselinge warme lente-adem.
Het wapperen van een vluchtige beroering bestreek mij, en verdween oogenblikkelijk als een losgerukt bloemblad in den wind.
Het raakte mijn hart als een zucht van haar lichaam en een fluistering van haar hart.”
De populaire geest in het Indische volk zoekt steeds abstractie te vermijden. Hij verlangt naar een zichtbare verbeelding van God; vandaar dat er in de Indische schoonheidsontroering geen scheiding wordt gemaakt tusschen aardsche en hemelsche gevoelens. Het volk tracht steeds de aardsche dingen te interpreteeren op zijn eigen wijze, waardoor aan zijn Gods-verlangen wordt voldaan. Dinesh Chandra Sen vertelt in zijn boek over Bengali-litteratuur, hoe hij eens een zeventigjarigen Vaishnava (Vishnuïet) het volgende lied van Chandi Das hoorde zingen:
„Duister is de nacht en zwaar zijn de wolken.
Hoe kunt ge, geliefde, in zulk een nacht bij het pad komen?
Daar, in den tuin, zie ik hem in den regen staan.
Mijn hart breekt, bij het aanschouwen daarvan.
Ik zeg u, mijn dienstmaagden, voor vele mijner deugden heeft mijn geliefde mij een gunst betoond door hierheen te komen om mij te ontmoeten.
Binnen in huis zijn de ouders, en mijn schoonzuster is zeer wreed; ik kan niet onmiddellijk naar buiten snellen om hem te begroeten.
O, wat angst en pijn heb ik hem niet berokkend door hem te wenken hierheen te komen.
Als ik zie, hoe diep-ernstig hij mij lief heeft, dan zal ik met vreugde den last der schande op mijn hoofd dragen en mijn huis in brand steken.
Al de ellenden, die hij om mijnentwille geleden heeft, rekent hij tot zijn geluk; en het doet hem slechts leed, als hij mij droevig ziet.”
Dinesh Chandra Sen vertelt verder: „Terwijl de oude man zong, hoorde ik plotseling zijn stem verstikt worden door zijn tranen. Nadat hij tot zich zelven gekomen was, vroeg ik hem naar de oorzaak zijner tranen. Hij zeide, dat het de zang was. De zang, zeide ik, beschrijft een gewone liefdes-affaire; en waar zou wel het aandoenlijke ervan liggen, dat een ouden man aanleiding kan geven tot zulk een uitbarsting van gevoelens? Hij verklaarde, dat hij dit niet beschouwde als een gewone liefde-zang. Ziehier zijn verklaring: „Ik ben vol zonden. Mijn ziel is bedekt met duisternis. In diepe droefheid wenkte ik Hem om tot mij te komen. De barmhartige God kwam. Ik vond Hem op mij wachtende bij de deur van mijn huis. Het kan voor Hem geen vreugde wezen om te komen tot een zondaar als ik ben—het pad is onrein, maar in groote genade sloeg de barmhartige God het pad in. De wereld, waarin ik leef, heeft geen deur voor Hem opengelaten. Betrekkingen en vrienden lachen mij uit, of zijn zelfs vijandig; maar wat kan een zondaar, denkende aan Zijn groote genade, anders doen dan mijn huis en alles wat ik heb te verlaten, en een sanyasin6 te worden? De gedachte aan zijn barmhartigheid verstikte mijn stem.—„O, duister is de nacht en zwaar zijn de wolken; hoe kunt ge, geliefde, bij het pad komen?” Maar Hij stelt zich aan den regen bloot, en om den zondaar te helpen is Hij bereid te lijden.”
„Tagore’s mystiek leidt hem niet tot het ontvlieden van reine huiselijke vreugde en levensgeluk. Hij predikt niet die opdringerige zelfverloochening, die zich uit in de vormen van het ascetisme, maar de werkelijke zelfverloochening van een onzelfzuchtig en aan God gewijd leven”, zegt Ramaswami Sastri.
Dit moge blijken uit gedicht XLIII uit De Hoovenier:
„Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook moogt zeggen.
Als zij niet samen met mij de gelofte aflegt, wordt ik geen askeet.
Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.
Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt door zacht gefluister:
Ik word nooit een askeet.”7
Tagore’s vriend, Dr. Brajendranath Seal, zegt van hem met recht: „Hij is de eerste onder onze heiligen, die niet weigerde te leven, maar van uit het Leven zelf sprak, en dàt is waarom wij hem onze liefde geven”.
Bijna bedwelmende levensvreugde en jubelende levensaanvaarding spreken uit het volgende gedicht:
„Verlossing is voor mij niet in verloochening. Ik voelde de omarming der vrijheid in duizend banden van lust.
Gij stort altijd de frissche dronk van Uw verschillend gekleurde en geurige wijn voor mij uit, dit aarden vat vullend tot den rand.
Mijn waereld zal haar honderde lampen met Uw vlam ontsteken en ze voor het altaar van Uw tempel zetten.
Neen, ik zal de deur mijner zinnen nooit sluiten. De lusten van zien en hooren en voelen zullen Uwe lust dragen.
Ja, al mijn illuzies zullen branden in vreugdeluister, en al mijn begeerten zullen rijpen in vruchten van Liefde.”8
⁂
Wij hebben den teederen „zanger der liefde” leeren kennen en bewonderen en het zal thans belangwekkend zijn den dichter te zien optreden als voorvechter van de maatschappelijke rechten der vrouw. Een van de allereerste dingen, waaraan Rabindranath, als opvolger der sociale hervormers Ram Mohan Roy, Debendranath, Keshab Chandra Sen en anderen, zijn aandacht wijdde, was de verheffing van den toestand der vrouwen in Indië door middel van opvoeding. Hij heeft nimmer geloofd in de minderwaardigheid van de vrouw. Steeds heeft hij geloofd in wat Comte zegt: „Elke sexe heeft dat, wat de andere niet heeft; elk vult de andere aan en wordt door de andere aangevuld; zij zijn in niets gelijk en het geluk en de volmaking van beiden hangt af van vragen en ontvangen door de eene van wat slechts de andere geven kan”.
Lang vóór de komst van de moderne vrouwenbeweging was Tagore reeds een krachtig feminist. Echter is hij geen voorstander van onvoorwaardelijk vrouwenkiesrecht; hij is van meening, dat, indien de mannen hun plicht in politieke zaken hadden gedaan, de vrouwen in het geheel niet zouden hebben willen stemmen. Maar indien de mannen niet goed kunnen besturen, dan is het gerechtvaardigd, dat vrouwen aanspraak maken op stemrecht en er zelfs voor vechten. Het sterke feministische accent van de volgende vertaling van een zijner brieven, meer dan 25 jaren geleden geschreven, is de aandacht waard:
„Na behoorlijk nadenken, ben ik tot de conclusie gekomen, dat er in het leven van een man niet die volheid is, welke het leven van een vrouw kenmerkt. Er is een samenhang van eenheid in vrouwelijke taal, kleeding, gedrag en plichten. De hoofdoorzaak daarvan is, dat hier de natuur eeuwenlang haar rijk van werkzaamheid bepaald heeft. Tot dusverre heeft geen revolutie, geen verandering van idealen of van beschaving de vrouwen afgeleid van haar pad van onafgebroken verband. Ze hebben al dien tijd gediend, bemind, getroost en hebben niets anders gedaan. De bekwaamheid en schoonheid in deze verrichtingen hebben zich op bekoorlijke wijze verbonden met hare gestalte, met hare taal, en in haren gang. Haar sfeer van werkzaamheid en haar natuur zijn dooreen vermengd, gelijk de bloem en hare geur. Zoo heeft niets als harmonie in haar de overhand gekregen.
„Daarentegen is er zeer veel onevenwichtigheid in het leven van een man. De teekenen, dat zij door verschillende veranderingen en functies zijn gekomen, zijn kenbaar aan hun vorm en in hun natuur. De abnormale verheffing van het voorhoofd, het leelijke van den neus, de onbekoorlijke ontwikkeling van de kaken zijn alledaagsheden bij mannen, maar niet bij vrouwen. Had de man denzelfden gang gegaan gedurende de eeuwen, was hij geoefend in het doen van dezelfde verrichtingen, dan zou er als het ware een gietvorm voor mannen ontstaan en er zou een harmonie gekomen zijn tusschen zijn natuur en zijn werkzaamheid. In dat geval zouden ze het niet zoo hard gehad hebben in hun denken en in hun worstelen bij het vervullen van hun plicht. Alles zou zeer geleidelijk en prachtig voortgegaan zijn. En ze zouden een aard ontwikkeld hebben, en hun geest zou niet van het pad der plichten, bij de minst mogelijke aanleiding, weggelokt worden.
„Moeder Natuur heeft vrouwen gevormd in een gietvorm. De man heeft niet zoo’n oorspronkelijken band, zoodat hij niet tot eigen volheid rond een centraal idee ontwikkeld is. Zijn verschillende ontembare hartstochten en gevoelens stonden zijner harmonieuse ontwikkeling in den weg. Zooals het gebonden zijn aan maten de oorzaak van de schoonheid der poëzie is, zoo is ook de gebondenheid aan de maat van vastgestelde wetten de oorzaak van de algeheele volheid en schoonheid der vrouw. Daarom hebben de dichters steeds de vrouwen vergeleken met zang, poëzie, bloem en rivier, en hebben er nimmer aan gedacht mannen hiermede te vergelijken. De vrouw, evenals de schoonste dingen in de natuur, is in samenhang, goed ontwikkeld.… en goed opgevoed. Zonder twijfel, geen ongepaste gedachte en geen academische discussie kan het rhythme van een vrouwenleven verbreken. De vrouw is volmaakt”.
De toestand van de vrouwen in het Oosten en in het Westen is een voortdurend thema van levendige discussie geweest. De Christelijke zendeling, met zijn diepe onwetendheid omtrent den geest van de Hindoe-maatschappelijke organisatie, ziet niets dan verachtelijke ellende in het lot van de Hindoe-vrouw. De orthodoxe Hindoe aan den anderen kant, met zijn gelijke diepe onwetendheid omtrent de buitenwereld, ziet op het lot van de Hindoe-vrouw als op iets, dat aan zegeningen niets te kort komt.
Maar Tagore met zijn practische kennis van beide maatschappijen, is er zich van bewust, dat er goed en kwaad in beide is, en dat een juiste opvoeding de euvelen zal genezen en de goede eigenschappen zal versterken. Over de positie van de vrouw in het Oosten en in het Westen, zegt hij aldus:
„Van buitenaf geoordeeld voel ik, dat in de mate als de Europeesche beschaving voortschrijdt, de vrouw voortdurend ongelukkiger wordt. De vrouw fungeert in de maatschappij gelijk de middelpuntzoekende kracht bij de planeten. Maar in Europa blijkt deze middelpuntzoekende kracht van vrouwelijke energie vruchteloos om op te wegen tegen de centrifugale kracht van de waanzinnige maatschappij. De mannen zoeken schuilplaats in afgelegen hoeken en gaten van de aarde; zij zijn terneergebogen onder de verpletterende worsteling om het bestaan, welke ten deele ontstaat door kunstmatig geschapen behoeften. In Europa wordt een man totaal onwillig om zichzelven een gezin op den hals te halen; als gevolg daarvan zijn de gezinsplichten van de vrouw aan het afnemen. Het jonge meisje heeft lang op een minnaar te wachten, en de vrouw lijdt aan liefdesziekte, omdat haar echtgenoot afwezig is om den kost voor de familie te verdienen. De volwassen zoon aarzelt niet in het minst zijn moeders huis te verlaten. Zelfs, ofschoon haar opvoeding, traditie en natuur er tegen zijn, moet de vrouw in het Westen toch er op uit gaan om te werken en te worstelen voor het bestaan.
„Deze wanklank in sociale harmonie, is, naar het mij voorkomt, de voornaamste reden, waarom de vrouw in het Westen voor gelijke rechten met den man vecht. De vrouwelijke karakters in vele van Ibsen’s stukken toonen wrevel tegen den huidigen staat van zaken, terwijl de mannelijke karakters dezen steunen. Dit brengt iemand er toe te denken, dat de positie van de vrouw in de hedendaagsche Europeesche samenleving geheel misplaatst is. De man heeft er een afkeer van om een tehuis voor de vrouw te bouwen, en is tegelijkertijd koppig in zijn weigering om haar gelijke rechten toe te staan, welke haar in staat stellen het strijdperk van vruchtdragenden arbeid binnen te treden. Bij de eerste gedachte moge het getal van vrouwen in de Nihilistische legers in Rusland verbijsterend schijnen, maar rijpere overweging overtuigt iemand van het feit, dat de tijd zoowat rijp is voor de strijdbaarheid van de vrouw in Europa.
„Kracht is het wachtwoord van de Europeesche maatschappij van heden ten dage. Er is geen plaats voor den zwakke, hetzij man of vrouw. Daarom beginnen de vrouwen zich te schamen over haar vrouwelijkheid en streven zij er naar haar kracht te toonen, zoowel van lichaam als van geest.…
Het is onmogelijk voor een vrouw in een Europeesche familie om de verschillende volmaaktheden te bereiken, welke een vrouw kan doormaken in een Hindoe-tehuis. Daarom wordt het een ernstig ongeluk geacht een ongetrouwde vrouw in Engeland te wezen. Haar hart wordt zuur, en ze vindt troost in het „oppassen van jonge hondjes” of in het doen van „barmhartig” en „maatschappelijk” werk. Zooals soms de melk van de borst kunstmatig uitgeperst moet worden om de moeder gezond te houden, zoo moet ook de teederheid van een Europeesche ongetrouwde dame uitgeperst worden ten bate van liefdadigheidsorganisaties; maar het blijft in gebreke bij te dragen tot de ingeboren bevrediging van haar gemoed.
Ik ben bang, dat de hedendaagsche beschaving van Europa onmerkbaar zich uitbreidt over de onvruchtbare zône in het maatschappelijk leven. De buitensporige overvloed van weelde-artikelen verstikt de ziel van het tehuis—het tehuis, dat juist de verblijfplaats der liefde, teederheid en weldadigheid moest zijn—iets dat boven alles het wezenlijkste is voor een gezonde ontwikkeling van het menschelijk hart. In Europa verdwijnen de tehuizen en hotels zijn in aantal toenemende. Als we zien, hoe mannen gelukkig kunnen zijn met hun paarden, honden, kanonnen, pijpen en speelclubs, dan kunnen wij veilig de conclusie trekken, dat de levens der vrouwen langzamerhand gebroken worden. Vóór dezen plachten de mannelijke bijen den honing buiten te verzamelen en in de korf op te zamelen, waar de koningin oppermachtig heerschte. Nu verkiest de bij een cel te huren en op zichzelf te leven, zoodat hij alleen al den honing ’s avonds op kan drinken, welken hij overdag verzameld heeft. Daarom is de bijenkoningin verplicht de wereld van strijd in te gaan om honing te verzamelen, opdat ze kan leven. Ze is nog niet in staat geweest aan de veranderde condities van leven en samenleving gewend te raken. Het resultaat is ongerustheid en gegons.…
„Zoo is in het kort de tegenwoordige toestand van de vrouw in het Westen. En wanneer Engelsche philantropisten krokodillentranen storten over „den ellendigen toestand der vrouwen in Indië”, dan sta ik verstomd bij zulk een verspilling van sympathie, vooral als die zulk een zeldzaam ding is als bij de Engelschen.
„Onze vrouwen doen onze huizen glimlachen van zoetheid, teederheid en liefde.… Wij zijn zeer gelukkig met de godinnen onzer huishouding, en zijzelve hebben ons nimmer van haar „ellendigen toestand” gesproken. Waarom zouden dan de bemoeiallen van overzee zoo slecht denken over de veronderstelde smarten onzer vrouwen? Men begaat vergissingen door zich te veel voor te stellen omtrent hetgeen anderen gelukkig of ongelukkig zou maken. Indien bij toeval de visschen philantropisten waren, zouden hunne teedere harten alleen voldoening vinden door het gansche menschelijke geslacht in de diepten der wateren onder te dompelen.
„Zonder twijfel, wanneer een Engelsche dame de kleine vertrekken ziet met het ruwe ameublement en de ouderwetsche schilderijen in de zenana (vrouwenverblijf), dan trekt ze dadelijk de conclusie, dat de mannen de Hindoe-vrouwen tot slavinnen hebben gemaakt. Maar ze vergeet, dat we allen te zamen op dezelfde wijze leven. We lezen Spencer, Ruskin en Mill, we geven geïllustreerde bladen uit en schrijven boeken, maar we zitten op een matras op den vloer, en we gebruiken een aarden olielampje om er bij te studeeren. We koopen juweelen voor onze vrouwen als we geld hebben, en we slapen binnen een met touwen vastgemaakt muskietennet, en op warme nachten bewaaieren wij ons met een waaier van palmblad.
„We hebben geen sofa’s of hoogop gestoffeerde stoelen, maar we voelen ons niet ongelukkig, dat we ze niet bezitten. Maar tezelfder tijd zijn wij geheel en al in staat om lief te hebben en om bemind te worden. De westersche volkeren houden van huisraad, vermakelijkheden en de weelderigheden van het leven zóózeer, dat velen onder hen er niets om geven echtgenooten te hebben,—en zoo al gehuwd, dan positief geen kinderen. Bij hen gaat gemak boven liefde, terwijl liefde en een tehuis de hoogste dingen in ons leven zijn. Daarom moeten we vaak gemakken opofferen, opdat we kunnen genieten van het leven thuis en van liefde.”
De edele taak in de menschelijke samenleving, welke Tagore aan de Hindoe-vrouw heeft toegedacht kan men behalve uit zijne beschouwingen nog het best aanvoelen uit het volgende gedicht:
„De moeiten en ellenden van den krijg zijn voorbij.
Kom, o vrouw met uw bekorende macht! kom mij reinigen en troosten; zegen mij met uwe aanwezigheid, die zacht is als balsem op mijn wonden.
Kom, bekoorlijke vrouw! kom met uw gouden schenkkan om mij te reinigen.
De marktdag is heen. De menigte heb ik verlaten en ik heb mijn hut in het dorp gebouwd.
O vrouw met uw edele inborst! met uw hemelschen glimlach en met een vermiljoen-roode lijn op de scheiding van uw haar.
Kom het eenzame huis zegenen en het liefelijk maken.
Kom met uw kruik vol wij-water, edele vrouw, o kom!
De zon schijnt hevig in den middag, en een vreemde reiziger is aan onze deur.
Kom o vrouw met uw zegenende kracht! kom met uw schenkkan vol honigwater en met de reine muziek uwer polsbanden, om den onbekenden gast te verwelkomen en te zegenen.
Kom met uw schenkkan vol honigwater, zegenrijke vrouw, o kom!
De nacht is donker en het huis is stil.
Kom, o vrouw met uw vroom gemoed! kom in het wit gekleed met het offerwater; steek, met loshangend haar, het licht aan op het altaar en open dan de deuren van uw hart in stil gebed.
Kom met het offerwater, vrome vrouw, o kom!
Nu is de tijd van scheiden daar.
Kom, o vrouw met uw minnend hart! kom met uwe tranen.
Laat uw rouwvol gelaat een regen van zegen doen dalen op den weg, die mij van hier leidt.
Laat de angstige aanraking van uw gezegende handen een wijding geven aan de laatste oogenblikken van mijn aardsch bestaan.
Kom met uwe tranen, bedroefde vrouw, o kom.”9
En over liefde, welke is „der vrouwen-al”, heeft Tagore gezegd: „Ik geloof, dat liefhebben is het aanbidden van dien éénen geheimzinnige. Maar we doen het slechts onbewust. Elke soort van liefde is het onmiddellijke resultaat van een universeele kracht, die zichzelf door het menschelijk hart tracht uit te drukken. Liefde is de tijdelijke verwerkelijking van dien zegen, welke bij den wortel zelven ligt van het heelal. Anders heeft liefde geen beteekenis. In de physieke wereld trekt de aldoordringende aantrekkingskracht het groote zoowel als het kleine gelijkelijk aan. Op dezelfde wijze nu bestaat er in het rijk van den geest een universeele aantrekking van vreugde. Het is door deze aantrekkingskracht, dat we schoonheid in de natuur bespeuren en liefde in onszelven. De eindelooze zegen, die in het hart der natuur is, bespeelt onze harten. Indien we de liefde in onze harten beschouwden afgescheiden van de liefde in het heelal, dan wordt zij zonder beteekenis. Liefde is zegen, is zaligheid”.
Tagore’s philosophie van de vrouwenbeweging, zooals die belichaamd is in het realistisch-idealistische drama Chitra, moge wellicht te radicaal schijnen zelfs voor de radicale feministen in het Westen; merkwaardig is het, dat de intrige in toto genomen is uit een episode van het Mahābhārata, dat Hindoe-epos, hetwelk terug dateert van 2000 jaren voor den Christelijken tijd.
⁂
Ik moet thans goedmaken, wat ik in den eersten druk van dit boekje verzuimd heb n.l. het volle licht te doen schijnen op Tagore als kindervriend. Hetgeen ik hierover terloops zeide in verband met de school te Shanti-Niketan was niet voldoende, vooral met oog op het feit, dat liefde voor kinderen een beminnelijke karaktertrek is van de Bengali in het algemeen. In The Crescent Moon, in 1917 door Frederik van Eeden vertaald onder den titel van De Wassende Maan en in enkele vertellingen over kinderen, is deze schoone eigenschap van den Bengali Rabindranath ten volle weerspiegeld. De vreugde in het kind komt o.a. zeer sterk uit in de Bengaalsche literatuur door de vele verhalen betreffende het kindje Krshna, de incarnatie van god Vishnu.
In de Indische Vaishnava- of Vishnuïtische gezangen, die in het geheel niet voor kinderen bedoeld zijn, vindt men dikwijls toetsen van hun fantasie. Ze brengen in het geheugen terug op wat wijze de kinderen den jongen god in hun midden verrasten, of het wonder der wereld in het stof aan hunne voeten vinden.
Zoo luidt een dikwijls geciteerde kreet der herdersjongens, die ontdekken, dat zij met Krshna gespeeld hebben en hem als een gewonen schoolmakker behandelden:
„Wel, denk eens aan hoe dikwijls we met u twistten en u namen toeriepen; hoe dikwijls wij op uw schouders reden en gij op de onze; hoe dikwijls wij het beste opaten en u slechts de kruimels gaven! Naamt gij toen deze dingen euvel op en liept gij weg?”
Men heeft slechts de magische lens om te keeren en de volwassen man of vrouw kan met dezelfde verbazing en gevoel van nieuwe ontdekking naar het kind zien. Zijn wijze van doen is tegelijk zoo onschuldig en geheimzinnig, zoo dwaas en wijs, zoo ongerijmd en beminnelijk.
„Rabindranath toovert ons als een echte goochelaar het paradijs der kinderwereld voor onze oogen met eenvoudige middelen: een weinig stof, een waterpoel, een bloem, wat inkt en papier”, zegt Ernest Rhys in zijn Biographical Study.
The Crescent Moon is verrukkelijk zoowel door den fantastischen achtergrond als door het universeele medegevoel van den schrijver. Elke bladzijde ervan geeft ons een schilderij genuanceerd met het bekoorlijke, het levend-getrouw nabootsende détail van een kindervriend.
We zien het jongetje zitten aan het venster om gade te slaan, hoe de schaduw van den banyan-boom (waringin) wriemelt over het water, dat in onrust geraakt is, als de vrouwen haar kruiken komen vullen aan den vijver. We zien hoe het kind de boeken van zijn vader neemt om erin te krabbelen, of naar diens schrijfpapier graait om er bootjes van te maken, en hoe het er naar uitkijkt als de avond komt en de oude visschersvrouw kruiden voor haar avondeten verzamelt langs den vijver, of hoe de nachtwacht met zijn lantaarn zwaait en voort wandelt met de schaduw naast zich. De schilderingen van het kind, dat gouden champa-bloemen verzamelt, die op den boschweg neergevallen zijn; van het kind dat aan het strand springt of in het stof neerzit om met een gebroken takje en eigen fantasieën te spelen, worden gevolgd door andere van den schreeuwenden deugniet, wiens gelaat en vingers beide bevlekt zijn met teer en inkt. Het gedichtje „De Banyan-boom” herinnert ons aan den jongen Rabi zelven, toen hij in de kamer opgesloten uren lang naar den tuin zat te kijken. Men vindt in dit kleine werkje een eindelooze sympathie met het kindje, dat in moeilijkheden verkeert, en met het jongetje, dat zich tegenover ouderen verongelijkt gevoelt. De dichter begrijpt de gulzigheid van het groeiende ding en de gretigheid van kleintje’s lippen. Daarom worden de zwakheden der ouders op gelijke lijn gebracht met de onschuldige zondigheidjes van kinderen.
„Iedereen weet”, roept hij het kind toe, dat zich verongelijkt acht, „hoe ge van lekkere dingen houdt—noemen zij je daarom snoepachtig?… Hoe dan”, gaat hij voort, „zouden zij ons noemen, die van je houden?” De ironie van deze vraag wordt niet ten volle ingezien totdat men ontdekt, dat hierdoor de kinderverafgoder ontmaskerd wordt in zijn eigen liefde voor de heerlijkheid van den kleinen bengel. En in het liedje „Wanneer en Waarom” is wederom een andere lezing van baby’s klacht en van de eeuwige philosophie van begeerte en verlangen en genot. Want, zegt de dichter:
„Als ik zoetigheid breng in je greetige handjes, dan weet ik, waarom er hoonig is in de bloemkelk en waarom vruchten heimelijk gevuld worden met zoet sap—als ik zoetigheid breng in je greetige handjes.”10
In zijn geschiedenis van den fruitverkooper, in een van zijn prozawerken, welke zeer veel gelijkt op een hoofdstuk direct uit zijn eigen ondervinding, hebben we een dochtertje van den schrijver zelven, Mini, als de hoofdfiguur. Haar kinderlijke verlangens, haar ondeugendheid en haar grappigheid worden gecontrasteerd met de groote gestalte van den Kabuli- (dus een Afghaan) marskramer of fruitverkooper, die druiven en rozijnen en abrikozen aan de deur brengt.
De zak, dien hij draagt lijkt de wonderbaarlijke buidel van Fortunatus; voor de gedachte van het kind is hij mysterieus en onuitputtelijk, en het wordt een grap van den Kabuli, om wanneer Mini hem vraagt wat er in is, te antwoorden, dat er een olifant in zit.
Zoo was het begin van de vriendschap tusschen het zonderling bij elkaar passend paar, een vriendschap saamverbonden door voortdurende lekkernijen. De vader van Mini sluit ook vriendschap met den Kabuli, Rahamat genaamd.
Ten slotte doodt Rahamat iemand, en wordt tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld. Als hij terugkomt, is het Mini’s huwelijksdag.
„Ik herkende hem eerst niet. Hij had noch zijn zakken, noch zijn lang haar, noch zijn fijne, levendige manier van doen. Ten laatste herkende ik hem aan zijn lach.
„Hallo! Rahamat, wanneer ben je gekomen?” zei ik.
„Gisteren kwam ik uit de gevangenis”, antwoordde hij.
Ik vertelde hem, dat ik het erg druk had en dat hij beter deed met heen te gaan.
Daarop zeide hij, toen hij bij de deur stond: „Mag ik het kind nog eens weer zien?” Maar dit kon niet, en met een zwijgend onrustigen blik keek de man toen hij heenging. Hij keerde echter terug en naderbij komende, zeide hij:
„Ik heb deze druiven en amandelen en rozijnen voor het kind meegebracht. Wil je ze voor mij aan haar geven, alsjeblieft? Neen, je moet me er niet voor betalen. Juist zoo’n dochter als gij hebt, heb ik thuis eene, en het is uit herinnering aan haar gezichtje, dat ik wat fruit voor je kind breng. Ik kom niet om het te verkoopen …” Terwijl hij dit zeide duwde hij zijn hand in de plooien van zijn los wijd kleed en bracht een stuk vuil papier te voorschijn van ergens van zijn borst vandaan. Zorgvuldig vouwde hij het open en spreidde het uit op mijn schrijftafel. Ik zag een afdruk van een tengere handpalm op het papier, een eenvoudig merk, dat verkregen werd door de hand in lampezwart rond te wrijven. Met dit vreemde teeken van het kind op zijn borst was Rahamat gekomen om fruit in de straten van Calcutta te verkoopen, alsof de aanraking met het kinderhandje zijn hart tot rust zou brengen, dat door de pijnen der scheiding werd verscheurd.”
Herbert Spencer zag in de vraatzucht van het kind slechts den onverzadigbaren honger van het dierlijke in den mensch op een lageren graad van ontwikkeling. Rabindranath Tagore daarentegen heeft daarin geleerd te vermoeden de eerste graden van ontwikkeling der verlangens, die, op een ander niveau van intelligentie, het pad naar den hemel zelven uitwijzen. De teekens zijn inderdaad duidelijk te lezen in zekere gedichten en in „Zegening” wordt daaraan een uitwerking gegeven van zoovele rechtstreeksche wenken:
„Zeegen zijn hartje, deze blanke ziel, die den kus des hemels heeft gewonnen voor onze aarde.
Hij heeft het zonlicht lief, hij bemint het zien van zijn moeders gelaat.
Hij heeft niet geleerd het stof te verachten en tuk te zijn op goud.
Druk hem aan uw hart en zeegen hem.
Hij is gekomen in dit land van honderd doolwegen.
Hij verkoos u uit de meenigte, ik weet niet hoe, en hij greep uw hand om den weg te vragen.
Hij zal u volgen, lachend en pratend, zonder een twijfeling in zijn hart.
Aanvaard zijn vertrouwen, leid hem recht en zeegen hem.”11
Een enkel woord over een klein tooneelspel, dat in Nederland een enkele maal reeds is opgevoerd geweest en waaruit weder Tagore’s vereering en eerbied voor het kind blijkt. Het is The Post Office, of in de vertaling van Henri Borel „De Brief van den Koning” geheeten.
„Een stuk als The Post Office van Tagore mist hevige tooneeleffecten en z.g. „pakkende” coups de théatre, zooals echte „tooneelrotten” die handig weten te schrijven”, zegt Henri Borel in zijn inleidend woord bij zijn Nederlandsche overzetting. Inderdaad, zeer eenvoudig is het gegeven in het kleed van zeer eenvoudige woorden. Maar in het simpele gebeuren van het sterven van dien armen knaap ligt verborgen de oplossing van het tragische raadsel des heelen levens.
De beminnelijke Amal is het pleegkind van den dorpsbewoner Madhav. Hij lijdt aan een slepende ziekte en deswege moet hij op last van den dokter in huis blijven. Mistroostig ligt hij op zijn ziekbed bij het venster naar buiten te turen en houdt lange gesprekken met voorbijgangers: den wachter, den melkman, het oudje, Sudha het bloemenmeisje. Dit is het eerste bedrijf.
Amal, al zieker en zieker wordend, gaat voort vriendschap te sluiten met allerlei voorbijgangers, die schik hebben in de naieve kinderpraat van het knaapje, maar in hun hart een groot medelijden koesteren met den kleinen zieke. Vóór Amals huis is een nieuw postkantoor gebouwd. Het denkbeeld, dat hij een brief van den koning zou kunnen krijgen, wordt in den geest van Amal een realiteit en in het heerlijk besef, dat ’s Konings brief inderdaad in het nederige huis is gekomen, sterft de zieke jongen.
Het tweede bedrijf.
„De brief van den Koning” ontleent zijn naam aan de illusie van Amal. Een der voorbijgangers, de dorpswachter, die de gong slaat ter aankondiging van de uren en wiens werk het arme kind bijzonder veel belang stelt, heeft hem dit verteld. De kinderlijke onschuld gelooft, dat het postkantoor des konings zóó nabij werd geplaatst voor het geval de koning hem een brief wil sturen. Het praatje gaat van mond tot mond en het ijdele dorpshoofd ergert zich over dezen waan, welken hij toeschrijft aan den hoogmoed van den pleegvader Madhav. Doch als hij het stervende kind met onnoodige hardheid komt lastig vallen, als de dokter bevel heeft gegeven alle deuren en vensters te sluiten, opdat niemand meer binnentrede en hem verontruste—dan wordt er aan de deuren gerammeid: de geneesheer des Konings treedt de woning binnen. Deze gelast licht en ruimte om den knaap te maken, overal bloemen in de kamer te zetten en doet den bullebak, het dorpshoofd, verwijderen, want.… de Koning zal zelf komen.
Thans is Amal omringd door menschen, die allen hem toegenegen zijn. Teeder en verheven, echt Tagoriaansch, is het slot:
„Wilt u een woord voor mij in zijn oor fluisteren?” vraagt Sudha aan den geneesheer des Konings.
„Wat moet ik hem zeggen?”
„Zeg hem, dat Sudha hem niet vergeten heeft”. En in vreugde afwachtend die overweldigende gebeurtenis, de komst van den Koning zelven, omringd door liefdevolle wezens, gaat het kind het mysterie van den dood in.
Hoe eenvoudig en helder is dit dichterlijke tooneelwerk. Rabindranath Tagore had niet noodig zijn symbolen nader aan te geven met duidingen voor ons verstand. Misschien niet voor den louter verstandelijke, maar voor het rijke gemoedsleven is alles even klaar. Wie voelt hier niet, dat de Koning met het Hoogste Wezen moet vereenzelvigd worden?
Toch moet men achter „De Brief van den Koning” niet te veel allegorie zoeken. De bedoeling is minder intellectueel, maar meer emotioneel en eenvoudig.
W. B. Yeats typeert de waarde van het stuk heel juist met deze woorden: „De bevrijding, gezocht en gewonnen door het stervende kind, is dezelfde bevrijding heeft Mr. Tagore gezegd, die oprees voor zijn verbeelding, toen hij eens in den vroegen ochtendstond tusschen het lawaai van een menigte, die van een of ander feest terugkeerde, dezen regel uit een oud dorpslied hoorde: „Veerman, neem mij mede naar den anderen oever van de rivier”. Zij kan op ieder oogenblik van het leven komen, ofschoon het kind haar ontdekt in den dood, want zij komt altijd, als het „Ik” niet langer zoekende naar winsten, die niet kunnen „geassimileerd worden met zijn Geest”, in staat is te zeggen: „Al mijn werk is het Uwe” (Sādhanā).
Het geheim van Rabindranath’s volkomen meeleven met het kind ligt zeer dichtbij het geheim van zijn kunst als dichter. In zijn poëzie laat hij de onschuld van den kinderlijken geest spelen met leven, liefde en dood en de verschijnselen in de natuur. Hij weet, dat het genot in de voorstelling van den kindergeest op de wonderen der aarde wijst, die de philosophie zoo moeilijk weet te rangschikken. Hoe beeldrijk, hoe concreet de Indische gedachtengang altijd trachtte te zijn, kunnen we leeren, indien we een bladzijde van de Upanishads opslaan. Bij het leeren aan den jongen hoe hij komen kan tot het subtiele weezen van het grooter Zelf, zegt de vader hem een vrucht van den Nyagrodha-boom te brengen:
„Hier is er een, heer”, zegt het kind.
„Breek het stuk”.
„Het is gebroken, heer”.
„Wat ziet gij er dan?”
„Deze zaden, bijna ondeelbaar”.
„Breek er een van”.
„Het is gebroken, heer”.
„Wat ziet ge dan?”
De vader zeide: „Mijn zoon, dat uiterst fijne Wezen, dat gij dan niet bespeurt, van datzelfde Wezen bestaat de groote Nyagrodha-boom.
Geloof het, mijn zoon. Dat, wat het uiterst fijne wezen is, daarin heeft alles wat bestaat zijn zelf. Het is het Ware. Het is het Zelf, en gij o Svetaketu zijt het”.12
De practische philosophie van Rabindranath betreffende het kind komt in het kort hierop neer: Niets moge den ouders te veel zijn, geen moeite en geen opoffering om het kind tot zijn bestemming te doen komen n.l. tot mensch, en wel tot mensch in de juiste betrekking met het gansche heelal. Maar men mag de waarde niet overschatten van de uitsluitend materieele middelen, die wij aan de opvoeding van onze kinderen ten koste leggen. Een kind mag niet het medium zijn van onze eigen onzuivere verlangens en begeerten; wij mogen niet alleen maar de hoop koesteren, dat onze kinderen naderhand knappe koppen worden, binnen den kortst mogelijken tijd „binnen” zijn of betrekkelijk jong reeds in eigen auto’s kunnen rijden en „voornaam” kunnen „doen”. Als bolwerk tegen deze vrij algemeene zonde tegen de kinderziel heeft Rabindranath een nieuw en toch oud systeem van opvoeding opgebouwd in zijn Shanti Niketan-school. „Ten opzichte van de wijze, waarop kinderen tot kennis zullen groeien, gaat de bedoeling van den mensch geheel lijnrecht tegen de bedoeling van God in. Hóe wij onze zaken en bezigheden en in verband daarmede onze kantoren willen regelen en inrichten, daarin zijn wij volkomen vrij. Maar zulk een kantoor-achtige regeling is niet geschikt voor Gods schepping, en kinderen zijn Gods eigen schepping.”13
Duidelijker dan betoogen heeft Rabindranath tot mij persoonlijk zijn levensbeschouwing betreffende het kind gezegd in deze weinige woorden, welke hij op een kinderportret heeft geschreven: „I bring Father’s message to father”.
⁂
Om de religieuze liederen in Gitānjali ofte wel Song Offerings en Wij-Zangen te begrijpen—ik spreek niet eens van de schoonheid daarvan te gevoelen, want zijn hiervoor wel regels en voorschriften te geven?—is in de eerste plaats noodig, eenigermate het wezen van Tagore’s God te kennen. Henri D. Davray in een artikel in de Mercure de France heeft vrij juist, door middel van een parallel met het Christelijk Godsbegrip, het wezen van Brahma aangeduid, zooals deze geworden is na het werk der groote hervormers Ram Mohan Roy, Debendranath Tagore en Keshab Chandra Sen.
„De christelijke theologie”, aldus Davray, „is altijd versomberd geweest door het idee van de zonde, van het oordeel en van de noodzakelijkheid van een verlossing. De christelijke God is een almachtig souverein en een geduchte rechter, zelfs in zijn barmhartigheid. Het anthropomorphe en almachtige Hoogste Wezen, dat zijn tijd doorbrengt met over ons te waken zonder ons krachtdadig te kunnen beschermen tegen de zonde, een Wezen, dat ons met een wreede hardheid veroordeelt om onvermijdelijke zwakheden en fouten, waarvan hij zelf de verantwoording draagt, zulk een God houdt spoedig op eerbied af te dwingen. Hij heeft ons niet geschapen, zooals men wel beweert! Maar wij hebben hem geschapen naar ons beeld. De cultus van zulk een godheid kan niet anders dan slechts uiterlijk en formeel wezen: de godsdienst, die ons slechts dezen onvoldoenden god kan aanbieden, lokt geen enkele universeele liefde uit, geeft geen enkele universeele vreugde; hij inspireert slechts zelden dit hevig en brandend verlangen naar een goddelijke aanwezigheid, dat is: de honger en de onleschbare dorst van de mystiek. In het Oosten daarentegen wordt God niet verbeeld in dergelijke zwakke grenzen; de godsdiensten zijn onpersoonlijk en vloeien samen met vele philosophische systemen, die ruimte laten voor bespiegelingen, waarin de kleine menschelijke persoonlijkheid geheel en al verdwijnt met al haar begeerten, moeiten, zwakheden en ellenden. In het Westen heeft men het geloof verloren in een God, die niet voldoet aan de diepste wenschen van het hart en het is het Oosten, dat der menschheid de uitdrukking aanbiedt van een geloof in God, dat verhevener is dan onze tijd ooit er een heeft geformuleerd.
Op het altaar van zijn ziel plaatst het Westen zijn eigen beeld: den verachtten en onttroonden god, en biedt zichzelven een hoogmoedigen eeredienst aan. Het Oosten vindt zijn Godheid in de oneindigheid van het Heelal en in het diepste diep zijns harten en erlangt daardoor een wonderbare nederigheid.”
De tegenstelling, of beter gezegd de éénheid van Paramātma en Jivātma, de ziel van het heelal en de ziel van het individueele leven, vindt men uitgedrukt in de twee eerste gedichten van de Gitānjali.
„Eindeloos hebt Gij mij gemaakt, naar Uw behagen.
Dit brooze vat leedigt Gij weer en weer en vult het telkens met versch leeven.
Oover heuvelen en dalen hebt Gij dit rieten fluitje gedragen en er eeuwiglijk nieuwe melodiën door geblazen.
Bij de onsterfelijke aanraking van Uwe handen doorbreekt dit kleine hart zijn perken en baart onzegbare uiting.
Uw oneindige gaven koomen tot mij enkel op deze mijn nietig-kleine handen. Eeuwen vergaan en steeds blijft Gij uitstorten en steeds is er ruimte te vullen.”14
Dat de mysticus er naar streeft om de verschrikkingen van wereld en leven, zijn eigen menschelijke ellenden en tekortkomingen niet alleen te beschouwen, maar ook te ervaren als slechts de spectrale kleuren van het goddelijk Licht, lezen wij b.v. in Wij-Zang XXXX. Hier verlangt het hart naar het goddelijk Gevoel, dat alle vreugden en alle smarten als ééne groote Vreugde ervaart, doch het verlangen wordt op een wonderlijk-schoone wijze nog getemperd door een teedere menschelijkheid. Niettegenstaande het menschelijk gevoel nog terugschrikt voor „den wervel der vreeselijke vreugde”, is die schrik nauwelijks merkbaar door de zuiverheid en gaafheid van het beeld.
„Dagen aan dagen bleef de reegen weg, o God, uit mijn dorre hart. Felnaakt is de horizon—zonder het dunste floers van een zachte wolk, zonder de flauwste zweem van een koele bui in de verte.
Zend uw woedende storm, donker van dood, als het U behaagt, en doe den heemel opschrikken van einder tot einder met bliksemstriemen.
Maar roep terug, o Heer! roep terug die zwijgende doordringende hitte, stil en fel en wreed, die het hart verzengt met vertwijfeling.
Laat de wolk van genade neederbuigen van omhoog, als de tranenrijke blik der moeder op den dag van des vaders toorn.”15
Maar daar, waar alle kleine menschelijkheid weggeworpen wordt en waar voor hem „geen vrees meer overblijft in deeze waereld”, wat is dat ontzettend en geweldig:
„Schoon is Uw polsband, sterren-versierd en kunstig gewrocht in duizend-verwige juweelen. Maar schooner is mij Uw zwaard met zijn bliksemende booglijn, als de uitgespreide wieken van Vishnoe’s voogel, zuiver in eevenwicht in het toornig roode licht van de ondergaande zon.
Het trilt als het laatste teeken van leeven in smartverrukking bij den laatsten doodelijken slag; het blinkt als de reine Weezensvlam, die aardsche gevoelens verteert in een felle flikkering.
Schoon is Uw polsband, versierd met sterjuweelen: maar Uw zwaard, o Heer des Donders! is gewrocht met de uiterste schoonheid, verschrikkelijk om te zien of te herdenken.”16
Den strijd tusschen den man en den dichter, de vertwijfeling, die Tagore moet gevoeld hebben toen de maatschappelijke mensch in hem de vraag stelde, wat voor „nut” zijn poëzie wel voor het vaderland en voor de maatschappij kan hebben, meen ik terug te vinden in gedicht III van De Hoovenier:
„Des morgens wierp ik mijn net uit in de zee.
Uit de donkere diepte haalde ik dingen op van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid.
Sommigen glansden als een glimlach, sommigen blonken als tranen, en anderen bloosden als de wangen eener bruid.
Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche vracht, zat mijn lief in den hof en trok ijdelijk de bladen uit een bloem.
Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan haar voeten alles wat ik opgehaald had, en wachtte zwijgend.
„Wat voor zonderlinge dingen zijn dat? Ik weet niet waarvoor zij dienen.”
Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht: „ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze niet op de markt, dat zijn geen waardige geschenken voor haar.”
En den heelen nacht door wierp ik hen één voor één op straat.
Des morgens kwamen reizigers; zij raapten hen op en droegen hen naar verre landen.”
Is het niet, of Tagore’s intuïtie hem hier voorspelt, dat vreemdelingen die „dingen van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid” door de wereld zouden dragen en dat door die superieure gedachten de blik van heel de beschaafde wereld zich zou wenden naar Tagore’s land en volk? Allengs wordt hij zich meer en meer bewust van de waardigheid van zijn werk en van de grootheid van zijn roeping. Vol nederigheid en toch met een edelen trots en met de verrukking van een toegewijd leven zingt hij nu:
„In de gehoorzaal der waereld zit de simpele grashalm op hetzelfde tapijt met de zonnestraal en de middernacht-sterren.
Zoo deelen mijn zangen hun zetels, in het hart der waereld, met de muziek van wolken en wouden.
Maar uw weelde, gij rijkaard, heeft geen deel in de sobere grootheid van het blijde zonnegoud, of van het weeke blinken der peinzende maan.
De zeegen van den al-omvangenden heemel wordt er niet oover uitgestort.
En als dood komt, verbleekt ze, en verschrompelt en verkruimelt tot stof.”
Wij-Zang XVI toont ons, hoe het streven van waarachtige poëzie de gemeenschap inhoudt met het allerheiligste:
„Ik ben genoodigd tot het feest deezer waereld en zoo is mijn leeven gezeegend. Mijn oogen hebben gezien en mijn ooren gehoord. Het was mijn taak op dit feest mijn speeltuig te bespeelen, en ik heb gedaan wat ik kon.
Nu, dan, zoo vraag ik, is nu dan ten leste de tijd gekoomen, dat ik mag ingaan, en Uw aangezicht zien en U eeren met zwijgenden groet?”
⁂
De volgende anecdoten uit den loopbaan van den beroemden en gevierden dichter, die echter in zijn persoonlijken omgang zoo eenvoudig en beminnelijk is, zijn aardige aanwijzingen naar het latere feit, dat Tagore een groot en wereldvermaarde man zou worden. Te midden van stortvloeden van vijandige critiek kreeg Tagore, geheel toevallig, een inspiratie, welke zijn geest opbeurde en hem aanzette om hoogere hoogten te bereiken en tot een edeler vlucht in het rijk der poëzie. Zooals de ontmoeting van Nietzsche met Wagner een bron van inspiratie voor den eerste en een genoegen voor den tweede was, zoo was de ontmoeting van Rabindranath met Bankim Chandra Chattopadhya, den grootsten van alle Bengaalsche novellenschrijvers en dichter van de nationale hymne Bande Mataram, een bron van inspiratie en aanmoediging voor den jongen dichter—een genoegen voor den verteller. Zij ontmoetten elkander op een huwelijksfeest ten huize van Ramesh Chandra Dutt, staatsman, geschiedkundige en schrijver van vertellingen. Ramesh Dutt wond een krans van bloemen om den hals van den proza-dichter om hulde te brengen aan het grootste letterkundige genie van Bengalen. Chattopadhya deed echter onmiddellijk de krans af en tooide daarmede Rabindranath, zeggende: „Deze krans behoort hem toe—hebt gij zijn Sandhya Sangit’ gelezen?” Ramesh Dutt antwoordde ontkennend, maar Bankim Chandra prees hemelhoog enkele gedichten uit het boek. Zulk een onbegrensde loftuiting van zoo’n hoogen oorsprong bracht bijna vreugdetranen in de oogen van Rabindranath. Zij deed hem alle pijn van de pijlen van onaangename critiek vergeten. Dit plastische eerbewijs van den grooten prozaïst beduidde voor Rabindranath meer dan de Nobelprijs voor hem later kon beteekenen.
Of de rechtgeloovige Bengali Tagore’s vrome gedichten bewonderen of niet, er is geen twijfel aan, dat zij prachtig zijn in hun opvallende schoonheid. Eens deed zich voor den dichter vanzelf een kans voor om een beminnelijke wraak op zijn vader te nemen. Vele jaren voorheen las de Maharshi een van Rabi’s godsdienstige gezangen uit zijn jongenstijd en de oude Tagore lachte. De poëet herinnerde zich dat alles in die jaren weer. Onverwacht ontbood de Maharshi zijn zoon, die toen in het landelijke werkzaam was, naar de stad, waar de vader toen ter tijd verblijf hield, juist met de bedoeling een bijzonderen zang, pas gecomponeerd, uit den mond van den auteur zelven te hooren. Toen hij er om gevraagd werd, begon Rabi-babu te zingen: