„Nawyawn tomarah payna dekhitay

Tumi rawyacho nawyawnay nawyawnay!

Hridawai tomarah payna janitay,

Hridawai rawyacho gopawnay!” etc.

Het lied luidt—gedeeltelijk—in de vertaling als volgt:

„Mijn oogen kunnen u niet zien, en toch zijt gij altijd voor mijn oogen. Mijn geest kan u niet omvamen, maar in stilte doet gij mij altijd uw aanwezigheid gevoelen.

„Evenals die van een verdwaasde, zoo stormt mijn geest her- en derwaarts, beladen met de wereldsche verlangens van mijn hart, maar ik kan uw beminnende oogen steeds waakzame wacht zien houden in mijn slaap of in mijn droom.

„De van vriendschap verlatene en de verlorene kunnen zich altoos zeker gevoelen van u en van uwe liefde. Zelfs de daklooze zwerver heeft de troost van zijn huis te hebben in het ééne, dat gij voor ons allen hebt gebouwd.” etc.

Toen de zang geëindigd was, zeide de Maharshi met een veelbeteekenende trilling in zijn stem: „Ongelukkig voor ons land waardeeren onze Engelsche heerschers niet en moedigen onze kunsten, onze nijverheid en onze cultuur niet aan; maar hier is een nederige huldiging van uw genie door uw vader; de zang was prachtig”. En de oude man overhandigde hem een stuk papier. De dichter-zanger opende het en vond een cheque van 500 rupees (± $165,—) voor een gedicht van 24 regels. Dit was Tagore’s eerste „Nobelprijs” voor poëzie.

In de stad Urbana, waar Tagore’s zoon op school was om moderne methodes van landbouw te leeren, kwam Koomar Roy uit Chicago den dichter bezoeken, die in dien tijd in Amerika vertoefde. Na over verschillende nationale problemen van Indië gesproken te hebben, zeide Koomar Roy „Ik ben heelemaal van Chicago gekomen om u een bezoek te brengen, natuurlijk; maar hoofdzakelijk om u te verzoeken meer van uw werken te vertalen, zoodat de Westersche wereld de schoonheid van onze Bengali-litteratuur kan apprecieeren. Bengalen is niet geheel en al „bom” en „oproer”, zooals de Engelsche bladen de wereld gelieven in te lichten.

„Ja, ik ben bezig meer van mijn werken te vertalen”, zeide Tagore, terwijl zijn oogen naar het vloerkleed keken. „Ik ben werkelijk blijde te zien, dat Gitānjali, mijn eerste Engelsche boek, zoo goed ontvangen is.”

„Ik heb een ander idee bij mijn verzoek aan u om meer van uw werk te vertalen”, zeide Koomar Roy. „Namelijk dit: zoodra gij bekend wordt, ben ik er absoluut zeker van, dat ge vroeger of later den Nobelprijs voor poëzie zult winnen. Niemand anders in Indië en Azië heeft die lauweren gewonnen. Het zal Indië niet alleen een internationalen rang geven, maar zal een stap voorwaarts zijn op den weg van internationale broederschap en wereldvrede.”

„Kunnen Aziaten voor den prijs in aanmerking komen?”, vroeg Rabindranath.

„Ja, vast en stellig, en gij moet hem winnen.

„Ik ben niet in staat te zeggen of ik hem verdien of niet. Maar ge kent het vooroordeel—het vooroordeel tegen Aziaten. Indien Aziaten verkiesbaar zijn, waarom heeft onze Dr. Jagadis Chandra Bose, Indië’s grootste geleerde in moderne tijden, hem niet gekregen?” zeide Tagore op verontwaardigden toon, terwijl zijn mooie donkere oogen flikkerden.

„Wat het vooroordeel betreft”, antwoordde Koomar Roy, „zijn de Amerikanen en de Britten de ergste zondaars. De continentale Europeanen hebben zulk een vooroordeel niet, en de kleine maar meer menschelijke staten als Noorwegen, Zweden en Denemarken hebben wegens de tyrannie der grootere machten een bijzondere sympathie voor de onderdrukte en overheerschte volkeren van Azië. En ge kunt er verzekerd van zijn, dat als het Nobelprijs-comité verneemt van de aangeboren schoonheid van uw geschriften, het geen oogenblik zal aarzelen zichzelf te eeren door u te eeren.”

„Ge schijnt van plan te zijn om mij den Nobelprijs toe te kennen”, zeide de dichter, terwijl nauwelijks een glimlach om zijn lippen speelde. „Gij zijt de eerste persoon, die het mij aan de hand doet. Prachtig, krijg ik hem, dan zal ik oogenblikkelijk een ambachtschool oprichten in verband met mijn school te Bolpur.” Tagore lachte en vervolgde: „Maar we krijgen vanavond te veel verbeelding” en het gezelschap lachte mee.

Binnen tien maanden na dit gesprek werd aan Rabindranath Tagore de Nobelprijs voor dichtkunst toegekend.

Niet alleen Indië of Azië, maar de geheele wereld heeft reden om zich over het toekennen van den Nobelprijs voor „idealistische literatuur” aan den Indischen wijze te verheugen. „Die toewijzing”, om de woorden van een Amerikaanschen schrijver te bezigen, „zal de menschen van het Westen aansporen te onderzoeken wat de menschen van het Oosten gezegd hebben en nog te zeggen hebben. Ze zal het Oosten aan het Westen vertolken zooals het Oosten nooit tevoren vertolkt was. Ze wordt alzoo een historische gebeurtenis, een keerpunt in het begrijpen van het eene halfrond door het andere.” Ze wijdt ook in den dageraad van een nieuw tijdperk van vriendschap tusschen Oost en West, die zoo lang vijandig tegenover elkander gestaan hebben in eeuwenlange worsteling om materieele oppermacht en vergrooting van grondgebied. De wederzijdsche waardeering van de literatuur, kunsten en idealen van het Oosten en het Westen, zal de donkere wolken van internationale verbittering wegvagen en dien dag helpen brengen, waarop internationale vrede en internationale welwillendheid oppermachtig op aarde zullen heerschen. Indien de eindpaal van wereldvrede ooit bereikt wordt, dan zal die bereikt moeten worden langs den weg van een edelen wedstrijd in innerlijke beschaving tusschen het Oosten en het Westen, die leiden zal naar de verwerkelijking van de fundamenteele eenheid van het geheele menschelijk geslacht.

Indien door een noodlottig toeval alle aan gedachten rijke opstellen, filosophische verhandelingen, romans, aangrijpende korte vertellingen en drama’s van Tagore werden vernietigd, dan zal men zich—zoolang er menschen in Indië wonen—den naam van Tagore als dien van een groot dichter van Indië herinneren, want hoe zou men zijn volksliederen kunnen vergeten! Zijn zangen hebben in het leven van Indië’s volk zulk een onuitwischbaren indruk gemaakt, dat zij alleen met Indië zelf zouden kunnen vergaan. De redevoeringen der politieke agitatoren en de opstellen van hoofdartikelschrijvers zijn slechts speldeprikken vergeleken met de vurige of innige vaderlandsliederen des dichters. Zijn uitroepen zweepen de kleine rimpelkringen op tot ware golven van echt patriotisme, die in Indië tegen de rotsen van egoïsme en provincialisme slaan en deze vergruizelen, om zoodoende uit een menigte van tegen elkaar strijdende belangetjes een machtig, homogeen volk te vormen.

Overal worden Tagore’s volksliederen gezongen. Wanneer des morgens bij zonsopgang stralen van goud uit den horizon neerschieten, hoort men zijn liederen gezongen door Sankirtan-gezelschappen, die door de straten trekken om de menschen te wekken, opdat zij deelnemen aan de heilige handeling God en het moederland te eeren. In den brandenden middag, wanneer de schaapsherders in de schaduw van den banyan-boom spelen, zingen zij Tagore’s liederen. En verder, wanneer het Indische landschap zich baadt in de roode stralen der ondergaande zon, hoort men Rabindranath’s liederen tot in de scheepswoningen der schippers en uit den mond der landlieden, die bij scharen huiswaarts keeren. Zij worden gezongen op nationale congressen, in de gymnastiekplaatsen, door de bedelaars op hun bedelgangen; zij worden gezongen bij huwelijken en bij religieuze handelingen.

Er zijn critici die beweren, dat Rabindranath’s volksliederen te week zijn, te vrouwelijk om te voldoen aan de tegenwoordige nooden van Indië. Het is waar, dat Tagore niet de vurige hartstocht heeft van Hem Chandra Bandopadhya, noch de mannelijke kracht van Nabin Chandra Sen; het is ook waar, dat hij zich meer wendt tot de teedere gemoedselementen, en de andere tot de sterkere. Inderdaad zijn „Slaap niet meer” van den eerste en eenige strofen uit „De slag van Pallasi” van den tweede, machtige factoren geweest in de crisis van Indië. Toch moet een ieder, die meer afweet van de fantastische en diepzinnige natuur der Hindoes, erkennen, dat van beide

„Ontwaakt, staat op en grijpt naar de overwinning; werpt neer den staf der overheerschers!”

en

„Uw moederland lijdt honger en verkwijnt! Wie anders dan een plichtgetrouwe zoon kan zijner moeder zorgen lenigen!”

de laatste zich sterker tot de ziel der Hindoes wendt en een meer durenden invloed uitoefent. Rabindranath volgt beslist den laatsten weg. Hij idealiseert het moederland, doordat hij in zijn lezer even zoovele snaren als zijn gemoedsontroeringen aanslaat. Hij spreekt van zijn golvende rijstvelden, lachende bloesems en geurende bloemen, zingende vogels, murmelende beekjes, eerbiedwekkende bergen, rumoerige bazar’s, vriendelijke huizen, gevulde rijstschuren en speelplaatsen vol lieve, kleine, naakte kinderen—en die alle bekleedt hij met de heilige liefde voor zijn moederland, Bharat Mata, zooals het in Indië heet. Onophoudelijk behandelt hij de zaak van Indië, op honderd verschillende wijzen, en steeds in onnavolgbaren stijl.

„O, moederland, ik geef aan u mijn lichaam; want u wil ik mijn heele leven wijden; ik stort om u mijn tranen, en mijn Muze zal altijd uwen roem en lof bezingen. En of mijn armen kracht- en hulploos zijn, zij zullen toch de daden wel verrichten, die uwe zaak alleen maar dienen kunnen; ofschoon mijn zwaard van schande roestig is, toch zal het ééns den band der knechtschap snijden, o, mijne lieve moeder!”

Op een andere plaats berispt hij het moederland, terwijl hij zegt:

„O, moeder, zult gij waarlijk uwe kind’ren als beed’laars aan de deur der vreemden sturen, die toch, wanneer zij zien den bedelstaf, beginnen hen te haten en met steenen naar hen te werpen in verachting? Zeg, o moeder!”

Hier protesteert hij tegen „de politiek van bedelarij” en spoort zijn landgenooten aan om zelve alle krachten in te spannen teneinde land en volk vooruit te brengen. In een essay heet het: „Wanneer het bereiken van een ideaal niet ook van onze eigen krachten afhangt, doch uitsluitend van de liefdadigheid van anderen, wordt zulks onwaardig en beleedigend voor ons, en voor den gever ook schadelijk.…”

In een ander gedicht troost hij het moederland en berispt hij zijn landgenooten, die zich van de zaak van het volk hebben afgewend:

„Niets kunt gij van uwe kinderen hopen, Moeder; want zij zullen niets u geven, schoon gij hun in uwe groote goedheid alles geeft, wat gij ook maar bezit: lucht en water, rijst en geesteswelvaart. O vergeef den ondankbaren kinderen, die zooveel beloofd, en bij den eersten ademtocht reeds hun belofte breken!”

Een Engelschmanhater is Tagore in geenen deele: daarvoor is hij behalve een dichter ook een wijze, die, schoon met droefheid, toch met geduld en ootmoed het lot van een onderworpen volk draagt, omdat hij in de vernedering van zijn landgenooten God’s voorzienigheid aanschouwt en in het duistere heden van zijn land voorvoelt den dageraad van een betere toekomst.

Liefde, zwier, deemoed en de geest van opoffering bezielen zijn patriotische gedichten; maar daarin is niet één spoor te vinden van toorn, ijverzucht en haat tegen wien ook in de wereld. Hierin verschilt hij van den radicalen nationalist van bloed en ijzer. In zijn ziekelijken haat tegen de Britten en in zijn verlangen dezen met al hun koffers en bagage uit Indië te verdrijven verliest de radicaal veel van het evenwicht, dat noodig is om helder en klaar te kunnen denken. Zoo staart hij zich welhaast blind op het uitwendige en vergeet ook kennis te nemen van de inwendige oorzaken, die leiden tot politieke misstanden en kwalen. Het is een slechte dokter, die alleen zachte zalf zou willen smeren op de huid van een pokkenlijder.

„Maar”, bijt de radicaal terug, „indien van buitenaf de atmospheer en de omgeving de inwendige storingen teweeg brengen, welke uitbreken in een kwaal, dan kunt ge den patient wel genezen, maar hij zal toch weer instorten.

„Als die ééne patiënt sterft, laat hem dan sterven, maar maak de omgeving zuiver, opdat duizend anderen kunnen blijven leven.”

„Ja, ge hebt gelijk,” zal Tagore daarop antwoorden, „doch wanneer het inwendige niet gezond is, dan zal het een kwaal uitbroeden, hoe rein de omgeving ook moge wezen. Maar ik ga volkomen met U mee, indien gij hervormingen op uzelven wilt aanbrengen, die zoowel inwendig als uitwendig werken.”

Het hedendaagsche probleem van Indië is, volgens Tagore, niet van politieken aard. De Hindoes zullen nimmer in staat zijn hun levensvoorwaarden hooger op te voeren, tenzij zij zich ontdoen van een zekere engheid van geest en zwakheid van karakter. Al het gif van onkunde, onverschilligheid en tweedracht in de Hindoe-maatschappij staan der volle ontwikkeling der Indiërs in den weg. Daartegen moet de strijd gestreden worden.

De Indiërs moeten zich oefenen in het uitbreiden van hun gezichtskring buiten het gezin en buiten het dorp tot wijder cirkels. Zij moeten de hagen van versleten gewoonten uitroeien en hun socialen bodem beploegen voor hoogere doeleinden dan alleen om „te tuinieren in het klein”.

„Laat ons in de eerste plaats onze maatschappij van de tyrannie van bekrompen zeden bevrijden en haar wijden aan een geest van liberaliteit. Dat is onze eerste plicht”, roept Tagore uit.

Het was met het oogmerk „den socialen bodem te beploegen” en de Indische maatschappij van „bekrompen zeden te bevrijden” door middel van inwendige verlichting, dat hij naar de eenzaamheid ging, niet om zijn dagen in ledigheid door te brengen, maar om in zijn Shanti Niketan-school menschen te vormen voor den dienst van het moederland.17

Het is, omdat Tagore den moreelen moed bezit, den vinger te leggen op de wonde plekken der Indische maatschappij, dat een Indiër zelf zich op deze hatelijke wijze uitliet over den dichter, voor wien God zijn voortdurende metgezel en Indië het voortdurende object zijner gedachten zijn: „Ik zou Tagore’s gezicht niet eens willen zien: ik zou de straat niet eens willen oversteken om hem te ontmoeten. Zelfs een ongeletterde koopman in Indische goederen, die onder valsche beschuldiging naar de gevangenis is gebracht, staat in mijn achting hooger dan de groote dichter, een moreele lafaard, die zijn eigen woorden inslikt en daarna zich terugtrekt in de eenzaamheid.”

Dat Tagore niet deelneemt aan actieve politiek van het oude regime, en niet de gebruikelijke methoden van den „nationalist” tot de zijne maakt, dat kan een groot deel zijner landgenooten hem niet vergeven.

Dat een man, die om zijn gematigdheid en om zijn afkeer van geweld zelfs door zijn landgenooten voor „overlooper” wordt uitgemaakt, thans front maakt tegen de Britsche politiek, naar aanleiding van het Amritsar-bloedbad en voor de „eer van Engelsch ridder” te zijn bedankt, geeft te denken.

Het geeft ons een vaag vermoeden van ongehoorde geweldmaatregelen van dezelfde soort, waardoor de naam van het Britsche imperium in de ooren van onderdrukte volkeren zulk een schrikwekkenden klank heeft gekregen.

Mogen echter de Britsche politici van de gevreesde soort eens denken aan hetgeen Tagore over het imperialisme heeft gezegd: „Een groep van het menschelijk ras kan niet eeuwig sterk blijven door een andere groep van haar inhaerente rechten te berooven; Dharma (rechtvaardigheid) hangt af van de evenwichtige schikking der dingen. Wanneer dit evenwicht verstoord, de orde ontwricht wordt, dan begint de rechtvaardigheid te dalen. De Britten zijn machtig geworden door het bezit van het Indische Rijk, en indien zij wenschen, dat Indië zwak blijft, dan kan dat eenzijdig voordeel niet lang duren; dan is het gedoemd, om zijn eigen doel illusoir te maken. De zwakheid van het ongewapende, door honger en door armoe uitgemergelde Indië, zal de oorzaak worden van de ineenstorting van het Britsche Imperium.”

„Slechts zeer weinige menschen kunnen een breeden blik hebben in politieke inzichten. Indien de inhalige Britsche politici begonnen te peinzen over de onmogelijke taak Indië in eeuwige onderwerping te houden, dan zouden zij terzelfder tijd de middelen vergeten om Indië voor langen tijd te onderdrukken. Want Indië eeuwig te willen behouden is een onmogelijkheid, omdat dit tegen de wet van het Universum is; zelfs de boomen moeten zich van hunne vruchten afscheiden. De poging om Indië te blijven binden aan de ketting der slavernij maakt de knoop slechts losser en verkort den tijd van mogelijke onvrijheid.”

Doch Tagore is meer dan slechts Indisch nationalist, hij is een „universeele nationalist”, een vertegenwoordiger van de wijd over de wereld verspreide humaniteit.

Zijn universalisme heeft den hoogsten graad van volkomenheid bereikt. Als een idealist van de twintigste eeuw gelooft hij aan de éénheid van het menschelijk geslacht—een éénheid in den rijkdom van haar verscheidenheid. Hij gelooft, dat het aanwezig zijn van de nationale, raziale, credale, continentale elementen en hun samenwerken in de menschelijke samenleving wezenlijk noodig is voor de ontwikkeling van de wereld, evenals de organen van het lichaam wezenlijk noodig zijn voor de normale ontwikkeling van den mensch. Hij is van oordeel, dat, evenals de taak van de roos ligt in de ontplooiing van haar bloembladen, zoo ook de roos der humaniteit slechts volkomen is, wanneer de verschillende rassen en volkeren hun geheel van elkaar verschillende karakteristieke eigenschappen ontvouwd hebben, die alle echter op den stam der humaniteit door den band der liefde zijn bevestigd.

Dit is de reden, waarom hij gelooft, dat het Oosten en het Westen hun bijzonder leven te leiden en hun bijzondere roeping te vervullen hebben—maar hun einddoel is hetzelfde. Zoo sprak hij op een banket, dat de litteratoren van Engeland en Ierland hem eens aangeboden hadden: „Ik heb geleerd, dat wij, ofschoon onze talen en onze zeden ongelijksoortig zijn, dat wij in den grond van ons hart één zijn. De monsumwolken, die zich vormen aan de oevers van den Nijl, bevruchten de ver verwijderde korenakkers aan den Ganges; gedachten moeten van de oostelijke naar de westelijke kusten gaan om een welkomstgroet in de menschenharten te vinden en om tot vervulling te komen. Oost is Oost, en West is West—God behoede, dat het anders zou worden—maar beide moeten tot elkaar in vriendschap, vrede en goede verstandhouding komen; hun ontmoeting zal des te vruchtbaarder zijn—die moet beide tot een heilig huwelijk leiden op het altaar der menschelijkheid”.

Of Tagore van den aanvang af éénstemmig door zijn landgenooten gewaardeerd werd als nationaal dichter? Neen; ook hij heeft, als alle profeten, in zijn eigen land verguizing en miskenning ondervonden. Men noemde hem, zooals ik reeds vermeldde, „overlooper” en „moreele lafaard”, omdat hij zijn pen niet heeft laten leenen ten dienste van de politiek van het geweld. Iemand zeide: „als Tagore beproefd had gedichten te schrijven als de Raibatak of de Kurukshétra van Nabin Chandra Sen, dan zou zijn lyrisch brein uit elkaar gespat zijn vóórdat hij nog twee strofen daarvan had kunnen beëindigen.” De grootste grief van sommige heethoofdige patriotten tegen Tagore was, dat hij hun met zijn gedichten geen bloedige visioenen voortooverde. Maar zij vergaten, dat meer dan eens een revolutionair als martelaar voor het vaderland stierf met een gebed of lied van Tagore op de lippen, en daaruit de kracht putte om den dood te overwinnen. Zij vergaten ook, dat het Tagore’s lyriek en universalisme zijn geweest, die de aandacht en de bewondering van heel de wereld op Bengalen en Indië hebben gericht. Basanta Koomar Roy noemt Tagore een universeele nationalist, wiens vaderlandsliefde niet is exclusief en arrogant en welke de beschavingen van alle andere volkeren minderwaardig acht dan de vaderlandsche cultuur. Daarom weigert Tagore beslist om strijd als het eerste en laatste middel te erkennen om tot grootheid te geraken. Tagore’s vaderlandsliefde is evenals zijn andere liefden: een „liefde, die wel de geliefde tot haar middelpunt kiest, maar daarnaast zachte vriendelijkheid over het heelal verspreidt en daardoor een duurzaamheid bezit, onaantastbaar door goden en menschen.”

Men treft in elk land en onder elk volk—vooral daar, waar het nationalisme aan het opkomen is—een groep van menschen aan, die „strijd” in hun banier hebben geschreven.

Men zou op de vragen dier militante naturen „Waarom geen strijd? Is strijd niet het eenige op de wereld, dat jonge mannen tot geestdrift bewegen kan?” hartgrondig kunnen antwoorden: „natuurlijk, wèl strijd”. „Natuurlijk”, want daarover zijn wij menschen het roerend met elkander ééns, dat het leven één strijd is, een strijd, waar niemand buiten kan, niet alleen jonge mannen maar ook ouderen, àlle wezens zelfs. Zònder strijd zou het leven niet bestaanbaar zijn. Goed en kwaad, licht en donker, dat zijn de elementen, die elkaar voortdurend bekampen.… en ten slotte de volle waarde en schoonheid geven aan het leven. Ware dit anders, de geheele schepping zou gebleven zijn in den schoot van den Onnoembare.

Strijd is leven, strijd is zijn, strijd is; dat bedoelde reeds Heraclitus met te zeggen, dat alles ontstaan is door „vuur” als de kracht, die alle veranderingen en omwentelingen teweeg brengt en regelt. Positiever drukt hij zich uit met deze woorden: „Strijd is de vader van alle dingen”.

De vraag rijst nu: „Wat is het ideaal van den mensch, levende in deze groote wereld, dezen macrocosmos vol tegenstellingen en strijd?” Is de eerste en grootste taak van den mensch deel te nemen aan dezen algemeenen kamp, zich vijandig te stellen tegenover de hem omringende wereld; of is er voor hem nog iets anders te doen dan in de allereerste plaats toegeven aan deze instincten, welke hij met de dieren gemeen heeft?

Er doet zich echter deze merkwaardigheid voor: de mensch, levende in dit heelal van strijd, draagt in zijn eigen boezem een wereld, waarin de strijders als bittere vijanden tegenover elkander geschaard staan. Deze microcosmos, het heelal in hem zelven, maakt het mysterie van den mensch uit, is tevens het criterium van het mensch-zijn. Daaraan dankt de mensch de bijzondere plaats, welke hem in de schepping wordt toegekend door de denkende wezens, of zij Darwinisten zijn of geloovigen, die het bijbelsche scheppingsverhaal over het ontstaan van het menschelijk geslacht als openbaring van God-zelven beschouwen.

Daar nu, zooals we reeds zeiden, leven strijden beteekent, kan het niet anders of het ideaal van den mensch moet ook „strijd” heeten. Doch wij worden voor het dilemma gesteld: „Moeten wij den strijd beginnen in den microcosmos of in den macrocosmos?”

In het verschil van antwoord op deze vraag nu, ligt, mijns bedunkens, het wezenlijk onderscheid tusschen het Westen en het Oosten. Terwijl de Westerling, in het algemeen gesproken, meer den nadruk legt op den strijd in den macrocosmos, slaat de Oosterling meer den blik naar binnen en acht het als de eerste taak van den mensch om den strijd in zijn eigen, innerlijke wereld uit te strijden. Natuurlijk ziet men zich op sommige momenten in het leven geplaatst voor het feit, dat men den uitwendigen strijd moèt strijden. Ons innerlijk zegt dan: het kàn niet anders. In die gevallen moge men dan moed en begeestering putten uit de wijsheid van de Bhagavad Gîta, ofschoon de schoone wijsheid van dit gedicht door politici te veel wordt misbruikt als leuzen voor den uitwendigen kamp, terwijl ik geneigd ben dit werk eer te beschouwen als een schildering, een verbeelding van den strijd in ons binnenste. Doch zoolang wij ons, innerlijk, nog niet genoopt gevoelen den uitwendigen strijd te aanvaarden, zóólang, dunkt mij, is de voornaamste en eerste opgave van den mensch den strijd in zich-zelven te strijden.

Hoe moet men zich nu tegenover de uitwendige wereld gedragen, en op welke wijze moet men den strijd in zich-zelven voeren? Het antwoord op de eerste vraag geeft implicite het antwoord op de tweede, en ik meen dit gevonden te hebben in de serie van Tagore’s „lectures”, bijeenverzameld in het boek Sādhanā, dat ik mijnen landgenooten ter lezing wèl aanbeveel.18 Het ligt buiten het bestek van deze schets om uitvoerig dit boek te bespreken. Ik laat hier een kort resumé volgen van Tagore’s vredelievende wereldinzicht, dat ik wilde stellen tegenover het offensieve van de patriotten der ijzeren garde.

„In Indië was het in de wouden, dat onze beschaving haar geboorte vond, en zij nam een bepaald karakter aan, overeenstemmend met haar oorsprong en omgeving. Zij werd omringd door het uitgestrekte leven der natuur, werd door haar gevoed en gekleed en had het innigst en voortdurend contact met haar wisselende aspecten.

Men zou kunnen denken, dat zulk een leven de verstomping van het menschelijk verstand en de verzwakking der prikkels om vooruit te komen tengevolge zou hebben, daar de standaard van het bestaan laag werd gehouden. Maar in het oude Indië vinden wij, dat de omstandigheden van het woud-leven den geest des menschen niet verwonnen en niet de ontwikkeling van zijn wilskracht verzwakten, doch slechts aan die ontwikkeling een bijzondere richting gaven. Daar de mensch in voortdurend contact was met den levendigen groei der natuur, was zijn geest vrij van de begeerte om zijn gebied uit te breiden door rondom zijn bezittingen begrenzende muren op te richten. Zijn doel was niet te winnen, maar te realiseeren, zijn bewustzijn te verbreeden door te groeien mèt en in zijn omgeving. Hij voelde, dat de waarheid al-omvattend is, dat er niet zoo iets is van absolute afgescheidenheid in het bestaan, en dat de eenige weg om de waarheid te kennen is: het dóórdringen van ons wezen in alle voorwerpen. De groote harmonie tusschen den menschelijken geest en den wereld-geest te realiseeren, dat was het verlangen der woud-bewonende wijzen van het oude Indië.”—

Ook in de latere ontwikkeling der beschaving, zelfs in zijn materieele welvaart bleef het hart van Indië steeds met aanbidding terugzien naar het vroegere ideaal van zelf-realisatie, en naar de waardigheid van het eenvoudige leven van woudhermitage en trok het zijn schoonste inspiraties uit de wijsheid, aldaar vergaard.

„Het Westen schijnt trotsch te zijn op het denkbeeld, dat het de natuur onderwerpt, alsof we leven te midden van een ons vijandige wereld, waar wij elk ding, wat wij noodig hebben, te ontwringen hebben aan een ons ongenegen schikking der dingen.”

„In Indië was het gezichtspunt anders; het omvatte de wereld met den mensch als één groote waarheid. Indië zette al den nadruk op de harmonie, die bestaat tusschen het individueele en het universeele. Het voelt, dat wij geen enkele verbinding hebben met het ons omringende, indien dit geheel en al vreemd aan ons was.”

„De Indische geest heeft nooit geaarzeld om verwantschap met de natuur te erkennen, zijn onverbroken betrekking met het al. De fundamenteele eenheid in de schepping was niet eenvoudig een philosophische idee van Indië, het was zijn levensdoel om deze groote harmonie in gevoel en daad te realiseeren. Met meditatie en eeredienst, met regeling van zijn leven kweekte hij zijn bewustzijn op in die richting, dat elk ding en elk wezen een geestelijke beteekenis voor hem had. Aarde, water en licht, vruchten en bloemen, waren voor hem niet slechts physische verschijningen om tot gebruik te worden aangewend en dan terzijde gelegd. Zij waren hem noodzakelijk voor zijn reiken naar het ideaal van volmaaktheid, zooals iedere noot noodzakelijk is voor de volmaaktheid der symphonie. Indië voelde instinctief, dat de wezenlijkheid van deze wereld voor ons haar levensbeteekenis heeft; wij moeten hiervoor volgevoelig wezen en een bewuste betrekking daarmee in het leven roepen, niet alleen gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid of begeerte naar materieel voordeel, maar we moeten die realiseeren in den geest van sympathie en met een groot gevoel van vreugde en vrede.”

„De man van wetenschap weet, van een zeker standpunt, dat de wereld niet slechts dat is, wat zij schijnt te zijn voor onze zinnen; hij weet, dat aarde en water in werkelijkheid het spel is van krachten, die zich aan ons voordoen als aarde en water—hóe, dat vatten wij slechts gedeeltelijk. De mensch, die zijn geestelijke oogen open heeft, weet op gelijke wijze, dat de groote waarheid omtrent aarde en water ligt in onze bevatting van den eeuwigen Wil, die werkt in den tijd en gestalte neemt in de krachten, welke wij in deze verschijnselen realiseeren. Dit is niet alleen kennis, zooals wetenschap is, maar het is een voorschrift van de ziel door de ziel. Dit leidt ons niet tot macht, zooals wetenschap doet, maar het geeft ons vreugde, welke het product is van de vereening van verwante dingen. De mensch, wiens bekendheid met de wereld hem niet verder leidt dan de wetenschap hem leidt, zal nooit begrijpen wat dit is, dat de geestelijke visie in deze natuurlijke verschijnselen vindt. Het water reinigt niet alleen zijn ledematen, maar het zuivert ook zijn hart; want dit raakt zijn ziel aan. De aarde steunt niet alleen zijn lichaam, maar zij verheugt zijn geest, want haar aanraking is méér dan een physisch contact—zij is een levend gezelschap. Wanneer een mensch zijn verwantschap met de wereld niet realiseert, dan leeft hij in een gevangenis, wier muren hem vijandig zijn. Wanneer hij den eeuwigen Geest in alle dingen ontmoet, dan is hij vrij, want dan ontdekt hij de volste beteekenis van de wereld, waarin hij geboren is; dan vindt hij zichzelven in volmaakte waarheid, en zijn harmonie met het al is gevestigd.”

„Het is niet waar, dat Indië getracht heeft de waarde-verschillen in verschillende dingen (m.a.w. den strijd der tegenstellingen in den macrocosmos N. S.) te ontkennen, want zij weet, dat deze ontkenning het leven onmogelijk zou maken. Het besef van de superioriteit van den mensch in de scala der schepping (het bezit van den microcosmos, die den mensch stempelt tot een redelijk wezen. N. S.) is nooit in zijn geest afwezig geweest. Maar het heeft zijn eigen idee omtrent datgene, waarin zijn superioriteit in waarheid bestaat. Het is niet in de macht van het bezit, maar in de macht van vereening.”

„Indië wist, dat wanneer wij door physische en geestelijke grenzen ons afscheiden van het onuitputtelijke leven der natuur; wanneer wij slechts menschen zijn, en niet mensch in het heelal; wanneer wij ons zelven uitsluiten van de levenwekkende en zuiver makende aanraking van het Oneindige …, dat wij dan verwarde problemen in het leven roepen.” „Dan is het, dat de mensch zijn innerlijk perspectief mist en zijn grootheid meet met massa’s en niet door zijn levende schakel met het Oneindige, zijn werkdadigheid beoordeelt naar haar beweeglijkheid en niet naar de rust van volmaaktheid—de rust, welke is in den met sterren bezaaiden hemel, in den steeds vloeienden, rythmischen dans der schepping.”

„Onze betrekking met het al te realiseeren, in elk ding dóór te dringen door de vereening met God werd dus in Indië beschouwd als het uiterste eind en de vervulling der menschelijkheid.

Een mensch kan vernielen en plunderen, winnen en vergaren, uitvinden en ontdekken, maar hij is groot, omdat zijn ziel alles omvat. Het is een verderf voor hem, wanneer hij zijn ziel omhult in een doode schelp van verharde gewoonten, wanneer een blinde werk-woede rondom hun dwarrelt gelijk een wervelstorm, die den horizon met stof verduistert. Dat doodt inderdaad den waren geest van zijn wezen, welke de geest is van omvatting. In het diepste wezen is de mensch geen slaaf nòch van zichzelven nòch van de wereld; maar hij is een minnaar. Zijn vrijheid en volmaking liggen in liefde, welke een andere naam is voor volmaakt begrijpen. Door deze kracht van omvatting, deze doordringing van zijn wezen, wordt hij vereenigd met den al-doordringenden Geest, die ook is de adem van zijne ziel. Waar een mensch tracht zichzelven op te heffen, uit te steken boven anderen, door deze weg te duwen en uit te stooten, die tracht een onderscheiding te bereiken, waarbij hij zich laat voorstaan méér te zijn dan ieder ander, daar is hij vervreemd van dien Geest. Dat is, waarom de Upanishads hen, die het doel van het menschelijk leven bereikt hebben, beschrijven als „vrede-vol” en als „één met God”, daarmee bedoelende, dat zij in volmaakte harmonie zijn met mensch en natuur, en daarom in ongestoorde éénheid met God.”

Ziehier in korte trekken een levensbeschouwing, die overweldigend-grootsch is door haar levendigen, verheven zin voor universeele liefde, welke ook beteekent de elementen van ons lager ego te bekampen, den strijd in den microcosmos te volvoeren. Dit is de boodschap, die de groote dichter-philosoof, in wiens kunst de wijsheid van den vader, den „Maharshi”, als het ware is geïncarneerd, te brengen heeft aan de menschheid in dezen door ontzettende oorlogen ontwrichtten tijd, vrucht ongetwijfeld van al te ver doorgevoerde levensbeschouwing, dat strijd van den mensch in den macrocosmos een levensbeginsel is.

Kan echter deze dichter, die het Universum lief heeft, wel liefde gevoelen voor zijn land, dat toch slechts een klein stukje is van de wereld? Kan Rabindranath Tagore voor zijn volk wel een nationaal dichter zijn, een dichter van slechts een klein stukje der groote menschheid? Méér dan dit; Tagore is niet alleen nationaal dichter, maar hij is nationalistisch, doch zijn patriotisme is geen hoera-patriotisme. Hij vraagt voor zijn land en zijn volk geen politieke vrijheid in de eerste plaats, een vrijheid, die een eeuw, twee eeuwen kan duren, maar méér dan dit, want luistert maar eens naar zijn gebed voor zijn volk, vers XXXV uit de Gitānjali, dat in de Javaansche overzetting van Prins Mangkoe Nagoro luidt:

Hing don kang jatnjo tanpa-djrih mjang kang moeko toemĕngo,

Hing don kang kawroeh mardiko,

Hing don kang bawono tan pinéṭaq-péṭaq hing papagĕrring groho,

Hing don kang witjoro timboel sing gandjoeto-lajaning njoto,

Hing don kang sĕdjo hadrĕng joen mangrang­sang mring paripoerno,

Hing don kang wĕnienging hili boedojo maksih doeroeng léno, handjog hing samódro-pasirring kang tototjoro,

Hing don kang jatnjo tinoentoen hing siro, loemĕbwèng ngĕn-angĕn mjang bowo, kangsani­tyoso mĕlarkĕn wiarnjo;

Hing swargo mardikéko, doeh Bopo, siro ma­rĕngno bangsambo manglilir sing néndranjo.