De meer verfijnde vormen van de orgie bloeien in de beschaving, hoewel zij, daar zij voornamelijk de hersenen prikkelen, niet de weldadigste of de meest werkzame zijn. De meer primitieve en musculaire vormen van de orgie hebben, aan den anderen kant, neiging onder den invloed der beschaving in discrediet te geraken en voor zoover mogelijk, geheel onderdrukt te worden. Dit is voor een deel de wijze waarop de beschaving de prostitutie bevordert. Want de orgie in haar primitieve vormen zoekt, als haar verboden wordt zich openlijk te vertoonen, het donker; ze verbindt zich met een fundamenteel instinct, waarvoor de beschaafde maatschappij geen volledige wettige bevrediging biedt; ze verschanst zich midden in het beschaafde leven, en vormt zoodoende een probleem, dat uiterst moeilijk en belangrijk is13.
Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de prostitutie altijd en overal heeft bestaan. Die bewering is in het geheel niet juist. Een soort van amateur-prostitutie wordt nu en dan bij natuurvolken gevonden, maar gewoonlijk is het niet voordat het barbarisme volkomen ontwikkeld is en een zeker stadium van beschaving nadert, dat goed ontwikkelde prostitutie gevonden wordt. Ze bestaat in systematischen vorm in iedere beschaafde maatschappij.
Wat is prostitutie? Er is veel gestreden over de juiste definitie van prostitutie14. De Romein Ulpianus zeide, dat een prostituée iemand was, die openlijk haar lichaam geeft aan een aantal mannen zonder keuze, voor geld15. Soms is er gezegd, dat een prostituée iemand is, die zich aan vele mannen geeft. Om juist te zijn, moet een definitie echter passen op beide seksen gelijkelijk, en we zouden zeker aarzelen een man, die sexueelen omgang gehad heeft met vele vrouwen, een prostituée te noemen. Het begrip van de koopbaarheid, de bedoeling de gunsten van het lichaam te verkoopen, behoort tot het wezen van het begrip prostitutie. Zoo geeft Guyot de definitie van een prostituée als “een persoon voor wie sexueele verhoudingen ondergeschikt zijn aan winstbejag”16. Het is echter niet juist een prostituée te definieeren enkel als een vrouw, die haar lichaam verkoopt. Dat wordt alle dagen gedaan door vrouwen, die trouwen om een huis en een middel van bestaan te krijgen, en toch, hoe immoreel dit gedrag zijn mag van een hoog ethisch standpunt, het zou niet goed zijn en zelfs misverstand veroorzaken, als we het prostitutie noemden17. Het is daarom beter een prostituée te definieeren als een vrouw, die tijdelijk haar sexueele gunsten aan verschillende personen verkoopt. Zoo is, volgens Wharton’s Law-lexicon een prostituée “een vrouw, die zonder onderscheid met mannen verkeert voor loon”; Bonger zegt, dat “die vrouwen prostituées zijn, die haar lichaam verkoopen voor het uitoefenen van sexueele daden en hiervan een beroep maken”18; Richard zegt, dat “een prostituée een vrouw is, die zich openlijk geeft aan den eersten den besten voor een geldelijke belooning”19. Daar, ten slotte, het veel voorkomen van de homo-sexualiteit geleid heeft tot het bestaan van mannelijke prostituées, moet de definitie gesteld worden in een vorm, die geen betrekking heeft op sekse, en we kunnen daarom zeggen, dat een geprostitueerde een persoon is, die er een beroep van maakt de lusten van verschillende personen van de tegenovergestelde of van dezelfde sekse te bevredigen.
Het behoort tot het wezen der zaak, dat de daad van prostitutie als een gewoonte uitgevoerd wordt met “verschillende personen”. Een vrouw, die haar onderhoud verdient door de maîtres te zijn van een man, wien zij trouw is, is geen prostituée, hoewel zij er dikwijls later een wordt en er vroeger een geweest kan zijn. Het juiste punt, waarop een vrouw een prostituée begint te zijn, is een kwestie van groot belang in landen, waar de prostituées onderworpen zijn aan contrôle. Zoo ontmoette, niet lang geleden in Berlijn, een meisje, dat de maîtres was van een rijken kavalerie-officier en door hem onderhouden werd, tijdens de ziekte van den officier toevallig een man, dien zij vroeger gekend had, en zij noodigde hem eens of twee keer uit haar te bezoeken, terwijl ze geschenken in geld van hem kreeg. Dit kwam op de een of andere wijze ter kennis van de politie, en zij werd gearresteerd en tot een dag gevangenisstraf veroordeeld als een niet ingeschreven prostituée. Bij hooger beroep werd het vonnis echter vernietigd. Liszt zegt in zijn Strafrecht, dat een meisje, dat haar geheele inkomen of een deel van haar inkomen krijgt van “vaste verhoudingen” niet ontucht als bedrijf uitoefent in den zin van de Duitsche wet (Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9, p. 345).
Het is niet heel gemakkelijk den oorsprong uit te leggen van de systematische beroeps-prostitutie, met het bestaan waarvan we in de beschaafde maatschappij bekend zijn. De amateur-soort van prostitutie, die soms opgemerkt is onder primitieve volken—dat is het feit, dat een man een vrouw een geschenk mag geven als hij tracht haar te overreden hem toe te staan omgang met haar te hebben—is inderdaad geen prostitutie, zooals wij die kennen. Het geschenk is in zulk een geval alleen maar een deel van een soort van hof maken, dat leidt tot een tijdelijke verhouding. De vrouw behoudt min of meer haar maatschappelijke positie en is niet gedwongen er een beroep van te maken zich te verkoopen, omdat van nu af aan geen andere loopbaan mogelijk voor haar is. Toen Cook in Nieuw-Zeeland kwam, ondervonden zijn mannen, dat de vrouwen niet onoverwinlijk waren, “maar de termen en de wijze van toestemming waren even fatsoenlijk als die in het huwelijk bij ons”, en “volgens hun opvattingen was de overeenkomst even onschuldig”. De toestemming van de vrienden der vrouw was noodig, en als de voorbereidende maatregelen getroffen waren, was het noodig deze “dame voor den nacht” met “dezelfde égards te behandelen, die hier noodig zijn voor de vrouw, die men voor zijn leven heeft, en de minnaar, die zich eenige vrijheden aanmatigde, waardoor daaraan tekort gedaan werd, kon er van op aan, dat hij werd teleurgesteld”20. Men zegt, dat op sommige van de Melaneesische eilanden de vrouwen soms voor een tijd prostituées werden of wegens haar slecht gedrag soms gedwongen werden prostituées te worden; zij werden echter niet bijzonder veracht en als ze op deze wijze een zekere mate van bezit verworven hadden, konden ze een goed huwelijk sluiten, en daarna zou het niet gepast zijn haar te herinneren aan haar vroegere loopbaan21.
Als de prostitutie het eerst optreedt bij een primitief volk, dan gebeurt het soms, dat er weinig of geen schande aan gehecht wordt, omdat de gemeenschap er nog niet aan gewoon is geraakt, eenige speciale waarde te hechten aan de aanwezigheid van maagdelijkheid. Schurtz haalt uit het werk van een ouden Arabischen aardrijkskundige Al-Bekri eenige belangwekkende opmerkingen aan over de Slaven: “De vrouwen van de Slaven zijn, nadat ze getrouwd zijn, trouw aan haar echtgenooten. Als echter een jong meisje verliefd wordt op een man, dan gaat zij naar hem toe en bevredigt haar hartstocht. En als een man trouwt en hij ontdekt, dat zijn vrouw maagdelijk is, dan zegt hij tot haar: “Als je iets waard was, dan zouden mannen van je gehouden hebben, en je zoudt er een uitgekozen hebben, die je maagdelijkheid had weggenomen”. Dan jaagt hij haar weg en ziet van haar af”. Het is een soortgelijk gevoelen, dat, bij sommige volken, een meisje er toe brengt trotsch te zijn op de geschenken, die ze vóor haar huwelijk van haar minnaars gekregen heeft en ze te bewaren als een huwelijkgift bij haar huwelijk, daar ze wel weet, dat haar waarde zoo nog meer verhoogd wordt. Zelfs onder de Zuidelijke Slaven van modern Europa, die veel van hun oorspronkelijke sexueele vrijheid bewaard hebben, is deze vrijheid, zooals Krauss, die de manieren en gewoonten van deze volken nauwkeurig bestudeerd heeft, verklaart, in den grond verschillend van misdaad, losbandigheid en onkuischheid22.
Prostitutie ontstaat, zooals Schurtz heeft aangetoond, in iedere maatschappij, waar het vroege huwelijk moeilijk is en omgang buiten het huwelijk maatschappelijk afgekeurd wordt. “Koopbare vrouwen komen overal voor zoodra de vrije sexueele omgang van jonge menschen onderdrukt wordt, zonder dat de noodzakelijke slechte gevolgen worden tegengegaan door ongewoon vroege huwelijken”23. Het onderdrukken van sexueele intimiteiten buiten het huwelijk is een verschijnsel van de beschaving, maar het is op zichzelf geenszins een maatstaf voor het beschavings-niveau en kan daarom al op een vroegen trap optreden. Maar het is van belang op te merken, dat de primitieve en rudimentaire vormen van de prostitutie, als zij voorkomen, alleen tijdelijk zijn, en dikwijls—hoewel niet altijd—de vrouw in de algemeene achting niet verlagen, ja, soms zelfs haar waarde als vrouw verhoogen. De vrouw, die zich voor geld verkoopt zuiver als bedrijf, zonder eenige gedachte aan liefde of hartstocht, en die door haar beroep behoort tot een klasse van paria’s, door haar geheele overige sekse streng gemeden, is een verschijnsel, dat zelden ergens anders gevonden wordt dan in een ontwikkelde en beschaafde maatschappij. Het is geheel onjuist van prostituées te spreken als een overblijfsel uit primitieve tijden.
Over het geheel berusten de sexueele verhoudingen onder natuurvolken, hoewel ze soms vrij zijn vóor het huwelijk en bij gelegenheid van speciale feestelijkheden, zelden op promiscuïteit en nog minder op omkoopbaarheid. Als vrouwen van natuurvolken zich tegenwoordig verkoopen, of door haar echtgenooten verkocht worden, dan blijkt gewoonlijk dat we te doen hebben met een besmetting van de Europeesche beschaving.
Er zijn ongetwijfeld vele wijzen, waarop prostitutie als beroep tot ontwikkeling kan komen24. Wij kunnen het eens zijn met den algemeenen regel die Schurtz heeft gegeven, dat altijd, als de vrije vereeniging van jonge menschen verhinderd wordt onder omstandigheden, waarin het vroege huwelijk ook moeilijk is, de prostitutie zeker moet ontstaan. Er zijn echter verschillende wijzen, waarop dit principe vorm kan aannemen. Zoover als onze Westersche beschaving betreft—dat is te zeggen, de beschaving, die haar oorsprong heeft aan de Middellandsche Zee—schijnt het wel, dat de oorsprong van de prostitutie hoofdzakelijk gevonden wordt in een godsdienstige gewoonte, en dat de godsdienst, de groote bewaarder van maatschappelijke tradities, in een veranderde gedaante een primitieve vrijheid in stand houdt, die bezig was uit het maatschappelijk leven te verdwijnen25. Het typische voorbeeld hiervoor is dat, vermeld door Herodotus, in de vijfde eeuw voor Christus, nl. dat iedere vrouw eens in haar leven in den tempel van Mylitta, de Babylonische Venus, moest komen en zich geven aan den eersten vreemdeling, die een muntstuk in haar schoot wierp, ter vereering van de godin. Het geld kon niet geweigerd worden, hoe klein het bedrag ook was, maar het werd als een offergave gegeven en de vrouw keerde, als ze den man gevolgd was en zoo aan Mylitta geofferd had, naar haar huis terug en leefde daarna steeds kuisch26. Zeer daarop gelijkende gewoonten bestonden in andere deelen van West-Azië, in Noord-Afrika, in Cyprus en andere eilanden van de Oostelijke Middenlandsche Zee, en ook in Griekenland, waar de tempel van Aphrodite op de burcht in Corinthe duizend hierodulen bezat, die van tijd tot tijd aan den dienst der godin gewijd waren, zooals Strabo zegt, door hen, die een dankoffer wenschten te geven voor genaden hun bewezen. Pindarus maakt melding van de gastvrije jonge Corinthische tempel-dienaressen, wier gedachten zich dikwijls keeren naar Curania Aphrodite27, in wier tempel zij wierook brandden; en Athenaeus vermeldt het belang, dat gehecht werd aan de gebeden der Corinthische prostituées bij een of andere nationale ramp28.
Wij schijnen hier te hebben niet alleen een godsdienstig overblijfsel van een grootere sexueele vrijheid, die vroeger29 bestaan heeft, maar een gespecialiseerde en ritueele ontwikkeling van dien primitieven eeredienst van de verwekkende krachten der natuur, die het geloof in zich sluit, dat alle natuurlijke vruchtbaarheid verbonden is met en bevorderd wordt door daden van menschelijken sexueelen omgang in dienst van de godheid, die zoo een godsdienstige beteekenis krijgen. In een later stadium worden daden van sexueelen omgang, daar ze een godsdienstige beteekenis hebben, gespecialiseerd en in tempels gelocaliseerd, en door een logischen overgang van denkbeelden wordt er geloofd, dat zulke daden van sexueelen omgang in dienst van de godheid goed deden aan de persoon, die ze uitvoerde, meer speciaal als het een vrouw was, door haar vruchtbaarheid te verzekeren. Onder primitieve volken in het algemeen is deze opvatting voornamelijk belichaamd in den vorm van feesten der jaargetijden, maar bij de volken van West-Azië, die niet meer primitief waren, en bij wie traditioneele priesterlijke en hieratische invloeden een zeer grooten invloed hadden verkregen, had de vroegere generatieve eeredienst, naar het schijnt, op natuurlijke wijze zijn vormen veranderd, doordat hij aan de tempels verbonden werd30.
De theorie, dat godsdienstige prostitutie zich in den regel heeft ontwikkeld uit het geloof, dat de voortbrengende werkzaamheid van menschelijke wezens een geheimzinnigen en heiligen invloed bezat, doordat ze de vruchtbaarheid der natuur in het algemeen bevorderde, schijnt het eerst door Mannhardt uiteengezet te zijn in zijn Antike Wald- und Feldkulte (pp. 283 et seq.). Ze wordt ondersteund door Dr. F. S. Krauss (“Beischlafausübung als Kulthandlung”, Anthropophyteia, deel III, p. 20), die het belangwekkende feit vermeldt, dat in den tijd van Baruch, lang voor Herodotus, geheiligde prostitutie in de open lucht onder boomen plaats vond. Dr. J. G. Frazer heeft deze opvatting van den oorsprong der geheiligde prostitutie meer speciaal ontwikkeld in zijn Adonis, Attis, Osiris. Hij resumeert zijn tamelijk lang betoog aldus: “Wij mogen het besluit trekken, dat een groote Moeder-Godin, de personificatie van al de voortbrengende krachten der natuur, onder verschillende namen, maar met een in hoofdzaak gelijk zijn van mythe en ritueel, vereerd werd door vele volken van West-Azië; dat met haar verbonden was een minnaar, of liever een reeks minnaars, goddelijk en toch sterfelijk, met wie zij zich jaarlijks vereenigde, terwijl men meende, dat hun omgang noodzakelijk was voor de vermenigvuldiging van dieren en planten, ieder in zijn afzonderlijke soort: en verder, dat de fabelachtige vereeniging van het goddelijke paar gefingeerd was en als het ware over de aarde verveelvoudigd werd door de werkelijke, hoewel dan tijdelijke vereeniging van de menschelijke seksen bij het heiligdom der godin, om daardoor de vruchtbaarheid van den grond en de toename van mensch en dier te verzekeren. In den loop der tijden, toen de instelling van het persoonlijk huwelijk ontstond en het oude communisme meer en meer in discrediet geraakte, werd de hernieuwing van de oude gewoonte, zelfs voor een enkele gelegenheid in het leven van een vrouw, meer en meer strijdig met den moreelen zin van het volk, en daarom namen de vrouwen haar toevlucht tot verschillende hulpmiddelen, om in de praktijk de verplichting te ontloopen, die zij in theorie erkenden … Maar terwijl de meerderheid der vrouwen op deze wijze kans zag den vorm van den godsdienst in acht te nemen zonder haar deugd op te offeren, werd het toch voor het algemeen welzijn noodig geacht, dat een zeker aantal van haar de oude verplichting op de oude wijze nakwam. Deze werden hetzij voor het leven of voor een reeks van jaren prostituées in een van de tempels: gewijd aan den dienst der godheid, werden zij in zekeren zin als heilig beschouwd en haar roeping, wel verre van voor schandelijk te gelden, werd waarschijnlijk door de leeken langen tijd beschouwd als een uitoefening van meer dan gewone deugd, en beloond met een mengeling van verwondering, eerbied en medelijden, niet ongelijk aan die, welke in sommige deelen van de wereld nog gegeven wordt aan vrouwen, die haar Schepper op andere wijze trachten te eeren, door afstand te doen van de natuurlijke functies van haar sekse en van de teerste familiebetrekkingen” (J. G. Frazer, Adonis, Attis, Osiris, 1907, pp. 23 et seq.).
Het is moeilijk de conclusie te vermijden, dat deze theorie een voorstelling geeft van de centrale en primitieve idee, die leidde tot de ontwikkeling van de geheiligde prostitutie. Het schijnt echter even duidelijk dat, naarmate de tijd verliep, en vooral naarmate de tempeldiensten zich ontwikkelden en de invloed der priesters toenam, deze fundamenteele en primitieve idee zich begon te wijzigen en zelf vervormd werd. De oorspronkelijke opvatting werd gespecialiseerd in het geloof, dat godsdienstige gunsten, en vooral de gunst der vruchtbaarheid, verkregen werden door den vereerder, die door een daad van onkuischheid de gunst der godin zocht, welke daad, naar men meende, aangenaam was aan een onkuische godin. De ritus van Mylitta, zooals ze door Herodotus beschreven is, was een late ontwikkeling van deze soort in een oude beschaafde maatschappij, en het voordeel dat gezocht werd was klaarblijkelijk voor de aanbidster zelf. Dit is aangetoond door Westermarck, die opmerkt, dat de woorden tot de vrouw gesproken door haar partner, als hij haar het geld geeft—“Moge de godin u gunstig gezind zijn!”—zelf aanwijzen, dat het doel van de daad was haar vruchtbaarheid te verzekeren, en hij verwijst ook naar het feit, dat men meende dat vreemdelingen dikwijls een half-bovennatuurlijke gave bezaten, en hun weldaden van een speciaal krachtdadigen aard waren (Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, p. 446). We kunnen hieraan toevoegen, dat de dienst van Mylitta zoodoende analoog werd met een andere plechtigheid aan de Middellandsche Zee, waarbij de daad van het simuleeren van verkeer met den vertegenwoordiger van een god of zijn beeld, de vruchtbaarheid van een vrouw verzekerde. Dit is de plechtigheid, die uitgevoerd wordt door de Egyptenaren van Mendes, waarbij de vrouw de ceremonie van gesimuleerden omgang doormaakte met een geheiligde bok, die beschouwd werd als de vertegenwoordiger van een godheid van op Pan gelijkende godsgestalte (Herodotus, boek II, hoofdst. XLVI; en zie Dulaure, Des Divinités Génératrices hoofdstuk II). Deze rite werd nog veel later in eere gehouden door Romeinsche vrouwen, en wel met de standbeelden van Priapus, en de heilige Augustinus vermeldt hoe Romeinsche matrones de jonge bruid op het opgerichte lid van Priapus plaatsten (De Civitate Dei, boek III, hoofdst. IX). Het begrip, dat blijkbaar aan deze geheele groep verschijnselen ten grondslag ligt, is, dat de godheid, of de vertegenwoordiger of zelfs alleen maar een beeld van de godheid in staat is, door een werkelijke of gesimuleerde daad van omgang op zijn aanbidster een deel van zijn eigen verheven verwekkende kracht over te dragen.
In een lateren tijd waren in Corinthe de prostituées nog de priesteressen van Venus, die min of meer nauw aan haar tempels verbonden waren, en zoolang dat het geval was, genoten zij een groote mate van achting. In dit stadium merken wij echter, dat de godsdienstige prostitutie nuttig kon wezen. Deze tempels bloeiden vooral in steden aan de zeekust, op eilanden, in groote steden, waar veel vreemdelingen en matrozen naar toe kwamen. De priesteressen van Cyprus brandden wierook op haar altaren en riepen haar gewaardeerde hulp in, maar terzelfder tijd spreekt Pindarus haar toe als “jonge meisjes, die vreemdelingen welkom heeten en hun gastvrijheid betoonen”. Naast de godsdienstige beteekenis van de verwekkingsdaad begonnen de behoeften van mannen, die ver van huis waren, erkenning te vinden. De Babylonische vrouw was naar den tempel van Mylitta gegaan om een persoonlijken godsdienstigen plicht te vervullen; de Corinthische priesteres was begonnen te handelen als een erkende dienares van de sexueele behoeften van mannen in vreemde steden.
De gewoonte, die Herodotus in Lydië bij jonge meisjes opmerkte, dat zij prostituée werden om een huwelijksgift te verkrijgen, waarmee ze mochten doen wat ze wilden (boek 1, hoofdst. 93) kan zich zeer wel (zooals Frazer ook gelooft) uit de godsdienstige prostitutie ontwikkeld hebben; we kunnen inderdaad deze evolutie nasporen in Cyprus, waar in den tijd, toen Justinianus het eiland bezocht, het geld, dat de vreemdelingen aan de vrouwen gaven, niet langer op het altaar geplaatst werd, maar in een cassette werd gelegd, om een huwelijksgift voor haar te vormen. Dit is een gewoonte, die men kan vinden in Japan en verschillende andere deelen der wereld, vooral onder de Ouled-Nail van Algiers31, en zij berusten niet noodzakelijk altijd op godsdienstige prostitutie; maar ze kan klaarblijkelijk niet bestaan dan onder volken, die niets onteerends zien in vrij sexueel verkeer met het doel om geld te verkrijgen, zoodat de dienst van Mylitta een natuurlijke basis ervoor vormde32.
Toen een meer geestelijke opvatting van den godsdienst zich ontwikkelde, en toen de groei van de beschaving den sexueelen omgang van zijn geheiligden glans beroofde, werd de godsdienstige prostitutie in Griekenland langzamerhand afgeschaft, hoewel op de kusten van Klein-Azië zoowel de godsdienstige prostitutie als de prostitutie om een bruidsschat te verkrijgen bleef bestaan tot den tijd van Constantijn, die een eind maakte aan deze oude gewoonten33. Het bijgeloof was aan de zijde van de oude godsdienstige prostitutie; er werd geloofd, dat vrouwen, die nooit aan Aphrodite geofferd hadden, door lust verteerd werden, en volgens de legende door Ovidius vermeld—een legende, die schijnt te wijzen op een zeker antagonisme tusschen heilige en wereldsche prostitutie—was dit het geval met de vrouwen, die het eerst publieke prostituées werden. Het verval van de godsdienstige prostitutie, ongetwijfeld verbonden met de verlangens, die altijd ontstaan door den groei van de beschaving, leidde tot de eerste oprichting, door de legende aan Solon toegeschreven, van een publiek bordeel, een zuiver wereldsche instelling voor een zuiver wereldsch doel: het bewaren van de deugd van de algemeene bevolking en de vermeerdering der inkomsten van den staat. Met die instelling was de evolutie van de prostitutie, en van het moderne huwelijkssysteem waar ze een deel van uitmaakt, voltooid. Het Atheensche dikterion is het moderne bordeel; de dikteriade is de moderne, van staatswege gecontroleerde, prostituée. De vrije hetairae kwamen later ook wel, ontwikkelde vrouwen, die geen zweem in zich hadden van de dikterion, maar zij hadden evenmin eenig officieel aandeel in de publieke eeredienst34. De oorspronkelijke opvatting van de heiligheid van sexueelen omgang in dienst der godheid was geheel verloren gegaan.
Een tamelijk typisch voorbeeld van de toestanden, die onder natuurvolken bestaan, wordt gevonden in de Zuidzee-eilanden van Rotuma, “waar prostitutie voor geld of voor geschenken geheel onbekend was”. Echtbreuk na het huwelijk was ook onbekend. Maar er was groote vrijheid in het vormen van sexueele verhoudingen vóor het huwelijk (J. Stanley Gardiner, Journal Anthropological Institute, Februari, 1898, p. 409). Ongeveer hetzelfde wordt gezegd van de Bantu Bambola uit Afrika (op. cit., Juli-December, 1905, p. 410).
Onder de oude Cymri uit Wales, die een meer gevorderd maatschappelijk stadium vertegenwoordigen, schijnt prostitutie niet geheel onbekend geweest te zijn, maar publieke prostitutie werd gestraft met het verlies van belangrijke voorrechten (R. B. Holt, “Marriage Laws and Customs of the Cymri”, Journal Anthropological Institute, Augustus-November, 1898, pp. 161–163).
De prostitutie was zoo goed als onbekend in Burma, en ze werd als schandelijk beschouwd vóor de komst van de Engelschen en het voorbeeld van de moderne Hindoes. De zendelingen hebben zonder het te bedoelen, maar ontegenzeggelijk, den groei der prostitutie begunstigd, doordat ze vrije verbintenissen veroordeelden (Archives d’Anthropologie Criminelle, November, 1903, p. 720). De Engelschen brachten de prostitutie naar Indië. “Dat is niet speciaal de schuld van de Engelschen”, zeide een Bramaan tot Jules Bois, “het is de fout van uw beschaving. Wij hebben nooit prostituées gehad. Ik bedoel met dat afschuwelijke woord de verdierlijkte dienaressen van de grove begeerte van den voorbijganger. Wij hadden en wij hebben nog, kasten van zangeressen en danseressen, die gehuwd worden aan boomen—ja, werkelijk aan boomen—door roerende ceremoniën, die uit den tijd der Veda’s stammen; onze priesters zegenen haar en ontvangen veel geld van haar. Zij weigeren niet zich te geven aan hen, die haar liefhebben en die haar behagen. Koningen hebben haar rijk gemaakt. Zij vertegenwoordigen al de kunsten; zij zijn de zichtbare schoonheid van het heelal” (Jules Bois, Visions de l’Inde, p. 55).
Godsdienstige prostituées, mogen we er aan toevoegen, “die dienaressen der godheid”, worden gevonden in Zuidelijk Indië en in den Deccan. Zij zijn van haar vroegste jaren aan haar heilig beroep toegewijd, en haar voornaamste bezigheid is te dansen voor het beeld van den god, met wien zij gehuwd zijn (hoewel in Opper-Indië dansmeisjes van beroep gehuwd worden aan levenlooze voorwerpen), maar zij worden er ook in geoefend de begeerten van de pelgrims, die den tempel bezoeken op te wekken en te bevredigen. Voor de verlovingsriten, waardoor in Indië geheiligde prostituées worden gewijd, zie men b.v. A. van Gennep, Rites de Passage, p. 142.
In vele deelen van West-Azië, waar het barbarisme een hoogen trap van ontwikkeling bereikt had, was de prostitutie niet onbekend, hoewel ze gewoonlijk niet goedgekeurd werd. De Hebreeërs wisten dit, en de historische bijbelsche verwijzingen naar prostituées geven weinig blijk van afkeuring. Jephta was het kind van een prostituée; hij werd opgevoed met de wettige kinderen, en de geschiedenis van Tamar is leerzaam. Maar de wetten waren uiterst streng jegens de Joodsche meisjes, die prostituées werden (de fout was volkomen vergefelijk bij vreemde vrouwen), terwijl Hebreeuwsche moralisten hun scherpe aanvallen richtten op de prostitutie; het is voldoende een bekende passage uit het boek der Spreuken aan te halen (zie art. “Harlot”, door Cheyne, in de Encyclopaedia Biblica). Mohammed veroordeelde de prostitutie ook streng, hoewel hij er in slavinnen wat meer verdraagzaam voor was; volgens Haleby was de prostitutie echter bij den Islam zoo goed als onbekend in de eerste eeuwen na den tijd van den profeet.
De Perzische aanhangers van de eenigszins ascetische Zendavesta kenden ook de prostitutie, en beschouwden ze met afkeer: “Het is de Gahi (de courtisane, als een incarnatie van de vrouwelijke duivel, Gahi), O Spitama Zarathustra! die in zich verenigt het zaad van den getrouwe en den trouwelooze, van den vereerder van Mazda en den vereerder van Dewa, van den slechte en den rechtvaardige. Haar blik doet een derde van de machtige wateren, die van de bergen stroomen opdrogen, o Zarathustra! haar blik doet een derde van de schoone goudkleurige, groeiende planten verdorren, o Zarathustra; haar blik verdroogt een derde van de kracht van Spenta Armaiti (de aarde); en haar aanraking doet in den getrouwe twee derde verdorren van zijn goede gedachten, van zijn goede woorden, van zijn goede daden, een derde van zijn kracht, van zijn macht tot overwinnen, van zijn heiligheid. Waarlijk ik zeg U O Spitama Zarathustra! zulke schepsels moesten gedood worden eerder nog dan kruipende slangen, dan huilende wolven, dan de wolvin, die de kudde aanvalt, of dan de kikvorsch, die met haar duizendvoudig broedsel het water verontreinigt” (Zend-Avesta, the Vendidad vertaald door James Darmester, Farfad XVIII).
In de praktijk is de prostitutie in het moderne Oosten echter goed geregeld. De bordeelen, die in de Tartaarsch-Turksche streek liggen buiten de buurten, die door de Christenen druk bezocht worden, zijn beschreven door een schrijver, die goed ingelicht schijnt te zijn (“Orientalische Prostitution”, Geschlecht und Gesellschaft, 1907, deel II, afl. 1). Deze huizen worden niet beschouwd als immoreel of verboden, maar als plaatsen, waar de bezoeker een vrouw zal vinden, die hem voor een paar uur de illusie geeft van in zijn eigen huis te zijn, met het genoegen haar gezangen, dansen en voordrachten te genieten, en ten slotte ook haar lichaam. Betaling geschiedt aan de deur, en er ontstaat later geen enkele geldkwestie meer; de bezoeker is van het oogenblik af dat hij binnentreedt onder vrienden, bijna alsof hij in zijn eigen familie was. Hij behandelt de prostituée bijna alsof zij zijn vrouw was, en geen ongepastheden of ruwheid van spreken valt er voor. “Er is geen obsceniteit in het Oostersche bordeel”. En tevens is er geen kunstmatig gehuichelde onschuld.
In Oost-Azië, onder de volken van Mongoolschen oorsprong, vooral in China, vinden we de prostitutie flink geregeld en georganiseerd op een praktische zakelijke basis. Prostitutie wordt hier geaccepteerd en niet beschouwd met een specialen tegenzin, maar de prostituée wordt niettemin met verachting behandeld. Jonge kinderen worden dikwijls verkocht om opgevoed te worden voor een leven van prostitutie, en worden van de wereld afgesloten gehouden. Ook jonge weduwen (daar wederhuwen niet goed gevonden wordt) vervallen dikwijls tot een leven van prostitutie. Chineesche prostituées sterven dikwijls door opium en de verwoestingen van syphilis (zie b.v. Coltman’s The Chinese, 1900, hoofdst. VII). In het oude China zegt men, dat de prostituées een superieure klasse waren en een positie innamen, die eenigszins geleek op die van de hetaren in Griekenland. Zelfs in het moderne China echter, waar zij zeer talrijk zijn, en waar de bloemen-booten waarin zij in steden bij de zee gewoonlijk wonen zeer weelderig zijn, is het volgens sommige schrijvers voornamelijk voor amusement, dat men haar opzoekt. Tschang, militair attaché in Parijs (zooals aangehaald wordt door Ploss en Bartels) beschrijft de bloemen-boot als minder overeenkomende met het Europeesch bordeel, dan met een café chantant; de jonge Chinees komt hier voor muziek, voor thee, voor aangename conversatie met de bloemenmeisjes, die geenszins noodzakelijk geroepen zijn de lusten van haar bezoekers te bevredigen.
In Japan is het lot van de prostituées niet zoo treurig als in China. De grootere verfijning van de Japansche beschaving maakt, dat de prostituée een grootere mate van gevoel van eigenwaarde kan behouden. Zij wordt dikwijls met medelijden beschouwd, maar niet altijd met minachting. Zij kan openlijk met mannen omgaan, kan ten slotte trouwen, zelfs met een man van goeden maatschappelijken stand, en wordt dan dikwijls een ordelijke vrouw. “Toen ik den vorigen winter van Tokio naar Yokohama reed”, merkt Coltman op (op. cit., p. 113), “zag ik een gezelschap van vier jonge mannen en drie heel aardige en vroolijk getooide prostituées, die in denzelfden wagen zaten en veel pleizier hadden. Zij hadden twee of drie flesschen met verschillende likeuren bij zich, sinaasappelen en koekjes en zij aten en dronken en zongen, maakten samen grappen en dartelden als jonge poesjes. Je kunt het geheele Chineesche rijk doorreizen zonder ooit zulk een tooneel te zien”. Toch blijkt uit de geschiedenis van de Japansche prostituées (die beschreven is in een belangwekkend en betrouwbaar boek, The Nightless City, door een Engelsch student in de sociologie, die anoniem blijft), dat de prostitutie in Japan niet alleen streng gecontroleerd, maar dat er in ruimen kring op neergekeken wordt, en dat de Japansche prostituées dikwijls veel te lijden hebben gehad; zij waren op een tijd zoo goed als slavinnen en werden dikwijls zeer hard behandeld. Zij zijn nu vrij, en iedere behandeling, die de slavernij nadert wordt streng gestraft en tegengegaan. Het schijnt echter, dat de beste dagen voor de Japansche prostitutie eenige eeuwen geleden zijn geweest. Tot het midden van de achttiende eeuw waren Japansche prostituées zeer ver in zingen, dansen, muziek, enz. Omstreeks dezen tijd schijnen zij echter in de maatschappelijke achting gedaald te zijn; ook waren ze niet meer welopgevoed. Maar ook tegenwoordig nog, zegt Matignon (“La Prostitution au Japon”, Archives d’Anthropologie Criminelle, October 1906) brengt de prostitutie in Japan minder eerloosheid mee dan in Europa, terwijl er tevens minder immoraliteit in Japan is, dan in Europa. Hoewel de prostitutie georganiseerd is evenals de post- of de telegraafdienst, is er toch ook veel geheime prostitutie. De wijken waar prostituées wonen zijn zindelijk, mooi en goed onderhouden, maar de Japansche prostituées hebben veel van haar oorspronkelijken goeden smaak in haar toilet verloren, doordat ze trachten Europeesche modes na te bootsen. Het was toen de prostitutie twee eeuwen geleden in verval begon te geraken, dat de geisha’s voor het eerst optraden en zoo georganiseerd waren, dat zij zoo mogelijk niet als prostituées zouden wedijveren met de erkende en gepatenteerde bewoonsters van de Yoshiwara, het stadsdeel, dat de prostituées bewonen. De geisha’s zijn natuurlijk geen prostituées, hoewel haar deugd misschien niet altijd onoverwinlijk is; in haar maatschappelijke positie komen zij overeen met de actrices in Europa.
In Korea, in ieder geval vóór Korea in handen der Japanners viel, scheen het wel, dat er geen onderscheid was tusschen de klasse der dansmeisjes en der prostituées. “Onder de courtisanes”, zegt Angus Hamilton, “worden de geestelijke gaven geoefend en ontwikkeld met de bedoeling haar tot schitterende en onderhoudende gezellinnen te maken. Deze “bladen van zonlicht” worden gisaing genoemd en komen overeen met de geisha’s van Japan. Officieel zijn zij aan het gouvernement verbonden; zij worden gecontroleerd door een eigen bureau, dat zij deelen met de leden van de hofkapel. Zij kleeden zich met buitengewonen smaak; zij bewegen zich met zeer groote bevalligheid; zij zijn teer van uiterlijk, zeer tenger en zeer zacht, zeer lief, vol sympathie en vol verbeeldingskracht”. Maar hoewel ze zeker de mooiste vrouwen in Korea zijn, in de hoogste kringen der maatschappij zich bewegen, en maîtressen van den Keizer zouden kunnen worden, wordt haar niet toegestaan met mannen van goeden stand te huwen (Angus Hamilton, Korea, p. 52).
Van de geschiedenis van de Europeesche prostitutie, zooals van zoovele andere moderne prostituties kan men wel zeggen, dat ze in Rome begint. Hier vinden wij in de vroegste tijden reeds die inconsequent gemengde houding jegens de prostitutie, die op den huldigen dag nog bewaard is gebleven. In Griekenland was het in vele opzichten anders. Griekenland stond dichter bij de dagen van de godsdienstige prostitutie, en de zuiverheid en de verfijning van de Grieksche beschaving maakte het voor de betere soort van prostituées mogelijk een invloed uit te oefenen en waardig te zijn om uit te oefenen in alle departementen van het leven, dien ze nooit elders heeft kunnen uitoefenen, behalve misschien nu en dan, in veel mindere mate, in Frankrijk. De ruwe, krachtige, praktische Romein was volkomen bereid de prostitutie te dulden, maar hij was niet bereid die verdraagzaamheid tot de logische gevolgen ervan door te voeren; hij voelde zich nooit geroepen inconsequente feiten van het leven met elkaar in harmonie te brengen. Cicero, die toch een hoogstaand moralist was, kon zonder dat hij zijn goedkeuring aan de prostitutie hechtte, toch niet begrijpen, hoe iemand wenschen kon jongelieden af te houden van omgang met prostituées, daar zulk een gestrengheid niet in harmonie was met al de gewoonten van het verleden of van het heden35. Maar de hoogere klasse der Romeinsche prostituées, de bonae mulieres, hadden niet zulk een waardige positie als de Grieksche hetairae. Haar invloed was inderdaad groot, maar hij was, zooals ook het geval is met haar Europeesche opvolgsters van heden, beperkt tot modes, gewoonten en kunsten. Er was altijd een zekere moreele gestrengheid in den Romein, die hem verhinderde ver af te wijken in deze richting. Hij moedigde bordeelen aan, maar hij betrad ze alleen met den hoed op het hoofd en het gezicht in den mantel verborgen. En eveneens, terwijl hij de prostituée duldde, beperkte hij toch van een zeker punt af, in hooge mate haar voorrechten. Niet alleen was zij beroofd van allen invloed in de hoogere dingen des levens, maar ze mocht niet de vitta of de stola dragen; zij kon inderdaad bijna naakt loopen als ze dat wilde, maar ze moest niet de zinnebeelden van de respectabele Romeinsche matrone nabootsen36.
De opkomst van het Christendom tot politieke macht bracht minder verandering van zeden te weeg dan men zou voorzien hebben. De Christelijke heerschers hadden feitelijk te maken met een zeer gemengde, woelige en halfheidensche wereld. De toongevende kerkvaders waren geneigd de prostitutie te dulden om grooter kwaad te voorkomen, en de Christelijke keizers wilden, evenals hun heidensche voorgangers, wel een belasting heffen op de prostitutie. Het recht van bestaan van de prostitutie werd echter niet langer zoo onbetwist erkend als in de heidensche dagen, en van tijd tot tijd trachtte de een of andere krachtige heerscher de prostitutie door strenge verordeningen te onderdrukken. Theodosius de jongere en Valentianus verordenden bepaaldelijk, dat er geen bordeelen meer mochten wezen, en dat ieder, die een schuilplaats verleende aan een prostituée, gestraft moest worden. Justinianus bekrachtigde dezen maatregel en beval, dat alle koppelaars op doodstraf moesten verbannen worden. Deze verordeningen waren volkomen zonder succes. Maar gedurende een duizend jaar werden zij telkens weer herhaald in verschillende deelen van Europa, en onveranderlijk met hetzelfde onbevredigende, of erger dan onbevredigende resultaat. Theoderik, koning der West-Gothen, strafte met den dood allen, die de prostitutie bevorderden en Recared, een Katholiek koning van hetzelfde volk in de zesde eeuw, verbood de prostitutie geheel en al en beval, dat een prostituée, als ze gevonden werd, drie honderd zweepslagen moest ontvangen en uit de stad verdreven worden. Karel de Groote, zoowel als Genserich in Karthago, en later Frederik Barbarossa in Duitschland maakten strenge wetten tegen de prostitutie, die alle geen uitwerking hadden, want zelfs, als zij uitwerking schenen te hebben voor het oogenblik, was de reactie later des te grooter37.
In Frankrijk zijn de meest standvastige pogingen gedaan om de prostitutie te bestrijden. Het meest bekend van alle waren de pogingen van een Koning en Heilige, Lodewijk IX. In 1254 beval de heilige Lodewijk, dat prostituées geheel uitgedreven moesten worden en beroofd van haar geld en goed, zelfs van haar mantels en japonnen. In 1256 herhaalde hij deze verordening en in 1269, voordat hij aan de kruistochten deelnam, beval hij alle bordeelen te vernielen. De herhaling van die bevelen toont aan, hoezeer zij zonder uitwerking waren. Zij maakten de zaken zelfs erger, want de prostituées waren gedwongen zich met de gewone bevolking te vermengen en haar invloed breidde zich zoodoende uit. De heilige Lodewijk was niet in staat de prostitutie te onderdrukken zelfs in zijn eigen kamp in het Oosten, en ze bestond naast zijn eigen tent. Zijn wetgeving werd echter dikwijls nagevolgd door volgende heerschers over Frankrijk, zelfs tot het midden van de zeventiende eeuw, altijd met dezelfde nuttelooze of erger gevolgen. In 1560 schafte een edict van Karel IX de bordeelen af, maar het aantal prostituées werd daardoor grooter in plaats van kleiner, terwijl vele nieuwe soorten van bordeelen ontstonden in onverwachte vormen en zij waren gevaarlijker dan de meer erkende bordeelen, die afgeschaft waren38. Ten spijt van deze en dergelijke wetgeving, of juist daardoor, is er geen land geweest waar de prostitutie een grooter rol gespeeld heeft dan Frankrijk39.
In Mantua was de afschuw door de prostituées verwekt zoo groot, dat zij gedwongen waren op de markten alle fruit of brood te koopen, dat door de aanraking van haar hand bezoedeld was. Zoo was het ook in 1243 in Avignon. In Catalonië konden ze niet aan dezelfde tafel zitten met een dame of edelman, of eenig achtbaar persoon kussen40. Zelfs in Venetië, het paradijs van de prostitutie, werden er vele en strenge maatregelen tegen genomen, en het duurde lang eer de heerschers van Venetië zich er bij neerlegden ze te dulden en te controleeren41.
De laatste krachtige poging om de prostitutie in Europa uit te roeien was die van Maria Theresia in Weenen, in het midden van de achttiende eeuw. Hoewel ze van zoo laten datum is mogen we ze hier toch noemen, omdat ze middeleeuwsch was, zoowel in opvatting als in methode. Het doel ervan was inderdaad niet alleen de prostitutie te onderdrukken, maar ontucht in het algemeen, en de middelen daartoe aangewend waren boeten, gevangenneming, geeselen en pijniging. Alles wat men hield voor de oorzaken van ontucht werd ook met strengheid behandeld; korte kleeren waren verboden, biljardzalen en café’s werden geïnspecteerd; er mochten geen kellnerinnen meer zijn, en als ze ontdekt werd, had een kellnerin kans geboeid en door de politie weggevoerd te worden. De Kuischheids-Commissie, die deze maatregelen streng ten uitvoer bracht, was, naar het schijnt, ingesteld in 1751 en werd door Keizer Jozef II in de eerste jaren van zijn regeering zonder vorm van proces afgeschaft. Het was de algemeene opinie, dat deze strenge wetgeving inderdaad zonder uitwerking bleef, en dat ze veel ernstiger verkeerdheden in het leven riep dan ze genas42. Het is in ieder geval zeker, dat zeer langen tijd meer zedeloosheid heerschte in Weenen dan in eenige andere groote hoofdstad van Europa.
Toch is de houding jegens prostituées altijd gemengd en inconsequent geweest op verschillende plaatsen of in verschillende tijden of zelfs in denzelfden tijd en op dezelfde plaats. Dufour heeft de prostituées zeer juist vergeleken met de middeleeuwsche Joden; zij werden voortdurend vervolgd, kerkelijk, burgerlijk en maatschappelijk, en toch waren alle klassen blij hun toevlucht tot hen te nemen en ze konden niet gemist worden. In sommige landen, ook in de veertiende eeuw in Engeland, werd een speciaal costuum ingesteld voor prostituées als een merkteeken van schande43. Toch was er in vele opzichten niet de minste schande aan de prostitutie verbonden. Hooggeplaatste ambtenaren konden betaling vorderen voor hun uitgaven, gemaakt door het bezoeken van prostituées, terwijl ze voor dienstzaken op reis waren. De prostitutie speelde soms een officieele rol bij feestelijkheden en ontvangsten, die door groote steden aan vorstelijke personen werden gegeven, en het bordeel kon een belangrijk deel van de gastvrijheid der stad vormen. Toen keizer Sigismund in Ulm kwam in 1434, waren de straten verlicht op de tijden, dat hij of zijn gevolg het gewone bordeel wenschten te bezoeken. Bordeelen onder stedelijke bescherming worden gevonden in de dertiende eeuw in Augsburg, in Weenen, in Hamburg44. In Frankrijk waren de best bekende abbayes van prostituées die van Toulouse en van Montpellier45. Durkheim meent, dat in de vroege middeleeuwen, voor dezen tijd, vrije liefde en huwelijk minder streng onderscheiden waren. Het was de opkomst van de middelklasse, naar hij meent, die, verlangend hun vrouwen en dochters te beschermen, leidde tot een gecontroleerde en openlijk erkende poging losbandigheid te leiden in een afzonderlijk kanaal, dat onder contrôle werd gebracht46. Deze bordeelen vormden een soort van publieken dienst, en de directeuren ervan werden bijna beschouwd als stedelijke beambten, die verplicht waren een zeker aantal prostituées te houden, betaling te vragen naar een bepaald tarief, en in hun huizen geen meisjes te ontvangen die tot de nabuurschap behoorden. De instellingen van deze soort duurden drie eeuwen. Het was, voor een deel, misschien de drang van de nieuwe Protestantsche beweging, maar vooral de verschrikkelijke verwoesting, veroorzaakt door de syphilis, aan het einde der vijftiende eeuw uit Amerika overgebracht, die, zooals Burckhardt en anderen aangetoond hebben, leidde tot het verval van het middeleeuwsch bordeel47.
De superieure moderne prostituée, de “courtisane”, die niet in verbinding stond met het bordeel, schijnt zich uit de Renaissance ontwikkeld te hebben en trad in Italië op aan het einde van de vijftiende eeuw. “Courtisane” of “cortegiana” beteekende een dame, die het hof volgde, en in dezen tijd begon het woord toegepast te worden op een superieure prostituée, die een zekere mate van decorum en terughouding in acht nam48. Aan het pauselijk hof van Alexander Borgia werd de courtisane geëerd, zelfs al was haar gedrag niet volkomen waardig. Burchard, de getrouwe en onberispelijke geschiedschrijver van dit hof, beschrijft in zijn dagboek, hoe op een avond in October 1501 de paus vijftig courtisanes liet komen, die naar zijn vertrek moesten gebracht worden; na het souper dansten zij, in tegenwoordigheid van Caesar Borgia en zijn jonge zuster Lucrezia, met de dienaren en anderen, die daar tegenwoordig waren, eerst gekleed, daarna naakt. De kandelaars met de brandende kaarsen er op werden toen op den grond geplaatst en kastanjes werden daartusschen gestrooid, die door de vrouwen, al kruipend op handen en voeten tusschen de kandelaars opgeraapt moesten worden. Ten slotte werden er prijzen voor den dag gebracht, die als belooning moesten komen aan die mannen “qui pluries dictos meretrices carnaliter agnoscerent”; wie de overwinnaar was in den wedstrijd werd bepaald door het oordeel van de toeschouwers49. Deze scene, die in het publiek in het paleis van den paus vertoond werd en zonder terughouding openbaar gemaakt werd door een onpartijdig secretaris, is tevens een opmerkelijke episode in de geschiedenis van de moderne prostitutie en een van de beste illustraties die we hebben van het heidendom van de Renaissance.
Voordat het woord “courtisane” in gebruik kwam, werden prostituées zelfs in Italië gewoonlijk “zondaressen” genoemd peccatrice. De naamsverandering merkt Graf op in een zeer belangwekkende studie over de prostituée van de Renaissance (“Una Cortigiana fra Mille”, Attraverso il Cinquecento, pp. 217–351), “geeft blijk van een groote wijziging in denkbeelden en in leven”; een woord dat schande aanduidde, maakte plaats voor een dat goedkeuring te kennen gaf, en zelfs eer, want de hoven van den tijd der Renaissance vertegenwoordigden de mooiste ontwikkeling van den tijd. De beste van deze courtisanes schijnen niet geheel de eer, die zij ontvingen, onwaardig geweest te zijn. Wij kunnen dat bemerken in haar brieven. Er is een hoofdstuk over de brieven van de prostituées tijdens de Renaissance, vooral die van Camilla de Pisa; ze worden gekenmerkt door waren hartstocht in de Frauenbriefe der Renaissance van Lothar Schmidt. De beroemde Imperia, die door een paus in de eerste jaren van de zestiende eeuw “nobilissimum Romae scortum” genoemd werd, kende Latijn en kon Latijnsche verzen schrijven. Andere courtisanes kenden Italiaansche en Latijnsche verzen uit haar hoofd, en waren talentvol in muziek, dansen en spreken. Wij worden herinnerd aan het oude Griekenland, en Graf vindt, waar hij bespreekt in hoeverre de courtisanes van de Renaissance op de hetaren geleken, een groote overeenkomst, vooral in beschaving en invloed, hoewel er eenige verschillen zijn, die berusten op de vijandschap tusschen den godsdienst en de prostitutie in den lateren tijd.
De in alle opzichten meest bekende figuur was zeker Tullia D’Aragona. Zij was waarschijnlijk de dochter van kardinaal D’Aragona (een onwettige afstammeling van de Spaansche koningsfamilie) bij een courtisane uit Ferrara, die zijn maitres werd. Tullia was zeer beroemd om haar verzen. Haar beste sonnet is gericht aan een jong mensch van twintig jaar, dien zij hartstochtelijk liefhad, maar die haar liefde niet beantwoordde. Haar Guerrino Meschino, een vertaling uit het Spaansch, is een rein en kuisch werk. Zij was een vrouw van verfijnde instincten en aspiraties, en later gaf zij haar leven van prostitutie op. Zij werd zeer geëerd en geacht. Toen in 1546 Cosimo de hertog van Florence beval dat alle prostituées een sluier moesten dragen als een openlijk kenteeken van haar beroep, beriep Tullia zich op de hertogin, een Spaansche dame van een hoog karakter, en kreeg vrijstelling van het dragen van dit kenteeken wegens haar “rara scienzia di poesia et filosofia”. Zij droeg haar Rime op aan de hertogin. Tullia d’Aragona was heel mooi, met blond haar en bijzonder groote heldere oogen, die hen, die met haar in aanraking kwamen, beheerschten. Zij gedroeg zich trots en boezemde ongewoon veel eerbied in (G. Biagi, “Un Etera Romana”, Nuova Antologia, deel IV, 1886, pp. 655–711; S. Bongi, Rivista critica della Letteratura Italiana, 1886, IV, p. 186).
Tullia d’Aragona was klaarblijkelijk niet een courtisane in haar hart. Misschien wordt het meest typische voorbeeld van de courtisane der Renaissance op haar best gegeven door Veronica Franco, die in 1546 te Venetië geboren werd uit een familie uit den middenstand en op jeugdigen leeftijd met een dokter trouwde. Van haar is ook gezegd dat, terwijl ze van beroep een prostituée was, zij van aanleg een dichteres was. Maar zij schijnt wel tevreden geweest te zijn met haar beroep en er zich nooit over geschaamd te hebben. Haar leven en karakter zijn bestudeerd door Arturo Graf, en oppervlakkiger door Tassini. Zij was zeer ontwikkeld en kende verscheiden talen; zij zong ook goed en bespeelde vele instrumenten. In een van haar brieven raadt ze een jongen man, die krankzinnig verliefd op haar was, dat, als hij haar gunst wil verkrijgen, hij moet ophouden haar lastig te vallen en zich rustig aan de studie moet wijden. “Je weet wel”, voegt zij er bij, “dat allen, die er aanspraak op maken mijn liefde te kunnen verwerven, en die mij zeer lief zijn, zich met ijver wijden aan gezette studiën … Als mijn vermogen het mij veroorloofde, dan zou ik al mijn tijd rustig in de genootschappen van deugdzame mannen doorbrengen”. De Diotima’s en Aspasia’s van de oudheid zouden, zooals Graf er bijvoegt, niet zooveel van haar minnaars geëischt hebben. In haar gedichten kan men eenige van haar liefdesgeschiedenissen nasporen, en zij geeft soms blijk van hevige jaloezie bij de gedachte, dat mogelijk een andere vrouw den man zou kunnen naderen dien zij liefheeft. Eens werd ze verliefd op een geestelijke, misschien een bisschop, met wien ze niet in eenige betrekking trad, en na een lange afwezigheid, die haar liefde genas, werden zij getrouwe vrienden. Eens kreeg ze een bezoek van Hendrik III van Frankrijk, die haar portret wegnam, terwijl zij van haar kant beloofde, dat ze een boek aan hem zou opdragen; zij kwam deze belofte in zooverre na, dat ze eenige sonnetten aan hem richtte en een brief; “de koning voelde geen schaamte over deze intimiteit met de courtisane”, merkt Graf op, “en zij dacht ook geen oogenblik dat hij er zich over schamen zou”. Toen Montaigne door Venetië kwam, zond zij hem een van haar boekjes, zooals we uit zijn journal hooren, hoewel het niet blijkt dat zij elkander ontmoet hebben. Tintoret was een van haar vele beroemde vrienden, en ze was een ijverig voorstandster van de hooge kwaliteiten van moderne kunst in vergelijking van antieke. Zij was hartelijk in haar vriendschap, en het schijnt dat zij verschillende groote dames onder haar vriendinnen rekende. Zij schaamde zich echter zoo weinig over haar beroep van courtisane, dat zij in een van haar gedichten zegt, dat Apollo haar andere kunsten geleerd heeft dan die men gewoonlijk denkt dat hij onderwijst:
“Così dolce e gustevole divento,
Quando mi trovo con persona in letto
Da cui amata e gradita mi sento”.
In een zekere catalogus van de prijzen van Venetiaansche courtisanes staat Veronica aangeschreven voor maar 2 scudi voor haar gunsten, terwijl de courtisane, aan wie de catalogus gewijd is, op 25 scudi wordt geprijsd. Graf meent, dat er hier een vergissing in het spel is of boosaardigheid, en een Italiaansch edelman van dien tijd zegt, dat zij niet minder dan 50 scudi vroeg van hen, aan wie zij bereid was toe te staan wat Montaigne noemde de “negotation entière”.
Wat deze kwestie aangaat mogen we melden dat, zooals Bandello zeide, het de gewoonte was voor een Venetiaansche prostituée om zes of zeven mannen tegelijk als minnaars te hebben. Ieder had recht een avond per week bij haar te komen soupeeren en slapen, terwijl haar dagen vrij bleven. Zij betaalden haar zooveel per maand, maar zij behield zich altijd bepaald het recht voor, als ze dat wilde, een vreemdeling, die door Venetië kwam, te ontvangen, en dan den tijd van haar afspraak met haar minnaar voor den nacht te veranderen. De hooge en speciale prijzen die wij vermeld vinden zijn natuurlijk die, welke gevraagd werden van den nu en dan komenden aanzienlijken vreemdeling, die naar Venetië kwam, zooals in de zestiende eeuw Montaigne.
In 1580 (toen ze eerst vier en dertig jaar oud was) vertelde Veronica in de biecht, dat zij zes kinderen had gehad. In hetzelfde jaar vormde zij het plan een tehuis te stichten, dat niet een klooster zou zijn, waar prostituées, die haar levenswijze wenschten te veranderen, een toevlucht konden vinden met haar kinderen, als ze die hadden. Dit schijnt geleid te hebben tot de oprichting van een Casa del Soccorso. In 1591 stierf zij aan de koorts, verzoend met God en gezegend door vele ongelukkigen. Zij had een goed hart en een gezond verstand, en was de laatste van de groote courtisanes van de Renaissance, die het Grieksche hetarendom deden herleven (Graf, Attraverso il Cinquecento, pp. 271–351). Zelfs in het Venetië van de zestiende eeuw echter schijnt, naar we zien zullen, Veronica Franco niet geheel vrede gehad te hebben met de loopbaan van courtisane. Zij was klaarblijkelijk niet geschikt voor een gewoon huwelijk, en toch mag men er nog aan twijfelen of onder de gunstigste omstandigheden, die de moderne wereld ooit geboden heeft, de loopbaan van prostituée volkomen voldoening kan bieden aan een vrouw van een ruim hart en een ruim verstand.
Ninon de Lenclos, die dikwijls “de laatste van de groote courtisanes” genoemd is, kan wel een uitzondering genoemd worden op den algemeenen regel, dat een vrouw van een goed hart, hoog karakter en fijn verstand geen voldoening zou kunnen vinden in het leven van een prostituée. Maar het is een totaal verkeerde opvatting van het temperament van Ninon de Lenclos en van haar loopbaan haar in eenige ware beteekenis eigenlijk een prostituée te noemen. Eenige kennis van zelfs maar de minste schets van haar leven moest voorkomen, dat men zulk een vergissing beging. Geboren in het begin van de zeventiende eeuw, was zij van goede familie aan beide zijden; haar moeder was een vrouw van een strengen levenswandel, maar haar vader, een edelman uit Touraine bezielde haar met zijn eigen Epicuristische philosophie zoowel als met zijn liefde voor de muziek. Zij was uiterst welopgevoed. Op den leeftijd van zestien of zeventien had zij haar eersten minnaar, den edelen Gaspard de Coligny; hij werd een halve eeuw lang gevolgd door een reeks andere minnaars, soms meer dan een tegelijk; drie jaar was de langste tijd dat zij aan één minnaar trouw bleef. Haar aantrekkelijkheden bleven zoolang bestaan, dat men zegt dat drie generaties van Sévignés onder haar minnaars behoorden. Tallemant des Réaux stelt ons in staat haar liaisons in bijzonderheden te bestudeeren.
Het is echter niet de hoeveelheid minnaars, die een vrouw maakt tot een prostituée, maar de aard van haar verhoudingen tot hen. Sainte-Beuve schijnt, in een overigens bewonderenswaardige studie over Ninon de Lenclos (Causeries du Lundi, deel IV) haar onder de courtisanes te rekenen. Maar geen vrouw is een prostituée, tenzij zij mannen gebruikt als een bron van geldelijke winst. Niet alleen is er geen bewijs, dat dit het geval was met Ninon, maar alle gegevens, die er zijn, sluiten zulk een verhouding uit. “Er was veel slimheid voor noodig”, zeide Voltaire, “en veel liefde van haar kant, om haar er toe te brengen, geschenken aan te nemen”. Tallemant zegt wel, dat zij soms geld aannam van haar minnaars, maar dit gezegde slaat waarschijnlijk op niets anders dan wat besloten ligt in Voltaire’s opmerking; en in allen gevalle zijn de praatjes van Tallemant, hoewel hij gewoonlijk goed op de hoogte is, niet altijd te vertrouwen. Allen zijn het eens over haar groote belangeloosheid.
Wanneer we van Ninon de Lenclos hooren in verband met geld, dan is het niet, dat ze een gift ontvangt, maar alleen, dat ze een oude schuld terugbetaalt aan een vroegeren minnaar, of een groote som teruggeeft, die bij haar onder haar veilige hoede achter gelaten was, terwijl de eigenaar in ballingschap verkeerde. Zulke voorvallen wijzen allerminst op de prostituée van welke eeuw ook, zij wijzen eer op verhoudingen, die zouden kunnen bestaan tusschen vrienden. Het karakter van Ninon de Lenclos was in vele opzichten verre van volmaakt, maar zij vereenigde vele mannelijke deugden, en vooral eerlijkheid, met een temperament dat over het geheel zeker vrouwelijk genoemd mag worden; zij had een afkeer van huichelarij, en zij werd nooit beïnvloed door geldelijke overwegingen. Zij was bovendien nooit roekeloos, maar behield altijd een zekere zelfbeperking en matigheid, zelfs bij eten en drinken, en gebruikte, naar ons verteld wordt, nooit wijn. Zij was, zooals Sainte-Beuve opgemerkt heeft, de eerste, die zich duidelijk voor oogen heeft gesteld, dat er dezelfde deugden moeten zijn voor mannen en voor vrouwen, en dat het dwaas is alle vrouwelijke deugden tot éene terug te brengen. “Onze sekse is belast met alle beuzelachtigheden”, schreef zij, “en de mannen hebben voor zichzelf alle eigenschappen bewaard, die er op aan komen: Ik heb van mezelf een man gemaakt”. Zij kleedde zich soms als man als ze paard reed (zie b.v. Correspondence Authentique van Ninon de Lenclos, met een goede introductie door Emile Colombey). Bewust of onbewust vertegenwoordigde zij een nieuw vrouwelijk denkbeeld op een tijd, toen—zooals we in veel vergeten romans door vrouwen van dien tijd geschreven zien kunnen—de gezichtskring der vrouwen zich begon uit te breiden. Zij was de eerste en ongetwijfeld in éen opzicht de uiterste vertegenwoordigster van een kleine en uitstekende groep Fransche vrouwen, onder wie George Sand de mooiste persoonlijkheid is.
Zoo is het nutteloos de geschiedenis van de prostitutie te versieren met den naam van Ninon de Lenclos. Een gedemoraliseerde oude prostituée zou nooit, zooals Ninon, aan het einde van haar lange leven, in staat geweest zijn de liefde en de achting van vele van de beste mannen en vrouwen van haar tijd te behouden of te verwerven; zelfs aan den gestrengen Saint-Simon scheen het toe, dat er in haar kleine hof een decorum heerschte, dat de grootste prinsessen niet bereiken kunnen. Zij was niet een prostituée, maar een vrouw van een persoonlijkheid met een eigen karakter, zelfs niet zonder eenige genialiteit. Dat zij niet na te volgen was, behoeven we misschien niet zeer te betreuren. Op het laatst van haar leven, in 1699, schreef haar oude vriend en vroegere minnaar Saint-Evremond, met maar een klein beetje overdrijving, dat er weinig prinsessen en weinig heiligen waren, die niet hun hof of hun klooster zouden verlaten om met haar van plaats te verwisselen. “Als ik van tevoren geweten had, wat mijn leven zou zijn, dan had ik mij opgehangen”, was haar dikwijls aangehaalde antwoord. Het is inderdaad een op zich zelf staand gezegde, misschien niet meer dan de uitdrukking van een stemming van het oogenblik; men kan er wel te veel notitie van nemen. Meer waarlijk karakteristiek is het mooie gezegde, waarin haar Epicurische philosofie naar Nietzsche overhelt; “La joie de l’esprit en marque la force”.
Het vrijmoedig goedkeuren van de prostitutie door de geestelijke of zelfs door de wereldlijke macht is, sinds de Renaissance, meer en meer een uitzondering geworden. Het tegenovergestelde uiterste, te trachten de prostitutie uit te roeien, is ook in de praktijk volkomen verlaten. Er zijn inderdaad sporadische pogingen gedaan de prostitutie met krachtige hand neer te drukken, zelfs in zeer moderne tijden. Het wordt nu echter erkend, dat in zulk een geval het geneesmiddel erger is dan de kwaal.
In 1860 gevoelde een burgemeester van Portsmouth het als zijn plicht te trachten de prostitutie te onderdrukken. “In den eersten tijd van zijn burgemeesterschap”, zegt een door de “Select committee” voor de wet op besmettelijke ziekten gehoorde getuige (p. 393), “werd er een order uitgevaardigd, dat aan iederen bierhuis- en tapperijhouder met vergunning in de gemeente, waarvan men wist, dat hij vrouwen, vrouwen van verdachte zeden herbergde, een proces zou aangedaan worden en dat hij waarschijnlijk zijn concessie zou verliezen. Op een goeden dag werden ongeveer drie of vier honderd van deze ongelukkige schepsels alle tegelijk de straat op gedreven, en zij stelden zich op in een groote troep, vele van haar met alleen een hemd aan en een rok; met een menigte dronken mannen en jongens met een fluit en een viool achter zich aan trokken ze verscheiden dagen door de straten. Zij marcheerden alle naar het werkhuis, maar om vele redenen werden ze niet toegelaten … Deze vrouwen dwaalden twee of drie dagen lang rond zonder schuilplaats, en men gevoelde, dat het geneesmiddel erger was dan de kwaal; daarom werd de vrouwen toegestaan naar haar vroegere woonplaatsen terug te keeren”.
Dergelijke proeven zijn in later tijd in Amerika genomen. “In Pittsburg, in Pennsylvanië werden de bordeelen in 1891 gesloten, de bewoonsters werden op straat gezet en de inwoners van die plaats weigerden haar huisvesting en zelfs voedsel. Een sterke protestbeweging door het geheele land, bij deze beleediging der humaniteit, veroorzaakte een reactie, die leidde tot een toestand, die in het geheel niet beter was dan de vroegere”. In hetzelfde jaar kwam ook een dergelijk geval voor in New-York, met dezelfde ongelukkige resultaten (Isidore Dyer, “The Municipal Control of Prostitution in the United States”, report presented to the Brussels International Conference in 1899).
In plaats van deze pogingen kwam men er toe de prostitutie te controleeren, ze half officieel te dulden, waardoor de autoriteiten in staat gesteld werden er contrôle over uit te oefenen, en zooveel mogelijk tegen de nadeelen ervan te waken door medisch onderzoek en politietoezicht. Het nieuwe bordeel-systeem verschilde van de oude middeleeuwsche bordeelen in vele opzichten; het omvatte een regelmatig medisch onderzoek en het trachtte iedere concurrentie door prostituées zonder vergunning daarbuiten, te onderdrukken. Bernard Mandeville, de schrijver van de Fable of the Bees, een scherpzinnig denker, was een groot voorstander van dit systeem. In 1724, in zijn Modest Defense of Publick Stews betoogt hij, dat “het aanmoedigen van het openlijk toelaten van de prostitutie niet alleen de meeste van de verkeerde gevolgen van deze ondeugd zal voorkomen, maar zelfs de mate van ontucht in het algemeen verminderen zal en ze zal terugvoeren tot de engste grenzen, waarin ze kan vervat worden”. Hij stelde voor vrije prostitutie tegen te gaan door bij akte van het Parlement speciale privileges en vrijheden aan bordeelen te geven. Zijn plan omvatte het oprichten van honderd bordeelen in een speciaal stadsgedeelte, waar twee duizend prostituées en honderd flinke en ervaren matrones met dokters en chirurgijns zouden kunnen wonen, zoowel als een commissie om het geheel te overzien. Mandeville werd echter beschouwd als een cynicus of erger, en van zijn plan werd geen nota genomen of het werd met minachting behandeld. Het was overgelaten aan het genie van Napoleon om tachtig jaar later, het systeem van de “maisons de tolérance” in te stellen, dat tijdens het grootste deel van de vorige eeuw voor de vorming van de verhoudingen der prostitutie in Europa zulk een groote beteekenis gehad heeft, en nog heden in zijn overblijfsels aanleiding geeft tot groote meeningsverschillen.
Over het geheel kunnen we echter zeggen, dat het systeem van inschrijven, onderzoeken en controleeren van prostituées nu tot het verleden behoort. Veel strijd is er over deze kwestie gevoerd; van het meeste belang is de strijd, die in Engeland jarenlang over de wet op de besmettelijke ziekten (Contagious Diseases Acts) gevoerd is en die men vinden kan in het 600 bladzijden groote bericht van een speciaal comité voor deze wet, dat in 1882 uitkwam. De meerderheid van de leden van dit comité was vóor het aannemen van de wet, die desniettegenstaande in 1886 verworpen werd; sinds dien tijd is er geen ernstige poging gedaan haar weer aan te nemen.
Tegenwoordig vindt het oude systeem, hoewel het nog in veel landen blijft bestaan met de trage onbehouwenheid van eens ingestelde stichtingen, geen algemeene goedkeuring meer. Zooals Paul en Victor Margueritte naar waarheid gezegd hebben, in een scherp onderzoek naar de verschijnselen van door den staat gecontroleerde prostitutie zooals zij die in Parijs vonden, is het systeem “om te beginnen barbaarsch en bovendien bijna zonder uitwerking”. De deskundige wijst iederen dag duidelijker op het gebrek aan uitwerking, dat het heeft, terwijl de psycholoog en de socioloog steeds meer overtuigd worden, dat het barbaarsch is.
Het kan echter in het geheel niet gezegd worden, dat er eenige overeenstemming tusschen de autoriteiten op dit gebied verkregen is. Het is klaarblijkelijk zoo dringend noodig een dam op te stellen tegen den vloed van ziekte en ellende, die direct voortkomt uit het verspreiden van syphilis en gonorrhea, en indirect uit de prostitutie, die de voornaamste verspreidster van deze ziekten is, dat we ons niet kunnen verwonderen, dat menigeen begeerig grijpt naar ieder systeem, dat een vermindering van het kwaad schijnt te beloven. Tegenwoordig echter hebben zij, die het best bekend zijn met de werking van het contrôle-systeem, zich ten duidelijkste voor oogen gesteld, dat de veronderstelde vermindering voor het grootste gedeelte denkbeeldig is50, en dat ze in ieder geval verkregen wordt ten koste van het kunstmatig produceeren van andere verkeerdheden.
In Frankrijk, waar het systeem van inschrijven en van contrôle op de prostituées langer dan een eeuw bestaat51, en waar dus de gevolgen ervan, als die er zijn, duidelijk merkbaar moeten wezen, ondervindt het bijna hartstochtelijke tegenkanting van bekwame mannen van iedere klasse der gemeenschap. In Duitschland is de tegenstand tegen geregelde contrôle langen tijd door wel-toegeruste deskundigen gevoerd, met Blaschko uit Berlijn aan het hoofd. Ook in Amerika wordt dit systeem verworpen. Gottheil uit New-York vindt, dat contrôle van gemeentewege op de prostitutie “geen succes heeft en ook niet wenschelijk is”. Heidingsfeld komt tot het besluit, dat het systeem van regeling en contrôle, dat in Cincinnati in zwang is, weinig goed en veel kwaad gedaan heeft; onder dit stelsel zijn onder de particuliere patienten in zijn eigen kliniek gevallen van syphilis en gonorrhea gemiddeld beide toegenomen; “onderdrukken van de prostitutie is onmogelijk en contrôle is onpraktisch”52.
In Duitschland worden de pogingen tot regeling der prostitutie het strengst vastgehouden, met gevolgen, die in Duitschland zelf als ongelukkig worden beschouwd. Zoo straft de Duitsche wet met een geldboete de hoofden van gezinnen, die onwettigen sexueelen omgang in hun huis toelaten. Dit is bedoeld om de prostituée zonder vergunning te treffen, maar inderdaad moedigt het de prostitutie aan, want een paar fatsoenlijke jonge menschen, dat besluit een verhouding aan te gaan, die zich later tot een huwelijk ontwikkelen kan, en die niet onwettig is (want buitenechtelijke sexueele omgang per se is niet in Duitschland, zooals in de verouderde wetten van verschillende Amerikaansche staten, een strafbare misdaad) wordt door de achterdochtige politie aan zooveel last en ergernis onderworpen, dat het voor het meisje veel gemakkelijker is prostituée te worden en zich onder de bescherming der politie te plaatsen. De wet was hoofdzakelijk gericht tegen hen, die prostituées uitbuiten. Maar in de praktijk werkt ze anders. De prostituée moet buitensporig hooge huren betalen, zoodat haar huisheer feitelijk leeft van de opbrengst van haar bedrijf, terwijl zij haar beroep met grootere inspanning en op ruimer schaal moet drijven om haar zware onkosten te dekken (P. Hausmeister, “Zur Analyse der Prostitution”, Geschlecht und Gesellschaft, deel II, 1907, p. 294).
In Italië zijn de meeningen over deze zaak zeer verdeeld. Het regelen van de prostitutie is achtereenvolgens aangenomen, afgeschaft en weer aangenomen. In Zwitserland, het land van regeeringsproeven, zijn in verschillende kantons verschillende stelsels toegepast. In sommige wordt geen enkele poging gedaan zich met de prostitutie te bemoeien, behalve onder speciale omstandigheden; in andere is alle prostitutie, en zelfs ontucht in het algemeen, strafbaar; in Genève mogen alleen prostituées, die er geboren zijn, haar bedrijf uitoefenen; in Zürich is sinds 1897 de prostitutie verboden, maar er wordt voor gezorgd, dat er geen moeilijkheden in den weg gelegd worden aan de vrije sexueele verhoudingen, die niet om winst begonnen zijn. Met deze verschillende regelingen staat, naar men zegt, de moraal in Zwitserland over het algemeen tamelijk wel op hetzelfde niveau als elders (Moreau-Christophe, Du Problème de la Misère, deel III, p. 259). Dezelfde conclusie geldt voor Londen. Een onpartijdig waarnemer, Félix Remo (La Vie Galante en Angleterre, 1888. p. 237) kwam tot de conclusie, dat, niettegenstaande Londen’s vrije handel, het vrije bestaansbedrijf van de prostitutie, de excessen op alcoholgebied, de deugden van allerlei soort, “deze stad een van de meest moreele hoofdsteden van Europa is”. De emancipatie op dit gebied in de laatste jaren is gebleken uit het afschaffen van het systeem van de regeling op de prostitutie door Denemarken in 1906.
Zelfs de vurigste voorstanders van de regeling van de prostitutie erkennen, dat niet alleen de geest van de beschaving eerder ongunstig dan gunstig is aan het systeem, maar dat in de vele landen, waar het stelsel in stand blijft, de ingeschreven prostituées grond verliezen in den strijd tegen de heimelijke prostitutie. Zelfs in Frankrijk, het klassieke land van van politie-wege gecontroleerde prostituées, zijn de “maisons de tolérance” sinds langen tijd gestadig in aantal afgenomen, in het geheel niet omdat de prostitutie afneemt, maar omdat volks brasseries en kleine café-chantants, die gewoonlijk bordeelen zonder vergunning zijn, de plaats ervan innemen53.
De regeling op grooten schaal van de prostitutie in beschaafde centra wordt tegenwoordig inderdaad nog slechts door weinigen aangeraden, alleen nog door eenige voorstanders van de nieuwere school. Op zijn hoogst wordt ze op bepaalde plaatsen onder speciale omstandigheden wenschelijk geacht54. Zelfs zij, die nog gaarne de prostitutie volkomen onder contrôle van de politie zouden willen hebben, erkennen nu, dat de ondervinding aantoont, dat dit onmogelijk is. Daar vele meisjes haar loopbaan zeer vroeg beginnen, zou een gezond systeem van regeling er geen bezwaar in moeten zien als vaste prostituées in te schrijven zelfs meisjes, die nog weinig meer dan kinderen zijn. Dat is echter een logische conclusie, waartegen de moreele zin en zelfs het gezonde verstand van een gemeenschap zich instinctief verzet. In Parijs mogen meisjes niet ingeschreven worden als prostituée voor zij den leeftijd van zestien bereikt hebben en sommigen vinden dien leeftijd zelfs te laag55. Bovendien kan de ingeschreven vrouw, als zij ziek wordt, of haar positie moede is, altijd uit de handen van de politie weg glippen en zich ergens anders vestigen als clandestiene prostituée. Iedere starre poging om de prostitutie in handen der politie te houden leidt tot hinderlijke bemoeiing met de daden en de vrijheid van respectabele vrouwen, die zeker ondragelijk moeten zijn in iedere vrije gemeenschap. Zelfs in een stad als Londen, waar de prostitutie betrekkelijk vrij is, heeft het politietoezicht aanleiding gegeven tot lasterlijke aanklachten van politieambtenaren tegen vrouwen, die niets hoegenaamd gedaan hebben, dat een verdenking tegen haar zou kunnen rechtvaardigen. Het ontsnappen van de geïnfecteerde vrouw aan het politietoezicht heeft, dat is duidelijk, de uitwerking, dat het gezondheidsniveau van ingeschreven vrouwen schijnbaar verhoogd wordt, en de statistieken van de politie geven nog verder op misleidende wijze een te mooi beeld door het feit, dat de bewoonsters van bordeelen gemiddeld ouder zijn dan clandestiene prostituées en tegen ziekte immuun zijn geworden56. Deze feiten beginnen nu tamelijk wel bekend en erkend te worden. De staatsregeling op de prostitutie is niet gewenscht, op moreele gronden om de reden, waarop dikwijls de nadruk is gelegd, dat ze alleen toegepast wordt op éen sekse, en op praktische gronden, omdat ze geen uitwerking heeft. De maatschappij vergunt de politie de prostituée te hinderen met kleine plagerijen wegens “aanhalen”, “onbetamelijk gedrag”, enz., maar ze is er niet langer van overtuigd, dat zij onder absolute contrôle van de politie behoort te staan.
Het probleem van de prostitutie schijnt, als we het nauwkeurig bezien, nu nog in dezelfde positie te zijn, waarin het te allen tijde in den loop van de laatste drie duizend jaren geweest is. Om echter de werkelijke beteekenis van de prostitutie te begrijpen, en tot een rationeele houding tegenover haar te komen, moeten we ze van een ruimer standpunt beschouwen; we moeten niet alleen de evolutie en de geschiedenis ervan bestudeeren, maar evenzeer de oorzaken, de verhoudingen en de verdere sociologische perspectieven ervan. Als wij op die wijze het probleem van een ruimer standpunt beschouwen, dan zullen we zien, dat er geen verschil bestaat tusschen de eischen van ethische en die van maatschappelijke hygiëne, en dat de werkzaamheid van beide gelijkelijk besloten ligt in de progressieve verfijning en zuivering van beschaafde sexueele verhoudingen.