Wij hebben nu de prostitutie beschouwd van sommige van haar meest verschillende en typische kanten, en we hebben getracht, zoowel uit een verstands- als uit een gevoelsoogpunt, de fundamenteele rol te begrijpen, die ze als vormend element van ons huwelijkssysteem speelt. Tenslotte moeten wij de beweegredenen nagaan, waardoor de prostitutie in dezen tijd aan een groot en aangroeiend aantal menschen niet alleen een onvoldoende methode van sexueele bevrediging, maar een radicaal slechte methode toeschijnt.
De beweging van antagonisme jegens de prostitutie vertoont zich het duidelijkst, zooals men van tevoren verwachten kon, in een gevoel van tegenzin tegen den oudsten en meest typischen, eens den meest geliefden en best ingerichten verschijningsvorm, het bordeel. Het aangroeien van dezen tegenzin is niet beperkt tot een of twee landen, maar is internationaal, en men kan hem dus beschouwen als een typisch verschijnsel in onze beschaving. Hij is bij prostituées zelf even duidelijk uitgesproken als bij haar cliënten. De afkeer aan den eenen kant vermeerdert den afkeer aan den anderen kant. Daar alleen de meest hulpelooze of de domste prostituées in den tegenwoordigen tijd bereid zijn de slavernij van het bordeel aan te nemen, is de bordeelhouder gedwongen zijn toevlucht te nemen tot buitengewone methoden om slachtoffers meester te worden, om deel te nemen aan dien cosmopolitischen handel in “blanke slavinnen”, die alleen bestaat om bewoonsters te verkrijgen voor de bordeelen104. Een natuurlijke reactie op dezen staat van zaken is het feit, dat ze den cliënten van de prostitutie een vooroordeel geeft tegen een instelling, die langzamerhand uit de mode gaat en haar goeden naam begint te verliezen. Een nog meer fundamenteele antipathie wordt hierdoor veroorzaakt, dat het bordeel niet beantwoordt aan den hoogen graad van persoonlijke vrijheid en verscheidenheid, die de beschaving met zich brengt en die ze altijd eischt, zelfs als ze ze niet met zich brengt. Aan den eenen kant heeft de prostituée geen lust zich te onderwerpen aan een slavernij, die haar gewoonlijk zelf geen belooning brengt; aan den anderen kant voelt haar cliënt het als een deel van de bekoring van de prostitutie in de tegenwoordige beschaafde maatschappij, dat hij een vrijheid zal genieten en een keuze zal hebben, die het bordeel niet geven kan105. Zoo komt het dat bordeelen, die eens al de vrouwen bevatten die er haar beroep van maakten de sexueele behoeften van mannen te bevredigen, nu alleen een afnemende minderheid bevatten, en de overgang van in bordeelen wonende prostituées tot vrije prostitutie door vele maatschappelijke hervormers goedgekeurd wordt als een winst voor de zaak der moraal gerekend106.
Het verval van de bordeelen is, hetzij als oorzaak of als resultaat, vergezeld gegaan van een groote toename der prostitutie buiten bordeelen. Maar de tegenzin tegen bordeelen geldt in veel essentieele punten ook de prostitutie in het algemeen, en, zooals we zien zullen, oefent hij een invloed van diepgaande wijziging uit op die prostitutie.
Het veranderde gevoel jegens de prostitutie schijnt voornamelijk op twee wijzen zijn uitdrukking te vinden. Aan den eenen kant zijn er de menschen, die, zonder dat zij de prostitutie willen afschaffen, zich stooten aan de minderwaardige rol, die zij er bij moeten spelen, en die walgen van den leelijken verschijningsvorm. Zij hebben geen moreele bezwaren tegen de prostitutie, maar ze zien geen reden, waarom een vrouw niet vrij met haar eigen lichaam zou doen, wat zij wil. Maar zij meenen, dat, als prostitutie noodzakelijk is, de omgang van mannen met prostituées humaan en aangenaam voor beide partijen behoort te zijn en niet voor beiden vernederend. We moeten in herinnering houden, dat men in het beschaafde stadsleven, door den beroepsarbeid dikwijls zóó zeer in beslag genomen wordt, en de prikkels van dat stadsleven zoo voortdurend zijn, dat de overgave aan de orgie lang niet altijd een wenschelijke ontspanning kan zijn. De grove vorm der orgie heeft aantrekkingskracht, niet voor den stadsbewoner, maar voor den boer, en voor den matroos of den soldaat, die in de stad komt na lange tijden van vervelende sleur en ontbering van al wat het gevoel en de zinnen prikkelt. Het is zelfs onjuist te meenen, dat de aantrekkingskracht van de prostitutie onvermijdelijk berust op het uitvoeren van de geslachtsdaad. Integendeel, de meest aantrekkelijke prostituée kan een vrouw zijn, die, zelf weinig sexueele behoeften hebbende, door de bekoring van haar persoonlijkheid wenscht te behagen; deze meisjes doen dikwijls goede huwelijken. Er zijn veel mannen, die er zelfs zeer tevreden mee zijn als ze een paar uur intiem kunnen omgaan met een aangename vrouw, zonder eenige verdere gunst, zelfs al staat die hun vrij. Voor een groot aantal mannen onder stadsbestaansvoorwaarden houdt de prostituée op het verachte middel te zijn voor de wellustige begeerte van een oogenblik; zij zoeken een aangename, menschelijke persoonlijkheid, met wie zij eenige ontspanning kunnen vinden van den dagelijkschen druk en de dagelijksche routine van het leven. Als een daad van prostitutie zoo op een menschelijke basis geplaatst is, al draagt ze dan geenszins bij tot de beste ontwikkeling van een van beide partijen, dan is ze tenminste niet meer zoo wanhopig vernederend. Anders zou de godsdienstige prostitutie in oude tijden niet zoo lang in aanzien geweest zijn onder achtbare vrouwen van goede geboorte aan de oevers van de Middellandsche Zee, zelfs in streken als Lydië, waar de positie der vrouwen bijzonder hoog was107.
Het is waar, dat de geldelijke kant van de prostitutie altijd blijft bestaan. Maar men kan de beteekenis ervan overdrijven. We moeten er op wijzen, dat, hoewel het gewoon is van de prostituée te spreken als van een vrouw, die “zich verkoopt”, dit een tamelijk ruwe en onjuiste zegswijze is om, in zijn typischen vorm, de verhouding uit te drukken van een prostituée tot haar cliënt. Een prostituée is geen koopwaar met een marktprijs, als een brood of een schapenbout. Zij staat veeleer op het niveau van personen, die tot de beroepsklassen behooren, en die honorarium aannemen voor verleende diensten; het bedrag van het honorarium wisselt af, aan den eenen kant met de plaats, die de dienst-betoonende onder haar beroepsgenooten inneemt, aan den anderen kant met de materieele omstandigheden van den cliënt, en onder bijzondere omstandigheden vervalt het honorarium geheel. De prostitutie maakt intieme verhoudingen, die uit natuurlijke liefde moesten voortkomen, tot een voorwerp van betaling, en zoo doende verlaagt ze die. Maar, strikt gesproken, is er in zulk een geval geen kwestie van “verkoopen”. Te zeggen, dat een prostituée “zich verkoopt” is zelfs ternauwernood een vergeeflijke rhetorische overdrijving; het is even onjuist als onrechtvaardig108.
Deze, in een beschaafde maatschappij zich voordoende neiging om de prostitutie te humaniseeren is het omgekeerde proces, mogen we wel opmerken, van wat in een vroeger stadium van de beschaving plaats vond, toen de oude opvatting van de godsdienstige waardigheid van de prostitutie in discrediet begon te geraken. Toen de mannen ophielden vrouwen te vereeren, die prostituées waren in den dienst van een godin, stelden zij in haar plaats prostituées, die enkel verachte slavinnen waren, en zij vleiden zich dat zij zoodoende de zaak van “vooruitgang” en “moraal” bevorderden. Aan de oevers van de Middellandsche zee had dit proces meer dan twee duizend jaar geleden plaats; het is nauw verbonden met den naam van Solon. Tegenwoordig kunnen we hetzelfde proces zich in Indië zien afspelen. In sommige deelen van Indië (zooals in Jejuri, bij Poonah) worden eerst-geboren meisjes gewijd aan Khandoba of andere goden; zij worden gehuwd aan den god en heeten murali. Zij doen dienst in den tempel, vegen die, wasschen de heilige vaten; zij dansen, zingen en prostitueeren zich. Zij mogen niet trouwen en zij wonen thuis bij haar ouders, broeders of zusters; zij zijn gewijd aan den heiligen dienst en zij worden niet geminacht. Tegenwoordig echter, trachten Indische “hervormers” in den naam van “beschaving en wetenschap” de murali te overtuigen, dat zij “zich overgegeven hebben aan een vernederende loopbaan”. Ongetwijfeld zullen mettertijd de vermeende moralisten de murali uit haar tempels en uit haar tehuizen verjagen, haar berooven van haar gevoel van eigenwaarde, en haar maken tot ellendige paria’s, alles in naam der “wetenschap en der beschaving” (zie b.v. een artikel van Mrs. Kashibai Deodhar, The New Reformer, October, 1907). Zoo komt het, dat de oude hervormers voor de later komende hervormers de taak schiepen de prostitutie opnieuw te humaniseeren.
Er is geen twijfel aan, dat deze meer humane opvatting van de prostitutie tegenwoordig erkenning begint te vinden in het werkelijke beschaafde leven van Europa. Zoo merkt Dr. Robert Michels op, (“Erotische Streifzüge”, Mutterschutz, 1906, Heft 9, p. 368): “Terwijl in Duitschland de prostituée gewoonlijk beschouwd wordt als een “paria”, en als zoodanig behandeld, als een werktuig voor den mannelijken wellust, dat men gebruikt en weer weggooit, en dat men onder geen voorwaarde in het openbaar zou willen kennen, speelt in Frankrijk de prostituée in vele opzichten de rol, die eens beteekenis en roem gaf aan de hetaren van Athene”. En nadat hij de achting en het respect beschreven heeft, die de Parijsche prostituée dikwijls van haar vrienden ondervindt, en de niet-sexueele verhouding van kameraadschap, waar ze in kan treden met andere mannen, gaat de schrijver voort: “Een meisje, dat zich geeft voor geld, maar geenszins voor het geld van den eersten den besten, en die, behalve haar “beroepsvrienden” om zoo te zeggen de behoefte voelt aan niet-sexueele kameraden, met wie zij kan omgaan op vrije vriendschappelijke wijze, en door wie zij behandeld en gewaardeerd wordt als een vrij menschelijk wezen, is niet geheel verloren voor de moreele waarde der menschheid”. Alle prostitutie is slecht, besluit Michels, maar we zouden reden hebben onszelf geluk te wenschen als liefdebetrekkingen van deze Parijsche soort de laagst bekende soort vertegenwoordigden van buiten-echtelijke sexualiteit. (Wat de betrekkelijke achting aangaat, die aan prostituées gegeven wordt, mag ik er melding van maken, dat een Parijsche prostituée tegen een vriend van mij de opmerking maakte, dat Engelschen haar dingen vroegen, die geen Franschman zou durven vragen).
Het is echter niet alleen in Parijs, hoewel hier wel duidelijker en meer in het oog springend, dat deze humaniseerende invloed in de prostitutie zich begint te doen gevoelen. Het blijkt bij voorbeeld uit de meerdere openlijkheid van het sexueele leven van een man. “Terwijl hij vroeger in een bordeel sloop in een afgelegen straat”, merkt Dr. Willy Hellpach op (Nervosität und Kultur, p. 169), “wandelt hij nu met zijn “liaison” rond, en bezoekt comedies en café’s, wel zonder begeerte om zijn bekenden te ontmoeten, maar toch zonder eenige verlegenheid op dat punt. De zaak begint meer gewoon te worden, meer—natuurlijk”. Ze begint zoodoende ook, zooals Hellpach weet aan te toonen meer moreel te worden, en veel ongezonde preutschheid en verhitheid gaat verloren.
In Engeland, waar veranderingen langzaam gaan, moge deze neiging om de prostitutie te humaniseeren minder zichtbaar zijn, maar ze bestaat toch. In het midden van de vorige eeuw schreef Lecky (History of European Morals, deel II, p. 285) dat “voortdurende prostitutie in geen ander Europeesch land zoo hopeloos slecht of zoo onherroepelijk is”. Die bewering, die ook uitgesproken is door Parent-Duchâtelet en andere buitenlandsche onderzoekers, wordt ten volle bevestigd door het bewijsmateriaal in de geschiedenis. Maar het is een bewering, die men tegenwoordig niet gaarne zou uiten, behalve misschien voor speciale afgebakende wijken in onze steden. Ook in Amerika vinden we een neiging om de prostitutie te humaniseeren, en we kunnen die neiging ongetwijfeld weerspiegeld vinden in het verslag over The Social Evil (1902), opgesteld door een commissie in New York, die de prostitutie aanbeval (p. 176) door op te merken, dat de prostitutie niet langer als een misdaad beschouwd moest worden, in welk licht, zooals we bemerken, ze vroeger in New York beschouwd werd. Dat moge maar een kleine schrede zijn op den weg der humaniseering, maar zij is in de goede richting.
Het is geenszins alleen in Europa, dat we mèt de zich ontwikkelende beschaving, een verfijning en humaniseering van de meer vluchtige verbintenissen met vrouwen kunnen nasporen. In Japan voerden precies dezelfde eischen, vele eeuwen geleden, tot het verschijnen van de geisha. In den loop van een belangwekkende en nauwkeurige studie over de geisha merkt Mr. R. F. Farrer op (Nineteenth Century, April, 1904): “De geisha is allerminst noodzakelijk een courtisane. Zij is een vrouw, wier opvoeding tot doel had haar aantrekkelijk te maken, van haar jeugd af werd zij onderwezen in alle ingewikkeldheden van de Japansche literatuur; geoefend in vernuft en in gevatheid; gewend aan het levendig babbelen over alle onderwerpen tusschen hemel en aarde. Van haar vroegste jeugd af is zij opgevoed tot een innemende bevalligheid van gedrag, onbegrijpelijk voor den meest beschaafden Europeaan, en toch is zij altijd een bloesem van de lagere klassen, met korte, dikke vingers, en platte leelijke nagels. Haar opvoeding, zoowel physiek als moreel, is veel zwaarder dan die van de ballerina, en zij komt eerst na jaren van strijd en bittere kwelling tot succes … De maatschappelijke positie van de geisha kan vergeleken worden met die van de Europeesche actrice. Het Geisha-huis biedt prijzen aan, die even begeerlijk zijn als welke ook van het Westersch tooneel. Een bekende geisha met twintig edelen om zich heen, die om haar glimlach wedijveren en die voortdurend in spanning gehouden worden door de flikkerende pijlen van haar vernuft, heeft een positie, die niet minder hoog en roemrijk is dan die van Sarah Bernhardt in haar eersten bloei. Zij wordt evenzeer gezocht, evenzeer gevleid, even hartstochtelijk aangebeden, dat rustige, kleine, eenvoudige meisje in het mat blauw. Maar zij wordt zoo gewaardeerd voornamelijk om haar tong, waarvan de macht eerst tot volle rijpheid komt als haar physieke bekoorlijkheden verminderen. Zij eischt groote sommen voor haar impressario’s en verschijnt en danst dan nog alleen als zij het zelf wil. Weinig Westerlingen zien ooit een werkelijk beroemde geisha. Zij is een tè groote persoonlijkheid om voor een Europeaan te verschijnen, behalve misschien op zeer hoog, of keizerlijk verzoek. Ten slotte kan zij, en dat doet zij dikwijls, een zeer goede partij doen. Uit dit alles vloeit niet de geringste noodzakelijkheid van ongepaste verhoudingen voort.”
In sommige opzichten was de positie van de vroegere Grieksche hetare meer gelijk aan die van de Japansche geisha, dan aan die van de prostituée in de strenge beteekenis van het woord. Voor den Griek was de hetare inderdaad in het geheel geen porne of prostituée. De naam beteekende vriendin of kameraad, en de vrouw aan wie men den naam gaf, had een achtenswaardige positie, die men aan een gewone prostituée nooit had kunnen inruimen. Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XXVIII–XXX) brengt geheele passages bijeen, die bewijzen, dat de hetare beschouwd kon worden als een onafhankelijke burgeres, rein, eenvoudig en deugdzaam, geheel verschillend van de gewone massa prostituées, hoewel deze misschien haar naam konden overnemen. De hetaren “waren bijna de eenige Grieksche vrouwen”, zegt Donaldson (Woman, p. 59), “die het beste en edelste vertoonden, wat er in de vrouwelijke natuur is”. Dit feit maakt het meer begrijpelijk hoe een vrouw van zulke uitnemende, geestelijke beteekenis als Aspasia een hetare geweest kan zijn. Er schijnt weinig twijfel te bestaan aan haar geestelijke verdienste. “Aeschines, in zijn dialoog “Aspasia””, schrijft Gomperz, de historicus van de Grieksche philosofie (Greek Thinkers, deel III, p.p. 124 en 343), “legt deze opmerkelijke vrouw een scherpe critiek in den mond op de levenswijze, die de traditie voor haar sekse eischte. Het zou buitengewoon vreemd zijn”, voegt Gomperz er bij, waar hij beweert, dat daaruit een gevolgtrekking gemaakt kan worden aangaande de historische Aspasia, “als drie schrijvers—Plato, Xenophon en Aeschines—alle drie de vriendin van Pericles abusievelijk hadden bekleed met wat wij redelijkerwijze konden verwachten, dat zij bezitten zou,—een hoogbeschaafden geest en intellectueelen invloed”. Het is zelfs mogelijk, dat de beweging voor de rechten der vrouw, die, zooals wij vaag uit de geschriften van Aristophanes raden, in Athene in de vierde eeuw voor Christus plaats vond, geleid werd door hetaren. Volgens Ivo Bruns (Frauenemancipation in Athen, 1900, p. 19) “hebben de meest bepaalde berichten, die wij over Aspasia bezitten, een sterke gelijkenis met het beeld, dat Euripides en Aristophanes ons geven van de leidsters van de vrouwenbeweging”. Het was deze beweging, die toen de ideeën van Plato over de gemeenschap van vrouwen veel minder dwaas deden schijnen dan zij òns voorkomen. Sommigen zouden misschien kunnen meenen, dat deze beweging op een hooger plan die liefde tot vernielen vertegenwoordigde, of, laten we liever zeggen, die geest van opstand en eerzucht, die Simmel beschouwt als het kenmerk van de geestelijke en artistieke werkzaamheid van hen, die in de maatschappelijke hierarchie uit een klasse verbannen zijn of in geen klasse thuis behooren. Ook Ninon de Lenclos was, zooals we gezien hebben, niet eigenlijk een courtisane, maar zij was een pionier in het handhaven van de rechten der vrouw. Aphra Behn, die iets later in Engeland een even dubbelzinnige maatschappelijke positie innam, was ook een pionierster in de edelmoedige humaniseerende aspiraties, die sedert door de geheele wereld zijn aangenomen.
Deze verfijningen van de prostitutie, kan men wel zeggen, zijn het gevolg van de latere en meer ontwikkelde stadiën in de beschaving: “De opgewekte, handige en artistiek ontwikkelde hetare staat dikwijls als een ideale figuur tegenover de intellectueel niet ontwikkelde vrouw, die aan haar huis gebonden is. De courtisanes van de Italiaansche Renaissance, Japansche geishas, Chineesche bloemenmeisjes en Indische bayadères vertoonen alle eenige niet onedele trekken, een glimp van een vrij kunstenaarsbestaan. Zij hebben—wel is waar met opoffering van haar hoogste waarde een onafhankelijkheid bereikt ten opzichte van den drukkenden dwang van den man en van huishoudelijke plichten, en een deel van de vrouwelijke natuur, die zoo dikwijls verlamd wordt, komt in haar schitterend tot ontwikkeling. Prostitutie in haar besten vorm kan op deze wijze een gelegenheid bieden, waarbij deze vrouwelijke eigenaardigheden invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van de beschaving. Wij mogen tevens gelooven, dat de artistieke werkzaamheid van vrouwen in zekere mate een tegenwicht kan vormen tegen de slechte gevolgen van sexueele losbandigheid, daar ze verhindert, dat het gevoelsleven ruwer of zelfs vernietigd wordt; in zijn Magda heeft Sudermann een vrouwentype beschreven, dat van het standpunt van strikte moraal verwerpelijk kan schijnen, maar dat in de kunst een steun vindt, waarvan zelfs kwaadwilligen schoorvoetend de kracht moeten erkennen”. In zijn Sex and Character heeft Weiniger op meer buitensporige wijze de opvatting ontwikkeld van de prostituée als een fundamenteel en essentieel deel van het leven, een blijvend vrouwelijk type.
Er zijn anderen, naar het schijnt in toenemend aantal, die het probleem der prostitutie naderen, niet van een artistiek standpunt, maar van een moreel standpunt. Deze moreele houding is echter niet die conventioneele moraal van Cato en den heiligen Augustinus en Lecky, die in de voorafgaande bladzijden uiteengezet is, volgens welke de prostituée op de straat moet aanvaard worden als de bewaakster van de getrouwde vrouw in het huis. Deze moralisten ontkennen inderdaad, dat deze beschouwing moreel geacht moet worden. Zij meenen, dat het moreel niet mogelijk is, dat de eer van sommige vrouwen gekocht zal kunnen worden door de oneer van andere vrouwen, omdat tot zulk een prijs de deugd al haar moreele waarde verliest. Als zij lezen, zooals Goncourt zeide, “dat de weelderigste artikelen van den uitzet van vrouwen, de trouwhemden van meisjes met een bruidsschat van zes honderd duizend francs, gemaakt worden in de gevangenis van Clairvaux”109, dan zien ze hierin het symbool van de nauwe afhankelijkheid van onze weelderige deugd en onze vuile ondeugd. En terwijl ze de historische en sociologische bewijzen aannemen, die er blijk van geven dat de prostitutie een onvermijdelijk deel is van ons huwelijkssysteem, vragen zij, of het niet mogelijk is dat huwelijkssysteem zoo te wijzigen, dat het niet noodig zal zijn de vrouwelijke menschheid te verdeelen in “onfatsoenlijke” vrouwen, die zich opofferingen getroosten, die harer onwaardig zijn, en “fatsoenlijke” vrouwen, die opofferingen doen, die het niet minder onwaardig kan zijn aan te nemen.
Prostituées, heeft een bekend man van de wetenschap gezegd (Duclaux, L’Hygiène Sociale, p. 243), “zijn dingen geworden, die het publiek gebruikt als het ze noodig heeft, en die het op den mesthoop gooit, als het ze vuil gemaakt heeft. In zijn phariseeërschap heeft het zelfs de onbeschaamdheid haar beroep als schandelijk te behandelen, alsof het niet even schandelijk was op deze markt te koopen als te verkoopen”. Bloch (Sexualleben unserer Zeit, Ch. XV) zegt met klem, dat de prostitutie veredeld moet worden, en dat dit tevens de eenige manier is om haar te verminderen. Isidore Dyer, uit New Orleans zegt, dat “we de prostitutie niet kunnen tegengaan, tenzij we in het gemoed van mannen en vrouwen een geest van verdraagzaamheid kweeken in plaats van onverdraagzaamheid jegens gevallen vrouwen”. Dit punt kan geïllustreerd worden door een opmerking van de schrijfster van het Tagebuch einer Verlorenen die een prostituée was. “Als ons beroep niet langer schandelijk was”, schreef zij, “dan zou het leger van “ongelukkigen” verminderen met vier vijfden—ik durf wel zeggen met negen tienden. Ik zelf bij voorbeeld! Hoe graag zou ik een betrekking aannemen als gezelschapsjuffrouw of gouvernante!” “Een van de twee dingen”, schreef de uitmuntende socioloog Tarde (“La Morale Sexuelle”, Archives d’Anthropologie Criminelle, Januari 1907), “òf de prostitutie zal verdwijnen, doordat ze voortgaat onfatsoenlijk te zijn en ze zal vervangen worden door een andere instelling, die beter de fouten van het monogame huwelijk zal verhelpen, òf ze zal blijven bestaan en geacht worden, dat is te zeggen, zich doen respecteeren, hetzij ze gunstig beoordeeld wordt of niet”. Tarde meende, dat dit misschien gebeuren kon door een betere organisatie van de prostituées, een zorgvuldiger keuze uit haar, die toegelaten wenschen te worden tot haar gelederen en het aankweeken van beroepsdeugden, die haar moreel niveau zouden verhoogen. “Als courtisanes in een behoefte voorzien”, heeft Balzac gezegd in zijn Physiologie du Mariage, “dan moeten zij een soort gilde worden”.
Deze moreele houding wordt door de onvermijdelijke democratische neiging der beschaving gedragen en versterkt, welke neiging, hoewel ze geenszins het klasse-denkbeeld te niet doet, dat denkbeeld ondermijnt als een uitvloeisel van fundamenteele menschelijke onderscheidingen, en het overtollig maakt. De prostitutie maakt de vrouw niet langer tot slavin, zij behoorde haar ook zelfs niet tot een paria te maken: “Mijn lichaam is mijn eigendom”, zegt de jonge Duitsche prostituée van tegenwoordig, “en wat ik er mee doe, gaat niemand aan”. Toen de prostituée letterlijk een slavin was, waren de moreele verplichtingen jegens haar geenszins noodzakelijk dezelfde als de moreele plicht jegens de vrije vrouw. Maar als, zelfs in dezelfde familie, de prostituée door een groote en niet te overbruggen golf gescheiden kan zijn van haar getrouwde zuster, dan beginnen we in te zien, wat in de meening van velen dringend noodzakelijk is, dat onze moraal ten opzichte van haar ondersteboven gekeerd moet worden. Duizende jaren is de prostitutie verdedigd, op grond, dat de prostituée noodzakelijk is om “de reinheid van vrouwen” te verzekeren. In onze democratische eeuw begint men te erkennen, dat prostituées ook vrouwen zijn.
De zich ontwikkelende zin van een fundamenteele, menschelijke gelijkheid, die ten grondslag ligt aan de oppervlakkige klasseverdeelingen heeft neiging de gewone houding jegens de prostituée, de houding van haar cliënten zelfs meer dan die van de maatschappij in het algemeen, pijnlijk wreed te doen schijnen. De harde en ruw lichtzinnige toon, waarop zooveel jonge mannen over prostituées spreken, heeft men gezegd, is “eenvoudig wreedheid van een bijzonder brutale soort”, die in geen andere levensverhouding te vinden is110. En als deze houding al wreed is alleen in woorden, ze is nog wreeder in daden, welke pogingen er ook gedaan worden om de wreedheid ervan te bemantelen.
Men kan wel zeggen, dat de opmerkingen van den kanunnik Lyttelton voornamelijk betrekking hebben op jonge mannen van den hoogeren middenstand. Over wat misschien de gewone houding is van menschen uit den lageren middenstand, mag ik aanhalen uit een merkwaardige mededeeling, die mij uit Australië bereikt heeft: “Wat zijn de ideeën van een jongen man, die in een Christelijke Engelsche familie uit den middenstand opgevoed is, over prostituées? Neem, bij voorbeeld, mijn vader. Hij sprak eerst over prostituées met mij, als ik mij wèl herinner, toen hij sprak over zijn leven vóór zijn huwelijk. En hij sprak over haar, zooals hij spreken zou over een paard, dat hij gehuurd had, waarvoor hij betaald had, en dat hij uit zijn gedachten gebannen had, toen het hem van dienst was geweest. Hoewel mijn moeder lief en goed was, sprak zij van gevallen vrouwen met walging en toorn als van een of ander onrein dier. Daar het de ijdelheid en den trots streelt met algemeene goedkeuring op iets te kunnen neerzien, begreep ik spoedig de situatie en nam een houding aan, die, in hoofdzaak die is van de Christelijke Engelsche mannen van den middenstand jegens prostituées. Maar met de ontwikkeling van de puberteit moet deze houding aangepast worden aan den wensch, dit schuim, deze moreele melaatsche, te gebruiken. De gewone jonge man, die wel van wat immoraliteit houdt en die wel wat immoreel is, als hij in de stad is en meent, dat het niet waarschijnlijk is, dat het zijn moeder of zusters ter oore zal komen, komt zijn aanmatiging en zijn tegenzin niet te boven of vermindert die ook maar in het minst. Hij neemt die met zich mee in het bordeel, min of meer vermomd, en zij kleuren zijn gedachten en daden al den tijd dat hij met prostituées slaapt, of haar kust, of zijn handen over haar heen strijkt, zooals hij doen zou met een merrie, om zooveel mogelijk voor zijn geld te krijgen. Om de waarheid te zeggen was dat, over het geheel, ook mijn houding. Maar als iemand mij gevraagd had naar de geringste reden voor deze houding, voor dit gevoel van meerderheid, trots, hauteur, en vooroordeel, dan zou ik, evenals iedere andere “fatsoenlijke” jonge man met den mond vol tanden gestaan hebben”.
Op het moderne, moreele standpunt, dat wij nu innemen, is niet alleen de wreedheid, die besloten ligt in de schande van de prostituée, dwaas, maar even dwaas, en dikwijls niet minder wreed, schijnt de eer te zijn, die bewezen wordt aan de fatsoenlijke vrouwen aan den anderen kant van de maatschappelijke klove. Het is wel bekend, dat mannen soms naar prostituées gaan om bevrediging te vinden voor de opwinding, die gewekt is door de liefkoozingen van hun verloofden111. Daar de emotioneele en physieke resultaten van onbevredigde opwinding dikwijls ernstiger zijn bij vrouwen dan bij mannen, zijn de verloofde vrouwen in deze gevallen even gerechtvaardigd verlichting te zoeken bij andere mannen, en zoo zou de noodlottige cirkel der dwaasheid volkomen zijn.
Uit het gezichtspunt van den modernen moralist is er een andere overweging, die in het geheel niet geteld werd bij de conventioneele en traditioneele moraal, die wij geërfd hebben, en die in de praktijk inderdaad ook niet bestond in de oude dagen, toen die moraal nog een levende werkelijkheid was. Vrouwen zijn niet meer verdeeld in de twee groepen: vrouwen, die geëerbiedigd moeten worden, en prostituées, die de onteerde bewaaksters zijn van die eer; er is een groote derde klasse van vrouwen, die noch getrouwde vrouw noch prostituée zijn. Voor deze groep van ongetrouwde deugdzamen had de traditioneele moraal in het geheel geen plaats; zij negeerde ze eenvoudig. Maar de nieuwe moralist, die leert erkennen zoowel de eischen van het individu als de eischen van de maatschappij, begint te vragen of aan den eenen kant deze vrouwen geen recht hebben op bevrediging van haar affectioneele en emotioneele impulsen als zij dat wenschen, en aan den anderen kant of, daar een hooge beschaving een verminderd aantal geboorten met zich brengt, de gemeenschap geen recht heeft iedere gezonde en flinke vrouw aan te moedigen bij te dragen tot de instandhouding van het geboortecijfer, als zij dat wenscht.
Al de overwegingen, die in de voorafgaande bladzijden in het kort zijn aangeduid—de fundamenteele zin voor menschelijke gelijkheid, die gekweekt wordt door onze beschaving, de weerzin tegen de wreedheid, die de verfijning van het stadsleven vergezelt, het leelijke contrast van uitersten, die stuitend zijn voor onze zich ontwikkelende democratische neigingen, de aangroeiende zin voor de rechten van het individu op zijn eigen persoon, het recht waarop niet minder sterk de nadruk gelegd wordt van de gemeenschap op het beste wat het individu kan leveren—al deze overwegingen brengen er den modernen moralist iederen dag meer toe om jegens de prostitutie een houding aan te nemen, die geheel verschillend is van de moraal, die wij ontleend hebben aan Cato en Augustinus. Hij ziet de zaak op grootere en meer dynamische wijze. In plaats van te verklaren, dat het wel de moeite loont de prostituée te dulden en haar terzelfder tijd te verachten, om de heiligheid van de vrouw in haar huis te bewaren, is hij niet alleen meer geneigd ieder te beschouwen als de rechte bewaker van zijn eigen moreele vrijheid, maar hij is niet zoo zeker omtrent de door den tijd gesanctionneerde positie van de prostituée, en bovendien is hij er geenszins zeker van, dat de vrouw in haar huis niet evenzeer redding noodig heeft als de prostituée op de straat; hij is er toe bereid te overwegen of hervorming in deze zaak niet waarschijnlijk plaats zal vinden in den vorm van een meer juiste toemeting van sexueele rechten en sexueele plichten aan vrouwen in het algemeen, met het onvermijdelijk gevolg van verheffing van het leven van mannen ook.
De opstand van vele ernstige hervormers tegen de onrechtvaardigheid en de vernedering, die nu samengaat met ons systeem van prostitutie is zoo diepgaand, dat sommigen zich bereid hebben verklaard tot het aannemen van iedere revolutie van denkbeelden, die een meer gezonde verandering van moreele waardeeringen zou teweeg brengen. “Beter zou inderdaad een saturnalia zijn van vrije mannen en vrouwen”, roept Edward Carpenter (Love’s Coming of Age, p. 62) uit, “dan het schouwspel, dat nu onze groote steden ’s nachts bieden”.
Zelfs zij, die heel tevreden zouden zijn met een zoo conservatieve behandeling van maatschappelijke instellingen als mogelijk is, kunnen niet nalaten te erkennen, dat de prostitutie niet bevredigend is, tenzij wij al zeer bescheiden eischen stellen aan de sexueele daad. “De daad der prostitutie”, verklaart Godfrey (The Science of Sex, p. 202), “is misschien physiologisch volkomen, maar ze is dit in geen andere beteekenis. Al de moreele en intellectueele factoren, die met het physieke verlangen samenwerken om de volmaakte sexueele aantrekking te vormen zijn aanwezig. Al de hoogere elementen van liefde—bewondering, eerbied, eer en zelfopofferende toewijding—zijn even vreemd aan de prostitutie als aan de egoïstische daad der masturbatie. De voornaamste bezwaren tegen de moraal van de daad zijn meer gelegen in wat er mee samengaat dan in de daad zelf. Iedere sprank van liefde, die een vrije connectie zou kunnen bezitten, wordt meteen bedorven door het invoeren van een geldelijk element. In de vernedering die er uit voortkomt, heeft de vrouw het grootste aandeel, omdat ze haar maakt tot een paria en haar onderwerpt aan al de verhardende en demoraliseerende invloeden van maatschappelijke uitsluiting. Maar haar vernedering dient er alleen toe haar invloed op haar partners nog meer vernederend te maken. De prostitutie”, zegt hij tot besluit, “heeft een sterke neiging om de van nature zelfzuchtige houding van mannen jegens vrouwen te versterken en ze aan te moedigen in de begoocheling, die voortkomt uit ongeordende hartstochten, dat de geslachtsdaad zelf het doel en einde van het sexueele leven is. De prostitutie kan er derhalve geen aanspraak op maken ook maar een tijdelijke oplossing te geven voor het sekseprobleem. Zij vervult alleen de zending, die ze gemaakt heeft tot een “noodzakelijk kwaad”—de zending van palliatief tegen de physieke gestrengheid van coelibaat en monogamie. Dat doet ze ten koste van een groote mate van physieke en moreele ontaarding, waarvan veel ongetwijfeld berust op de maatschappij, die de vernedering van de prostituée volkomen maakt door voortdurende uitsluiting. Prostitutie was niet zulk een groot kwaad, toen ze niet als zoodanig beschouwd werd, toch was ze zelfs op haar best een werkelijk kwaad, een treurige en lage parodie op ernstige en natuurlijke hartstochtsverhoudingen. Zij is een kwaad, dat we bij ons moeten houden, zoolang het coelibaat gewoonte en monogamie wet is”. Het is de vrouw zoowel als de prostituée, die vernederd wordt door een systeem, dat koopbare liefde mogelijk maakt. “De tijd is voorbij”, merkt dezelfde schrijver elders op (p. 195), “dat een enkele ceremonie werkelijk heiligen kan wat laag is, en lust en begeerte kan veranderen in oprechte sexueele liefde. Als het in sexueele connecties treden met een man alleen voor een materieel doel een schande is voor de maatschappij, dan is het ook een schande onder den huwelijksband, afgezien van den huichelachtigen zegen van de kerk of de wet. Als de publieke prostituée een wezen is, dat als paria verdient behandeld te worden, dan is het hopeloos onredelijk ieder soort van moreele schande te onthouden aan de vrouw, die een dergelijk leven leidt onder andere uiterlijke omstandigheden. Of de getrouwde vrouw, die zich prostitueert, moet onder den moreelen ban komen, òf er moet een einde komen aan de algeheele uitsluiting, waaronder de prostituée lijdt”.
De denker, die duidelijker en meer fundamenteel dan anderen, en het eerst van allen zich de dynamische verhoudingen van de prostitutie voor oogen heeft gesteld, was James Hinton. Meer dan dertig jaar geleden gaf Hinton, in fragmentarische geschriften, die nog onuitgegeven zijn gebleven, omdat hij ze nooit in ordelijken vorm omgewerkt heeft, krachtig en hartstochtelijk uitdrukking aan zijn gronddenkbeeld. Het kan misschien de moeite loonen een paar korte passages aan te halen uit Hinton’s handschriften: “Ik voel, dat de wetten van het arbeidsvermogen ook behoorden te gelden te midden der golven van den menschelijken hartstocht, dat de verhoudingen der mechanica waar zijn en ook zullen heerschen in het menschelijk leven … Er ontstaat een spanning, een onderdrukking van de ziel, door ons moderne leven, en ze is op het punt plotseling tot een ontploffing te leiden, waarna de krachten zich opnieuw zullen ordenen. Het is een kwestie van dynamica, in moreele termen voorgesteld … Het houden van een deel van de vrouwelijke bevolking zonder uitzicht op een huwelijk, beteekent prostituées hebben, dat zijn vrouwen, die niets zijn dan werktuigen van de zinnelijkheid van den man, en dit beteekent voor velen van haar het dooden van alle zuivere liefde of de vatbaarheid daartoe. Dit is het feit, dat we onder de oogen moeten zien … Vandaag zag ik een jonge vrouw, wier leven verteerd werd door gebrek aan liefde, een geval van uiterste ellende: en zie nu den prijs, waarmee we haar slechte gezondheid betalen; voor haar slechte gezondheid betalen wij met den ondergang van een ander meisje. Dat geven wij er voor; haar ellende naar ziel en lichaam wordt gekocht door de prostitutie; wij hebben prostituées, die daarvoor zijn … Wij leveren sommige vrouwen roekeloos aan het verderf over om een broeikasparadijs te maken voor anderen … De eene put zich uit in vergeefsche pogingen genoegens te verdragen waarvoor ze niet sterk genoeg is, terwijl andere vrouwen te gronde gaan door gebrek aan deze zelfde genoegens. Als het huwelijk dit is, is het dan niet belichaamde wellust? De gelukkige Christelijke tehuizen zijn de ware donkere plaatsen der aarde … Prostitutie voor den man, ontbering voor de vrouw—zij zijn twee zijden van hetzelfde ding, en het zijn allebei ontkenningen van de liefde, evenals weelde en ascetisme. De bergen van ontbering moeten gebruikt worden om de diepten van de overdaad aan te vullen”.
Eenige van de denkbeelden van Hinton werden uiteengezet door een schrijfster, die goed met hem bekend was, in een vlugschrift, getiteld The Future of Marriage: An Eirenicon for a Question of To-day, door een achtenswaardige vrouw (1885). “Als de overtuiging eenmaal ingang heeft gevonden bij de “goede” vrouwen”, merkt de schrijfster op, “dat haar plaats van eer en voorrechten verkregen is ten koste van de vernedering van anderen, dan zullen ze niet rusten voor zij die plaats verlaten hebben of een ander voetstuk gevonden hebben. Als ons onbuigzaam huwelijkssysteem tot voornaamste voorwaarde heeft het bestaan van de prostitutie, dan kan men slechts twee gevolgtrekkingen maken: òf er moet aangetoond worden, dat zij overeen te brengen is met het welzijn, zoowel moreel als physiek, van de vrouwen, die ze in praktijk brengen, òf ons huwelijkssysteem moet veroordeeld worden. Als het iemand duidelijk voor oogen gesteld werd, dan zou hij niet in ernst kunnen beweren, dat dat “deugd” is, wat alleen in praktijk gebracht kan worden ten koste van iemand anders ondeugd … Terwijl de wetten der natuurkunde zoo algemeen erkend beginnen te worden, dat niemand er van droomt een deeltje stof of kracht te willen vernietigen, passen we toch dezelfde opvatting niet instinctief toe op moreele krachten, maar wij denken en handelen alsof wij een kwaad konden uit den weg ruimen, terwijl we dàt onveranderd laten, wat er kracht aan geeft. Dit is de eenige beschouwing van het maatschappelijk probleem, dat ons hoop geeft. Dat de prostitutie zou ophouden te bestaan, terwijl alles bleef zooals het is, zou schadelijk zijn, als het mogelijk was. Maar het is niet mogelijk. Het zwakke punt van alle bestaande pogingen om de prostitutie te onderdrukken is, dat zij er tegen gericht zijn alsof zij een ding op zichzelf was, terwijl zij alleen een van de symptomen is, die voortkomen uit een algemeene kwaal”.
Ellen Key, die in de laatste jaren de voornaamste apostel geweest is van een evangelie van sexueele moraal, die berust op de behoeften van vrouwen als de moeders van het ras, heeft, in ongeveer gelijken geest, zoowel de prostitutie als het starre huwelijk veroordeeld, verklarend (in haar Essays on Love and Marriage), dat “de ontwikkeling van het erotisch persoonlijk bewustzijn evenzeer gehinderd wordt door de maatschappelijk geregelde “moraal” als door de maatschappelijk geregelde “immoraliteit”,” en dat “de twee laagste en maatschappelijk gesanctionneerde uitersten van sexueel dualisme, het starre huwelijk en de prostitutie, langzamerhand onmogelijk zullen worden, omdat zij met het ingang vinden van het denkbeeld van erotische eenheid niet langer zullen overeen te brengen zijn met de behoeften der menschen”.
Wij kunnen den tegenwoordigen toestand, wat betreft de prostitutie, het best karakteriseeren door te zeggen, dat er aan den eenen kant een neiging is om ze te verheffen, in verband met de aangroeiende menschelijkheid en verfijning van de beschaving, een neiging, die onvermijdelijk leiden moet tot het meer en meer brandmerken zoowel van de vrouwen die prostituées worden, als van de mannen, die ze opzoeken; aan den anderen kant, maar misschien door dezelfde dynamische kracht, is er een neiging de prostitutie langzamerhand terzijde te stellen door een gelukkige concurrentie van hooger en reiner methoden van sexueele verhoudingen, die vrij zijn van geldelijke overwegingen. Deze verfijning en veredeling, deze concurrentie der prostitutie door betere vormen van sexueele liefde, zijn inderdaad een essentieel deel van den vooruitgang, naarmate de beschaving meer waarlijk gezond, krachtig en waarheidlievend wordt.
Waarschijnlijk zal deze moreele verandering vergezeld gaan van de erkenning, dat de feiten van het menschelijk leven van meer belang zijn dan de vormen. Want alle overgangen van lagere tot hoogere maatschappelijke vormen, van den natuurstaat tot de beschaving, zijn—voor zoover zij veranderingen zijn, die het leven raken—vergezeld gegaan van een langzaam en moeilijk tasten naar de waarheid, dat alleen in natuurlijke verhoudingen gezondheid en heiliging kan gevonden worden, want, zooals Nietzsche zeide, de “terugkeer” tot de natuur moest eerder de “opstijging” genoemd worden. Zoo alleen kunnen wij verkrijgen, dat uit onze harten eindelijk die vastgeroeste traditie verdreven wordt, dat er eenige onreinheid of schande is in daden van liefde, waarvoor de door het verstand voorgeschrevene en niet alleen de conventioneele voorwaarden vervuld zijn. Want het is een ijdel pogen te trachten onze wetten te verbeteren, of zelfs onze verordeningen, voordat we eerst onze harten verbeterd hebben.
Het zou misplaatst zijn hier verder in te gaan op de moreele kwestie, zooals zij zich heden ten dage begint te vormen in de sexueele sfeer. In een psychologische bespreking behoeven we alleen maar de werkelijke houding uiteen te zetten van den moralist en van de beschaving. De uitwerking van de praktische gevolgen van die houding moeten we aan moralisten en sociologen en de gemeenschap in het algemeen overlaten.
Ons onderzoek heeft tevens, zooals we mogen hopen, aangetoond, dat wie de kwestie van de prostitutie in de praktijk behandelen wil in de allereerste plaats de waarschuwing niet vergeten mag, die, wat vele andere maatschappelijke problemen aangaat, belichaamd is door Herbert Spencer in zijn vermaard voorbeeld van de gebogen ijzeren plaat. Als we trachten de gebogen plaat plat te krijgen, dan heeft het geen zin, zooals Spencer aangetoond heeft, direct op het opgebulte gedeelte los te hameren; als we dat doen, dan blijkt al gauw, dat we de zaken erger gemaakt hebben; ons hameren moet, om resultaat te hebben, zijn in de omgeving van, en niet direct òp de hinderlijke verheffing, die we willen verwijderen; zoo alleen kan de ijzeren plaat plat gehamerd worden112. Maar dit axioma is door de moralisten niet begrepen. De gewone, praktische hervormer heeft—van den tijd van Karel den Groote af—altijd weer zijn vuist direct laten neerkomen op het kwaad der prostitutie en hij heeft de zaken steeds erger gemaakt. Alleen door met beleid buiten het kwaad en er om heen te werken kunnen we hopen het met succes te verminderen. Door er naar te streven de verhoudingen van mannen tot vrouwen, en van vrouwen tot vrouwen te ontwikkelen en te verheffen, door onze opvattingen over sexueele verhoudingen te wijzigen, en door een gezonder en meer ware opvatting over vrouwelijkheid en over de verantwoordelijkheden van vrouwen, zoowel als van mannen, in te voeren, door, maatschappelijk zoowel als economisch, een hooger niveau te bereiken van menschelijk leven—alleen door zulke methoden kunnen wij met reden eenige vermindering en verzachting van het kwaad der prostitutie verwachten. Zoolang wij niet in staat zijn tot zulke methoden, moeten we tevreden zijn met de prostitutie, die we verdienen, en dan moeten we leeren ze te behandelen met het medelijden, en den eerbied, waarop een zoo in het leven grijpende misvorming in onze beschaving aanspraak maken mag.