[Inhoud]

Hoofdstuk XII.

1. De Tao van den Kiün Tszʼ is eindeloos, en (toch) verborgen.

2. Gewone mannen en vrouwen, in hun domheid, kunnen met de kennis er van iets te maken hebben; maar wat betreft het opperste er van, al is iemand een Wijze is er iets in, wat hij niet weet. Gewone mannen en vrouwen, in hun onwaardigheid, kunnen er iets van begaan; maar wat betreft het opperste (van Tao), is er (altijd) iets, wat zelfs een Wijze niet kan. (Zelfs) in de grootheid van Hemel en Aarde is iets wat den menschen (nog) hatelijk is.

Daarom, als de Kiün Tszʼ de grootheid (van Tao) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel [92]zijn, dat het kan omvatten; als hij de kleinheid (er van) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel zijn, dat het kan splijten.

De meeste vertalers zijn het eens, dat dit tweede artikel zeer duister is. Legge o. a. is zoo eerlijk om ronduit te verklaren „I confess to be all at sea in the study of this paragraph.” Ook met de commentaar van Choe Hie kan ik in dezen niet meegaan.

Mijn bescheiden meening—die ik gaarne voor een betere geef—is de volgende:

„De Tao (d. i. levensweg aangepast aan de Sing) van den Kiün Tszʼ is eindeloos en toch verborgen,” begint Tszʼ Szʼ (want hier is het niet meer Confucius’ die spreekt). De Tao n.l. gaat tot in het oneindige (n.l. één zijn met Hemel en Aarde en alle dingen, zie Bespreking Hfdst I No. 5). Maar Tao moet ook gevolgd worden in het allerkleinste, verborgenste. Gewone menschen doen ook wel eens zoo iets aan Tao, maar aan het opperste, oneindige er van komen zelfs Wijzen wel eens niet toe. Want er is altijd nog iets, zelfs in de grootheid van Hemel en Aarde, dat den mensch hatelijk is (omdat hij ’t niet kan begrijpen), en ook dus in de grootheid van Tao. Daarom wijken zij er dan weer van af, terwijl het geen oogenblik mag verlaten worden. Wil iemand de oneindige grootheid van Tao zeggen, de eindeloosheid waar Tao toe leidt, hij zou geen woorden vinden, die het omvatten. Wilde hij de kleinheid zeggen—want de allerkleinste [93]dingen hebben een Tao, in het allerminiemste en geringste en duisterste is altijd nog een Tao te volgen—hij zou het zóó klein moeten vinden, dat het door niets nog te splijten (d. i. nog kleiner gemaakt) zou kunnen zijn.

3. De Shi King6 zegt: „De havik vliegt op in den Hemel; de visschen springen in de diepte.” Dit zegt, hoe (Tao overal) boven en onder (alles) doordringt.

4. De Tao van den Kiün Tszʼ begint met (den gewonen omgang, het gewone leven van) mannen en vrouwen. Maar, aan het opperste er van gekomen, strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde.

De twee artikelen schijnen mij juist aan te passen aan mijne opvatting van het vorige. Zoo hoog als haviken vliegen, zóó reikt ook Tao hoog, en het is eveneens diep en laag, zooals visschen springen naar den bodem van het water. De Tao begint met het heel gewone leven, het huiselijk leven, den gewonen omgang met menschen, maar het opperste er van is eindeloos, en doordringt en omvat het Heelal. Immers, zooals Choe Hie zeide, „wordt Tao ganschelijk begaan, en is Choeng Yoeng geheel bereikt, dan zijn „Hemel en Aarde in mij.” Dit twaalfde hoofdstuk eindigt met het:

[94]

Nawoord.

Dit twaalfde Hoofdstuk bevat de woorden van Tszʼ Szʼ, dienende om het eerste te doen uitkomen en duidelijk te maken, namelijk „dat Tao niet mag verlaten worden.”

In de acht hoofdstukken hieronder haalt hij door elkaar woorden van Confucius aan, om het (verder) te illustreeren.