[Inhoud]

Hoofdstuk XVII8.

1. De Meester zeide: „Hoe groot was de Hiao van Shoen! Zijn deugd was die van den [102]wijze. Zijn eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom die (welke bevat was binnen al) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden steeds voor de offeringen aan hem.

2. Daarom, de groote deugd krijgt stellig haar (verdiende) positie, stellig haar jaarwedde, stellig haar roem, stellig een lang leven.

3. Aldus is het, dat de Hemel in het voortbrengen der dingen mild is volgens hun natuur (hoedanigheden). De (gezaaide) bloeiende (boomen) ondersteunt Hij. De ten val neigenden werpt Hij om.

4. De Shi King zegt: „De eerbiedwaardige, gelukwaardige prins! Hij deed eerwaardiglijk zijn groote deugd zien, hij regelde het volk en regelde zijne ambtenaren, hij kreeg zijne jaarwedde van den Hemel. De Hemel beschermde hem, stond hem bij en beschikte dat hij den troon zou krijgen; zendende herhaaldelijk deze gunsten van den Hemel.”

5. Daarom, zij die de groote deugd hebben, krijgen stellig de belooning van den Hemel. [103]

Het „jaarwedde” dat in dit hoofdstuk in ’t hollandsch eenigszins vreemd klinkt is in ’t chineesch „loeh” en dit woord is een der drie heilige en gelukaanbrengende karakters „foeh” (geluk), „loeh” (jaarwedde van mandarijnen), en „sjoe” (lang leven). Dit „loeh” wordt eveneens uitgesproken als „loeh” hert, en vandaar, dat men in chineesche decoraties op zijde, in bouwstijl enz. veel een hert ziet gebezigd, wat dan jaarwedde beteekent. Zoo ziet men voor „foeh” dikwijls een reiger, daar deze eveneens een gelijkluidenden naam draagt.

Met den „prins” in No. 4 wordt koning Wĕn, van Chow bedoeld.

Het is curieus, Confucius, wiens deugd nooit beloond werd, zulke optimistische woorden als hierboven te hooren uitspreken. Shoen werd 100 jaar oud, vandaar ook de toespeling op het lange leven.