1. De Meester zeide: „Het is alleen koning Wĕn, die geen verdriet had. Zijn vader was koning Kie en zijn zoon was koning Woe. Zijn vader maakte (zijne waardigheid), zijn zoon leverde (haar) over.”
2. Koning Woe zette het werk van de koningen Ta, Kie en Wĕn voort. Hij gordde (slechts) ééns zijne wapenrusting aan, en verkreeg het keizerrijk. Hij verloor zijn uitstekenden naam in [104]het keizerrijk niet. Zijne eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom was die (welke bevat is binnen) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden steeds voor de offering aan hem.
3. Het was aan het eind van zijn leven dat koning Woe de beschikking (van den Hemel) kreeg (over den troon), en de hertog van Chow volmaakte de deugd van Wĕn en Woe. Hij voerde het koningschap op tot Ta en Kie, en offerde aan alle hertogen boven hen met de keizerlijke ceremonieën. En dezen regel verbreidde hij over alle vorsten van het rijk, de hooge ambtenaren, de geleerden, en het gewone volk. Was de vader een hoog mandarijn en de zoon een geleerde, dan was de begrafenis die van een hoog mandarijn, de offering die van een geleerde. Was de vader een geleerde en de zoon een hoog mandarijn, dan was de begrafenis die van een geleerde, en de offering die van een hoog mandarijn. De rouwtijd van één jaar werd uitgebreid (tot gebruik) enkel bij hooge mandarijnen.
De rouwtijd van drie jaren werd alleen uitgestrekt tot den keizer. In den rouw om vader [105]en moeder werd geen verschil gemaakt tusschen aanzienlijken en minderen.
Het verband tusschen deze oude vorsten en het in vorige hoofdstukken behandelde is niet heel duidelijk. De chineesche filosoof gaat niet van één punt uit, dat hij dan streng logisch beschouwt en ontwikkelt, zooals b. v. Plato deed. Zóó hebben wij hier een verheerlijking van eenige instellingen over Lí (Decorum) die eigenlijk met Choeng Yoeng niet in logisch verband staan. Het bizondere geluk van koning Wĕn was, dat hij èn een goeden vader had èn een goeden zoon (iets wat b. v. met Yau en Shoen, die zeer slechte zoons hadden en een’ ordinairen vader, en met Yu, niet het geval was geweest). Deze omstandigheid verhoogt in chineesche oogen de glorie van koning Wĕn.
Een groote verdienste van den hertog van Chow was, dat hij ook zijne voorvaderen in de glorie van Chow deed deelen, en hen met keizerlijke ceremonieën vereerde, alsof ook zij keizerlijke vorsten waren geweest. Kie, of Kie Leih, de hertog van Chow destijds (niet te verwarren met den hertog van Chow, Woe’s broeder, die Tan heette van zich zelf) was Wĕn’s vader, en Kie Leih’s vader was Ta.
Toen Woe Wang keizer werd, was hij 87 jaar.