[Inhoud]

Hoofdstuk XIX.

1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao10 van koning Woe en den hertog van Chow!” [106]

2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen, het goed voortzetten van de zaken der voorvaderen.

3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke tempels, rangschikten zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de gebruikelijke gewaden in orde, en offerden de offeringen der seizoenen.

4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij de (keizerlijke) bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het regelen volgens den adellijken rang onderscheidden zij aanzienlijken en minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden zij talent en bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den beker aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te doen. Bij het (tot besluit aangerichte) feest werden de plaatsen geregeld volgens het haar, en zoo werden de jaren (van leeftijd) onderscheiden.

5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne ceremoniën, speelden hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen lief, die hun voorvaderen hadden liefgehad. Zóó [107]dienden zij de dooden, zooals zij de levenden zouden gediend hebben; zij dienden de verschenenen, zooals zij hen zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. Dit is de opperste Hiao.

6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en met de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun voorvaderen. Hij, die de ceremoniën van de offeringen aan Hemel en Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen aan de voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even gemakkelijk vinden als het kijken in zijn handpalm.

Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het liefhebben en eerbiedigen van de ouders, maar ook uit het navolgen van hun leven, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen Yü” dat men eerst van iemand zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken is van diens gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën van de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete hierbij vooral niet, dat hij het begaan van Tao daarvan onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken schijn te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er mede werd uitgedrukt. [108]Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die bij ceremoniën worden gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, als symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’ hooge opvatting van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der familiebetrekkingen en der rangen en standen was eveneens voor hem niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche orde der dingen.”