1. De hertog N-gai (van Loe) vroeg over regeering.
2. De Meester zeide: „De regeering van Wĕn en Woe is (te vinden) in de tabletten van hout en bamboe (de annalen). Als er (ware) menschen zijn zal de regeering bloeien; als er geen (ware) menschen zijn zal de regeering vergaan en ophouden.”
3. Met de ware menschen gaat de regeering vlug, zooals met de ware aarde de boomen bloeien, ja, hun regeering mag genoemd worden een overvloedig groeiend riet.
4. Daarom, de regeering bestaat uit (het weten te krijgen) van de (ware, geschikte) menschen. Het kiezen van de (ware, geschikte) menschen [109]ligt in het zelf (karakter van den regeerder). Het verzorgen van het zelf (karakter) bestaat uit het doen van plicht en recht. Het betrachten van plicht en recht ligt in (het betrachten van) menschlievendheid.
5. Menschlievendheid is (eigen aan) den mensch. Het voornaamste daarvan is, zijn bloedverwanten lief te hebben. Rechtmatigheid is doen wat behoort gedaan te worden. Het voornaamste daarvan is het eeren van de eerwaardigen. Steeds meer en meer zijn bloedverwanten lief te hebben en de graden van het eeren van de eerwaardigen, is wat uit de Lí geboren wordt.
6. Als de lageren (in positie) het vertrouwen (van hun Heer) niet verkrijgen kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren.
Deze tekst No. 6, neemt men algemeen aan, is hier abusievelijk ingelascht en behoort bij No. 17.
7. Daarom mag (de Vorst die) een Kiün Tszʼ (is) niet verzuimen, zijn eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders dienen, dan mag hij niet verzuimen, de menschen te kennen. Wil hij [110]de menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen.
Het directe, logische verband tusschen deze graden van kennen is niet heel duidelijk, ook bij de commentators niet.
8. De Wegen, te begaan door allen onder den Hemel (zijn) vijf; de (deugden), waarmede ze begaan worden, (zijn) drie. (Het betrachten van de plichten tusschen) Vorst en minister, vader en zoon, man en vrouw, ouderen broeder en jongeren broeder en die (van den) omgang van vrienden, dit zijn de vijf wegen, door allen onder den Hemel te begaan. Kennis, menschelijkheid11 en energie, dit zijn de drie deugden van allen onder den Hemel. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid.
Men herinnere, dat aan dit „menschelijkheid” eigen is, het gehéél zonder egoïsme zijn. Wat dat eene is, zal nader uit dit werk blijken, waar over „Chʼing” wordt gesproken. Wij zouden den eersten zin ook vrijer kunnen vertalen door „De universeele plichten zijn vijf (in getal) enz.” In No. 3 heb ik met de vertaling: „met de ware menschen” niet letterlijk vertaald, omdat ik in twijfel was. Ik heb daarom de door anderen o. a. Legge genomen versie genomen, die vrij en niet letterlijk is vertaald.
9. Sommigen worden met de kennis (dier [111]plichten en deugden) geboren; sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar (eenmaal) weten is het ’t zelfde. Sommigen betrachten haar gemakkelijk (uit den aard hunner natuur); sommigen om het voordeel (van het goede, er mede te doen); sommigen door krachtdadige pogingen. Maar als het (werk eenmaal) volmaakt is, is het (resultaat) ’t zelfde.”
Hierin wordt No. 8 nader toegelicht. Men lette hier op het verband tusschen de kennis—correspondeerende met het met die kennis geboren worden en het (uit den aard der natuur) gemakkelijk betrachten—de menschelijkheid, correspondeerende met het voordeel (van het goede, er mede te doen)—en de energie—correspondeerende met het krachtdadig pogen. Het resultaat is één. Het volgende nummer gaat hierop logisch door:
10. De Meester zeide: „Houden van de studie is dicht bij kennis zijn. Krachtdadig beoefenen is dicht bij menschelijkheid zijn. Schaamte kennen is dicht bij energie zijn.
11. Wie deze drie kent weet hoe hij zijn karakter heeft te verzorgen. Wie weet, hoe zijn karakter te verzorgen, weet hoe hij (andere) menschen kan regeeren. Wie weet, hoe (andere) [112]menschen te regeeren, weet hoe de staten en families van het geheele rijk te regeeren.
12. Allen, die het rijk regeeren, hebben (zich te houden aan) negen fondamentale regels; „de verzorging van het (eigen) karakter, het eeren van de eerwaardigen, liefhebben (en nabijkomen) van bloedverwanten, eerbied hebben voor hooge ambtenaren, beleefde welwillendheid tegenover alle andere ambtenaren, het geheele volk beschouwen als kinderen, het aanmoedigen van de verschillende ambachten, (vriendelijk en) zacht zijn tegen verafwonenden, liefderijk zijn tegen de vorsten der (onderhoorige) staten.”
13. Verzorgt (de opperheer, de regeerder) het eigen karakter, dan zijn de universeele plichten gegrondvest. Eert hij de eerwaardigen, dan wordt vergissing (in ’t beoordeelen en benoemen) voorkomen. Heeft hij zijne bloedverwanten lief, dan is er geen onaangenaamheid tusschen zijne ooms en broeders over en weer. Eerbiedigt hij de hooge ambtenaren, dan is er geen verwarring. Is hij beleefd en welwillend tegenover alle (andere) ambtenaren, dan beantwoorden zij dit met dankbaarheid. Beschouwt hij het geheele volk als kinderen, dan zal het zich onderling vermanen [113](tot het goede). Moedigt hij de ambachten aan, dan heeft hij nut van zijne uitgaven. Is hij (vriendelijk en) zacht tegen verafwonenden, dan komen zij van alle vier windstreken (in zijn rijk). Is hij liefderijk tegen de vorsten der staten, dan wordt hij vereerd in het geheele rijk.
14. Zelfbeheersching en helder doorzicht, het verzorgen van zijn kleeding, en geen beweging maken, die niet gepast aan de Lí is,—dat is de manier (voor den Regeerder) om zijn eigen karakter te verzorgen. Laster van zich afstooten, zich verwijderd houden van de schoonheid, rijkdom gering schatten, de deugd hoogachten,—dat is, hoe hij de eerwaardigen moet aanmoedigen. Hun een eervolle positie te geven en hun traktement vast te stellen, met hen gelijk op lief te hebben en te haten,—dat is de manier om tot liefhebben van bloedverwanten aan te moedigen. Hun volop ambtenaren te geven om hunne bevelen en opdrachten te volvoeren,—dat is de manier, om groote ministers aan te moedigen. Hun een loyaal vertrouwen te schenken, en hun traktement solide te maken,—dat is de manier om alle (andere) ambtenaren aan te moedigen. Het slechts op (gepaste) tijden [114](voor diensten) te gebruiken, en lichte belastingen heffen,—dat is de manier om het volk aan te moedigen. Dagelijks hun werk te onderzoeken en maandelijksche proefwerken te doen houden, en hunne rantsoenen in overeenstemming met hun arbeid te maken,—dat is de manier, om de honderd (verschillende soorten van) ambachtslieden aan te moedigen. Hen bij hun vertrek een uitgeleide te geven, en hen bij hun aankomst tegemoet te gaan, de goeden (onder hen) geluk te wenschen, en de onbekwamen te bemedelijden,—dat is de manier om de verafwonenden (vriendelijk en) zacht te behandelen. Families, welker lijn van afstamming verbroken is, (weer) te herstellen, de orde te handhaven in staten, waar verwarring is, en te helpen, wie in gevaar zijn, op vaste tijden audiënties te geven en hen te ontvangen, ruime geschenken te geven bij hun vertrek, en (slechts) geringe aan te nemen bij hun komst,—dat is de manier om de vorsten van de staten liefderijk te behandelen.
Met die ambachtslieden, die proefwerken doen, zullen wel bedoeld zijn, die welke door het gouvernement worden gebruikt. Het weer-herstellen der families wordt gedaan, door z. g. „stamhouders” te benoemen.
[115]
15. Allen, die de regeering over het rijk voeren met zijn staten en families, hebben deze negen fondamenteele regels. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid.
Men ziet hier, evenals in No. 9, dat telkens na de opsomming van plichten, deugden of dergelijken wordt gezegd, dat hetgene, waardoor ze worden toegepast, één is. In de voorrede heeft de filosoof Chʼing al gezegd, dat het boek spreekt van het ééne principe dat uitgespreid tien duizend (d. i. in ’t chineesch: alle) dingen omvat. De geheele „Choeng Yoeng” is de verheerlijking van die eenheid.
De bovenbedoelde eenheid, waar alles door wordt toegepast, gaf Confucius (of misschien Tszʼ Szʼ) den naam „Chʼing”, alweer een absoluut onvertaalbaar woord, van zóó mystieke beteekenis, dat geheele scholen van chineesche geleerden er de meest verschillende uitleggingen van gaven. Ik meen, dat de drie begrippen te zamen: „absolute waarheid, absolute puurheid, absolute oprechtheid” het ongeveer omvatten. Ik zal echter het chineesche woord behouden. Samuel Johnson (Oriental Religions: China) zegt er van: „And the chinese Chʼing is confessedly no less than the ideal of personal wholeness or integrity as the motive of conduct or steadfast culture of the shoots of goodness in one’s own being.” Prof. Legge, ook verklarend, dat het eigenlijk onvertaalbaar is, vertaalt het door „sincerity,” en geeft de volgende hoofddefinities op: „Men zegt ons, dat „de geleerden der Han dynastie [116]geheel onwetend waren van zijn (Chʼing’s) bedoeling.” Onder de Soeng dynastie kwam eerst Lie Pang Chih, die het definieerde „Vrij zijn van alle bedrog”. Na hem zeide Sioe Choeng Kioe dat het beteekende „altijddurendheid”. Toen noemde een der Chʼings het „vrij zijn van alle moreele dwaling”, en eindelijk voegde Choe Hie hier het positieve element bij van „waarheid en realiteit”, waarmede de definitie van den term compleet was. Eenvoud of éénheid van ziel schijnt te zijn wat voornamelijk met den term bedoeld wordt; de dispositie tot en capaciteit voor wat goed is, zonder eenig bedervend element, met geen gebrek van verstand, of invoeging van zelfzuchtige gedachten. Dit („Chʼing”) hoort bij den Hemel, bij Hemel en Aarde, en bij den Wijze.”
Ik zou bij deze beschrijvingen van Prof. Legge nog dit willen voegen, dat ik dus geloof dat Chʼing beteekent „de oorspronkelijke toestand van de Sing”, zooals die volmaakt puur en rein is, de zuivere, diviene staat der natuur. Dit dan verwant aan „Yoeng”. Uit een en ander volgt tevens nog deze hoofdidee van de confucianistische leer, die men toch vooral onthoude: „dat alle deugden natuurlijk voortvloeien uit de Sing, en dus geen toevallige door de menschen gemaakte begrippen zijn, maar in de natuurlijke orde der dingen liggen.”
16. Over ’t algemeen, als dingen vooraf voorbereid zijn, zijn zij (vast) gegrondvest; als ze niet voorbereid zijn gaan ze te niet. Als woorden [117]vooraf vastgesteld zijn, heeft er geen struikelen plaats; als zaken vooraf gesteld zijn, is er geen moeilijkheid. Als daden vooraf vastgesteld zijn, is er geen ellende. Is de Tao vooraf vastgesteld, dan is het nut daarvan onuitputtelijk.
17. Als lageren (in positie) (het vertrouwen van hun Heer) niet verkrijgen, kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. Er is een weg om het vertrouwen van zijn’ Heer te verkrijgen: als men het vertrouwen van zijn vrienden niet verkrijgt, zal men het ook niet verkrijgen van zijn’ Heer. Er is een weg, om het vertrouwen van zijn’ vrienden te verkrijgen: als men niet gehoorzaam is aan zijn ouders zal men (ook) niet (loyaal en) oprecht zijn tegen zijn vrienden. Er is een weg, om gehoorzaam te zijn aan zijn ouders: als, zich in zich zelf keerende, men gebrek aan „Chʼing” (ziet), zal men ook niet gehoorzaam zijn aan zijn ouders. Er is een weg om „Chʼing” te hebben: als men niet helder weet wat Goed is, zal men zijn zelf ook niet tot „Chʼing” kunnen brengen.
Men leze toch vooral goed, wat in het No. 15 van dit hoofdstuk bij de bespreking over „Chʼing” gezegd is, daar dit chineesche woord verder herhaaldelijk voorkomt. Ik heb de oorspronkelijke constructie „er is een weg” [118]behouden, hoewel die niet positief maar negatief wordt aangeduid, wat in westersche logica in dezen niet heel mooi is.
Blijkbaar is dit lange hoofdstuk XX als ’t ware een genesis van plichten en deugden, allen nauw verwant, en uit éénen Oorsprong, de Sing, en allen in den weg liggende van Tao, die evenmin één oogenblikje verlaten kan worden, als de volmaakte toestand „Chʼing”, absoluut puur zijnde, één vlekje toelaat.
18. „Chʼing” is de Tao van den Hemel. Het bereiken van „Chʼing” is de Tao van de menschen. Zij, die „Chʼing” hebben treffen precies (het ware) zonder zich (te behoeven) in te spannen, en verkrijgen (het weten) zonder (te behoeven) te denken; die natuurlijkerwijze vanzelf de Tao (precies) treft, is de Wijze. Zij, die „Chʼing” bereiken, zijn zij, die het Goede kiezen, en het stevig vasthouden.
Hier vindt men dus het idee van een ideaal mensch, den Wijze, die geheel vanzelf, zonder dat hij zich behoeft in te spannen, den waren Tao weet en precies treft. Hoe gevaarlijk het is, Tao per se met Weg te vertalen blijkt uit den eersten zin hier, waarin het een toestand is, die van absolute reinheid en puurheid.
19. Zij, die ver (door) studeeren, nauwkeurig [119]onderzoeken (wat goed is) en er navragen, met zorgzaamheid er over nadenken en helder onderscheiden, betrachten ernstig (het bereiken van „Chʼing”).
20. Als er iets is, wat hij niet bestudeerd heeft, of er is iets, wat hij niet kan begrijpen, zal (de Kiün Tszʼ die „Chʼing” wil verkrijgen) niet zijn arbeid staken. Als er iets is, waarover hij niet gevraagd heeft, of er iets is, waarover hij gevraagd heeft, dat hij niet weet, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, waarover hij niet heeft nagedacht, of er iets is, waarover hij heeft nagedacht, (maar) dat hij niet te weten is gekomen, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, wat hij niet onderscheiden heeft, of er iets is in wat hij onderscheiden heeft (en) dat hem niet helder is, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, wat hij niet betracht heeft, of er iets is, wat hij betracht heeft, (maar) waarin hij te kort komt aan ernst, zal hij zijn arbeid niet staken. Als een ander het in één (poging) kan (doen), doet hij het in tien. Als een ander het in honderd kan (doen), doet hij het in duizend.
Een commentator wijst er op, dat wij hierboven een [120]illustratie hebben van het begrip „energie” in No. 8 van dit hoofdstuk.
21. Kan men dus dezen weg begaan, dan zal men, ofschoon (eerst) traag van begrip (zijnde), helderwetend worden, ofschoon (eerst) zwak (zijnde), energiek worden.