1. Hoe groot is de Tao van den Wijze!
2. Eindeloos als een oceaan (zijnde) doet het13 alle dingen ópkomen en voedt het hen, en het rijst óp tot de opperste hoogte van den Hemel!
3. Volmaakt is zijn grootheid. Het omvat de [131]driehonderd regels van de Lí en de drieduizend regels van gedrag.
4. Het wacht op den (rechten) mensch, en daarna wordt het begaan.
5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de opperste Tao niet verwezenlijkt worden.”
6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds onderzoek doen en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid en grootheid kent, van het grofste tot het fijnste, het doende oprijzen tot die hoogte en die helderheid, totdat hij in „Choeng Yoeng” gaat. Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) het nieuwe weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden.
Men lette er op, hoe in No 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en in No 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der menschen, als b. v. de Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij onafscheidelijk van Tao is.
7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een lage positie niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens [132]recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen; als het rijk wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen voldoende zijn het hem te doen verdragen. De Shi King zingt: „Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt hij zijn persoon.” Is dit niet zoo?