[Inhoud]

Boek XVIII.

Hwoey van Lioe Hia was strafrechter, en werd driemaal ontslagen. Iemand vroeg hem: „Zoudt gij, Heer, nog niet kunnen weggaan (naar elders)?” (Hwoey) zeide: „Als ik op oprechte wijze de menschen dien, wáár zou ik heen moeten gaan om niet driemaal ontslagen te worden? Als ik de menschen op een kromme wijze dien, waarom zou ik dan absoluut uit het land van mijne ouders gaan?”

Hwoey hier was een rechterlijk hoofdambtenaar in Loe. Hij was een opperste strafrechter, boven magistraten staande, maar onder den minister van Justitie. Zijn antwoord getuigt van de verdorvenheid zijner tijden. Ik heb hier opzettelijk „krom” vertaald om de tegenstelling met recht, zooals in ’t chineesch staat, waar „oneerlijk” of „onoprecht” beter zou zijn in het hollandsch.


Hertog King van Tsʼi zeide omtrent zijne behandeling ten opzichte van Confucius: „Ik kan hem niet behandelen als het hoofd der clan Kie. Ik zal hem behandelen als tusschen deze en het hoofd der Meng clan in.” (En hij) zeide: [266]„Ik ben oud. Ik kan (zijn leer) niet gebruiken.” En Confucius ging (heen).


Het volk van Tsʼi zond meisjes-muzikanten (naar Loe); Kie Hwan ontving haar en in drie dagen werd geen audiëntie gehouden. En Confucius ging (heen).

(In „Het Leven van Confucius” reeds besproken.)


Tszʼ Loe, den Meester volgende, bleef (eens) achter en ontmoette een oud man, die een mandje voor onkruid op zijn’ schouder droeg aan een staf. Tszʼ Loe zeide vragend: „Heer, hebt gij mijn’ Meester gezien?” De oude zeide: „Uwe vier leden (zijn) niet (gewoon om te) bewegen. Gij kunt de vijf soorten graan niet onderscheiden. Wie is uw Meester?” Hij stak zijn staf in den grond, en wiedde.

Tszʼ Loe bracht zijne handen samen voor de borst en bleef voor hem staan.

De oude hield Tszʼ Loe bij zich om bij hem te overnachten, slachtte een kip, bereidde gierst, gaf hem te eten, en deed hem kennismaken met zijn twee zonen. Den volgenden dag ging Tszʼ Loe (verder) en deelde het (aan Confucius) mede.

De Meester zeide: „Het is een, die zich teruggetrokken [267]heeft” en zond Tszʼ Loe terug om hem weer te ontmoeten, maar toen deze (aan zijn woning) aangekomen was, was hij heengegaan.

Tszʼ Loe zeide: „Geen ambt aanvaarden is geen plichtmatigheid. De betrekking tusschen oud en jong mag niet veronachtzaamd worden, hoe zou dan de betrekking tusschen Vorst en onderdaan veronachtzaamd kunnen worden? Zich zelven rein wenschende te houden, laat (deze oude) die groote betrekking in verwarring komen. De Kiün Tszʼ aanvaardt een ambt en oefent het uit met (de plichten volgens) zijn plichtmatigheid. Dat zijn Leer niet begaan wordt, dát weet hij al (vooruit).”

Dit geval sluit zich aan bij de in „Het Leven van Confucius” door mij geciteerde van de ontmoeting met den krankzinnige Tsieh Yü en die met de twee landbouwers op het veld, Chʼang Tsü en Kieh Neih, die in hetzelfde Boek XVIII hier onmiddellijk aan vooraf gaan. De oude man, hier bedoeld, was oorspronkelijk geen landbouwer, maar een geleerde of wijze, die, de slechtheid der tijden inziende, zich wijselijk in de eenzaamheid had teruggetrokken. De oude man verweet als ’t ware Tszʼ Loe met zijn antwoord, dat hij, in stede van zich ook als gewoon landbouwer terug te trekken en zich [268]met handenarbeid bezig te houden, maar steeds overal met Confucius mede rondzwierf om toch maar ergens diens Leer als hoog gezagbekleeder ingang te doen vinden. Confucius begreep dit, en zond Tszʼ Loe terug, om hem te halen. Tot wien Tszʼ Loe later sprak, toen de Oude er niet was, wordt niet vermeld, vermoedelijk tegen zijn zonen. Confucius, die de vijf Loen, of betrekkingen (vader-zoon, vorst-onderdaan,16 man-vrouw, oudere broeder-jongere broeder, vriend-vriend) als de door den Hemel ingestelde orde der dingen beschouwde, vond het een zonde tegen den Hemel, om niet zijn’ vorst te dienen, ook al wist men vooruit, dat zijn Leer geen ingang zou vinden (of, zooals er letterlijk staat „dat de Tao niet begaan wordt”) en dat niets dan teleurstelling het loon zou zijn. Hierin verschilde hij in principe met Lao Tszʼ die, eenmaal archiefbewaarder geweest zijnde, toen de tijden slecht waren, verdween, en nooit meer iets van zich liet hooren.

Het samenbrengen van de handen op de borst en dan stilstaan, wat Tszʼ Loe deed, is een betuiging van eerbied volgens de Lí.


De hertog van Chow zeide tegen den hertog van Loe: „De Kiün Tszʼ verwaarloost zijn bloedverwanten niet. Hij maakt, dat de hooge ministers niet op hem toornen, doordat hij hen niet (in den dienst) zou gebruiken. Als er geen groote [269]oorzaak voor is, ontslaat hij niet de ambtenaren uit oude families. Hij zoekt niet naar vaardigheid (voor alle ambten) in één mensch.”

De hertog van Loe was de zoon van den hertog van Chow, en werd door zijn vader, die zelf recht had op de regeering, maar daartoe geen tijd had, naar Loe als regeerder gezonden met deze wijze les. De geleerde Koei Shi zegt hierover: „Deze vier dingen zijn de zaken van den Kiün Tszʼ en het opperste van de trouw en de eerlijkheid.”