De inspecteur van politie Baxter van de geheime afdeeling zat in zijn werkkamer, die zich in Scotland Yard bevond, de schrik van alle misdadigers.
Hij stond aan het telegraaftoestel naast zijn schrijftafel en las met gespannen aandacht de geheime berichten, die hem van de verschillende politiebureaus werden toegezonden.
Zenuwachtig liet de inspecteur de smalle, eindelooze papierstrook door zijn vingers glijden.
Plotseling werden zijn oogen grooter. Alsof hij een spook zag, zoo keek hij naar het juist aankomende telegram.
Zijn gelaat werd bleek, hij stiet een kreet van verbazing en woede uit, daarop sprong hij naar zijn schrijftafel, drukte haastig op een electrischen knop en na eenige seconden snelden meerdere geheime beambten van zijn afdeeling de kamer binnen.
„Wat is er gebeurd?” riep detectieve Tyler uit, een groote, breedgeschouderde kerel.
„Een spook! Het is meer dan gek!” riep de inspecteur opgewonden uit. „Daar ontvang ik een raadselachtig telegram, afgezonden door John Raffles, den kerel, die door den duivel zelf beschermd schijnt te worden. Het is hem gelukt, een verbinding te krijgen met onzen geheimen kabel. Die man schijnt met bovenaardsche machten in contact te staan.
Nu bezitten wij geen geheime geleiding meer! Hij is nu in staat, onze onderlinge telegrammen te controleeren.
Dat is de dolste streek van dien Raffles, heeren! Overtuigt u zelf!”
Nieuwsgierig verdrongen de beambten zich om den inspecteur Baxter en staarden op de papierstrook van het morse-seinapparaat, waarop te lezen stond:
„inspecteur van politie baxter, scotland yard. veroorloof mij, u zoo kort mogelijk, langs dezen weg, mede te deelen, dat ik in de eerstvolgende vierentwintig uur de brandkast van lord edward lister zal plunderen. ik zal zoo vrij zijn, u voortaan mijn plannen steeds langs dezen weg mede te deelen. met de meeste hoogachting voor u en scotland yard. raffles.”
„Raffles!” herhaalden de beambten.
„Ja, heeren”, riep Baxter, „deze John Raffles brengt mij in een krankzinnigengesticht. Ik kan aan niets meer denken dan aan Raffles. De couranten van het binnen- en buitenland drijven den spot met ons. De brutaliteit van den onbekenden dief overtreft alle grenzen. Voortaan zal hij ons zelfs aankondigen, welke misdaden hij van plan is, te begaan.”
„Hij wil het u gemakkelijk maken, inspecteur, het is een zeer beleefd mensch!” meende detective Marholm, welke door de Londensche misdadigers „De Kakkerlak” werd genoemd.
Hij glimlachte spottend en maakte daardoor zijn chef nog woedender.
Inspecteur Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel en riep met toornig gelaat: „Gij amuseert u op een eigenaardige manier, detective Marholm!”
„Ik ontken niet”, antwoordde deze, „dat die geschiedenis mij vermaakt en voor dien man heb ik respect!”
„Gij behoeft geen respect voor hem te hebben. Ik wil mijn hoofd verwedden, dat ik hem dezen keer vang.” [9]
„Wat heeft Sherlock Holmes u geantwoord?” vroeg Tyler.
Het gelaat van den Engelschen politiebeambte kreeg een uitdrukking van misnoegen bij het hooren van den naam van zijn wereldberoemden collega.
„Hier ligt een brief Van Mr. Holmes over deze zaak en hij schrijft mij, dat hij de misdaden van dezen man zoo vermakelijk vindt, dat hij hem niet wil storen in zijn werk en er dus voor moet bedanken om Scotland Yard de behulpzame hand te bieden.”
„Dat wil zeggen,” sprak Tyler, „dat Sherlock Holmes den spot drijft met Scotland Yard en ons wil toonen, hoe weinig wij zonder hem kunnen uitrichten.”
„De couranten hebben hetzelfde oordeel geveld,” zei detective Marholm. „Sherlock Holmes heeft ons door zijn wereldberoemdheid onze goede reputatie ontnomen.”
„Deze John Raffles maakt me gek”, herhaalde inspecteur Baxter op verdrietigen toon, „geheel Londen amuseert zich. Hoe mag de schurk er wel uitzien?”
In dit oogenblik belde de telefoon.
Tyler ging naar het toestel, terwijl de anderen zwijgend wachtten.
Plotseling begon de groote, breedgeschouderde man te sidderen, alle kleur week uit zijn gelaat en zijn rechterhand zocht steun op de schrijftafel.
Verbaasd keken zijn collega’s hem aan.
„Wat is er, Tyler?” vroeg Baxter.
Deze wenkte hem te zwijgen, daarop riep hij op zenuwachtigen toon: „Ja!” in de microfoon, legde den hoorn op het toestel en sprak gejaagd.
„Wij moeten dadelijk naar het kantoor van den bankier James Gordon in Oxford Street. De bankier ligt daar bewusteloos bij den haard. Uit de brandkast zijn 3865 pond sterling gestolen.”
„Wie gaf het bericht?” vroeg Baxter, die zich dadelijk gereed maakte om te gaan.
„Wie?” herhaalde Tyler, diep ademhalend—„de misdadiger zelf!”
„Voor den duivel!” klonk het eenstemmig door het vertrek.
„En de inbreker zendt u, inspecteur Baxter, zijn beste groeten,” vervolgde Tyler, „en hij laat u weten, dat zijn naam is John Raffles!”
Een ademlooze stilte volgde, maar na eenige seconden riep Baxter uit:
„Voorwaarts, lui! Iedere seconde is kostbaar! Die man maakt mij krankzinnig!”
Eenige minuten later vloog een auto de groote poort van Scotland Yard uit. Daarin zaten inspecteur Baxter en vier der handigste beambten van Scotland Yard.
Het doel was Oxford Street, het kantoor van James Gordon.
In een kwartiertje hadden zij het huis bereikt, een groot gebouw, dat veel kantoorlokalen bevatte.
De portier bracht de politieambtenaren in de lift naar het kantoor van James Gordon, dat op de vierde verdieping was gelegen.
De deur was gesloten.
In een deurspleet zat een visitekaartje, dat Baxter te voorschijn haalde.
Hij las:
„Den sleutel van het kantoor heeft Jim, de liftjongen”.
Deze werd terstond gehaald.
Hij vertelde, terwijl hij den sleutel uit zijn broekzak te voorschijn haalde, dat een heer hem dezen had gegeven om hem mister Gordon te overhandigen, als hij er naar vroeg; hij had daarvoor een shilling gekregen.
„Hoe zag die heer er uit?” vroeg Baxter.
„Hij was zoo groot als u,” antwoordde de lift-boy, „en droeg een grooten, zwarten baard, een bruine jas, een bruinen hoed; hij stotterde nogal erg”.
„Welke kleur hadden zijn oogen?”
„Dat weet ik niet. Die heer droeg een donker gekleurden bril”.
Detective Marholm lachte luid. [10]
„Laat ons geen onnoodigen tijd verliezen”, drong Tyler aan.
Baxter sloot de deur open en de heeren traden het kantoor binnen.
Alles zag er zoo uit, als hun per telefoon was meegedeeld.
Voor den kleinen schoorsteen lag de oude, 70-jarige bankier met gesloten oogen.
Een zoetelijke geur van chloroform vervulde het vertrek.
Dank zij den bemoeiingen der politiemannen gelukte het, den bewustelooze weer in het leven terug te roepen.
Nauwelijks was hij in zooverre hersteld, dat hij kon spreken, toen hij opstoof:
„Wat wilt ge hier?”
Deze vraag kwam zoo onverwacht, dat de detectives den bankier verbaasd aankeken.
„Ge zijt beroofd,” sprak Baxter en hij wees op de openstaande brandkast.
De bankier maakte een onverschillige handbeweging en vroeg:
„Wie zijt ge?”
Baxter en zijn mannen dachten, dat de bankier nog onder den invloed van de chloroform verkeerde en detective Marholm sprak tot Baxter:
„Laat den bankier nog een paar minuten met rust, opdat hij zijn herinneringsvermogen kan terugkrijgen”.
Over het spitse vogelgezicht van Gordon vloog een donkerroode gloed.
Met scherpe stem vroeg hij nu:
„Ik vraag u nogmaals, wat ge hier in mijn bureau te maken hebt. Wenscht ge zaken met mij te doen?”
Baxter deed zijn overjas open en liet zijn ambtspenning zien.
Wij zijn politieambtenaren en kregen mededeeling, dat ge beroofd zijt.”
„Wie vertelde u dat?”
„De inbreker zelf,” antwoordde Baxter.
„Ge zijt gek!” riep Gordon uit. „Ge zijt gek, ik weet toch beter dan gij, wat er gebeurd is?”
De detectives begrepen er niets van.
„Wilt ge ons voor den mal houden?” vroeg Baxter boos.
De bankier richtte zijn misvormde gestalte op, wees naar de deur en snauwde:
„Als ge niet dadelijk mijn bureau verlaat, zal ik van het naburige politiebureau hulp inroepen. Ge hebt hier niets te zoeken! Ik heb u niet noodig! Ga heen!”
De detectives gingen, geheel uit het veld geslagen, naar de deur.
Daar wendde Baxter zich nog eens om en zei:
„Bedenk toch, wat gij doet, mijnheer, gij zijt overvallen en beroofd; men heeft u 3865 pond ontstolen!”
„Bemoei u met uw eigen aangelegenheden en niet met de mijne”, brulde de bankier purperrood van woede. „Ik herhaal u, dat ik u niet riep—en nu voor het laatst, ik verzoek u, mijn bureau te verlaten.”
De beambten moesten dit bevel gehoorzamen.
Toen zij zich weer buiten bevonden, keken zij elkaar aan, alsof zij aan hun eigen verstand twijfelden. Een boosaardig, hoonend lachen klonk hun van uit Gordons kantoor in de ooren.
„Zoo iets is mij in mijn geheele leven nog niet gepasseerd,” sprak Baxter eindelijk tot Tyler, „maar ik geloof, dat ik het zaakje wel zal verklaren. De man is bestolen, de inbreker zelf deelt het ons mede, wij vinden alles, zooals hij het ons beschrijft en de bestolene wijst ons de deur.”
Een boodschapsjongen kwam op dit oogenblik aangesneld en riep luid den naam van inspecteur Baxter.
„Hier!” antwoordde deze, „dat ben ik!”
De jongen reikte hem een couvert over, waarop met groote letters den naam van den inspecteur Baxter stond, aan het adres van bankier Gordon, Oxford Street.
Haastig scheurde de inspecteur het couvert open, waaruit een klein briefje en een banknoot van tien pond te voorschijn kwam.
„Voor uw bemoeiingen inzake mijn laatste inbraak [11]zend ik u 10 pond en ik hoop, dat gij dit bedrag voor een goed ontbijt zult besteden. Raffles.”
In onmachtige woede verscheurde Baxter het briefje, hij schaamde zich, zijn beambten iets van den inhoud mede te deelen.
„Laten wij nu naar Lord Lister rijden,” sprak hij tot de detectives, „al moeten we ook geheel Scotland Yard op de been brengen, deze kerel moet gevangen worden. Hij behoeft niet te gelooven, dat hij met den duivel in gemeenschap staat!”
Baxter zag het glimlachende gelaat van den „Kakkerlak” niet.
Detective Marholm amuseerde zich zooals nog nooit te voren.