In de vestibule van de kleine deftige villa van Lord Lister, in het Regent Park, had zich tegen den avond van dienzelfden dag een groote menigte menschen van verschillenden stand en leeftijd verzameld.
Allen hadden een telegram in de hand en spraken op fluisterenden toon over den merkwaardigen inhoud van deze depêches, die alle denzelfden tekst bevatten:
„Kom dadelijk bij mij, ten einde op bevredigende wijze uwe zaken af te doen met bankier Gordon.
Lord Lister, Regent Street 2”.
Een deur werd geopend.
Een slanke jonge man van ongeveer 30-jarigen leeftijd betrad vanuit een der binnenkamers van het huis de ruime vestibule: het was Lord Lister, gevolgd door zijn jongeren particulieren secretaris, die een gevulde, lederen portefeuille droeg.
De aanwezigen keken uitvorschend den jongen Lord aan en vooral de vrouwen, die zich ook daar bevonden, gevoelden dadelijk de grootste sympathie voor hem.
Een regelmatige, prachtig gebouwde gestalte en een frisch gelaat, waarop tegelijkertijd trots en edelmoedigheid lagen uitgedrukt. Met een welwillenden blik uit zijn groote, zwarte oogen keek hij naar de aanwezigen en met zijn welluidende stem sprak hij:
„Ik ontving hedenmiddag deze portefeuille van den bankier Gordon, met het verzoek, aan de verplichtingen welke hij jegens u heeft, te voldoen”.
Er ontstond een pauze.
Daarop naderde een oude man in wien men den vroegeren officier herkende, Lord Lister en antwoordde:
„Gij veroorlooft u waarschijnlijk een grap. Bankier Gordon heeft geen verplichtingen jegens ons—het tegendeel is helaas waar!”
„God moge dezen gemeensten woekeraar van geheel Londen vervloeken!” riep een vrouw uit en een derde sprak op luiden toon:
„Ik vloek het uur, waarin de noodzakelijkheid om mijn familie te redden mij in de klauwen van dien bloedzuiger dreef en evenals mij is het allen gegaan, die met hem in aanraking kwamen.”
Met luide kreten betuigden de aanwezigen hun bijval.
Lord Lister keek hen zwijgend aan. [12]
De meesten hadden sporen van zorg en kommer op het gelaat.
Om de lippen van den edelman verscheen een fijn lachje, toen hij sprak:
„Even als gij allen ken ik de reputatie van dezen woekeraar. De wet is helaas niet in staat om dergelijke menschen te straffen. Zij zijn echter veel grooter misdadigers dan die, welke in de gevangenissen worden opgesloten, want zij weten hun schandelijk bedrijf uit te oefenen onder bescherming van de wet.
Daarom ook herhaal ik u, dat bankier Gordon verplichtingen jegens u allen heeft, waaraan ik heden een einde zal maken!
Hier, mijn vrienden, overhandig ik u allen de wissels en schuldbrieven, die gij met uw hartebloed en zielsrust hebt onderteekend.
God moge u ervoor bewaren, in de toekomst nog eens in de handen van dergelijken schurk te vallen.
Open de portefeuille, Charly!”.…..
Als in een droom stonden de ongelukkigen voor den jongen Lord. Het kwam hun zoo onbegrijpelijk voor,—als een wonder van hoogerhand!
Aarzelend namen zij de papieren in ontvangst, nauwkeurig bekeken zij de onderteekeningen, als twijfelden zij aan de echtheid.
Maar geen dwaling was mogelijk.
Allen kregen hun schuldbrieven en wissels terug die zij den bloedzuiger eens hadden gegeven.
Een gevoel van oneindige dankbaarheid jegens den hun onbekenden weldoener Lord Lister, maakte zich van hen meester.
Maar toen zij hem de hand wilden drukken met tranen van dankbaarheid in de oogen, was hij verdwenen.
Alleen zijn secretaris stond nog op dezelfde plek en verzocht hun, naar huis te gaan.
Langzaam stroomde de vestibule leeg en spoedig heerschte groote rust in de kleine villa.
Bij den haard in zijn werkkamer zat Lord Lister in een gemakkelijken fauteuil, de hem nooit ontbrekende sigarette te rooken.
Zijn fijnbesneden gelaat, dat meestal een ernstige, melancholieke uitdrukking had, blikte nadenkend in de vlammen.
Dichtbij hem zat zijn particuliere secretaris en vriend Charly Brand.
De werkkamer was eenvoudig, maar voornaam en elegant ingericht.
Een breede schuifdeur leidde naar het slaapvertrek; links van deze deur stond een oud-Hollandsche klok van meer dan manshoogte, terwijl zich aan de rechterzijde een brandkast bevond.
Een bediende trad binnen en overhandigde Lord Lister met een diepe buiging de avondbladen.
De eerste bladzijde reeds, welke de Lord opsloeg droeg in vette letters het opschrift:
Raffles aan den arbeid!
Scotland Yard beetgenomen!
De nieuwste daad van den beroepsdief!
Een Londensch bankier, die niet wil weten, dat hij bestolen is!
Lord Lister lachte zachtjes en gaf zijn vriend, nadat hij de berichten had doorgezien, de couranten.
Terwijl Charly Brand de sensatienieuwtjes las, bestudeerde de edelman met gespannen aandacht het gelaat van zijn vriend; hij zag, hoe dit verbleekte.
De Lord stak een nieuwe sigarette aan.
Toen hij een paar trekjes had gedaan, sprak Charly Brand:
„Edward, in welke relatie sta jij met den bankier Gordon?”
Lord Lister lachte opnieuw, daarop wierp hij de asch van zijn sigarette in het haardvuur, haalde onverschillig de schouders op en antwoordde:
„Ik? In eenige relatie? Hoe meen je dat?”
„Ja, heb je gelezen, Edward, dat die man vanmiddag [13]bestolen is? En hijzelf ontkent het! Zoo iets geheimzinnigs heb ik nog nooit gehoord!”
„Als ik Sherlock Holmes was, zou ik dat raadsel heel spoedig hebben opgelost!” antwoordde Lord Listen
„Hoe dan?”
Charly Brand Keek zijn vriend in gespannen aandacht aan.
„Heel eenvoudig,” sprak deze, „de bestolene heeft ongetwijfeld reden te over om niet met de politie in aanraking te willen komen.”
„Jij zoudt een uitstekend detective zijn geweest!”
„Zeker,” stemde de Lord toe, „een jaar geleden, toen mijn gewone leven mij begon te vervelen, dacht ik er over na of ik niet met Sherlock Holmes zou gaan samenwerken.
Na rijp beraad kwam ik echter tot de conclusie, dat het veel interessanter moet zijn om, inplaats van den jager, het wild te zijn, of liever gezegd: inplaats van detective misdadiger te wezen.
Begrijp mij goed Charly, ik beschouw de zaak alleen uit een oogpunt van sport.
Zoo’n misdadiger moet de dubbele portie energie, slimheid en dergelijke eigenschappen bezitten, als de detective.
Hij staat alleen tegenover de groote massa”.
„Als men je hoort spreken, Edward, zou men gelooven, dat jij veel belang stelt in dien onbekenden Raffles!”
„O ja, Raffles is geen misdadiger in de gewone beteekenis van het woord, maar hij voert een voortdurenden strijd tegen die kapitalisten, welke ondanks alle mogelijke wetten, de grootste woekeraars ter wereld zijn en hij doet met het gestolene oneindig veel meer goed dan alle Londensche weldadigheidsvereenigingen te zamen.”
„Een merkwaardig mensch!” sprak Charly Brand nadenkend.
Er werd geklopt en de oude kamerdienaar Fred trad binnen, zijn meester op een zilveren blad een visitekaartje aanbiedend.
Een trek van vreugde verscheen op het gelaat van den Lord.
„Breng de dame hier!” sprak hij. „En jij, Charly, laat mij nu alleen. Ik ben vanavond verhinderd nog met je samen te studeeren!”
Charly Brand stond op, gaf zijn vriend een hand en nam afscheid.
Toen hij de kamer had verlaten, trad een dichtgesluierde jonge dame binnen.
„Miss Walton, het verheugt mij, u te zien!”
Met uitgestrekte handen begroette de Lord het jonge meisje.
Galant drukte hij een kus op haar kleine, blanke hand, daarop sprak hij:
„Ik was zoo vrij, u te schrijven. Ik moest u terugzien en het doet mij oneindig veel genoegen, dat gij gekomen zijt.”
„Ik ben u veel dank verschuldigd,” antwoordde zij eenvoudig. Daarop sloeg zij haar voile terug en vertoonde een wonderschoon gezichtje, waaruit twee groote blauwe kinderoogen den jongen Lord aankeken. Een zeldzaam contrast daarmede vormde het blauwzwarte haar.
Lord Lister bood haar een stoel aan en nam tegenover haar plaats.
„Ik heb uw hulp noodig”, sprak zij, terwijl haar schoone oogen zich met tranen vulden. „Mijn moeder is ernstig ziek en haar laatste eigendommen zijn verkocht. Ik heb op alle manieren geprobeerd, werk te krijgen. Gij weet, hoe het mij in mijn laatste betrekking is gegaan. En zooals bij Brown ging het overal, zoodat ik nu zonder eenige verdienste ben.”
„Arm kind!” fluisterde Lord Lister, „ik ken dergelijke ellendelingen, die gegeeseld moesten worden. Doch laten wij dit onverkwikkelijke onderwerp liever laten rusten. Ik heb u geschreven omdat ik morgen voor eenige maanden op reis ga, mijn lieve juffrouw, [14]en het zou mij aangenaam zijn als gij gedurende dien tijd een groot werk voor mij wildet copieeren; hieraan hebt gij voor eenige maanden werk, dat gij in uw eigen huis kunt verrichten, zoodat gij tegelijkertijd uw zieke moeder kunt verplegen.”
Hij ging naar een boekenkast en nam daaruit vijf dikke boeken over wereldgeschiedenis.
„Mijn bediende zal u deze hedenavond bezorgen en ik verzoek u, nu ik toch voor onbepaalden tijd op reis ga, dit geld aan te willen nemen als voorschot op uw honorarium.”
Hij haalde een portefeuille uit zijn borstzak te voorschijn, nam een enveloppe en deed daarin eenige banknoten.
Daarna sloot hij de envelop en gaf haar met een hoffelijke buiging aan het jonge meisje.
Zij wilde zijn hand kussen, maar hij trok deze haastig terug en sprak op vasten toon:
„Neen juffrouw, dat mag niet! Ga naar huis om uw moeder te verplegen. Als het honorarium u misschien bijzonder hoog voorkomt, dan deel ik u bij dezen mede, dat ik steeds gewend ben, goede salarissen te geven.”
Een dienaar trad binnen.
„De politiecommissaris van Scotland Yard”, kondigde hij aan.
„Baxter?” vroeg Miss Walton met een uitdrukking van angst op het schoone gelaat.
Lord Lister keek haar verbaasd aan.
„Wat scheelt eraan, Miss Walton?”
Bevend antwoordde zij:
„Sta mij toe, dit huis te verlaten, voordat die man mij ziet! Hij is een bloedverwant van mij, een koud, egoistisch mensch, die mij de deur gewezen heeft, toen ik hem om hulp voor mijn moeder kwam smeeken.”
„Een net mensch”, antwoordde Lord Lister op smalenden toon.
Toen bemerkte hij, dat Miss Waltons oogen zich met tranen hadden gevuld. Met een vriendelijk lachje trad hij op haar toe en streelde haar zachtjes over het haar.
Een behagelijk gevoel doorstroomde het jonge meisje. Lord Lister kwam haar niet meer als een vreemde voor.
„Hoe zal ik u danken?” fluisterde zij en haar oogen keken hem liefdevol aan.
Hij gevoelde, dat zij willoos al zijn wenschen zou hebben ingewilligd.
Een oogenblik kwam het verlangen in hem op, het mooie jonge meisje in zijn armen te sluiten en haar roode lippen te kussen.
Zoo iemand, dan had hij daarop alle recht.
Seconden lang keken zij elkander diep in de oogen en tusschen hen beiden werden nauwe liefdesbanden geknoopt.
Maar al spoedig kreeg Lord Lister alle zelfbeheersching terug.
Hij boog zich voorover en drukte een zachten kus op het voorhoofd van het schoone meisje.
Toen sprak hij:
„Ga nu naar huis, Miss Helene, misschien heb ik nog eens uw hulp noodig!”
Hij drukte het meisje de hand, schelde den kamerdienaar en zei dezen Miss Walton door een zijgang het huis uit te brengen.
Zijn gelaat werd ernstig.
Hij ging zitten in zijn fauteuil en stak een sigaret op. Toen hij een paar trekken gedaan had, schelde hij den dienaar opnieuw, klemde zijn monocle in het oog en wachtte in onverschillige houding de komst van commissaris Baxter van Scotland Yard af. [15]