„Ik kom om u te beschermen”, sprak de commissaris, toen hij tegenover Lord Lister stond.
Een spotlach speelde om den mond van den gentleman, toen hij vroeg:
„Om mij te beschermen? Dat is heel interessant. Ik wist waarlijk niet dat ik bescherming noodig had. Zie ik daar misschien naar uit?”
Hij rekte zijn fraai gebouwde, athletische gestalte, die een eind boven die van den politieman uitstak.
„’t Is ook niet voor uwe persoonlijke bescherming!”
„Dat begrijp ik! Ik zou niemand raden, met mij te vechten! Ik heb verscheidene prijzen in boksen en worstelen gewonnen en ben in mijn club bekend als de beste vechter en schutter. Ik schiet u een halve penny tusschen duim en wijsvinger weg.”
„Ik zei u toch al, dat het niet om uw persoon, maar om uw bezittingen gaat.”
Lister wees naar zijn brandkast.
„Mijn eigendom ligt daar uitstekend bewaard!”
„Maar ondanks dat alles zal vandaag een gevaarlijk Londensch inbreker u een bezoek brengen om te probeeren, uw eigendommen te rooven.”
Lord Lister lachte luid.
„Dat is grappig! Hoe weet ge, dat men bij mij wil inbreken?”
„Scotland Yard hoort en weet alles! Wij zijn bekend als de beroemdste rechercheurs der wereld!”
„Zeer zeker!” lachte Lord Lister met lichten spot.
Baxter merkte het op.
Op ietwat zenuwachtigen toon sprak hij:
„Uwe Lordschap schijnt met een beetje geringschatting op ons beroep neer te zien sinds onze laatste mislukking met dien onbekenden Raffles.”
„Zeker”, antwoordde de gevraagde, „niemand zal ook kunnen beweren, dat ge u daarbij heel roemrijk hebt gedragen.”
„Dat geef ik toe, maar wij hebben hier ook met een bijzonderen inbreker te doen en wonderlijk genoeg, worden wij in dezen strijd tegen den onbekende niet geholpen door onzen genialen Sherlock Holmes. Deze zou waarschijnlijk dien aartsschelm allang onschadelijk hebben gemaakt.”
Lord Lister blies de rookwolkjes voor zich uit en sprak na eenigen tijd:
„Om op onze zaak terug te komen, zou de inbreker, die mij hedennacht, zooals gij beweert, met een bezoek wil vereeren, een goeden slag slaan, daar ik juist gisteren met beursspeculaties 20,000 pond sterling heb verdiend en dit geld nog niet aan de Bank heb afgedragen. De eene helft ligt daar in de brandkast, de [16]andere helft is in mijn slaapkamer weggeborgen onder mijn bed.”
„Heel verstandig”, zei Baxter, „maar het is best mogelijk, dat de dief alles weghaalt.”
„Ook al goed!” beweerde de heer des huizes op onverschilligen toon, „ik ben tegen inbraak en diefstal verzekerd en maak mij dus niets bezorgd. Alle schade wordt mij vergoed.”
„Voor mij en Scotland Yard is het aanhouden van den dief van het grootste belang en ik verzoek u om mij en mijn beambten toe te staan, dezen nacht uw huis te bewaken!”
„Uitstekend”, knikte de Lord, „mijn woning is tot uw dienst. Het is nu kwart voor acht, om acht uur heb ik een afspraak met een vriend. Mijn kamerdienaar zal u voorzien van alles wat ge noodig hebt. Weet ge misschien ook Mr. Baxter, wat dat voor een soort inbreker is, die mij bestelen wil?”
„Zeker, het is de beroemde Raffles.”
„Raffles? Alle duivelsch! Dien kerel zou ik wel willen leeren kennen. Ik zal mijn vriend schrijven dat ik vanavond verhinderd ben en ik zal u gezelschap houden. Misschien gelukt het ons met elkander, den inbreker eindelijk onschadelijk te maken.”
„Uitstekend”, antwoordde Baxter.
„Tenminste als hij komt”, beweerde de Lord. „Ik rijd nu dadelijk in mijn auto naar den schouwburg om mijn vriend persoonlijk te zeggen, dat ik vanavond niet vrij ben. Ik ben om tien uur weer hier.”
„En ik zal mijn beambten waarschuwen”, sprak Baxter. Hij zag nog, hoe Lord Lister naar zijn slaapkamer ging en daar van een fauteuil een pelsjas nam. Toen verliet de commissaris de kamer. In de vestibule wachtten vier beambten, dezelfden, waarmede hij destijds den bankier Gordon had opgezocht.
Zij beraadslaagden met elkander dat hij dien nacht in Lord Listers studeerkamer zou blijven, twee der mannen posteerden zich in de vestibule, een voor het huis, de vierde in een der bovenkamers.
Op deze wijze was dus de villa zeer streng bewaakt.
De inspecteur riep nu den kamerdienaar en ging met dezen naar de studeerkamer.
Lord Lister moest deze reeds verlaten hebben, daar het electrische licht in beide kamers reeds was uitgedraaid. De detective draaide het licht weer op.
De beide mannen stonden vlak bij den schoorsteenmantel en gingen het slaapvertrek nu doorzoeken. Een breede schuifdeur, die naar twee kanten in den muur rolde, scheidde slaap- en studeerkamer.
In de eerstgenoemde was slechts een klein venster, waarvoor ijzeren tralies. Hier vandaan voerde links een kleine deur naar de badkamer. Slaapkamer noch badkamer hadden een anderen uitgang en waren dus alleen van de studeerkamer uit te bereiken.
De rechercheur onderzocht alles nog eens nauwkeurig, lichtte de dekens op, opende kasten en deuren, en nam de kleeren er uit om zich te overtuigen, dat niemand was binnengeslopen.
De kamerdienaar had grooten schik in al deze voorzorgsmaatregelen en hij kon de opmerking niet bedwingen: „Ik geloof waarempel, dat gij ieder stofje optilt.”
„Dat geloof ik ook”, antwoordde Baxter met trotsch gebaar. „Ons ontgaat zelfs geen vloo!”
„Wenscht ge nog iets?” vroeg de dienaar en toen de rechercheur hierop ontkennend antwoordde, verliet hij het studeervertrek.
De rechercheur ging in den leunstoel bij den haard zitten en begon het avondblad te lezen. Hij had daarvoor ongeveer een uur noodig, legde toen de krant weg, haalde uit zijn zak een electrische veiligheidslantaarn te voorschijn, overtuigde zich, dat deze goed in orde was en zette haar op den schoorsteenmantel.
Daarna onderzocht hij zijn pistool en stak het wapen in den rechterjaszak om het terstond bij de hand te hebben.
Het was doodstil in huis en geen geluid verried de aanwezigheid van de detectives. In diepe duisternis gaapte de studeerkamer, maar al spoedig raakten Baxter’s oogen aan die donkerte gewend en vaag begon [17]hij de voorwerpen te onderscheiden. De gelijkmatige slingerbeweging van de groote klok was het eenige geluid, dat vernomen werd. Deze klok stond tegen den muur, waar achter, naast de slaapkamer, de badkamer lag.
Met zwaren slag verkondigde het uurwerk thans het tiende uur.
Maar wat was dat?
Baxter luisterde met ingehouden adem. Toen de klok ophield te slaan, hoorde de detective uit de slaapkamer een zacht geluid, alsof er met een stemvork op staal werd geslagen.
De blik van den rechercheur doorboorde de duisternis en toen ontwaarde hij naast het bed de flauwe omtrekken van een gestalte.
Een oogenblik stokte zijn polsslag, bliksemsnel werkten zijn gedachten. Hij geloofde eerst aan zinsbegoocheling.
Het was immers onmogelijk, dat iemand de slaapkamer kon zijn binnengedrongen, hij had alles onderzocht.
Nu hoorde hij een ander geluid, alsof een ijzeren voorwerp met geweld werd opengebroken.
In een oogenblik had de rechercheur zijn pistool te voorschijn gehaald en het electrische licht ontstoken.
Bij wat hij nu zag, fonkelden zijn oogen van vreugde.
„Eindelijk gesnapt”, doorflitste zijn brein.
In de slaapkamer, bij de opengebroken geldkist, zag hij een man in keurig avondtoilet, den cylinder op het hoofd, een zwart masker voor het gelaat.
„Halt!” riep Baxter op bevelenden toon, „of ik schiet.”
Maar ook de gemaskerde hief zijn revolver op, zoodat Baxter genoodzaakt was de lantaarn te dooven om den kogel te ontgaan.
In hetzelfde oogenblik schoot hij.
Hij had niet geraakt, want nu geschiedde iets ongedachts.
De gemaskerde sprong naar de schuifdeur en sloot deze, voordat de detective het kon beletten.
Gewaarschuwd door de schoten stormden nu de detectives het vertrek binnen.
Baxter maakte weer licht.
„Wij hebben hem! Eindelijk hebben wij den beruchten Raffles”, riep hij uit, „daarbinnen zit hij als een muis in de val! Opgepast, mannen, de revolver gereed! Voorwaarts!”
Hij snelde naar de schuifdeur, de rechercheurs volgden.
De deur werd opengeschoven.
Eén oogenblik aarzelden allen.
Het vertrek lag in duisternis gehuld en niets was er te zien, dan de geopende ijzeren geldkist.
De politiemannen doorzochten het bed, openden de kasten—niemand werd gevonden.
„Hij zal in de badkamer zijn”, riep detective Marholm en trachtte de deur te openen.
Zijn veronderstelling bleek juist te zijn, de deur was van binnen gesloten met een ijzeren grendel, die men nu met vereende krachten trachtte te forceeren.
Eerst met groote moeite gaf de deur toe.
Terwijl nu de rechercheurs in hun ijver op niets anders letten, werd plotseling de deur van de groote, oud-Hollandsche klok in de studeerkamer geopend en de gemaskerde man kwam daaruit te voorschijn.
Het meubelstuk stond tegen den muur van de badkamer en had een kunstig aangebrachte geheime deur.
De klok had een ingang van uit de badkamer, die verborgen werd door de schuifdeur, zoodra deze openstond.
Een oogenblik keek de gemaskerde om den hoek naar de rechercheurs, daarop wierp hij met een ruk bliksemsnel de schuifdeuren toe en sloot deze met een grendel. Zoodoende was hij volkomen gevrijwaard voor de politiemannen.
Met ijzige kalmte ging hij nu naar de brandkast, die hij met een geheimen sleutel opende, nam een pakket en was in het volgende oogenblik uit de kamer verdwenen.
Dit gebeurde in hetzelfde oogenblik, waarin de detectives, na wanhopige pogingen de deur eindelijk openbraken. [18]
Plattegrond van een gedeelte van John C. Raffles’ woning in Regent Park te Londen.
Toen zij de kamer binnenstormden, bleven zij ondanks hun hevige opgewondenheid een oogenblik als verstomd staan.
De deur van de brandkast stond wijd open en het inwendige daarvan zag er zwart en leeg uit.
„Alle duivelsch!” knarste Baxter, „dat is tooverij, de brandkast is leeg! Maar wij moeten hem vangen!” beval de inspecteur en hij vloog naar de kamerdeur.
De detectives renden hem na.
Maar toen hij de deur opende, stond hij tegenover Lord Lister en diens vriend Charly Brand.
„Hallo!” riep de gentleman, „goeden avond, heeren! Waarheen zoo haastig Mr. Baxter?”
„Hebt gij Raffles gezien?” riep deze uit.
„Ik? Neen!” lachte de Lord, „ik kom juist uit de club om u bij het vangen te helpen. Maar hebt gij hem misschien gezien?”
„Uwe Lordschap spot met mij!” stoof de inspecteur op, „alle gekheid op een stokje, ik heb hem inderdaad gezien, hij was in uw slaapkamer en heeft uw kas beroofd.”
„En verder?” vroeg de Lord op kalmen toon. „Hebt ge hem toen laten ontsnappen?”
Baxter antwoordde niet.
Maar in zijn plaats sprak de Kakkerlak: „Ja, uw Lordschap, wij waren zoo hoffelijk om hem met behulp van den inspecteur van politie te laten ontkomen.”
„Hou je mond!” schreeuwde Baxter woedend, „die man heeft een verbond met den duivel gesloten, hij is niet te vangen. Hij is door die kamer ontvlucht ondanks alle voorzorgsmaatregelen en scherpe bewaking. Toen ik hem ontdekt had, gooide hij die schuifdeur dicht en toen ik met mijn detectives daar in de kamer was en de deur naar de badkamer wilde openen, bemerkte ik, dat hij zich in dat vertrek bevond en dat hij de deur gegrendeld had.”
„Een wonderlijk iemand!” lachte Lord Lister, „hij heeft dus een bad genomen?”
„Dat niet, uwe Lordschap,” meende detective Marholm, „maar het schijnt toch, alsof hij door de buis van de waterleiding hierheen gekomen is, want terwijl wij in de leege badkuip zochten, heeft hij hier heel kalm de brandkast geopend en alles gestolen.”
„Die man brengt mij nog in het gekkenhuis!” steunde Baxter.
Lord Lister keek hem met een hoonlach aan, toen zijn secretaris binnenkwam.
Dezen verklaarde hij met korte woorden wat er gebeurd was en toen overhandigde hij hem de polis van de maatschappij tegen diefstal en inbraak, die hij in zijn portefeuille droeg. [19]
„Morgen vroeg kunt gij het bedrag voor mij innen”, sprak hij op uiterst bedaarden toon. „En nu, mijne heeren, geef ik u den goeden raad om, als Raffles weer eens van zijn plannen mededeeling doet, de zaak aan mij over te laten. Want om een dief te laten stelen en ontsnappen, zooals gij hebt gedaan, kan ik ook.”
Met verlegen gebaar nam Baxter afscheid en verliet met zijn mannen het huis.
Lord Lister lachte hartelijk en sprak tot zijn vriend Charly:
„Morgen gaan wij naar Berlijn, ik wil daar een oud vriend van mij bezoeken.”
„Ja, maar,” antwoordde Charly, „ik begrijp er niets van, had je werkelijk 20,000 pond sterling in je brandkast?”
„Neen,” antwoordde zijn vriend op kalmen toon, „niets dan een paar pakjes onbetaalde rekeningen.”
„Hm,” meende Charly Brand en zijn gezicht kreeg een eigenaardige uitdrukking. „Ik begrijp er nog niets van!”
„Wel, beste jongen”, riep Lord Lister uit, „begrijp je dan niet, dat die onbetaalde rekeningen, die de politie liet stelen door een zekeren jou niet onbekenden Raffles, door de verzekeringsmaatschappij op grond van dezen diefstal met 20,000 pond sterling worden betaald? Er had evengoed heelemaal niets in de brandkast kunnen zijn. De hoofdzaak is, dat Baxter en de detectives onder eede moeten verklaren, dat mij zooveel ontstolen is; en dat de maatschappij betalen moet! Zij had anders immers geen reden van bestaan!”
„Alle duivels!” steunde Charly Brand, „dat is een fameus idee! Maar hoe kom jij aan dien Raffles?”
Lord Lister nam een sigarette en stak die aan. Toen blies hij een grooten kring in de lucht en sprak, terwijl een lachje zijn mondhoeken vertrok:
„Ja, beste jongen, dat behoef je nu niet te weten, het is mij voldoende, dat jij mijn goede, trouwe Charly bent, die gelukkig niet méér begrijpt dan wat hij begrijpen moet.
Maar Raffles, mijn jongen, Raffles, dat is mijn ideaal!”