[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

BIJ „ZWARTE JACK”.

Bankier James Gordon had nadat de politiemannen hem hadden verlaten, zijn kantoor gesloten en wandelde door Oxford Street in de richting van den Tower.

Onderweg nam hij een electrische tram, die hem naar Tower Bridge bracht.

Hier, waar de trotsche Tower ligt, is een stadsgedeelte, welks bewoners de meest gevreesde en gevaarlijke misdadigers van Londen zijn.

Een groote menigte kleine straatjes en stegen met ouderwetsche gevels, kroegen en winkeltjes, was het toevluchtsoord voor het gespuis van de Engelsche hoofdstad.

In een van deze straten woonde mister Govern, een Iersch geldschieter, bij de politie bekend onder den bijnaam „zwarte Jack”.

De heilige Hermandad hield hem voor een der meest geslepen helers van de hoofdstad, maar toch was het nooit gelukt, gestolen goed bij hem te vinden.

„Zwarte Jack” verstond meesterlijk de kunst om alles, wat gevaarlijk was, te verbergen.

Men vertelde van hem, dat hij verscheiden eigen huizen bezat en aandeelhouder was in een groote zaak.

Zijn winkel was gevuld met velerlei artikelen: tonnen met scheepsbeschuit, zijden Amerikaansch spek, baren ruw goud, kleeren, meubels en kisten, en alles [20]vulde de kleine ruimte zóó, dat slechts een smalle doorgang open bleef naar de vuile toonbank, waarachter „zwarte Jack” van den morgen tot middernacht zijn klanten bediende.

Bankier Gordon en „zwarte Jack” begroetten elkaar als twee oude vrienden.

Ontelbare vuile zaakjes hadden beide „mannen van eer” in den loop der jaren met elkander verhandeld.

Door middel van een geheime veer sloot de pandjesbaas van achter zijn toonbank de winkeldeur.

Hij deed dit steeds, als zijn vriend James Gordon voor zaken bij hem kwam.

Nadat hij zich dus gevrijwaard had voor onverwacht bezoek, bood hij den bankier een sigaar.

Gordon deed eenige trekjes en wendde zich daarna tot „zwarte Jack” om dezen het verhaal te doen van de overrompeling door den genialen Raffles.

Woede en haat fonkelden uit de oogen van den bankier.

Met gebalde vuisten riep hij:

„Ik moet vandaag nog mijn eigendom terug hebben. Die schurk van een Raffles zal weten, met wien hij te doen heeft.”

De ander krabde zich eens achter de ooren.

Toen, na lang nadenken sprak hij:

„Voor den duivel! Ik heb altijd veel vertrouwen in onze zaken gehad en je weet, dat ik er geen gewetenszaak van maak om iemand naar de andere wereld te helpen. Maar nu—ik weet het niet, James, maar jij kiest je een tegenstander, tegen wien nog niemand bestand is geweest; en bovendien—wie is hij eigenlijk?”

De Bankier boog zich naar het oor van zijn vriend en fluisterde:

„Lord Lister!”

De ander stiet een kreet van verbazing uit en vroeg:

„Hoe weet je dat?”

Gordon haalde een brief te voorschijn en gaf hem „zwarte Jack”.

Deze las het opschrift.

„Mister Lyon, Strand 2, Londen, per expresse bestelling.”

„Dat is je geheim bureau”, sprak de pandjesbaas.

„Zoo is het!” antwoordde de bankier, „het toeval bracht mij daar, voordat ik hier kwam, om te zien, wat er met de post was aangekomen en ik vond dezen brief. Lees hem maar.”

Jack doorvloog den inhoud van het schrijven, dat luidde:

„Waarde Heer!

Uit naam van bankier James Gordon moet ik u uw deposito’s met rente terug betalen. Ik verzoek u, mij nog hedenavond te bezoeken.

Lord Edward Lister.

„Dat begrijp ik niet”, sprak Jack hoofdschuddend.

„Maar ik!” riep James Gordon uit, „luister! Raffles nam al mijn wissels en papieren van waarde, benevens mijn kasboek mede. Uit dat laatste liet hij de adressen overnemen en hij schreef den lieden om hun de mij ontstolen wissels terug te geven. Onder den naam Lyon heb ik geheime relaties met de Engelsche Bank. Dit weet Raffles natuurlijk niet en hij geloofde, dat Lyon ook een van mijn klanten was. Daarom schreef hij dezen brief, zoodat het mij duidelijk is, dat Lord Edward Lister en Raffles een en dezelfde persoon zijn.”

„Drommels!” riep de pandjesbaas, „dat is het brutaalste stuk, waarvan ik ooit hoorde.”

„Wie heb je bij de hand?” vroeg Gordon. „Ik heb twee flinke inbrekers noodig, die vanavond nog met mij mee naar dien schurk gaan om te probeeren mijn eigendom terug te krijgen, voordat hij alles weggeeft!”

„Dat begrijp ik niet”, mompelde Jack, „die kerel moet gek zijn om alleen voor het genoegen van andere menschen te stelen. Maar ik zal je dadelijk twee van mijn beste mannetjes bezorgen.”

Hij nam de stop van een looden buis, die in den bodem leidde, riep een paar woorden door de opening en luisterde aandachtig. [21]

Na eenigen tijd weerklonken als uit de verte drie doffe geluiden.

„Ze zullen dadelijk komen”, sprak Jack tot zijn waardigen vriend, de wonderlijke telefoon weer afsluitend.

Eenige minuten verliepen.

Daarop werd een zacht kloppen in een oude kast vernomen, die tegen een der muren stond.

Jack stond dadelijk op, sloot de ouderwetsche deur van het meubel open, en door de kleeren, die in de kast hingen, kropen twee sujetten te voorschijn met gevaarlijke tronies, die vol argwaan den bankier aanzagen.

Jack bracht de kleeren in de kast eerst weer in orde, sloot de deur toen stevig en sprak tot Gordon:

„Dit is mijn geheime uitgang naar den kelder! Die heeft al menigeen van de galg gered als Scotland Yard hem zóó dicht op de hielen zat, dat niemand meer een cent voor zijn leven zou hebben gegeven”.

Daarop sprak hij tot de beide misdadigers:

„Jongens, er is werk voor jelui!”

All right!” antwoordde de grootste van het tweetal, wiens gelaat hevig verminkt was door een messnede, waardoor zijn halve neus was weggenomen.

Hij stond onder den inbrekersnaam „het varken” bekend.

Zijn bondgenoot was een gevaarlijk misdadiger, „Halfoor” genaamd.

Govern, aldus was de eigenlijke naam van „Zwarte Jack”, deed nog een paar haaltjes aan zijn sigaar en sprak:

„Jelui moet met dezen heer een brandkast kraken. Haalt de noodige gereedschappen uit de schuur!”

„Zoo!” lachte „het varken” met zijn grogstem, „maar zeg eerst eens, wat er bij te erven valt! Krijgen we ook een mazzeltje of hij alleen?”

„De inhoud is alleen voor dien heer, alles is zijn eigendom.”

„Zoowat kennen we niet”, gromde Halfoor, „als wij een brandkast kraken en gesnapt worden, gaan wij in de bajes. Mij dunkt, dat we ook wel een duitje mogen hebben.”

„Krijgen jullie ook”, stelde de pandjesbaas gerust en toen tot den bankier:

„Hoeveel krijgen ze voor hun werkje?”

„Ik geloof, dat tien pond genoeg is!”

Het Varken liet een langdurig gefluit hooren.

Toen riep hij uit:

„Tien pond? Daar breek ik de huisdeur nog niet voor open. Sla toe, honderd pond!”

De bankier trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de vieze toonbank.

„Nou! Geef asem!” zei Halfoor. „Ik ben niet van plan om in dien vervloekten tocht hier verkouden te worden.”

„Ik geloof niet”, beweerde Jack, „dat de prijs te hoog is voor de boys. Ze zetten toch hun vrijheid op het spel.”

„En we krijgen misschien nog een paar blauwe boonen ook”, voltooide het Varken. „Die meneer schijnt niets van zaakies doen te weten.”

„’t Is goed!” stemde eindelijk de bankier toe.

„En geld bij de visch!” gebood Halfoor met brutaal gebaar.

Aarzelend haalde de bankier een portefeuille te voorschijn en betaalde het verlangde geld.

De beide schurken hielden wantrouwend de banknoten tegen het licht, voordat zij ze in hun zak lieten verdwijnen, knikten tevreden en bromden: „All right!

Toen reikten zij den bankier joviaal de hand en gingen met hem heen.

Van een zolderkamertje aan de Theems haalden zij hun inbrekerswerktuigen, namen toen een huurrijtuigje en reden door de straten van Londen naar Regent Park.

In de buurt van het huis stegen zij uit den cab en slopen rondom de villa om te zien van welken kant zij het best konden binnendringen.

Ondanks hun scherp rondsnuffelen bemerkten zij niet, dat achter het kreupelhout in den tuin twee mannen hurkten: detective Marholm en brigadier Tyler. [22]

Baxter had dit tweetal daar achtergelaten en hun bevolen het huis scherp te bewaken, daar, volgens zijn meening Raffles de villa nog niet verlaten kon hebben.

Met groote belangstelling sloegen de politiemannen de drie inbrekers bij hun werken gade.

De Kakkerlak wreef zich vergenoegd de handen en fluisterde den brigadier toe:

„Wij hebben ook meer geluk dan wijsheid! Alle duivels kerel, wij worden morgen bevorderd. Als ik me niet vergis, klimt daar de door ons gezochte bankier Gordon naar binnen.”

„Dat is onmogelijk!”

Brigadier Tyler keek nauwlettend toe.

Eenige oogenblikken later knikte hij met het hoofd.

„Je hebt gelijk, Marholm, ik zet tien pond tegen een penny, dat dat James Gordon is!”

„Vast en stellig!” fluisterde de detective, „en nu zult ge ook begrijpen, Tyler, waarom die kerel, hoewel hij ongetwijfeld door Raffles bestolen is, niets met ons te maken wou hebben. Hij was bang, dat wij achter zijn streken kwamen.”

„Zeker,” antwoordde Tyler, „dat is mij nu ook duidelijk.…”

„Kijk, nu zijn ze binnen!” viel Marholm hem in de rede. „Ze moesten eens weten, dat de brandkast leeg is. Loop nu vlug naar de dichtstbijzijnde telefoon, bij de vijfde lantaarn ginds, en bel Scotland Yard”.

All right, Sir!”

De detective was reeds in de aangegeven richting verdwenen.

Er verliep een kwartiertje eer Tyler terugkwam. Nu slopen beide het huis binnen langs denzelfden weg, dien de inbrekers genomen hadden.

Alle mogelijke gedruisch zooveel mogelijk vermijdende, bereikten zij de studeer- en slaapkamer van Lord Lister.

Toen zij het studeervertrek wilden binnentreden, hoorden zij een luid: „Halt, of ik schiet!”

Een woest gebrul volgde, daarop weerklonken verschillende schoten.

Zij drongen de studeerkamer binnen, maar in hetzelfde oogenblik, toen zij de deur openstieten, liepen zij de vluchtende inbrekers tegen het lijf.

Detective Marholm greep het „Varken” beet en gaf hem bliksemsnel een paar slagen met de vlakke hand tegen zijn slapen, zoodat de inbreker verdoofd neerstortte.

Het gelukte „Halfoor” intusschen, het venster te openen en naar buiten te springen.

„Goeden avond, heeren!” klonk het nu uit den mond van Lord Lister, die, in een huisjasje gekleed midden in de kamer stond. „U ziet, dat men mij voor den tweeden keer wilde bestelen”.

Bij deze woorden had hij het electrische licht opgedraaid en bij het schijnsel daarvan zagen de aanwezigen James Gordon neergehurkt bij de brandkast.

Tyler pakte hem beet en legde hem de handboeien aan.

De van vrees sidderende woekeraar wierp een blik vol woede en haat op den detective en Lord Lister.

Daarop kwam een uitdrukking van helsche vreugde op zijn gelaat en op Lord Lister wijzend, riep hij tot de detectives:

„Heeren! Gij hebt daar een goede vangst gedaan!”

„Zeker,” lachte Marholm, die „het Varken” nog altijd stevig vasthield. „Dezen jongen zoeken wij al heel lang. Hij heeft minstens twintig jaar te goed!”

„Neen!” riep James Gordon uit, „ik bedoel hem niet maar dien heer!”

Hij wees op Lord Lister:

„Daar staat Raffles!”

„Stapelgek!” lachte Tyler.

En Marholm meende: „Gij wilt u zeker krankzinnig houden? Neen, mijnheer, dergelijke streken kennen wij, daar vliegen wij niet in!”

„Ik bezweer u, heeren!” krijschte de geboeide bankier opnieuw, terwijl hij aan alle leden beefde, „neem dien man gevangen! Ik verzeker u, hij is Raffles!”

„Zwijg!” beet Tyler hem toe, „beleedig den persoon van zijn Lordschap niet!” [23]

In dit oogenblik hield een patrouille van Scotland Yard halt voor het huis.

Bevelen weerklonken en na eenige oogenblikken was het huis gevuld met detectives.

Na een kort onderhoud tusschen detective Marholm en den inspecteur Baxter gaf deze laatste bevel, den bankier naar Scotland Yard te brengen.

Nogmaals herhaalde de woekeraar zijn beschuldiging tegen Lord Lister en bezwoer hij den inspecteur, zijn woorden te gelooven.

Toen hij eindelijk zag, dat niemand zijn woorden geloofde, begon hij te razen en te vloeken als een krankzinnige.

Wanhopig sloeg hij met de armen om zich heen, steeds opnieuw schreeuwende: „Daar staat Raffles! Daar staat Raffles!”

„Voert hem weg!” beval Baxter kortaf, „hij wil ons laten gelooven, dat hij gek is!”

Vier sterke vuisten pakten hem beet en brachten Gordon buiten de kamer.

De detectives volgden.

In den tuin vonden zij „Halfoor” nog, die bij den sprong beide beenen gebroken had en kermend in een boschje lag.

Toen detective Marholm het laatst van allen in den patrouillewagen steeg, zag hij aan een helder verlicht venster van de bovenste verdieping het scherpe profiel van Lord Lister, die, terwijl hij hen nakeek, een sigarette stond te rooken.