PLAAT XVI.
DRIJVENDE WONDEREN DER ZEE.

Wonderbaar heerlijk en schoon is dikwijls de aanblik, dien de wereldoceaan aanbiedt, als men hem, aan boord van een schip, vooral bij avond, waarneemt. Men ziet dan op de open zee de prachtigste medusen of kwallen—die wij aan ons strand zoo menigmaal, als gladde, glinsterende schijven gelei jammerlijk hebben zien liggen te verdrogen—in haar volle levenspracht, zich dikwijls in gansche scharen achter het schip voortbewegen, als een bontgekleurde wonderwereld van glasachtige klokken en die bovendien in het donker een onvergelijkelijk schoon en fantastisch licht verspreiden. Zoo drijven die wonderdieren daarheen, in de heerlijkste kleuren en met sierlijke bewegingen, als levende klokken, uit het fijnste kristal vervaardigd.

Deze drijvende wonderen der zee, die in de bontste kleuren prijken en dikwijls in zulk een poëtisch licht stralen, behooren tot die groote afdeeling van het dierenrijk, waarvan wij reeds vroeger de zoetwaterpoliep hebben leeren kennen (zie bladz. 20), namelijk: de holzakdieren of darmholtedieren. De destijds daarvan gegeven beschrijving is dus ook op de dieren van onze plaat toepasselijk. Daar de meesten van hen ook de, toen vermelde, netelorganen bezitten, waardoor de aanraking dezer kwallen zelfs bij den mensch een sterke prikkeling teweegbrengt, vat men al deze dieren ook wel samen onder den netteren naam: neteldieren. Evenals de stekelhuidigen van de beide vorige platen, hebben wij hier ook weer te doen met straaldieren, daar de organen straalsgewijs om een as gelegen zijn, doch in plaats van het typisch getal 5, treden bij de darmholtedieren de grondgetallen 4 en 6 op den voorgrond.

Ten einde den algemeenen lichaamsbouw dezer dieren nog eens in herinnering te brengen, geven wij daarvan, met behulp van de schetsteekening M, in korte trekken, een schets voor een schermkwal, zooals die van fig. 4 op de plaat en waarvan figuur M een overlangsche doorsnede voorstelt.

Fig. M.
Overlangsche doorsnede van een schermkwal. Schets.

Evenals bij de zoetwaterpoliep van fig. F op bladz. 21, is ook bij de kwallen de mond M naar beneden gekeerd en haar lichaam kunnen wij, als ’t ware, vergelijken met een platgedrukte zoetwaterpoliep, die dus in een schijf of klok overgegaan is. Ook hier hebben wij twee lagen van het buitenste lichaamsbekleedsel: een uitwendige huidlaag (aS), waarin de netelorganen liggen en een binnenste darmlaag (iS), die de trechtervormige lichaamsholte of maag H begrenst en het voedsel verteert, terwijl zij naar beneden in een lange buis uitloopt, aan wier onderste uiteinde de mond ligt en die als den stok van het scherm kan beschouwd worden; aan den rand van dien stok staan de vangarmen en hij draagt 4 franjeachtige lappen als verlengstukken. Uit die maagholte loopen straalvormige randkanalen (rK) naar den rand van het lichaam. Tusschen de huid- en de darmlaag ligt ook hier weer de steunlaag (St), die bij de kwallen echter uitgebreid is tot het dikke, geleiachtige weefsel, dat de wanden van de klok vormt. Aan den ingesneden rand van het scherm bevinden zich talrijke tastdraden; daarvan steken er ook (bij F) in de trechterholte der maag uit voor het betasten van het voedsel en die dus „maagvoelers” genoemd worden. Verder zijn er nog vele randlichaampjes (R), die door lapjes (L) bedekt zijn en waarin zenuwen eindigen, zoodat zij als zintuigen dienst doen. Ah is de ringvormige uitholling aan de onderzijde van de schijf.

De ontwikkeling van de eieren, die in den eierstok (E) afgescheiden worden, is bij de klassen der holtedieren nog zeer verschillend, doch bij de schermkwallen is zij hoogst merkwaardig. Uit het eitje ontstaat een langwerpige larve, die, door middel van trilharen, eenigen tijd vrij in de zee rondzwemt. Later zet zij zich vast en neemt geheel en al den vorm van een poliep aan, zooals die van fig. F op bladz. 21. Doch als deze volwassen is, komen er dwarse insnoeringen in den lichaamswand, die verder doordringen en het lichaam verdeelen in een aantal ronde schijven, zoodat het er uitziet als een stapel, in elkaar passende, theeschoteltjes. Deze krijgen aan den rand uitwassen, die in vangarmen overgaan en nu laat eerst het bovenste schoteltje los en verandert weer in een gewone, vrij zwemmende kwal en achtereenvolgens volgen de overige schijven dit voorbeeld. Deze hoogst merkwaardige afwisseling van verschillende diervormen, uit hetzelfde ei ontstaan, noemt men teeltwisseling en zij is kenmerkend voor de klasse der schermkwallen. Bij de klasse der holtedieren, waartoe de vroeger behandelde, zoetwaterpoliep behoort (bladz. 20), komt deze teeltwisseling niet voor, maar toch kunnen zich daaruit bij vele soorten, ook een soort van kwallen ontwikkelen. Wij zagen vroeger (zie bladz. 23), dat zulk een poliep zich op tweeërlei wijze, zoowel door eitjes als door knopvorming, kon voortplanten. In het laatste geval ontwikkelen zich die knoppen somtijds tot een soort van zeer kleine kwallen, doch van veel eenvoudiger bouw dan de, zooeven beschreven, schermkwallen, en men noemt die klasse daarom de kwalpoliepen. Dikwijls blijven deze knoppen echt voor goed met het moederdier verbonden tot een vertakten „poliepenstok” en dan komen uit die knoppen weer eitjes voort.

Tot de klasse der scherm- of netelkwallen ook medusen genoemd, behooren de prachtig gekleurde dieren van fig. 1, 4 en 6 op de plaat. Om met de schoonste van de geheele familie te beginnen, zien wij in fig. 4 de gewone lichtende zeekwal (Pelagia noctiluca), die, vooral in de Middellandsche zee, in het voorjaar en den zomer, in ontzaglijke scharen rondzwemt. Zij behoort tot die soorten, waar de gelobde, franjeachtige mondarmen een wijde mondopening vrijlaten en zeer lang en bladachtig van vorm zijn. Aan den ingesneden rand van het scherm bevinden zich 8 gelobde tastdraden, die van netelorganen voorzien zijn en daartusschen 8 randlichaampjes (fig. M op bladz. 166, bij R), die als zintuigen dienen en waartusschen zich weer 8 paren franjeachtige randlappen bevinden. Uit de maag ontspringen 16 wijde kanalen (fig. M, rK), die als stralen naar den rand loopen.

Het scherm heeft bij dit fraaie dier een halfbolvormige gedaante, het is tweemaal zoo breed als hoog, ongeveer 6-8 centim. in middellijn en is aan den rand voorzien van zeer talrijke en groote, langwerpige, dicht opeengehoopte netelwratten, die, bij het aanvatten, een sterk brandend gevoel teweegbrengen. De randlappen zijn bijna vierhoekig, aan de buitenzijde een weinig uitgetand. De kleur van het glasheldere scherm is rozerood, met prachtige roode vlekken en roode tastdraden; bij het aanraken verspreidt de oppervlakte een fraai groen licht. Op een stillen zomeravond kan men deze kristallen zwemklokken, die dan een fantastisch licht verspreiden, langzaam enkele centimeters zien zinken en zich daarna eenige malen zien samentrekken, waardoor zij weer naar de oppervlakte opstijgen.

Bij haar buurvrouw op de plaat: de zeepaddestoel of zeelong (Rhizostoma pulmo), fig. 1, die ingelijks de Middellandsche zee bewoont, doch waarvan ook soorten aan onze kusten voorkomen, doen de mondarmen zich geheel anders voor. Zij zijn hier zoodanig met elkaar vergroeid, dat, in plaats van den mond, slechts talrijke kleine openingen tusschen die armen, als in- en uitstroomingsopeningen, overblijven. Zij zijn 8 in getal en alleen van onderen vrij; aan hun basis, en verder naar beneden, bevinden zich aan die armen twee kransen van gekroesde uitwassen, waarin zich talrijke kleine taschjes bevinden, die voor het verteren van kleine vischjes en andere diertjes dienen en die door kanalen met de maagholte in verband staan. Het scherm is hier tot 60 centim. breed, hoog en klokvormig, zonder rand-tastdraden, doch aan den rand met niet minder dan 80 randlappen en 8 randlichaampjes. De kleur van de klok zelf is prachtig melkwit of blauwwit, doorschijnend, hier en daar fraai blauw, soms een weinig roodachtig en de randlappen zijn blauwviolet.

Een nog eenvoudiger schermkwal is de zoogenaamde teerlingkwal (Charybdea grandis) van fig. 6, die een scherm heeft, dat zeer hoog gewelfd, buidelvormig en vierdeelig van bouw is, met slechts 4 randlichaampjes. De maag is nog door vier andere maagzakjes omgeven. Het scherm is tamelijk vast, vierhoekig, bijna teerlingvormig. Aan het onderste uiteinde van elk der vier zijkanten hangt, van den rand van het scherm, een lap naar beneden, die „randblad” genoemd wordt en vanwaar weer een enkelvoudige, lange en dunne holle vangdraad afhangt. De hoogte van het scherm is 3-4, de breedte 2-3 centim. Het komt in de Middellandsche zee voor.

Het fraaie dier van fig. 7 heeft een geheel ander uiterlijk dan de drie vorige. Het is een voorbeeld van een derde klasse van darmholtedieren: de ribkwallen, die weer geheel anders van maaksel zijn dan de beide vorige klassen: de kwalpoliepen en de schermkwallen. Het lichaam is hier meer ei- of peervormig, zelden bandvormig, doch de voortbeweging van deze, steeds vrij zwemmende, geleiachtige en doorschijnende dieren geschiedt veel krachtiger dan bij de schermkwallen en wel: door middel van 8 rijen van kamvormige zwemplaatjes, in den vorm van overlangsche ribben geplaatst (vanwaar de naam) en die uit trilharen of trillapjes bestaan. De ribkwal van fig. 7 is de zoogenaamde meloenkwal (Beroë Forskaliï), een prachtig gekleurd dier, langwerpig trechtervormig of ovaal en dikwijls van vrij aanzienlijke grootte.

De ribkwallen zwemmen met de mondopening naar beneden, steeds in volle zee, en, wat haar organisatie betreft, stellen zij het hoogtepunt voor van de afdeeling der holzakdieren en ook uiterlijk spannen zij verreweg de kroon, daar de rijen van roeiende zwemplaatjes, die het doorschijnende, schitterende lichaam van het dier tamelijk snel voorwaarts drijven, zulk een wonderbaar kleurenspel vertoonen, dat men deze dieren wel de „briljanten der zee” genoemd heeft. De mond eindigt weer in een buisvormige maag, waarvan de achterste opening in den trechter van de lichaamsholte uitkomt. Terwijl vele ribkwallen vangarmen of vangdraden voor het grijpen der prooi bezitten, ontbreken deze bij de meloenkwal; zij vangt de kleine vischjes of andere, kleinere ribkwallen, waarmede zij zich voedt, door middel van uitstulpbare mondlippen. De voortplanting geschiedt door eieren, die zich echter dadelijk tot gewone dieren ontwikkelen; er is dus geen teeltwisseling, zooals bij de schermkwallen. Deze dieren zijn zeer beweeglijk en draaien zich behendig in alle richtingen om, tot het grijpen van den buit, waartoe de mond, die onbescheiden afmetingen heeft, voortdurend geopend wordt. De jonge dieren zijn kleurloos, later worden zij prachtig rozerood.

Een andere fraaie ribkwal is de tweevleugelige callianira (Callianira bialata), een zeldzaam dier in de Middellandsche zee, doch waarvan een andere soort ook wel op onze kusten waargenomen is. Het lichaam heeft, in doorsnede, den vorm van een rechthoek, met stompe hoeken en aan de mondpool eenigszins versmald, is 2-3 centim. lang en van boven van twee prachtige, zeer lange, vleugelvormige, veerachtige aanhangsels voorzien. Het lichaam is glashelder, met rozeroode vlekken, die langs de ribben in regelmatige rijen gerangschikt zijn. De vangdraden zijn rozerood.

Een zeer bijzonderen vorm heeft de Venusgordel (Cestum Veneris), fig. 5, een der fraaiste en sierlijkste van de ribkwallen, die in de Middellandsche zee leeft. Het volkomen doorschijnende en glasheldere lichaam, dat in den zonneschijn in de schitterendste kleuren speelt, is naar twee kanten buitengewoon verlengd tot een langen, platten gordel van 1,5 meter lang en ongeveer 8 centim. breed. De randen van den gordel zijn met trilharen omzoomd en door de beweging van deze, en tevens door de „zwemplaatjes”, houdt het dier zich in het water zwevend of beweegt het zich kronkelend voorwaarts. Nu eens kronkelt de band zich, in sierlijke bochten, door het water voort, dan weer rolt hij zich bijna geheel op, om zich vervolgens weer uit te breiden. Het is een der fijnste en fraaiste schepselen der zee, dat vooral in de Middellandsche zee en den Atlantischen oceaan voorkomt en zich voedt met kleine kreeftjes.

Thans vraagt ten slotte nog een lid van de vierde klasse der darmholtedieren: die der bloempoliepen, op deze plaat onze aandacht, waarvan wij een groot aantal op de volgende platen zullen ontmoeten, doch waarvan het uiterst sierlijke diertje van fig. 3: de bekerkwal of bekerpoliep (Lucernaria Leuckarti) een merkwaardig voorbeeld is. Dit is echter nog geen eigenlijke bloempoliep, doch een overgang of verbindingslid tusschen deze en de schermkwallen, want het vertoont sommige kenmerken van beiden tegelijk. Het lichaam is bekervormig en loopt naar onderen in een steel uit, waarmede het op andere voorwerpen, meestal op zeeplanten, bevestigd is. De bovenrand van den beker loopt in 8 zeer korte armen uit en daarop zijn hoopjes of bundels van voel- of vangdraden bevestigd, die hol zijn en netelorganen dragen. In het midden van den beker komt de vierhoekige mondbuis vrij naar voren en is hier dus naar boven gericht en voert in een maagholte met vier straalvormige zijdelingsche maagzakken. Deze laatsten zijn slechts door smalle tusschenschotten van elkaar gescheiden, doch aan den rand van den beker door een ringkanaal verbonden. De beker is tamelijk diep, de steel heeft ongeveer ¹⁄₃ van de lengte van den beker en heeft een breedere basis. Het dier heeft een olijfgroene kleur en leeft in de Noordzee, ook aan onze kusten.

XVII.

Plate