PLAAT V.
EEN MERKWAARDIG DRIEMANSCHAP VAN DEN ZEEBODEM.

Een klein, doch uitgezocht gezelschap hebben wij het genoegen, hier aan den lezer voor te stellen, slechts drie leden sterk en die allen tot de hoofdgroep der gelede dieren en wel tot de laagste klasse van dezen: de schaaldieren, behooren. Zij zijn dus naaste familie van de vroeger behandelde kreeftachtigen (zie bladz. 5 en 27). De kennismaking met deze drie zonderlinge wezens zal ons, voor ditmaal, naar den bodem der zee voeren, want zij zijn allen echte liefhebbers van het zilte nat. Wel is het echter een bijzonder soort van schaaldieren, waartoe dit driemanschap behoort en zij munten niet zoozeer uit door schoonheid, als door de hoogst eigenaardige, men zou bijna zeggen, „excentrieke”, levensgewoonten, die zij allen hebben.

Beschouwen wij dan vooreerst het gezellig groepje bovenaan op de plaat, die tegelijk ook bovenaan staan, wat de zonderlinge hebbelijkheden in hun levenswijze betreft, want deze dieren vatten hun bestaan in die mate van den humoristischen kant op, dat zij, hun geheele leven lang, aan een langen steel bevestigd, op hun hoofd staan en, het ondersteboven gekeerd, naar beneden hangen. Dit dier is de eendenmossel (Lepas anatifera), fig. 1, niet te verwarren met de echte mossel van dien naam, die tot de schelpdieren behoort en verwant is aan de vijvermossel van onze eerste plaat. Doch de dieren van fig. 1 zijn geen mossels, zelfs in ’t geheel geen weekdieren, doch gelede dieren.

De onjuiste benaming is eigenlijk te danken aan een dubbele dwaling. Vooreerst meende men vroeger ten onrechte, dat dit dier werkelijk tot de mossels behoorde, omdat het, in volwassen staat, binnen een soort van schelp besloten is. En in de tweede plaats werd het dier, reeds eeuwen geleden, door visschers en matrozen zoo genoemd, daar zij in hun bekend, fantastisch „matrozenlatijn”, het volgende verhaal aan de goedgeloovige menschheid in het vaderland opdischten. Deze geheimzinnige knoppen, die aan wrakhout van schepen of, zooals op de figuur, aan overhangende rotsen met lange, roode stelen bevestigd en in een blauwachtig omhulsel besloten, dikwijls in gansche bosjes in de zee afhangen, terwijl uit de schelp lange, harige, voortdurend trillende pootjes naar buiten uitsteken, zouden tot het ontstaan van een soort van eenden, de rotganzen, aanleiding geven. Uit het rottende wrakhout zouden eerst wormen ontstaan, met schelpen bedekt, die langzamerhand met veeren bekleed werden en ten slotte in rotganzen overgingen. Vooral de veervormige pootjes gaven tot dit bijgeloovige sprookje aanleiding.

Dit alles is natuurlijk onzin en het nuchtere onderzoek, vooral van de interessante ontwikkelings-geschiedenis van dit dier, heeft geleerd, dat men hier met niets anders te doen heeft dan een soort van lagere kreeften, dus met gelede dieren, en niet met mossels. De wriemelende, schijnbaar beveerde pootjes stellen de rankvormig vertakte ledematen voor, die insgelijks geleed zijn, zooals bij alle gelede dieren, en die voortdurend in beweging zijn, om versch water, met zuurstof voor de ademhaling en met voedsel, naar zich toe te roeien. Daarom worden deze kreeftachtigen „rankpootigen” genoemd.

Wij willen nu eens even den merkwaardigen levensloop van dit zonderlinge wezen nagaan. Uit het ei ontstaat niet dadelijk de gewone eendenmossel, met hare gezeten levenswijze, doch een larve, die, frank en vrij, lustig door het natte element rondzwemt en een ingrijpende gedaanteverwisseling ondergaat. In den aanvang nu ziet deze er precies zoo uit als de larve van een kreeft en als men het niet beter wist, zou men zweren, dat het een in wording verkeerende, echte kreeft is. Het jeugdige dier heeft dan 2 paren sprieten, evenals alle kreeften, op het midden van het voorhoofd een oog en drie paren gelede roeipooten. Doch het merkwaardige van het geval is nu, dat deze beweeglijke, jeugdige spring-in-’t veld, die schijnbaar bestemd was tot iets groots en edels, zooals de kreeft is, op lateren leeftijd, als had hij zich bedacht, zich niet slechts niet verder meer ontwikkelt, zooals elk behoorlijk dier betaamt, doch zelfs in ontwikkeling achteruitgaat, in verband met zijne, alsdan zittende, levenswijze.

Op een goeden dag bekruipt der vroolijke zwemster de lust tot een levenslange rustkuur, die noodzakelijk, zooals overal, tot teruggang, tot degeneratie moet leiden. Daartoe gaat zij eerst op haar hoofd staan en ontwikkelt, uit een klier bij de sprieten, een soort van lijm, waarmede zij zich aan een stuk hout of een rots, soms wel aan de dikke huid van een walvisch, in dien omgekeerden stand vastlijmt, waarna dat vastgelijmde gedeelte tot een dikken steel uitgroeit. In de drukte van een, daarop volgende, vervelling verliest het dier nu ook zijn eenige oog en het, thans ongelede, lichaam scheidt aan de buitenzijde een kalkachtige schaal af, die uit 5 stukken bestaat. Deze vormen een soort van zak, met een spleet aan de voorzijde, waaruit de rankvormig vertakte aanhangsels van de pooten, thans tot 6 paren vermeerderd, naar buiten gestoken kunnen worden. Het laat zich dus wel verklaren, dat men de eendenmossel, in dezen volwassen staat, vroeger voor een schelpdier gehouden heeft.

De soort, die in fig. 1 op natuurlijke grootte afgebeeld is, komt in alle Europeesche zeeën, behalve de Oostzee, voor. Andere soorten, die in den oceaan leven, hebben soms stelen van 2 meters lang.

Een niet minder excentriek wezen neemt het middenterrein van onze plaat in. Ook dit dier behoort tot de kreeftachtige familie, die men „rankpootigen” noemt en is dus broertje en zusje met degenen, die boven zijn hoofd hangen, hoewel men dit zeker, op het eerste gezicht, niet zou denken. Het is de zeepok of zeetulp (Balanus tintinnabulum), fig. 2, insgelijks een zeedier, met even romantischen levensloop als de eendenmossel. Ook hier zwemt de larve vrij en frank in het water rond en in dien tijd komt haar ware natuur, als geleed dier, uit door het bezit van 3 paren gelede roeipooten en van oogen, en door de verdere gelijkenis met een jeugdigen kreeft.

Doch dan komt ook hier de behoefte aan rust weer boven, en, in verband daarmede, de teruggang der ontwikkeling. De volwassen larve hecht zich—hier echter zonder steel—vast op schelpen, krabben, steenen, drijfhout, aan schepen enz. en nu gaat, als gevolg van de zittende levenswijze, het karakter als geleed dier weer geheel verloren. Het omringt zich met een min of meer kegelvormige kalkschaal, uit 6 stukken bestaande, die met getande randen in elkaar sluiten, benevens een deksel, dat uit twee sluitstukken bestaat en waaruit men, bij één der dieren van fig. 2, de rankvormige pooten naar buiten ziet komen. Wegens het aaneensluiten dezer schelpstukken, die zich als de bekende „pok”-vormige verhevenheden op oesters, mossels, enz. voordoen, kunnen deze kreeftjes zich, ook zelfs bij de felste zonnehitte, in hun koele woning terugtrekken en zich tegen uitdrogen beschutten. Men vindt ze allerwegen aan de Europeesche kusten. Andere soorten: de walvischpokken, leven op de huid van den walvisch.

En nu ten slotte het derde lid van ons driemanschap, en zeker niet het minst avontuurlijke en fantastische van het geheele gezelschap. Op den bodem der zee liggen twee exemplaren van één der zonderlingste wezens, waarvan de natuurlijke historie gewaagt. Fig. 3 is een jeugdig en fig. 4 een volwassen exemplaar van den zwaardstaart of rogkreeft (Limulus polyphemus), dus ook weer een kreeftachtig dier, doch dat in geheel andere streken tehuis is dan de beide voorgaande, namelijk aan de vlakke kusten van Noord-Amerika, Florida en de Antillen, terwijl een andere soort van hetzelfde geslacht, de Moluksche krab (Limulus moluccensis), die ook in het Aquarium van Artis te Amsterdam te zien is, in onzen Oost-Indischen archipel en aan de oostkust van Azië inheemsch is en aldaar, onder den naam van mimi’s, evenals hare eieren, wel gegeten wordt.

Deze dieren wekken bij elken bezoeker van een aquarium steeds de levendigste belangstelling en de grootste verbazing. En daarvoor is alle reden; als wij zulk een fantastisch wezen op den bodem van het aquarium zien liggen, dan komt het ons voor als een verschijning uit de vóórwereld, als een overblijfsel eener lang vervlogen periode der aardgeschiedenis, dat men, bij de groote opruiming der vóórhistorische wezens, over het hoofd heeft gezien en dat nu, te midden van ons, late nakomers van dien oertijd, nog zijn bestaan voortsleept. Trouwens: het dier is inderdaad nauw vermaagschapt aan een soort van kreeftachtigen, die in den oudsten oertijd van het leven: de Cambrische formatie, in de toenmalige zeeën een soort van wereldheerschappij uitoefenden, of althans, wat menigvuldigheid betreft, aldaar den boventoon voerden, namelijk: de trilobieten. Deze worden zoo genoemd naar het, in drie overlangsche lobben verdeelde, gelede lichaam, waarvan, vooral in de aardlagen van Bohemen, tallooze versteeningen bewaard zijn gebleven en waarop het jeugdige dier van fig. 3 bijna sprekend gelijkt.

Overigens bestaat er ook een zekere verwantschap tusschen den zwaardstaart en vele andere gelede dieren, want zijn organisatie vormt een waar mengelmoes van kreeftachtigen, spinachtigen, schorpioenen enz. Het dier heeft een lengte van 36 centim. tot 1 meter en zijn lichaam is met twee groote schilden bedekt; het voorste en grootste ligt over het kopborststuk, is halvemaansvormig en eindigt aan elk der beide hoeken met een stekel; met dit borstschild is het kleinere, achterste, zeshoekige schild door een rechtlijnig gewricht verbonden en ter zijde is het van tanden en stekels voorzien. Met het achterste schild is de „zwaardstaart”, een lange, beweegbare staartstekel, door een geleding verbonden. Hij dient niet slechts als geducht wapen, doch ook als hefboom, die in werking gesteld wordt, om zich om te keeren, als het dier op den rug komt te liggen.

De mond ligt tamelijk ver naar achteren en onmiddellijk in de nabijheid daarvan bevinden zich 6 paren spinachtige pooten, die met scherpe stekels bezet en van scharen voorzien zijn, daar zij, behalve voor het kruipen en het grijpen der prooi, tevens als kaken dienst doen. Sprieten ontbreken, doch het voorste paar pooten komt feitelijk overeen met de kaakvoelers der spinnen (zie blz. 46). Het achterlijf draagt aan de onderzijde 5 paren korte zwempooten, waaraan ook de groote bladvormige kieuwen bevestigd zijn. Deze zwempooten, alsmede de staart, ontbreken nog bij de jonge dieren.

Men verzuime vooral niet, om bij dezen hansworst van het aquarium eens een bezoek af te leggen. De dieren, door hun pantser beschut, kruipen daar langzaam over den bodem voort, waarbij zij—om zoo te zeggen—onhoorbaar op de toppen van de teenen rondsluipen, want alleen de uiterste puntjes van de pooten raken den grond aan. Zij zoeken dan op den bodem naar allerlei dierlijken buit, dien zij met de scharen vangen en in den mond steken. Dikwijls liggen zij ook, half in het zand weggegraven, onbeweeglijk op den bodem; somtijds zwemmen zij wel eens vrij rond of klauteren, met allerlei onbeholpen bewegingen, tegen de rotsen op. Daarbij vallen zij dan echter meestal naar beneden en komen dan gewoonlijk op den rug terecht. Het is grappig te zien, hoe zij dan, dikwijls urenlang, de potsierlijkste bewegingen met den staartstekel en de pooten maken, bij hun wanhopige pogingen, om de zaak weer „op haar pooten” terecht te doen komen.

VI.

Plaat