3. Schrift en ervaring getuigen echter, dat al deze werkingen der vocatio externa niet altijd en bij allen tot het oprecht geloof en de zaligheid leiden. Vanzelf rijst dus de vraag, wat de diepste en laatste oorzaak van die verschillende uitkomst is. Daarop werd in de christelijke kerk in hoofdzaak drieërlei antwoord gegeven. Sommigen zeiden, dat die verschillende uitkomst te danken was aan den wil des menschen, hetzij die wil van nature of door de genade van den Logos of door die in den doop of ook door die in de roeping de kracht ontvangen had, om het evangelie aan te nemen of te verwerpen. Op dit standpunt is er geen onderscheid van vocatio externa en interna, van vocatio sufficiens en efficax. Innerlijk en wezenlijk is de roeping altijd en bij allen dezelfde; zij heet alleen efficax naar de uitkomst, als iemand haar gehoor geeft. Na alwat vroeger, vooral deel II 355v. over het pelagianisme gezegd is, behoeft dit antwoord geen breedvoerige weerlegging meer. Het is duidelijk, dat het geen oplossing biedt. Men kan wel in de practijk bij de naaste oorzaak blijven staan en bepaaldelijk het ongeloof toeschrijven aan den wil van den mensch. Men spreekt dan ook naar waarheid, Deut. 30:19, Jos. 24:15, Jes. 65:12, Mt. 22:2, 23:37, Joh. 7:17, Rom. 9:32 enz.; de zondige wil van den mensch is oorzaak van zijn ongeloof. Maar reeds in de practijk schrijven alle vromen ten allen tijde en onder alle richtingen hun geloof en zaligheid alleen aan Gods genade toe, deel II 351. Er is niets, dat hen onderscheidt dan die genade alleen, 1 Cor. 4:7. En daarom kan dit onderscheid ter laatste instantie niet liggen in den menschelijken wil. Blijft men daarbij toch als de laatste oorzaak staan, dan verheffen zich in eens al de psychologische, ethische, historische en theologische bezwaren, die ten allen tijde tegen het pelagianisme ingebracht zijn. Eene onberekenbare willekeur wordt ingevoerd, de zonde verzwakt, de beslissing over de uitkomst der wereldgeschiedenis in handen van den mensch gelegd, de regeering aller dingen aan God onttrokken, zijne genade te niet gedaan. Ook al schrijft men de macht, om voor of tegen het evangelie te kiezen, aan de herstelling door de genade toe, de zaak wordt daardoor toch niet beter. Men voert dan eene genade in, die enkel en alleen in de herstelling der wilskeuze bestaat, van welke de Schrift met geen woord melding maakt, die eigenlijk de wedergeboorte al onderstelt en ze toch eerst na goede keuze van den wil tot stand brengen moet, cf. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. II 325. Ook raakt men op dit standpunt verlegen met al die millioenen van menschen, die nooit het evangelie hebben gehoord of ook als kinderkens wegstierven en die daarom nooit in de gelegenheid werden gesteld, om Christus aan te nemen of te verwerpen. De vrije wil des menschen kan daarom de laatste oorzaak van geloof en ongeloof niet zijn. Een ander antwoord werd daarom op de bovengestelde vraag door Bellarminus gegeven; hij verwierp zoowel de leer van Pelagius als van Augustinus, zocht een middenweg te bewandelen, en zeide, dat de efficacia der roeping daarvan afhing, of zij tot iemand kwam in een geschikten tijd, als zijn wil genegen was om haar op te volgen (congruitas), de grat. et lib. arb. I 12. IV 11, en zoo verder de congruisten, en in de Geref. kerk Pajon, Kleman en ook Shedd, Syst. Theol. II 511-528, die de zaligheid in the highest degree probable noemt voor ieder, die ernstig en ijverig van de middelen der genade gebruik maakt. Maar ook dit antwoord is onbevredigend. Er ligt in de congruitas wel eene belangrijke waarheid, die door het methodisme miskend, in de Geref. leer van de gratia praeparans tot haar recht komt. Maar zij is geheel onvoldoende, om de efficacia der roeping te verklaren. Immers is zij in haarzelve niet anders dan eene suasio moralis, welke uiteraard onmachtig is dat geestelijk leven te scheppen, hetwelk volgens de Schrift door wedergeboorte in den mensch ontstaat; voorts onderstelt zij, dat de mensch in het eene oogenblik niet, in het andere wel geschikt is om de genade aan te nemen, en zoekt de zonde dus in de omstandigheden en verzwakt die in den mensch; verder legt zij de beslissing in den wil des menschen en roept daardoor al de bedenkingen weer op, die boven genoemd en door Bellarminus zelven tegen het pelagianisme ingebracht werden; en eindelijk legt zij tusschen roeping en bekeering slechts een verband van congruitas, dat als zedelijk van aard steeds door den wil verbroken kan worden en daarom de efficacia der roeping niet waarborgen kan. Daarom werd door de Augustinianen, de Thomisten en de Gereformeerden de oorzaak, waardoor de roeping bij den een vrucht droeg en bij den ander niet, in den aard der roeping zelve gezocht. De eersten zeiden, dat er, ingeval de roeping krachtdadig is, eene delectatio victrix bijkwam, die niet alleen het posse maar ook het velle schonk; de Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio of actio Dei physica, welke het posse agere, door de vocatio sufficiens geschonken, in een agere deed overgaan; maar de Gereformeerden hadden tegen deze termen bezwaar, vooral tegen de omschrijving van de daad Gods in de bekeering als eene physische en spraken liever van eene vocatio externa en interna. Deze onderscheiding komt reeds bij Augustinus voor, de praed. sanct. c. 8, werd van hem overgenomen door Calvijn, op Rom. 10:16, Acta Syn. Trid. c. antidoto sess. 6, C. R. 35, 480. Inst. III 24, 8 enz., en dan ingeburgerd in de Geref. theologie. Eerst werd deze tweeërlei roeping ook nog wel anders genoemd, n.l. vocatio materialis en formalis, signi en beneplaciti, communis en singularis, universalis en specialis enz., Polanus, Synt. VI c. 32, maar de naam van uit- en inwendige roeping kreeg de overhand en heeft allengs de andere verdrongen.

Al komt deze onderscheiding nu met letterlijke woorden in de Schrift niet voor, zij is toch op haar gegrond. Zij vloeit 1o reeds daaruit voort, dat alle menschen van nature gelijk zijn, verdoemelijk voor Gods aangezicht, Rom. 3:9-19, 5:12, 9:21, 11:32, dood in zonden en misdaden, Ef. 2:2, 3, verduisterd in het verstand, 1 Cor. 2:14, Ef. 4:18, 5:8, het koninkrijk Gods niet kunnende zien, Joh. 3:3, slaven der zonde, Joh. 8:34, Rom. 6:20, vijanden Gods, Rom. 8:7, Col. 1:21, die zich der wet niet kunnen onderwerpen, Rom. 8:7, uit zichzelven niets goeds kunnen denken of doen, Joh. 15:5, 2 Cor. 3:5, en, ofschoon het evangelie voor den mensch is, toch er vijandig tegenover staan en het als een ergernis of dwaasheid verachten, 1 Cor. 1:23, 2:14. Uit den mensch is daarom het onderscheid niet te verklaren, dat na de roeping waar te nemen valt. Alleen God en zijne genade maakt onderscheid, 1 Cor. 4:7. 2o De prediking des Woords is zonder meer niet voldoende, Jes. 6:9, 10, 53:1, Mt. 13:13v, Mk. 4:12, Joh. 12:38-40 enz.; reeds in het O. T. werd daarom de H. Geest beloofd, die allen leeren en een nieuw hart schenken zou, Jes. 32:15, Jer. 31:33, 32:39, Ezech. 11:19, 36:26, Joel 2:28; en daartoe werd Hij op den pinksterdag uitgestort, om met en door de apostelen te getuigen van Christus, Joh. 15:26, 27, om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, Joh. 16:8-11, om te wederbaren, Joh. 3:5v., 6:63, 16:13, en te leiden tot de belijdenis van Jezus als den Heere, 1 Cor. 12:3. Daarom wordt 3o het werk der verlossing zoowel subjectief als objectief geheel aan God toegeschreven, en wel niet in algemeenen zin, zooals Hij door zijne voorzienigheid alle dingen voortbrengt, maar bepaaldelijk ook in dien engeren zin, dat Hij door bijzondere Goddelijke kracht de wedergeboorte en bekeering werkt. Het is niet desgenen, die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods, Rom. 9:16; de roeping is realiseering der verkiezing, Rom. 8:28, 11:29. Het is God, die het hart vernieuwt en er zijne wet in schrijft, Ps. 51:12, Jer. 31:33, Ezech. 36:26, die verlichte oogen des verstands geeft, Ps. 119:18, Ef. 1:18, Col. 1:9-11 en het hart opent, Hd. 16:14, die zijnen Zoon als Christus kennen doet, Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16 en tot Hem henenleidt met geestelijke kracht, Joh. 6:44, Col. 1:12, 13, die het evangelie prediken doet, niet alleen in woorden, maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Cor. 2:4, 1 Thess. 1:5, 6 en zelf den wasdom geeft, 1 Cor. 3:6-9, die in één woord in ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, en daartoe eene kracht bezigt, welke gelijk is aan de werking der sterkte zijner macht, als Hij Christus uit de dooden opgewekt en gezet heeft aan zijne rechterhand, Ef. 1:18-20. 4o De daad zelve, waardoor God deze verandering in den mensch teweegbrengt, heet dikwerf wedergeboorte, Joh. 1:13, 3:3v., Tit. 3:5 enz., en de vrucht daarvan wordt aangeduid als een nieuw hart, Jer. 31:33, καινη κτισις, 2 Cor. 5:17, θεου ποιημα, κτισθεντες ἐν Χριστῳ Ιησου, Ef. 2:10, το ἐργον του θεου, Rom. 14:20, zijne οἰκοδομη, 1 Cor. 3:9, Ef. 2:21 enz., dat is, wat er in den mensch door de genade tot stand gebracht wordt, is veel te rijk en te groot, dan dat het uit eene suasio moralis van het woord der prediking zou kunnen verklaard worden. Eindelijk 5o de Schrift spreekt zelve van de roeping in tweeërlei zin. Meermalen gewaagt zij van eene roeping en noodiging, die niet opgevolgd wordt, Jes. 65:12, Mt. 22:3, 14, 23:37, Mk. 16:15, 16, enz., en dan kan zij zeggen, dat God alles van zijne zijde gedaan heeft, Jes. 5:4, en dat de menschen door hun onwil niet geloofd en Gods raad, den H. Geest, de roeping hebben weerstaan, Mt. 11:20v., 23:37, Luk. 7:30, Hd. 7:51. Maar zij kent ook eene roeping, die God tot auteur heeft, realiseering der verkiezing en altijd krachtdadig is; zoo bepaaldelijk bij Paulus, Rom. 4:17, 8:30, 9:11, 24, 1 Cor. 1:9, 7:15v., Gal. 1:6, 15, 5:8, Ef. 4:1, 4, 1 Thess. 2:12, 2 Tim. 1:9, cf. ook 1 Petr. 1:15, 2:9, 5:10, 2 Petr. 1:3; de geloovigen kunnen daarom eenvoudig als κλητοι, Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, 24, κλητοι Χριστου, of κλητοι ἐν κυριῳ, 1 Cor. 7:22, d. i. geroepenen door God, die Christus toebehooren en in zijne gemeenschap leven, worden aangeduid. Daarnaast kent Paulus wel eene prediking des evangelies aan zulken, die het verwerpen, maar hun is het evangelie eene dwaasheid, 1 Cor. 1:18, 23, eene reuke des doods ten doode, 2 Cor. 2:15, 16, zij verstaan het niet, 1 Cor. 2:14. Als eene kracht Gods, 1 Cor. 1:18, 24, bewijst het zich aan hen, die door God naar zijn voornemen geroepen worden, Rom. 8:28, 9:11, 11:28, Ef. 1:4, 5.

4. Deze roeping, in den zin van Paulus opgevat, komt daardoor vanzelf in het allernauwste verband te staan met wat elders wedergeboorte heet. Dat blijkt reeds daaruit, dat Paulus, de roeping steeds krachtdadig nemende, van wedergeboorte bijna niet spreekt. Slechts eenmaal bedient hij zich van dit woord, als hij in Tit. 3:5 zegt, dat God ons niet heeft zalig gemaakt uit onze werken, maar overeenkomstig zijne barmhartigheid δια λουτρου παλιγγενεσιας και ἀνακαινωσεως πνευματος ἁγιου, d. i. door middel van het bad der door den H. Geest gewerkte wedergeboorte en vernieuwing. Wedergeboorte wordt hier met vernieuwing verbonden, wijl zij er de aanvang en het beginsel van is; saam worden zij toegeschreven aan den H. Geest; en beide worden als een bad gedacht, waarin de H. Geest de geloovigen ondergedompeld heeft en waaruit Hij hen als nieuwe menschen heeft doen opstaan. Volgens Rom. 6 geschiedt dit in den doop als teeken en zegel van het genadeverbond. Als de uitverkorenen n.l. geroepen worden, dan ontvangen zij terstond door het geloof de rechtvaardigmaking en de aanneming tot kinderen in juridischen zin, Rom. 3:22, 24, 4:5, 5:1, Gal. 3:26, 4:5, enz., maar tegelijk daarmede ook de gemeenschap met Christus, Rom. 6:3v., de verheerlijking naar zijn beeld, Rom. 8:29, 30, 1 Cor. 4:15, 2 Cor. 3:18, Gal. 4:19, en dus, wijl Christus zelf levendmakende Geest is, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17, den Geest van Christus als principe van een nieuw leven, Gal. 3:2, 4:6, zoodat de geloovigen nu geestelijke, nieuwe menschen zijn, 1 Cor. 2:15, 2 Cor. 5:17, Gal. 6:15, Ef. 2:15, 4:24, Col. 3:10, wandelende in, geleid door en tempelen zijnde van den H. Geest, Rom. 8:14, 1 Cor. 6:19, Gal. 5:25 enz. Het woord wedergeboorte moge daarom bij Paulus slechts eenmaal voorkomen; zakelijk ligt zij bij hem toch ten grondslag aan het nieuwe leven, dat de geroepene in de gemeenschap met Christus deelachtig wordt. Verwant is de voorstelling bij Petrus, die I 1:23 de geloovigen vermaant elkander lief te hebben, wijl zij zijn ἀναγεγεννημενοι οὐκ ἐκ σπορας φθαρτης ἀλλα ἀφθαρτου, δια λογου ζωντος θεου και μενοντος, d. i. door God, cf. 1:3, opnieuw geboren, niet uit vergankelijk zaad, zooals bij de eerste geboorte, maar uit onvergankelijk zaad, d. i. het woord Gods, zooals het door de roeping Gods in den mensch ingeplant, een λογος ἐμφυτος, Jak. 1:21 en het beginsel van een nieuw leven wordt, en dat door middel van het hun verkondigde, levende en blijvende woord van God cf. vs. 25. Evenzoo zegt Jakobus 1:18, dat God ons naar zijn wil gebaard, voortgebracht heeft, ἀπεκυησεν, door het woord der waarheid, opdat wij, Christenen, de eerstelingen van Gods schepselen zouden zijn, d. i. het ware Israel, het bijzonder eigendom Gods, de rechtmatige erfgenamen der belofte. Overal is hier de wedergeboorte gedacht als aanvang, beginsel, grond der heiligmaking, door God of zijn Geest inwendig bewerkt, en plaats hebbende door middel van de roeping door het woord. Maar Johannes beschouwt de wedergeboorte uit een ander gezichtspunt. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, 3:6 en staat vijandig tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren zijn, 1:13, zijn uit, 8:23, 15:19 en behooren tot de wereld, 14:17, 19, 22 enz., zijn van beneden, 8:23, uit den duivel, 8:44, begrijpen het licht van den Logos niet, 1:5, nemen Hem niet aan, 1:11, hebben de duisternis liever dan het licht, 3:19, 20, hooren niet, 8:47, kennen God niet, 8:19, 15:21, zien het koninkrijk Gods niet, 3:3, wandelen in de duisternis, 12:35, haten het licht, 3:20, en zijn dienstknechten der zonde, 8:34. Zij kunnen ook het koninkrijk Gods niet zien, 3:3, niet gelooven, 5:44, 12:39, niet het woord Gods hooren, 8:43, niet tot Christus komen, 6:44, den H. Geest niet ontvangen, 14:17. En daarom is er wedergeboorte van noode. Deze is een γεννηθηναι ἀνωθεν, d. i. van boven, 3:3, cf. 3:31, 8:23, 19:11, 23, ἐκ θεου, 1:13, I 2, 20, 3:9 enz., uit water en Geest, 3:5, d. i. uit den Geest, 3:6, 8, wiens reinigende werkzaamheid in het water haar beeld heeft, cf. Ezech. 36:25-27, Mt. 3:11, geheimzinnig en wonderlijk, zoodat niemand oorsprong en wezen ervan kent, 3:8. Deze wedergeboorte wordt daarom bij Johannes ook niet met het woord of met de roeping in verband gebracht, maar gaat daaraan veeleer vooraf. Immers werkte Christus als Logos ook reeds vóór zijne vleeschwording, 1:1-13; Hij scheen als licht in de wereld, maar deze kende Hem niet, 1:5, 9, 10. Hij kwam tot het zijne, tot Israel, en de zijnen namen Hem niet aan, 1:11; maar toch was ook toen zijne komst niet geheel vruchteloos, want zoovelen als Hem aannamen, kregen toen al de macht om kinderen Gods te worden. En dat waren dezulken, die uit God geboren waren, 1:12, 13 cf. 1 Joh. 5:1. Voordat de menschen tot Christus komen en in Hem gelooven, zijn zij al uit God, 8:47, uit de waarheid, 18:37; zij worden door den Vader gegeven aan den Zoon, 6:37, 39, 17:2, 9; Hij trekt ze tot Christus, 6:44; en al wie zoo tot Christus komt, werpt Hij niet uit en verliest Hij niet, maar bewaart Hij tot het eeuwige leven, 6:39, 10:28, 17:12. Christus komt, om hen, die als door den Vader Hem gegeven zijne schapen reeds zijn, 10:27, toe te brengen, om hen zijne stem te doen hooren en volgen en tot ééne kudde te vergaderen, 10:16, 11:52; om hun, die al in zekeren zin kinderen Gods zijn, 11:52, de ἐξουσια, het recht en de bevoegdheid te schenken, om het te worden, om zich als zoodanig, als geborenen uit God, als τεκνα του θεου, te openbaren en dit vooral te toonen in de broederlijke liefde, d. i. in de liefde tot hen, die eveneens uit God geboren zijn, 1 Joh. 5:1. Uit dit alles blijkt, dat Johannes de wedergeboorte niet in de eerste plaats als eene ethische, doch als eene metaphysische daad Gods denkt, door zijn Geest op wondervolle wijze, onmiddellijk gewerkt, opdat de alzoo wedergeborenen juist in Christus gelooven en als kinderen Gods in broederlijke liefde openbaar zouden worden.

Ten onrechte wordt deze leer van Johannes door sommigen tot een gnostisch dualisme herleid, Scholten, Het Ev. naar Joh. 1864 bl. 89v. Holtzmann, Neut. Th. II 468 f. Het is immers geen dualisme, dat van nature bestaat, want alle dingen zijn oorspronkelijk door den Logos geschapen, 1:3; de wereld gansch in het algemeen is het voorwerp van Gods liefde, 3:16; God gaf zijn Zoon, niet om de wereld te veroordeelen maar te behouden, 3:17, 12:47. Van nature behooren echter alle menschen tot de wereld, die het licht haat, wijl hare werken boos zijn, 3:19, 20. Zoo hangt het dus van het geloof af, of iemand het eeuwige leven ontvangt, 3:15, 16, 36. Dat geloof is een ἐργον, 6:29, het is een komen, 5:40, 6:35, 37, 44, 7:37, een aannemen, 1:11, 12, 3:11v., 5:43, een dorsten en drinken, een hongeren en eten, 4:13-15, 6:35, 50v., 7:37, het gaat niet buiten verstand en wil om maar heeft daarin zijn wortel, 7:17. Het ongeloof wordt daarom ook aan den onwil des menschen toegeschreven, 5:40, 8:44; de mensch blijft er verantwoordelijk voor, 3:19, 9:41, 12:43, 15:22, 24. En al is het ook, dat de geloovigen niet meer kunnen verloren gaan, 10:28, 29, zij worden toch vermaand, om in Christus en in zijn woord te blijven, wijl zij anders geen vrucht kunnen dragen, 15:4-10. Ofschoon Johannes dus de tegenstelling van geloof en ongeloof tot eene daad Gods terugleidt, waardoor Hij aan den eenen geeft wat Hij aan den anderen onthoudt, hij wil daarmede geenszins de zelfwerkzaamheid en de verantwoordelijkheid des menschen te niet doen; veeleer laat hij beide naast elkander staan, Holtzmann II 494 f. Bij alle verschil in voorstelling, is er daarom tusschen Paulus en Johannes overeenstemming in de zaak. Verschil is er daarin, dat Paulus de wedergeboorte beschouwt als den ethischen aanvang van een nieuw, heilig leven en haar tot stand laat komen door de krachtdadige roeping Gods; Johannes vat ze op van hare metaphysische zijde en verklaart uit haar het feit, dat velen Jezus’ woord hooren en aannemen, door het geloof tot Hem gaan en het eeuwige leven ontvangen. Op overeenkomstige wijze werd in den eersten tijd der Hervorming de wedergeboorte in ruimeren zin genomen voor de gansche vernieuwing des menschen, terwijl zij in later tijd beperkt werd tot de instorting van het beginsel des nieuwen levens, welke aan de daad des geloofs voorafging. Voegen wij hieraan nu nog het woord van Jezus in Mt. 19:28 toe, dan blijkt, dat de Schrift van de wedergeboorte in drieërlei zin spreekt: als beginsel des nieuwen levens, dat door den Geest Gods vóór het geloof in den mensch geplant wordt, als de zedelijke vernieuwing des menschen door het woord en den Geest van Christus, en eindelijk, als herstelling van de gansche wereld in haar oorspronkelijke volkomenheid. Zoo omvat de wedergeboorte het gansche werk der herschepping van haar allereersten aanvang in den mensch af tot haar voltooiing in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde toe. Deze gansche herschepping heeft in Christus, bepaaldelijk in zijne opstanding, haar grond, 1 Petr. 1:3, haar beginsel in het woord en den Geest van Christus, haar auteur in Christus zelven, die de reformator der schepping is.

Hieruit wordt ook het verband duidelijk, dat tusschen wedergeboorte en roeping bestaat. 1o Er is geen wedergeboorte zonder roeping. Gelijk God in den beginne alle dingen schiep door te spreken en nog alle dingen draagt door het woord zijner kracht, zoo brengt ook Christus de herschepping tot stand door de macht van zijn woord. 2o Deze roeping heeft tot inhoud niet een woord Gods in het algemeen, maar bepaaldelijk het woord van Christus. Hij heeft door zijn lijden en sterven het recht tot de herschepping aller dingen verworven. Hij heeft haar in zijne opstanding principieel gerealiseerd; wanneer Christus als middelaar spreekt, gehoorzaamt alles zijn woord en komt uit den dood het leven te voorschijn; Hij maakt levend, die Hij wil, Joh. 5:21, 25, 28v. Inhoud der roeping is daarom het evangelie, de blijde boodschap van Christus; daardoor alleen worden alle dingen vernieuwd. 3o Dit woord van Christus, voor een oogenblik daargelaten, of het uitwendig, hoorbaar door menschen gebracht wordt of niet, moet in elk geval een λογος ἐμφυτος worden, Jak. 1:21. Eerst als het in den mensch, in de schepselen ingeplant wordt, komt daaruit als ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1 Petr. 1:23 het nieuwe leven te voorschijn. 4o Het evangelie, het woord van Christus, zóó verkondigen, dat het niet alleen tot de schepselen gebracht maar in hen ingeplant wordt, kan alleen de H. Geest. Gelijk de schepping geschiedde door Woord en Geest, zoo volbrengt ook Christus de herschepping door zijn woord en zijn Geest. Hij is zelf geworden tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:47, 2 Cor. 3:17, en herschept alle dingen sprekende door den Geest, Rom. 8:9v. 5o Deze wedergeboorte onderstelt geenszins het bewuste leven en het actieve willen. Zij heeft, als herstelling der schepping in Mt. 19:28, zelfs het redeloos schepsel tot object; zij valt blijkens enkele voorbeelden in de Schrift in kinderen, voordat zij tot jaren des onderscheids gekomen zijn; immers is ook de kinderdoop gebouwd op de onderstelling, dat kinderen zonder hun weten in Christus tot genade kunnen aangenomen worden; zij gaat volgens Johannes’ evangelie aan het komen tot en gelooven in Christus vooraf. In al deze gevallen is er eene wedergeboorte alleen door inwendige, zonder uitwendige roeping. 6o Ook wanneer zij tijdelijk samenvalt met of plaats heeft na de uitwendige roeping, δια λογου ζωντος θεου και μενοντος, 1 Petr. 1:23, is zij zelve toch altijd onmiddelijk, wijl zij niet voortkomt uit het gepredikte woord, maar ἐκ πνευματος, Joh. 3:5, 6, 8, ἐκ σπορας ἀφθαρτου, 1 Petr. 1:23. De H. Geest werkt wel met en door, maar zijne werking is niet besloten binnen het gepredikte woord; Hij maakt het zelf door de inwendige roeping tot een λογος ἐμφυτος en doet daaruit het nieuwe leven te voorschijn komen. 7o Omdat het nieuwe leven echter nooit voortkomt noch voorkomen kan dan uit het ingeplante woord en den Geest van Christus, is het, zoodra het tot bewustzijn ontwaakt, aan het objectieve, uitwendige woord van Christus gebonden, dat met dat inwendige hetzelfde evangelie tot inhoud heeft. Regel van leer en leven is alleen de H. Schrift. 8o Inwendige roeping en wedergeboorte staan in verhouding als zaad en plant, 1 Petr. 1:23, als een spreken door en een hooren en leeren van den Vader, Joh. 6:45, als trekken en volgen, 6:44, als geven en aannemen, 6:65, als aanbieding en (passieve) aanvaarding des heils, Amesius, Med. Theol. I 26, 7v. Voetius, Disp. II 452. 463 sq. Heidegger, Corp. Theol. 21, 61. Terwijl dus aan de wedergeboorte altijd een spreken Gods, een λογος ἐμφυτος voorafgaat, bieden ons noch de Schrift noch de ervaring genoegzame gegevens aan de hand, om te bepalen, of de wedergeboorte bij volwassenen in den regel ook plaats grijpt na en door de uitwendige roeping, dan wel aan haar voorafgaat, Voetius Disp. II 461. Uit het evangelie en de brieven van Johannes kan afgeleid worden, dat zij logisch, maar toch niet, dat zij ook temporeel aan haar voorafgaat; en Paulus, Petrus en Jacobus houden uit- en inwendige roeping steeds met elkaar in het nauwste verband.

5. Tegen deze inwendige roeping en wedergeboorte wordt echter van pelagiaansche zijde altijd het bezwaar ingebracht, dat zij in het geestelijke een physischen dwang invoert, met de natuur van een redelijk wezen in strijd is, den mensch geheel passief maakt, de zedelijke vrijheid en verantwoordelijkheid ondermijnt. Het pelagianisme is er daarom altijd op uit, om de weerstaanbaarheid der roeping te handhaven en wedergeboorte, bekeering, heiligmaking, volharding enz. te laten afhangen van eene beslissing van den wil. Wedergeboren en gerechtvaardigd wordt hij alleen, die vooraf vrijwillig eene of andere conditie volbrengt, gelooft, zich bekeert, gezind is om Gods geboden te onderhouden enz. Het wikkelt zich daarmee terstond in tal van onoplosbare moeilijkheden. Indien de mensch tot het volbrengen van die conditiën van nature in staat is, is hij zoo goed, dat er heel geen wedergeboorte in den zin der Schrift van noode is; eenige zedelijke opvoeding en verbetering is dan meer dan voldoende. Indien de mensch de kracht, om het evangelie al dan niet aan te nemen, vooraf door de gratia praeveniens in doop of roeping ontvangen moet, dan gaat er ook hier een gratia irresistibilis aan het gelooven vooraf, want de gratia praeparans wordt aan allen zonder hun willen of weten geschonken; dan heeft feitelijk de wedergeboorte al plaats vóór de beslissing van den mensch, want operari sequitur esse, de daad volgt op het vermogen, de wil, die tot het aannemen van het evangelie in staat stelt, is blijkens het evangelie van Johannes reeds een vernieuwde en herboren wil. Alleen is dan niet in te zien, hoe er na dat alles nog eene vrije wilskeuze mogelijk is; de wil is immers door de buiten zijn toedoen hem geschonken goede kracht reeds ten goede gedetermineerd, en juist in diezelfde mate ten goede gedetermineerd, als zij kracht tot eene goede keuze ontving; hoe meer men den wil door de zonde verzwakt laat zijn en hoe meer kracht men hem in de gratia praeveniens schenken laat, des te meer en in diezelfde mate houdt ook zijne indifferente vrijheid op. Daarbij is het raadselachtig, waartoe zulk eene vrije wilskeuze nog noodig is; als God toch reeds van te voren en onwederstandelijk den mensch in zooverre vernieuwen moet, dat hij vóór het evangelie kiezen kan, waartoe dient de handhaving van de indifferente wilsvrijheid dan nog anders, dan alleen om Gods genade wederom te verijdelen, zijn genadeverbond weer even wankel en onvast te maken als dat der werken vóór den val, en Christus nog machteloozer en liefdeloozer voor te stellen dan Adam? Want Hij heeft alles volbracht en alles verworven, maar als Hij het wil toepassen, stuit zijne macht en zijne liefde af op den, nog wel met nieuwe krachten toegerusten wil van den mensch! Alleen om eene schijnvrijheid van den mensch te redden, wordt God van zijne souvereiniteit, het genadeverbond van zijne vastigheid, Christus van zijne koninklijke macht beroofd.

En als men er dan nog maar iets mede won; maar inderdaad verliest men er alles bij. Niet alleen wordt bij de volwassenen de indifferente wilsvrijheid slechts in schijn gered. Maar bij de kinderen blijkt heel de leer onvoldoende en de onbarmhartigheid zelve. Want één van beide: de gratia, die aan de kinderen geschonken wordt, is voldoende ter zaligheid en opent hun, indien zij vroeg sterven, de poorte des hemels—en dan worden zij behouden zonder hun toedoen en zonder zelf gekozen en beslist te hebben; of zij is niet voldoende, maar dan zijn ook alle kinderkens verloren, die vroeg, voordat zij kiezen konden, stierven; en van de kinderen, die opwassen, vallen er door vrije wilskeuze weer duizenden bij duizenden af. Het pelagianisme in zijne verschillende vormen schijnt barmhartig te zijn; maar het is niets anders dan de barmhartigheid van den farizeër, die zich om de tollenaars niet bekommert. Om de wilsvrijheid bij enkele duizenden volwassenen te redden, en dan nog maar in schijn, geeft het, naar evenredigheid, millioenen van kinderkens aan de verdoemenis prijs. Ten slotte blijft het een raadsel, wat het pelagianisme daarop tegen hebben kan, dat God zijne krachtdadige genade aan zondaren verheerlijkt. Indien het de vraag opwierp, waarom God die genade slechts aan velen en niet aan allen schenkt, zou het bij iedereen een welwillend oor vinden. Wie heeft die vraag niet in zich voelen oprijzen en wie is er niet tot in het diepste zijner ziel door ontroerd? Maar die vraag keert op ieder standpunt weer en wordt door Pelagius even min als door Augustinus beantwoord; allen zonder onderscheid moeten rusten in het welbehagen Gods. De belijders van Gods souvereiniteit zijn hierbij in geen geval in ongunstiger conditie dan de verdedigers van den vrijen wil. Want, gelijk boven aangetoond werd, schenkt de gratia externa volgens de Gereformeerden aan allen, die onder het evangelie leven, minstens zooveel genade, als volgens de Pelagianen in de zoogenaamde gratia sufficiens hun verleend en door hen tot eene vrije keuze vóór of tegen het evangelie genoegzaam wordt gekeurd. De leer der inwendige roeping ontneemt aan de uitwendige roeping geen enkele zegening en weldaad, welke er naar het pelagianisme of semipelagianisme, volgens Roomschen, Lutherschen of Remonstranten door God mede verleend wordt. Op Gereformeerd standpunt blijven alle uitwendig geroepenen objectief in dezelfde conditie verkeeren, als waarin zij naar andere belijdenissen zich bevinden. De bewering der Gereformeerden is alleen, dat al die rijke genade aan en in den mensch, als zij niet bepaald genade der wedergeboorte is, ongenoegzaam is, om den mensch tot eene vrije, besliste aanneming van het evangelie te brengen. Om te gelooven in Christus, is volgens de duidelijke leer van het evangelie van Johannes, niet minder dan wedergeboorte van noode, eene werking van Gods kracht als in de opwekking van Christus, Ef. 1:19, 20. Alle mindere genade, hoe rijk en heerlijk, is onvoldoende; eene genade, die zonder te wederbaren toch den wil zoover herstelt, dat hij vóór het evangelie kiezen kan, wordt nergens in de Schrift geleerd en is ook eene psychologische ongerijmdheid. Al ware deze hunne belijdenis ook onjuist, (des neen), zij brengt hoegenaamd geen verandering ten nadeele in den toestand van hen, die volgens de belijdenissen van alle Christenen ten slotte om hun ongeloof verloren gaan. Doch boven de voorstanders van de vrije wilskeuze hebben die van de Gereformeerde religie dit in elk geval voor, dat Gods raad zal bestaan, dat zijn genadeverbond niet wankelt, dat Christus waarachtig en volkomen Zaligmaker is, dat het goede i. e. w. eens onfeilbaar zal triumfeeren over het kwade. Wat ernstig bezwaar kan daartegen worden ingebracht? Indien wij zonder ons weten der verdoemenis in Adam kunnen deelachtig zijn—een feit, dat niemand loochenen kan—waarom zouden wij dan niet veelmeer zonder ons weten door God in Christus tot genade aangenomen kunnen worden? Van dwang is toch bij deze genade geen sprake. Om een oogenblik sterk te spreken, indien deze genade niet krachtens haar aard dwang uitsloot en God werkelijk dwang gebruikte; wie zou dan toch nog aan het einde het recht of ook zelfs den lust hebben zich te beklagen, indien hij alzoo aan het eeuwig verderf ontrukt en in het eeuwige leven overgebracht werd? Wie zou den man gelijk geven, die zich er over beklaagde, dat men hem, zonder zijne wilsvrijheid te eerbiedigen, uit levensgevaar had gered? Maar het is niet zoo; er is in de inwendige roeping en wedergeboorte geen dwang bij God, βια οὐ προσεστι τῳ θεῳ, Ep. ad Diogn. 7. Geen enkele vrome, van wat belijdenis ook, die in het werk der genade van dwang heeft gesproken, ook al werd hij als een brandhout uit het vuur gerukt. Veeleer zou het zijn wensch zijn, dat God met meer macht in hem de zonde brak en zonder den langen weg van strijd de zaligheid hem deelachtig maakte. Maar zoo doet God in de genade niet; alle dwang is met haar wezen in strijd.

Want immers de genade is geen physische kracht. De Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio, de Roomschen vatten het beeld Gods hoe langer hoe meer op als een substantieel toevoegsel aan de natuur van den mensch. Maar de Gereformeerden spraken niet alzoo. Niet alleen hielden zij het beeld Gods voor wezenlijk eigen aan den mensch, maar zij weigerden zelfs, om de genade Gods in de vocatio interna als eene physische te omschrijven; zij was wel niet louter ethisch of moreel, maar zij was ook niet van physischen aard, en daarom het best als supernaturalis en divina te bepalen. Zij brengt toch in geen enkel opzicht eenige nieuwe substantie in de bestaande schepping in, gelijk Manicheën en Anabaptisten dat leeren, M. Vitringa III 224 sq. Dat doet zij niet objectief, inzoover met de genade de persoon en het werk van Christus kan worden aangeduid, want Christus, schoon ontvangen van den H. Geest, nam zijne menschelijke natuur aan uit Maria en bracht ze niet uit den hemel mede. Maar zij doet het ook niet in subjectieven zin. De genade schept nooit, zij herschept. De wedergeboorte, welke zij tot stand brengt, beteekent noch in haar eerste, noch in haar tweede, noch in haar derde beteekenis, dat er van buiten af eenige substantie aan mensch of wereld toegevoegd of in hen ingedragen wordt. Het zijn dezelfde menschen, die eertijds duisternis, Ef. 5:5, dood in zonden en misdaden, Ef. 2:2, roovers, gierigaards enz., 1 Cor. 6:11 waren, en die nu afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn. De continuiteit van het ik blijft gehandhaafd. En zoo is het ook dezelfde hemel en dezelfde aarde, die aan het einde der dagen vernieuwd zullen worden. Christus is geen nieuwe, tweede Schepper, maar Herschepper, Reformator aller dingen. Wijl de zonde niet eene substantie is maar de forma der dingen aangetast en verwoest heeft, daarom kan de herschepping in geen creëeren van eenige substantie, maar moet zij in eene herstelling der forma, in reformatie bestaan. Reeds hierdoor is alle gedachte aan physischen dwang bij de genade uitgesloten. Maar er is meer. Niet alleen brengt zij geen nieuwe substantie in de schepping in, maar zij ontneemt er ook niets wezenlijks aan, niets, dat haar (ofschoon wel „van nature”, toch) wezenlijk eigen is. De zonde behoort niet tot het wezen der schepping. En de genade neemt niets anders uit ons weg dan de zonde alleen. Zij onderdrukt niet, zij herstelt de natuur; non tollit sed restituit et perficit voluntatem. Zij neemt uit ons verstand de duisternis, uit onzen wil de zwakheid, de machteloosheid weg. Zij geeft ons terug, wat wij naar ons wezen, naar de idee, moesten hebben doch door de zonde verloren. Zij herschept ons naar het evenbeeld desgenen, die ons geschapen heeft. Het is waar, dat zij, gelijk ze eenerzijds niet in het inplanten eener nieuwe substantie bestaat, zoo ter andere zijde niet in eene uitwendige, zedelijke verbetering van gezindheid en daden opgaat. Zij is niet maar eene reformatio vitae, gelijk de Socinianen haar omschreven, M. Vitringa III 225 cf. 227; de Schrift spreekt daartoe van de wedergeboorte in veel te sterke bewoordingen; reeds het O. T. duidt haar aan als eene besnijdenis des harten, Deut. 30:6, een scheppen van een rein hart en vernieuwen van een vasten geest, Ps. 51:12, een wegnemen van het steenen en geven van een vleeschen hart, Jer. 31:33v. Ezech. 11:19, 36:25, en het N. T. bezigt de woorden: geboorte van boven, Joh. 3:3, uit God, 1:13, uit den Geest, 3:5, 6, 8, wedergeboorte, Tit. 3:5, en zegt, dat degenen, die deze weldaad ontvingen, daardoor een nieuw schepsel, 2 Cor. 5:17, Gods maaksel, Rom. 14:20, Ef. 2:10, nieuwe menschen, Ef. 2:15, 4:10, 24 zijn, ééne plante met Christus geworden zijn in zijn dood en opstanding, Rom. 6:5, in Christus of in den H. Geest leven en wandelen enz. De weldaad der wedergeboorte is dus veel te groot, dan dat ze door eene suasio moralis van het woord der prediking zou kunnen worden voortgebracht, zij onderstelt veeleer eene Goddelijke almachtige kracht, Ef. 1:19, 20; en zij is ook te rijk, dan dat zij alleen in eene verandering van de daden of uitingen van de menschelijke vermogens zou bestaan. Immers is de zonde, schoon met eene daad begonnen zijnde, in de natuur des menschen zelve ingedrongen; zij is geen substantia maar ook geen actus alleen; zij is eene innerlijke verdorvenheid van den ganschen mensch, van zijne gedachten en woorden en daden niet slechts, maar ook van zijn verstand en wil, en wederom van deze niet alleen maar ook van zijn hart, waaruit alle ongerechtigheden voortkomen, van het innerlijkste, de kern, den wortel van zijn wezen, van het ik des menschen zelf. En daarom is de wedergeboorte zulk eene geheel bovennatuurlijke, allerkrachtdadigste, verborgene en onuitsprekelijke werking Gods, waardoor Hij indringt tot in de binnenste deelen des menschen, het gesloten hart opent, het harde vermurwt, het onbesnedene besnijdt, nieuwe hoedanigheden in den wil instort en dien van dood levend, van kwaad goed, van niet-willende gewillig, van wederspannig gehoorzaam maakt, Can. Dordr. III 11. 12. Nieuwe hoedanigheden zijn het dus wel, welke de wedergeboorte in den mensch inplant, maar het zijn toch geen andere, dan die tot zijn wezen behooren, hebbelijkheden, gezindheden, neigingen, die oorspronkelijk in het beeld Gods begrepen waren en met Gods wet overeenstemden, en die de gevallen, zondige menschelijke natuur van haar duisternis en slavernij, van haar dood en ellende bevrijden. Al is het dan ook, dat de genade, die de wedergeboorte werkt, terecht irresistibilis of nog beter insuperabilis heet, wijl zij allen tegenstand van den zondigen mensch verwint; al is zij eene gratia operans, die in den mensch werkt zonder eenige medewerking van zijn wil; toch is en blijft zij eene potentissima simul et suavissima operatio, die in de menschen niet als in stokken en blokken werkt, den wil en zijne eigenschappen niet wegneemt noch hem dwingt met geweld, maar maakt hem geestelijk levende, geneest, verbetert en buigt hem op eene wijze, die liefelijk en tegelijk krachtig is. Cf. Can. Dordr. III IV en de oordeelen der afgevaardigden over het 3e en 4e art. der Remonstranten, voorts de werken over de genade, boven bl. 479 aangehaald en verder nog Trigland, Antapol. c. 23-33. Voetius, de statu electorum ante conversionem, Disp. II 402-432, de regeneratione, ib. 432-468, an Christus electis et salvandis specialem gratiam regenerationis et fidei sit meritus, ib. V 270-277. Turretinus, Theol. El. XV qu. 3-6. Spanhemius, Elenchus controv. de religione, Op. III 875 sq. Id. Disp. theol. de quinquarticulanis controversiis, Op. III 1167-1188. Hoornbeek, Theol. pract. lib. 6. Moor IV 442-534 enz.


§ 45. Geloof en Rechtvaardigmaking.

1. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, komt met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het, om toe te nemen en op te wassen, gevoed en versterkt worden moet. Er is tusschen beide anders wel een groot onderscheid, want het geestelijk leven heeft zijn oorsprong in God, niet als Schepper maar als Zaligmaker; het is verworven door de opstanding van Christus; het is een eeuwig leven, dat niet zondigen en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de wedergeborene voortdurend noodig, om met kracht versterkt te worden door den Geest naar den inwendigen mensch. Ook deze versterking des geestelijken levens is evengoed als zijn oorsprong uit God en den rijkdom zijner genade. Het leven van den geestelijken mensch is ook na zijn ontstaan geen oogenblik los te denken van God en zijne gemeenschap. Het is in denzelfden strikten en bijzonderen zin, waarin het uit God is, ook door en tot God. Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het nimmer laat varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan, die niet alleen het kunnen schenkt maar ook het willen en werken werkt naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, 2 Cor. 3:5. Het is een leven in de gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn in den doop ééne plante met Hem geworden in zijn dood en ook in zijne opstanding, Rom. 6:5, zij zijn in Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, zij kunnen niets doen zonder Hem, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den wijnstok, Joh. 15:4, 5; zij kunnen alleen sterk worden ἐν κυριῳ και ἐν τῳ κρατει της ἰσχυος αὐτου, Ef. 6:10, door den Geest van Christus en in zijne gemeenschap, Rom. 8:13, 26, 2 Cor. 13:13, Ef. 3:16. Maar die Geest werkt in de wedergeborenen naar verschillende zijden. Dat kan en dat behoort zoo, wijl de nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen”, maar wel in „deelen” volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de gansche mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft uit en in Christus weer op, Gal. 2:20; het is terstond een καινος ἀνθρωπος, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4:24, Col. 3:10, wel klein en teer maar toch in alle deelen compleet. En daarom werkt de H. Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen mensch gelijkmatig en evenredig in al zijne deelen te laten opwassen. Hij werkt als Geest der wijsheid, der heiligheid en der heerlijkheid en siert de geloovigen met allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12:3v., Gal. 5:22. Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3:8, is het geestelijk leven toch, zoodra het zich in den mensch bewust wordt, van het eerste oogenblik af gebonden aan het Woord Gods. Het is door den H. Geest uit een λογος ἐμφυτος, uit de inwendige, evangelische roeping van Christus gewekt; het blijft bij zijn wasdom aan dat woord gebonden, en dus, zoodra het bewust wordt, ook afhankelijk van de H. Schrift, welke het woord van Christus is. Het geestelijk leven staat krachtens zijn aard in rapport met de Schrift, gelijk de plant met den bodem, waarin zij wortelt en waaruit zij haar sappen trekt. Niet met de Schrift alleen als uitwendig in letteren beschreven, maar ook als bij den voortduur door den H. Geest gedragen, bezield en gesproken in het hart. De vocatio interna is niet alleen noodig bij het ontstaan maar ook bij den wasdom van het geestelijk leven. Zij geschiedt niet eenmaal en is met de schepping van het leven niet afgeloopen, maar zij zet zich altijd voort; gelijk God eerst alles schiep door het Woord en daarna door datzelfde Woord alle dingen onderhoudt, zoo is de vocatio interna ook werkzaam bij de onderhouding en ontwikkeling van het geestelijk leven. De geloovigen zijn κλητοι, Rom. 1:6, die de hemelsche roeping deelachtig zijn, Hebr. 3:1, die bij den voortduur door God geroepen worden tot zijn koninkrijk, totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben, 1 Thess. 2:12, 5:24. De daad nu, waardoor de H. Geest het Woord van Christus in zijn geestelijken zin en inhoud verstaan doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit, draagt in de Schrift nog den bijzonderen naam van verlichting. Wijl de zonde het verstand verduisterd heeft, Rom. 1:21, 1 Cor. 1:21, 2:14, Ef. 4:18, 5:8, is er ook noodig eene ἀποκαλυψις του νοος, Rom. 12:2, Ef. 4:23. Deze komt tot stand door God, die door ἀποκαλυψις, in den mensch, ἐν ἐμοι, Gal. 1:16, de verhindering wegneemt, welke de rechte kennis der zaken tot dusverre belette, Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, cf. deel I 245. Hij doet dit door den H. Geest te geven, die een πνευμα σοφιας και ἀποκαλυψεως is, Ef. 1:17, in de waarheid leidt, Joh. 16:23, alles leert, Joh. 14:26, 1 Joh. 2:20, en de dingen Gods doet verstaan, 1 Cor. 2:10-16. Gelijk Hij bij de schepping door zijn machtwoord het licht uit de duisternis liet schijnen, zoo laat Hij het ook door den Zoon, Mt. 11:27 en door den Geest licht worden in de harten der menschen, 2 Cor. 4:6, en maakt de oogen des harten verlicht, Ef. 1:18. Daardoor weten, zij de dingen, die hun door God in het evangelie werden geschonken, 1 Cor. 2:12, hebben zij eene γνωσις en ἐπιγνωσις, d. i. eene hen persoonlijk aangaande en op hen inwerkende kennis, van den Vader, Mt. 11:27, 2 Cor. 4:6, Ef. 1:17, van Christus, Mt. 16:17, van de dingen des Geestes Gods, 1 Cor. 2:14 enz., en zijn zij kinderen des lichts, Luk. 16:8, Ef. 5:8, 1 Thess. 5:5, burgers van het rijk des lichts, 1 Petr. 2:9, Col. 2:12 en wandelen in het licht, Ef. 5:8, 1 Joh. 1:7, 2:9, 10. Door de verlichting des H. Geestes gaat den mensch een gansch nieuw licht op over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk, wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht.

Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als eene kennis des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van Christus zalig maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig leven schenkt, 1 Kon. 8:43, 1 Chr. 28:9, Ps. 89:16, Jes. 1:3, 11:9, 53:11, Jer. 4:22, 31:34, Hos. 2:19, 4:1, 6, Mt. 11:27, Luk. 1:77, Joh. 8:32, 10:4, 14, 17:3, Rom. 10:3, 2 Cor. 2:14, Gal. 4:9, Ef. 4:13, Hebr. 8:11, 1 Joh. 5:20, 2 Petr. 1:2, 3:18. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong, wezen en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij eene kennis des geloofs genoemd. Zoo bepaald, wordt zij echter daarmede echter volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menschelijke natuur als zoodanig vreemd is en in den zin van een donum superadditum aan haar toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk, eigenschappen der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort tot het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen doet ieder mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat der wetenschap. Er is geen kennis zonder eenig geloof; het dualisme tusschen geloof en wetenschap is theoretisch en practisch onmogelijk. Zelfs spreekt men in de dogmatiek, behalve van zaligmakend, ook van historisch, Mt. 7:26, Joh. 12:42, 43, 13:17, Hd. 26:27, 28, Jak. 2:19, tijd-, Mt. 13:21, en wondergeloof, Mt. 9:2, 17:20, Hd. 14:9, 1 Cor. 13:2, welke van het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst mede hebben moeten, dat zij denzelfden naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof in engeren zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum superadditum naar Roomsche opvatting. Wel is het geloof eene gave Gods, Hd. 5:31, Ef. 2:8, Phil. 1:29, vrucht van zijne δυναμις, 1 Cor. 2:4, 5, Ef. 1:19, 1 Thess. 2:13, en bepaaldelijk door den H. Geest geschonken, 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch eene gave, die niet in absoluten zin, maar slechts toevallig, ter wille van de zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene nieuwe substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof schenkt zij aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid, welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen menschelijke natuur niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen de Remonstranten, b.v. Arminius, Op. 160, dat Adam vóór den val in zijne natuur de kracht bezat, om in Christus te gelooven, al kende hij natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet noodig, Gomarus, Op. I 93. Moor IV 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454. II 482v. En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus als mensch op aarde door het geloof had geleefd, boven 294. Wijl nu de wedergeboorte principieel eene herschepping is van den ganschen mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zooals kinderkens redelijke wezens zijn ante rationem actualem, zoo zijn zij, indien zij kinderen des verbonds zijn, ook fideles ante fidem actualem. Wel is het onjuist, om met oudere Luthersche theologen de wedergeboorte in donatio fidei te laten opgaan, cf. M. Vitringa III 222, want in de wedergeboorte worden evengoed de semina spei, caritatis enz., ingeplant; maar toch wordt in haar, gelijk alle vermogens en krachten, zoo ook het geloofsvermogen hersteld. Gelooven in God, in Christus enz., is voor den wedergeboren mensch als zoodanig even natuurlijk, als het voor ieder mensch natuurlijk is, om aan de zienlijke wereld te gelooven. Wel gaat, gelijk iedere potentia eerst door zekere inwerking van buiten tot actus overgaat en een tarwegraan alleen in den schoot der aarde ontkiemt, zoo ook het geloofsvermogen, dat door de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de voortgaande vocatio interna tot de daad des geloofs over. Maar in de wedergeboorte herstelt God toch het levensrapport, dat er oorspronkelijk tusschen Hem en den mensch bestond; naar Gods beeld herschapen, is de mensch weder verwant aan God zelf en aan al wat Gods is, aan zijnen Christus, aan de dingen des Geestes, aan zijn Woord, aan zijne kerk, aan zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Der wereld gekruisigd en der zonde gestorven, leeft hij Gode. En daarom, verlicht wordende door den H. Geest, kent hij God ook en is in die kennis zalig, Joh. 17:3.

Maar dit mag niet zoo worden verstaan, alsof de wedergeborene deze kennisse Gods in Christus putte uit zijn eigen hart, uit de inwendige onderwijzing des H. Geestes. De mystiek heeft ten allen tijde Woord en Geest tegenover elkander gesteld, de letter veracht, het inwendige woord ten koste van het uitwendige verheven en daarvoor zelfs zich beroepen op de H. Schrift, Jes. 54:13, Jer. 31:34, Mt. 11:25, 27, 16:17, Joh. 6:45, 1 Cor. 2:10, 2 Cor. 3:6, Hebr. 8:10, 1 Joh. 2:20, 27. Daartegen valt op te merken: 1o dat zeer zeker alle kennis, op natuurlijk en geestelijk gebied eene relatie, eene verwantschap tusschen object en subject onderstelt. Om te zien is een oog noodig; en object en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht. Om te kennen is verstand noodig, en het is dezelfde Logos, die het gekende object en het kennend subject voor elkander schiep. Zoo ook moet op geestelijk terrein bij het Woord de Geest, bij de vocatio externa de vocatio interna, bij de revelatie de illuminatie bijkomen, om ons God te doen kennen in het aangezicht van Christus. 2o De Schrift spreekt dit in bovengenoemde en andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht alleen zien wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene de stof dezer kennis uit zichzelven putten kan of moet. In 1 Joh. 2:20-27 verbindt de apostel de zalving des Geestes, die de geloovigen van den Heilige, d. i. van Christus ontvangen hebben, ten nauwste met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21-24; als zij daarin blijven, blijven zij ook in den Zoon en den Vader en hebben geen nadere onderwijzing meer noodig. Overal verwijst de Schrift den geloovige buiten zich, naar de openbaring Gods in natuur, wet en evangelie heen, Deut. 4:1, Jes. 8:20, Joh. 5:39, Rom. 1:20, 15:4, 2 Tim. 3:15, 1 Petr. 1:25, 2 Petr. 1:19 enz. 3o In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch wel een bewustzijn, verstand, rede meebrengt maar dat hij toch allen inhoud der kennis van buiten verkrijgen moet, deel I 161v. II 39v. Veel meer is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle geloovigen ook door den Heere geleerd, zij leven toch nog in het vleesch, en blijven tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan zichzelven overgelaten, zouden zij terstond vervallen tot dwaling en leugen. En daarom is hier eene objectieve openbaring noodig, die tot regel strekt van leer en leven. 4o Daar komt nog bij, dat niet zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp dezer religieuse kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in ’s menschen hart niet is opgeklommen, dat heeft God in het evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver en onvermengd, voor de oogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet door aanschouwen; zoo behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd te worden. 5o En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het nieuwe leven altijd weer naar het evangelie, naar het woord van Christus, naar de Schriften heen als naar den grond, waarop het steunt, als naar het voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker maar steeds onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift dengene, die opwast in het geloof. Het getuigenis des H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde mate en kracht aan de Schrift als aan den persoon van Christus zelven, deel I 502v. Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuse kennis in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en het geloof in het subjectieve werk der zaligheid zoo sterk op den voorgrond wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de kennis niet zalig, maar God maakt zalig in Christus door den H. Geest. Hij maakt zalig, door de weldaden des verbonds, door Christus, door zichzelven te schenken aan den zondaar. Maar wat zou die zaligheid baten, indien zij ons niet bewust ware en wij er geen kennis van droegen? Dan zou zij zelfs niet bestaan. Onbewuste zaligheid is wel voor den Buddhist het hoogste, en velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor den Christen God te kennen en door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis is daarom niet een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel aan de zaligheid, maar vormt daarin een onmisbaar element. Er is geen zaligheid, die niet gekend, niet genoten wordt. Wat hadden wij aan de vergeving der zonden, aan de wedergeboorte en volkomene vernieuwing door den H. Geest, aan de hemelsche heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis van hadden. Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eischen bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God maakt zalig, door zichzelven in Christus te doen kennen en genieten. Wijl echter de weldaden van het verbond der genade hier op aarde nog slechts ten deele worden geschonken, wijl de gemeenschap met God, de wedergeboorte, de heiligmaking nog onvolkomen zijn, wijl de kennis onvolmaakt is, onzienlijke dingen tot object heeft en aan de Schrift gebonden is, daarom is de kennisse Gods hier op aarde een kennis des geloofs. Het geloof is de eenige weg, waarlangs zij verkregen wordt, de eenige vorm, waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving, wedergeboorte, heiligmaking, volharding, hemelsche zaligheid zijn er voor ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze; wij zijn alleen in hope zalig.

2. In het O. T. ontbreekt nog een technische term voor geloof. De zaak ontbreekt niet, want menigmaal treedt het heil op in den vorm van eene belofte, die niet anders dan door het geloof kan worden aanvaard. Daden en werkzaamheden des geloofs worden ons daarom schier op iedere bladzijde verhaald. Maar de religieuse verhouding des menschen tot God wordt gewoonlijk door andere woorden uitgedrukt, zooals: God vreezen, dienen, liefhebben, aankleven, vertrouwen, zich op Hem verlaten, steunen, hopen, wachten enz., boven bl. 427. Aan gelooven is het meest verwant het woord ‎‏האמין‏‎ met ‎‏ב‏‎ of ‎‏ל‏‎ van ‎‏אמן‏‎, vastmaken, zich vastmaken, vasthouden aan iets, steunen, vertrouwen, Gen. 15:6, Ex. 4:31, 14:31, Deut. 9:23, vooral Jes. 7:9, Achaz, die hulp zoekt bij Assur en daarop steunt, zal niet bevestigd worden, als hij daarvan niet afziet en alleen op God zich verlaat, en Hab. 2:4, de Chaldeën maken hunne kracht tot hun god en hunne ziel is opgeblazen, maar de rechtvaardige zal leven door zijn vertrouwen op God en zijne belofte. In het latere Jodendom bestond het geloof niet alleen in het aannemen van de wet als Gods gave maar ook in de meening, dat Gods goedheid aanvullen zou, wat er aan de wetsgerechtigheid ontbreken mocht. Daartegenover treedt Johannes de Dooper met de prediking op, dat zulk een geloof en zulk eene gerechtigheid geen waarde hebben, dat voor allen μετανοια en doop noodig is, om in te gaan in het rijk van den Messias. Jezus sluit zich hierbij aan, maar voegt eraan toe, dat dat rijk in Hem, den Zoon des menschen, gekomen is; Hij brengt daarvan de blijde boodschap en zegt: bekeert u en gelooft het evangelie. Zoolang Jezus nu op aarde was en zelf predikte, bestond het geloof uit den aard der zaak allereerst hierin, dat men persoonlijk in Jezus onbepaald vertrouwen stelde en daardoor overtuigd was, dat God in en door Hem sprak en wonderen deed, bijv. Mt. 8:10, 9:28, 15:28, 17:20, 21:21,22 enz. Jezus’ persoon had zijn correlaat in de woorden, die Hij sprak, en de werken, die Hij deed, en omgekeerd werden deze woorden en daden weer door zijn persoon geverifieerd. Maar toen Jezus heengegaan was, kwam hierin deze verandering, dat men persoonlijk niet meer Hem ontmoeten kon maar, om Hem te leeren kennen, gebonden was aan het woord der apostelen. Nu kreeg het geloof als het ware twee zijden; 1o het als waar aannemen van de apostolische getuigenis aangaande Christus, en 2o het persoonlijk vertrouwen op dien Christus, als nu nog levende in den hemel, en machtig, om de zonden te vergeven enz. Hoewel beide zijden in de geschriften der apostelen naast elkander voorkomen, legt toch Johannes vooral den nadruk op het eerste moment, πιστευειν c. acc. of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22, 4:50, 5:47, 6:69, 8:24, 11:42, 13:19, 17:8,21, 1 Joh. 5:1,5; Paulus daarentegen op het tweede, en spreekt dan van πιστις c. gen., van Jezus, Rom. 3:22, Gal. 2:16, 20, 3:22, Ef. 3:12, Phil. 3:9, van de waarheid, 2 Thess. 2:13, van het evangelie Phil. 1:27, προς θεου, 1 Thess. 1:8, εἰς Χριστον, Col. 2:5, Phil. 5, ἐν Χριστῳ, Gal. 3:26, Ef. 1:15, 2 Tim. 3:15, en van πιστευειν τινι, Rom. 4:3, Gal. 4:6, 2 Tim. 1:12, Tit. 3:8, ἐπι τινα, Rom. 4:5, 24, ἐπι τινι, Rom. 9:33, 1 Tim. 1:16 en vooral εἰς τινα, Rom. 10:11, Col. 2:5, Phil. 1:29 enz. Maar volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt menigmaal van πιστευειν εἰς τινα, 2:11, 3:16, 18, 36, 4:39, 6:29 enz., εἰς το ὀνομα, 1:12, 2:23, I 5:13 en ook τινι, 3:15, 5:24, 38, 46, 6:30 en τῳ ὀνοματι, I 3:23; en Paulus construeert πιστευειν ook met τι en ὁτι, Rom. 10:9, 1 Cor. 13:7, cf. 15:14,17, 1 Thess. 4:14. Vooral is het verkeerd, de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere of ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie van πιστευειν met ὁτι, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege het zaligmakend geloof in, Joh. 6:69, 8:24, 11:27, 17:8, I 1:5, Rom. 10:9; en πιστευειν τινι of εἰς τινα is dikwerf niet meer dan een historisch geloof, Joh. 7:31, 40v., 8:30v., 10:42, 11:45, 48, 12:11, 42; in 1 Joh. 5:10 staat zelfs πιστευειν εἰς την μαρτυριαν. En dit is ook begrijpelijk. Waarlijk gelooven de getuigenis, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon, kan alleen en doet alleen hij, die een onbepaald vertrouwen stelt in den persoon van Christus; en omgekeerd, wie op Christus vertrouwt als Zone Gods, neemt ook onvoorwaardelijk de getuigenis Gods aangaande Christus door den mond der apostelen aan. Het geloof sluit dus in het N. T. twee elementen in: vertrouwen op den persoon van Christus en aanvaarding van het apostolisch getuigenis. Deze beide hangen onverbrekelijk samen, zij maken in subjectieven zin het wezen des Christendoms uit. Indien Christus alleen een historisch persoon ware, die door zijn leer en leven ons een voorbeeld had nagelaten, dan ware een historisch geloof van de overgeleverde getuigenis genoegzaam, maar dan kwam het ook niet tot ware religie, tot wezenlijke gemeenschap met God en hadde het deisme gelijk. Indien Christus omgekeerd, naar de meening van het pantheisme, niet de historische maar slechts de ideale Christus ware, dan ware geloof aan eene getuigenis gansch overbodig, zou Christus niets anders wezen dan het zijn Gods in ons, maar dan kwam het wederom niet tot ware gemeenschap van God en mensch, wijl deze het wezenlijk onderscheid van beide onderstelt. Maar nu is Christus beide: een historisch persoon, de Christus der Schriften, en tevens de verheerlijkte Heer in den hemel, die nog leeft en regeert als het hoofd zijner gemeente. Hij verwierf de zaligheid in het verleden, maar past ze zelf in het heden toe. En deze weldaden des verbonds omvatten de herschepping van het zijn en van het bewustzijn; zij bestaan in rechtvaardigmaking en in verlossing, in licht en in leven, in waarheid en in genade. Zij veranderen den mensch in de wereld der gedachte, maken hem vrij van leugen, dwaling, duisternis, doen hem God kennen als den genadige, die de zonden vergeeft, stellen hem in de rechte relatie tot God en alle dingen, doen hem bedenken de dingen, die boven zijn en geven hem in het geloof een vasten grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. En zij veranderen den mensch ook in zijn zijn, maken hem vrij van de smet der zonde, doen hem in het verborgene zijns harten leven in de gemeenschap met God door Christus in den H. Geest, maken hem een burger der hemelen, geboren van boven, uit God, herschapen naar de gelijkvormigheid aan het beeld des Zoons, opdat Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen. En deze beide staan in onlosmakelijk verband. Want Christus, die nedergedaald is, is dezelfde, die ook opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou, Ef. 4:10. De H. Geest, die wederbaart, is dezelfde, die ook in ons van Christus getuigt. De Schrift leidt ons op tot Christus, die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door den Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den mond belijdt men ter zaligheid, Rom. 10:10. Het geloof naar de Schrift sluit beide uit: een geloof des harten, dat niet belijdt en eene belijdenis, die niet wortelt in het geloof des harten. Het is mystisch en noetisch tegelijk, een onbepaald, onwankelbaar vertrouwen op Christus, als die naar het getuigenis der Schrift alles voor mij volbracht heeft en op dien grond thans en eeuwiglijk mijn Heer en mijn God is. Cf. over het geloof in de H. Schrift, behalve de handboeken voor Bijb. Theologie van Weiss, Holtzmann enz., Schlatter, Der Glaube im N. T. Zweite Bearbeitung. Calw u. Stuttgart 1896. C. Boetticher, Das Wesen des relig. Glaubens im N. T. Berlin Gaertner 1896. Haussleiter, Was versteht Paulus unter Chr. Glauben? Greifsw. Studiën, H. Cremer..... dargebracht, Gütersloh 1895 S. 159-182. Huther, Die Bedeutung der Begriffe ζωη und πιστευειν in d. Joh. Schriften, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 1-34. Cremer s. v.

3. Wat alzoo ongedeeld en in organische eenheid in de Schrift voorkomt, is in de theologie en in het christelijk leven menigmaal uit elkander gerukt of slechts mechanisch verbonden. Rome vat het geloof op als assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae Deus credendo proponit en verwerpt de Protestantsche definitie, dat het zou zijn eene fiducia specialis, dat mij de zonden vergeven zijn; vertrouwen is vrucht van het geloof in den wil en kan eerst op de rechtvaardigmaking volgen, wijl anders de Protestanten zelf niet zouden kunnen volhouden, dat alleen het geloof rechtvaardigt; in vertrouwen zit immers ook hoop en liefde in. Dit geloof als toestemming is daarom bij Rome onvoldoende ter rechtvaardiging, het is met andere werkzaamheden wel eene voorbereiding ervan, maar is in zichzelf informis en moet door de liefde eene fides formata worden. Bij Rome is het geloof nog in het geheel niet eene persoonlijke, religieuse verhouding tot God, het draagt een inleidend karakter en is voor een groot deel fides implicita, een voor waar aannemen van alles, quod credit sacrosancta mater ecclesia. De persoonlijke relatie tot God komt eerst in de liefde tot stand, en deze is het dan ook die rechtvaardigt en zalig maakt, cf. boven bl. 442 en deel I 476. In het wezen der zaak komt daarmede de opvatting van het geloof in de Grieksche kerk, bij Socinianen, Remonstranten, Rationalisten enz. overeen; het is op zichzelf niets dan een historisch voor waar houden, eigenlijk geen religieus maar een erkenntnisstheoretisch begrip, niet uit de Schrift geput maar van het gewone, dagelijksche spraakgebruik in de theologie ingedragen. De Hervorming heeft echter niet gevraagd: wat is gelooven in het algemeen? en daarnaar het religieuse begrip des geloofs bepaald, maar zij ging naar de Schrift terug, onderzocht welke beteekenis en plaats deze aan het geloof toekende, kwam daardoor tot eene geheel andere opvatting van de fides salvifica en zeide antithetisch tegenover Rome: het is niet alleen een firmus assensus maar ook een certa fiducia; het geloof is de centrale, persoonlijke, religieuse verhouding des menschen tot God. Maar het valt niet te ontkennen, dat deze bepaling des geloofs eigenaardige moeilijkheden medebracht en tot allerlei verschillende zienswijzen aanleiding gaf. Ten eerste moest spoedig de vraag opkomen, in welke verhouding deze beide elementen des geloofs tot elkander staan. Van den aanvang af stelden sommigen den zetel van het geloof in het verstand, omschreven het liefst door cognitio certa, certitudo, en beschouwden de fiducia als een gevolg en vrucht van het geloof in den wil; anderen zochten het wezen des geloofs in de fiducia en deden het zetelen in het hart. Later ontwikkelde zich dit verschil tot de tegenstelling van orthodoxie en pietisme; de orthodoxie wilde door het verstand tot het hart, door de leer tot het leven komen en werd dikwerf onverschillig voor het leven; het pietisme bewandelde den omgekeerden weg en achtte menigmaal de leer van geringe beteekenis. Ten tweede kwam er spoedig verschil over de verhouding van geloof en rechtvaardigmaking. De Reformatie had het geloof opgevat als cognitio of fiducia certa, dat Christus mijn Zaligmaker is en dat de zonden vergeven zijn. Maar het scheen, dat deze zekerheid niet aan de rechtvaardigmaking vooraf kon gaan doch daarop volgen moest; zoo werd er sedert Gomarus tusschen een actus directus en reflexus des geloofs, tusschen toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen, tusschen wezen en welwezen des geloofs onderscheid gemaakt. Dit verschil leidde later tot de tegenstelling van nomisme en antinomisme; het nomisme meende, dat er allerlei conditiën en bevindingen aan de zekerheid van de vergeving der zonden moesten voorafgaan en stelde het wezen des geloofs dus in een zoeken, hongeren, dorsten naar Christus enz.; het antinomisme achtte dit alles overbodig, eene verijdeling van het werk van Christus en omschreef het geloof als vaste overtuiging, dat de zonden vergeven zijn. Ten derde eindelijk was de verhouding van geloof en werk moeilijk te omschrijven. Het was een levend geloof, fides sola doch niet solitaria, dat volgens de Hervorming rechtvaardigde. In tegenstelling met alle werken staande, mocht het geloof dus eenerzijds volstrekt geen werk zijn. Daar moet, zegt Comrie, Heid. Cat. Voorrede XXVI Nijkerk Malga 1856, cf. bl. 412, in de innerlijke natuur van het geloof iets zijn, waardoor het van alle werken, hoe ook genaamd, onderscheiden is. Aan de andere zijde was het toch een levend geloof en dus wel een werk en eene daad, want de potentia of habitus fidei, welke in de wedergeboorte wordt ingeplant, is formaliter nog geen fides, evenmin als een ei reeds een kip is, Voetius, Disp. II 403. 499. Dit verschil over de verhouding van geloof en werk leidde in de practijk tot de tegenstelling van de lijdelijke en de werkdadige Christenen; genen blijven bij de rechtvaardigmaking staan en komen aan de heiligmaking niet toe; dezen loopen gevaar de eerste te miskennen en van de laatste afhankelijk te maken.

Al deze bezwaren en gevaren echter, welke aan de reformatorische opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar voor haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie van het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den rijkdom van dit begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen aannemen slechts van de getuigenis der apostelen aangaande Christus, maar een band der ziel aan Christus zelf, die boven is, gezeten aan de rechterhand Gods. Het is το ἐργον του θεου uitnemendheid, Joh. 6:29, het een en al in het christelijk leven, het middel, waardoor wij Christus en al zijne weldaden deelachtig worden, de subjectieve bron van alle heil en zegen. Terwijl het ons door de Schrift bindt aan den historischen Christus, heft het ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet ons leven in gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten, geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn hart, zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn geloovigen, πιστοι. Het is mystisch en noetisch, receptief en spontaan, passief en actief, eene tegenstelling van alle werken en zelf het werk Gods bij uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging en beginsel der heiligmaking, heel ons leven begeleidend en eerst bij den dood overgaande in aanschouwing. Het is niet meer dan natuurlijk, dat de theologie ermede worstelt, om van dit geloof eene eenigszins juiste omschrijving te geven. En zelfs indien haar dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij machte het leven te beheerschen en alle eenzijdigheden en dwalingen in de practijk te voorkomen. Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan het geloof die plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift eraan toekomt. 1o Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle weldaden des heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en dat Hij zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën, die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg, waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van hen, voor wie zij verworven zijn. 2o In zooverre is het volkomen juist te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden des verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis is de Zoon reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden. Volgens 2 Cor. 5:19 heeft God de wereld met zichzelven in Christus verzoend en haar de zonden niet toegerekend, en Rom. 4:25 zegt duidelijk, dat Christus, gelijk Hij overgeleverd is om onze zonden, zoo ook opgewekt is δια την δικαιωσιν ἡμων, d. i. om, ter wille van onze rechtvaardigmaking, omdat wij objectief in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats gerechtvaardigd waren. De καταλλαγη is niet van den ἱλασμος daarin onderscheiden, dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de eerste is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God is verzoend, neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven bl. 383. Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3o Te meer dient dit vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de weldaden van Christus is dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De weldaden des verbonds zijn geen stoffelijke goederen, die bezeten en genoten kunnen worden zonder en buiten den middelaar van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten en bestaan nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt, dat Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken kan in de gemeenschap van Christus. 4o Met name behoort onder die weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave des H. Geestes. Hij is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn lijden en sterven den Geest des Vaders en des Zoons ook gemaakt tot zijn Geest, tot den Geest van Christus, en deelt dien daarom uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus, dat God zijnen Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad des verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap van Christus. 5o Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden moge nu ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid hebben plaatsgehad; ze moge objectief gerealiseerd zijn in Christus als hoofd en middelaar, toen Hij mensch geworden, gestorven en opgewekt is; zij moge ook zakelijk de inhoud zijn van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief van ’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6o Deze reëele schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna is van zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening geen objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich ook, al is het zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel realiseere en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen deel is aan Christus en zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt den tijd; voor God echter heeft hetgeen geschiedt in den tijd beteekenis voor de eeuwigheid, wijl het zelf in de eeuwigheid zijn grondslag en beginsel heeft. 7o Voor degenen, die opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg. Wijl de mensch een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne zelfstandigheid en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt, moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is Christus zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap brengt tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering. En zoozeer is het antinomianisme ook hier wederom met zijne pantheistische vervluchtiging van den tijd aan het dwalen, dat de Schrift juist aan het geloof, dat alleen hier op deze aarde geoefend kan worden, de zaligheid verbindt. 8o Dit geloof heeft zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen moet om te mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk overvloedig in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook is droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia slechts in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het geloof zelf geen conditie tot de andere weldaden, althans niet in dien zin, dat deze er op eenigerlei wijze door tot stand zouden komen, maar hoogstens alleen zoo, dat het geloof subjectief noodig is, om de in Christus voorhanden weldaden te ontvangen en te genieten. 9o Wijl de schenking van Christus en zijne weldaden aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door veroorzaakt of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding van de geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof door toevluchtnemen, hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet, wijl deze alle uitingen en werkzaamheden zijn van het geloof, en dit dus reeds onderstellen. De onderscheiding van het geloof in toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen moge als onderscheiding, en met het oog op de practijk, waarin de geloovige telkens aan het twijfelen wordt gebracht, eenig recht van bestaan hebben; als scheiding is zij af te keuren en werkt zij zeer schadelijk voor den wasdom van het geestelijk leven. 10o Het geloof als aanvaarding van de door Christus verworven en geschonken weldaden is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar valt daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten de bewustheid van te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het geloof ook naar zijn aard onmiddellijke zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, vreeze, Mk. 4:40, 5:36, twijfel, Mt. 14:31, 21:21, Rom. 4:20, Jak. 1:6, ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen, Mt. 17:20, ὑποστασις en ἐλεγχος der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N. Verbonds, Gen. 49:18, Ps. 16:8-10, 23:4-6, 31:2, 56:5, 10, 57:3 enz., Rom. 4:18, 21, 8:38, 2 Tim. 4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze zekerheid verwierp, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, heeft de Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het geloof naar de Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat, Sohnius, Op. I 976. 11o De fout van het antinomianisme bestond dan ook niet daarin, dat het het geloof als zekerheid omschreef, maar ze was hierin gelegen, dat het de onderscheiding van verwerving en toepassing des heils, van het werk van Christus en van den H. Geest uitwischte, wedergeboorte, bekeering enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder het geloof niets anders verstond dan een verstandelijk aannemen van de sententie: u zijn de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving evenals de zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12o Als bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden kan het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus assensus en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij kennen Hem en zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch werkt Hij niet als andere historische personen alleen na door zijn voorbeeld, woord en geest, maar, gelijk Hij de eenige verwerver der weldaden is, zoo is Hij er ook de eenige bezitter en uitdeeler van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven geworden tot levendmakenden Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden aan de geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen, gelijk Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel en niet meer gezien kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft laten beschrijven in zijn Woord. Daardoor herschept Hij ons zijn en ons bewustzijn, ons doen en ons denken, ons hart en verstand; Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt ons en bevrijdt ons alzoo van alle zonde, zoowel van haar smet als van haar schuld en van al hare gevolgen. Zelf profeet en priester en koning, maakt Hij ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot priesters, die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over wereld en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft, Christum evangelio suo vestitum, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13o Of men het geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is de hoofdzaak niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt het, Inst. II 6, 7 eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio, maar zegt tevens, dat het meer is cordis quam cerebri, affectus quam intelligentiae, ib. § 8, en spreekt er bij Rom. 10:10 van als eene firma et efficax fiducia. Nauwkeurig gesproken, gaat er in logischen zin aan het geloof een vertrouwen vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis, wijl wij vertrouwen stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des verstands berust immers reeds op eene buiging van den wil; nemo credit nisi volens, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust erin; fides antecedit, fides generat fiduciam; Calvijn zegt, dat de apostel Ef. 3:12 ex fide deducit fiduciam, Inst. III 2, 15, cf. Piscator, bij Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 95 f. Maar hoe men het ook bepale, het geloof is in zijn wezen altijd zekerheid, allen twijfel, vreeze, wanhoop buitensluitend. In den geloovige komt wel telkens allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn leven heeft hij daarmede te strijden; maar het geloof is in zichzelf volstrekte zekerheid, Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712 sq. De verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe, maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs (actus fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede enz., Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van fructus fidei of bona opera) zijn geen trappen, die temporeel op elkander volgen, maar wel zijn er in die daden zelve allerlei graden: er is klein en groot, zwak en sterk geloof, er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in het geloof. Maar het geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald vertrouwen; het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’ tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10:27, 11:23, 24, dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, Rom. 4:24, 10:9, nog dooden levend, zondaren zalig maakt en de dingen, die niet zijn roept alsof zij waren, Rom. 4:17.