4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het optreedt als fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de eenige vrucht des geloofs, want het geloof neemt Christus en al zijne weldaden aan; ook bekeering, heiligmaking, goede werken, volharding enz. worden ons deel slechts door het geloof; maar toch is de rechtvaardigmaking eene van de heerlijkste vruchten des geloofs. Sommigen keurden het woord rechtvaardigmaking, justificatio af, wijl het door de samenstelling met maken, facere aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar evenmin als in de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God grootmaken, ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene zedelijke verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord hier ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen zijn. Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis der rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. הצדיק duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor onschuldig verklaart, en staat tegenover הרשיע, verdoemen, Deut. 25:1, Job 32:2, 33:32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23:7, 1 Kon. 8:32, 2 Chron. 6:23, Jes. 50:8. De vergeving der zonden wordt in het O. T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps. 39:9, 51:16, niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes. 43:25, Jer. 31:34, achter den rug werpen, Jes. 38:17, uitdelgen of uitwisschen, Ps. 51:3, 11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9, Ps. 32:1. Het grieksche woord δικαιουν beteekent in het algemeen: recht en billijk achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam partem, den goddelooze recht doen, d. i. straffen, als in bonam partem, den rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig erkennen, worden gebezigd. In het N. T. heeft het onder den invloed des O. T. steeds eene juridische en eene gunstige beteekenis verkregen. Zoo komt het in het algemeen voor, Mt. 11:19, waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen maar in juridischen zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte van, ἀπο, hare kinderen; evenzoo Luk. 7:29, waar de tollenaars God rechtvaardigen, en verder Mt. 12:37, Luk. 10:29, 16:15, 18:14. Ook bij Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3:4 kan het geen ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is, die in zijne woorden gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην, 4:3, 5, staat tegenover κρινειν, ἐγκαλειν en κατακρινειν, 8:33, 34, evenals δικαιωμα tegenover κατακριμα, 5:16. Het beteekent iemand na gerechtelijk onderzoek van de schuld vrijspreken, rechtvaardig verklaren, δικαιον καθισταναι, Rom. 5:19.
Nu kan het woord הצדיק, δικαιουν, rechtvaardigmaken op zichzelf wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door kerkvaders gebezigd, Suicerus s. v.; bij Luther en Melanchton en in de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug., wordt justificari in tweeërlei zin gebruikt, als justos pronuntiari seu reputari en ex injustis justos effici seu regenerari, Symb. Bücher ed. Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs, Die Bedeutung der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik der luth. Kirche, Stud. u. Krit. 1884 S. 613-688, Eichhorn, Die Rechtfertigungslehre der Apologie, ib. 1887 S. 415-490 en Zitzlaff, Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung, ib. 1898 S. 522 f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de rechtvaardigmaking oorspronkelijk niet in juridischen maar in ethischen zin opvatte en het geloof als ipsa justitia beschouwde; maar toch is ter anderer zijde de bewering der Formula Concordiae, bij Müller 528. 613, niet juist, dat regeneratio in de Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De tegenstelling tusschen Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging werd in den eersten tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch of juridisch, maar in rechtvaardigmaking door werken (liefde) of door geloof, om onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen gerechtigheid van Christus. Doch deze justificatio op grond van Christus’ gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio van den mensch, daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost en opgebeurd en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam regeneratio, quia ex filio irae fit films Dei et hoc modo e morte in vitiam transfertur, ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 274 f. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms, dat het woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11 zoo verstaan moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3; terwijl anderen ook in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6 sq. 12, 14. Mastricht, Theol. VI 6, 19. Moor IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl. 140. Inderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den staat en den stand der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het woord niet onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt of deze er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk. Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d. i. per cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk maar wordt waarschijnlijk door de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen. Evenzoo wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn, om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te worden. In 1 Cor. 6:11 is de juridische beteekenis van δικαιουν thans schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij, vroeger ἀδικοι, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens het eerste woord denkt P. aan den doop, en de drie begrippen duiden niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde ἀλλα bevatten zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der δικαιοι, geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun deel geworden in den naam van den Heere Jezus και ἐν τῳ πνευματι του θεου ἡμων; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke in Christus haar objectieven grondslag heeft en in den Geest zich aan de geloovigen realiseert, Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud. u. Krit. 1898 S. 402 f. Tit. 3:7 bevat geen enkele reden, om van de gewone, juridische beteekenis van δικαιουν af te wijken. In Op. 22:11 verdient de lezing δικαιωθητω om de parallelle vormen de voorkeur en beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen, nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle stringent bewijs, dat het woord δικαιουν in de Schrift ooit in ethischen zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval, als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft het altijd eene juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs, dit exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b. v. B. Bartmann, St. Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung, Freiburg 1897 S. 67 f.
5. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige rechtvaardig en de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en aller geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt God naar dezen regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig en den onschuldige veroordeelt Hij niet, Ex. 20:5v., 34:7, Num. 14:18. Wie den goddelooze rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja die beiden, Spr. 17:15, cf. Ex. 23:7, Spr. 24:24, Jes. 5:23. En toch schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak, Rom. 1:18, 2:13, zegt Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt, 4:5. De mensch heeft n.l. geene gerechtigheid in zichzelven, op grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak vinden in het geloof, d. i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van den mensch en deze als volkomen aanmerken, wijl zij den waarborg der volmaaktheid in zich dragen of ook om Christus’ wil door God als volmaakt gerekend worden, komen op alle punten met de leer der Schrift en de christelijke belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken der wet geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64:6, Rom. 3:19, 20, 8:7, Ef. 2:2 enz. De werken, na de rechtvaardiging uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils omgekeerd en de rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en ook die goede werken nog altijd onvolkomen en met zonde besmet zijn, niet beantwoordende aan den vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22:37, Gal. 3:10, Jak. 2:10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den eisch der wet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid, die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid des geloofs of de gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10:3, Phil. 3:9; zij sluiten elkander uit als werken en geloof, Rom. 3:28, Gal. 2:16, als loon en genade, Rom. 4:4, 11:6. Terwijl de wet dus den mensch vanwege zijne zonde veroordeelt en veroordeelen moet, heeft het Gode behaagd, eene andere gerechtigheid te openbaren, die grond zijner vrijspraak kan zijn. Deze gerechtigheid wordt door Paulus δικαιοσυνη θεου genoemd. De uitdrukking komt, behalve Jak. 1:20 en 2 Petr. 1:1, bij Paulus voor in Rom. 1:17, 3:5, 21, 22, 25, 26, 10:3, 2 Cor. 5:21, Phil. 3:9 en heeft bij hem een eigenaardigen zin. In het O. T. is de gerechtigheid Gods die deugd, waardoor Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt, en dan vervolgens vooral de armen, de ellendigen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun recht erkent, boven bl. 340. Maar deze gerechtigheid Gods scheen bij het einde der O. T. oeconomie geheel verdwenen en te loor gegaan; immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3:19, uit de werken der wet werd niemand voor God gerechtvaardigd, 3:20, de tevoren geschiede zonden waren in Gods lankmoedigheid straffeloos voorbijgegaan, 3:25. Het was dus noodig, dat zijne gerechtigheid wederom geopenbaard werd. Dat deed God nu, niet door de gansche wereld te verdoemen, maar door in Christus een ἱλαστηριον, een zoenmiddel of zoenoffer, voor de zonden te geven. Daardoor bleek, dat God zelf rechtvaardig was, maar daardoor werd ook mogelijk dat Hij, behoudens, ja in overeenstemming met zijne rechtvaardigheid, rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is, 3:25, 26. Immers, en zoo komt Paulus tot de hem eigene wijziging van het begrip der δικαιοσυνη θεου—in Christus, in het evangelie heeft God, zonder de wet, eene tegenover de ἰδια δικαιοσυνη staande „gerechtigheid Gods” geopenbaard. Zijne gerechtigheid als deugd heeft zich daarin het heerlijkst betoond, dat Hij in het evangelie eene andere, buiten de werken der wet omgaande, gerechtigheid heeft geschonken, op grond waarvan Hij dengene, die uit het geloof van Jezus is, rechtvaardigen kan. Gerechtigheid Gods heet deze, niet omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, welke wel buiten hem is maar door hem in het geloof is aangenomen en werkelijk „voor God” (gen. object., met beroep b.v. op Rom. 2:13, Gal. 3:11, παρα τῳ θεῳ, 3:20, ἐνωπιον αὐτου) als zoodanig geldt, Luther, Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit, Fritzsche; noch ook, omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, welke hem ingestort is en waardoor hij voor God kan bestaan, Osiander, Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beck enz.; maar wijl zij eene gerechtigheid is, welke niet der menschen maar Godes is, die Hij bezit, welke Hij daarom ook alleen geeft en geven kan, die niet uit den mensch maar ἐκ θεου is, Rom. 10:3, 5, Phil. 3:9; zoo de meeste nieuwere exegeten, hetzij zij den genetivus meer opvatten als een gen. subjecti (Haussleiter), possessivus (Fricke) of originis, auctoris, causae efficientis (Bengel, Rückert, van Hengel, Winer, Baur, Hofmann, Godet, Weiss, Pfleiderer, Holtzmann enz.); cf. behalve de reeds vroeger deel II 198v. genoemde litteratuur: Rauwenhoff, Disq. de loco Paulino, qui est de δικαιωσει, L. B. 1852. Lipsius, Die Paulin. Rechtfertigungslehre, Leipzig, 1853. Ortloph, Zeits. f. luth. Theol. u. Kirche 1860. Schultz, Die Lehre v. d. Gerecht, aus d. Glauben im A. u. N. B., Jahrb. f. d. Th. 1862 S. 510-572. Cremer s. v. δικ. Weiss, Bibl. Theol. §82. Pfleiderer, Der Paulin.2 183. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter2 143. H. Beck, Die δικ. θεου bei Paulus, Neue Jahrb. f. d. Th. 1894 S. 249-261. Holtzmann, Neut. Theol. II 127. Häring, Δικ. θεου bei Paulus, Tübingen 1896 (vat δικ. θεου als daad op, rechtvaardiging Gods, evenals Kölbing, Stud. u. Krit. 1895 S. 7-17).
Al is deze gerechtigheid nu eene gerechtigheid Gods, zij wordt toch aan den mensch meegedeeld, en het verband tusschen haar en den mensch wordt door Paulus gelegd in het geloof. Deze gerechtigheid Gods is er, zij wordt evenmin als de καταλλαγη, 2 Cor. 5:19, door den mensch, door het geloof bewerkt, maar ligt objectief in Christus, Rom. 4:25, 1 Cor. 1:30, zij wordt geopenbaard in het evangelie, 1:17, 3:21, zij is eene gave, eene gave der genade, 3:24, 5:15, 16, 17; desniettemin, of liever juist daarom, 4:16, is zij δια πιστεως Ιησου Χριστου, 3:22, Phil. 3:9, ἐκ πιστεως, 9:30, 10:6, eene δικαιοσυνη πιστεως, 4:11, 13, in het bezit des menschen ἐπι τῃ πιστει, Phil. 3:9; zij wordt geopenbaard in het evangelie ἐκ πιστεως en εἰς πιστιν, 1:17, εἰς παντας τους πιστευοντας, 3:22, cf. 10:4, 10; God rechtvaardigt τον ἐκ πιστεως Ιησου, 3:26, ἐκ of δια πιστεως, 3:30, Gal. 3:8, en de mensch wordt gerechtvaardigd πιστει, 3:28. ἐκ πιστεως, 5:1, Gal. 3:24, δια πιστεως, Gal. 2:16; het geloof wordt gerekend εἰς δικαιοσυνην, Rom. 4:3, 5, 9, 11, 22, en de rechtvaardige leeft ἐκ πιστεως, 1:17, Gal. 3:11. Welke plaats komt nu naar deze uitdrukkingen aan het geloof in de rechtvaardigmaking toe? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren, het geloof als goede gezindheid opvatten en God den wil laten nemen voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat van Roomschen, Remonstranten, Mystieken, Ethischen en vele nieuwere Protest. theologen, die zeggen, dat het geloof wel speciaal geloof aan Christus is maar het toch opvatten als de gansche of als een stuk van die gerechtigheid, op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt; dat geloof is wel onvolmaakt en niet beantwoordende aan den eisch der wet; maar God houdt het toch voor eene volmaakte gerechtigheid en stelt er zich mede tevreden, hetzij om den wille van Christus, of omdat het toch eene gehoorzaamheid aan Gods wil in het evangelie is en den mensch Gode aangenaam maakt, of wijl het in beginsel volmaakt is en den waarborg der toekomstige volmaking in zich draagt. Maar deze meening is om allerlei redenen met de Schrift in strijd. 1o De gerechtigheid, die de grond der rechtvaardigmaking is, is eene gerechtigheid Gods en niet des menschen; zij wordt den mensch slechts ten deel door eene gave der genade; zij ligt dus vóór zijn geloof in Christus gereed en heeft geen enkele aanvulling van noode. God heeft n.l. Christus gesteld tot een ἱλαστηριον, 3:24, en deze Christus is overgeleverd om onze zonden, 4:25, voor ons gestorven, 5:6-11, een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5:21, en is alzoo ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, d. i. omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren; Hij is onze gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, en wij worden gerechtvaardigd δια της ἀπολυτρωσεως της ἐν Χριστω Ιησου, 3:34, ἐν τῳ αἱματι αὐτου, 5:9, ἐν Χριστῳ, Gal. 2:16. In Rom. 5:12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij Adam. Op grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en den dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid in Christus tot δικαιωμα, d. i. tot een vrijsprekend oordeel voor velen, 5:16. Door één δικαιωμα toch, d. i. het vrijsprekend oordeel over Christus in zijne opstanding, 4:25, komt het bij alle menschen tot δικαιωσις ζωης, d. i. de daad der rechtvaardiging, welke het leven meebrengt, 5:18. Door de gehoorzaamheid van éénen worden de velen tot rechtvaardigen gesteld, δικαιοι κατασταθησονται, 5:19. Naast de gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij Christus als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof of liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen. 2o Nergens wordt het geloof dan ook als grond der rechtvaardiging voorgesteld. De gerechtigheid, de rechtvaardiging is ἐκ of δια πιστεως, maar nooit δια πιστιν. Wel staat Phil. 3:9, dat Paulus την δια Χριστου, την ἐκ θεου δικαιοσυνην bezat ἐπι τῃ πιστει, op grond van zijn geloof, maar de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als δια πιστεως, ἐκ θεου; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods voor zichzelven bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het geloof voor als de gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan; integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof. Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel geloof en werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit de werken, Rom. 3:20-28, 4:4-6, 13, 14, 9:32, 10:5, 6, Gal. 2:16, 3:11, 12, 23, 25, 5:4, 5, Ef. 2:8, 9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, wijl het geloof in Christus, onze gerechtigheid is. Indien het geloof om zichzelf rechtvaardigde, zou het object van dat geloof, n.l. Christus, geheel zijne waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste en waarde had en den mensch Gode aangenaam maakte, dan zou Christus tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21. Zoo weinig komt het geloof bij de rechtvaardiging als grond in aanmerking dat Paulus zeggen kan, dat God den goddelooze rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijne leer de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid leidt, verdedigt hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten deele de grond der rechtvaardiging is, Rom. 3:5-8, 6:1, maar houdt hij staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn, wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is, Rom. 8:33, 34. 3o Wijl het geloof dus geen werk is maar een afstand doen van alle werk, een onbepaald vertrouwen op God, die de dooden levend maakt, Rom. 4:17, die Christus opgewekt heeft, 4:24, die in Christus eene δικαιοσυνη θεου gegeven heeft, 3:22-26, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid Gods in Christus door God wordt aangenomen. Het woord λογιζεσθαι toch kan wel beteekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor. 4:1, 2 Cor. 12:6, maar het kan ook den zin hebben van: iemand iets in rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden dengene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft, Rom. 4:8, 2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zoo werden zij wel toegerekend aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53:4, 5, 6, Mt. 20:28, Rom. 3:25, 8:3, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, 1 Tim. 2:6; en zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4:5, en daarom is dat toerekenen κατα χαριν, 4:4, het is een λογιζεσθαι δικαιοσυνην χωρις ἐργων, 4:6. De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geopenbaarde gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: ὁ δικαιος ἐκ πιστεως ζησεται. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5:17, 18, 6:4v., 2 Cor. 4:10, 11, Gal. 2:20, Col. 3:3, 4, 2 Tim. 1:10, cf. Joh. 1:4, 6:33v., 11:25, 1 Joh. 1:2, 5:11 enz. Wie gelooft, die heeft het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie gelooft, heeft de δικαιοσυνη θεου, welke God in Christus hem schenkt. 4o Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het geloof zelf grond der rechtvaardiging is, God met eene mindere gerechtigheid zich tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet. Het evangelie bevestigt dan niet, gelijk Rom. 3:31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelven. Of ook rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor eene volkomene en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijne waarachtigheid. De beschuldiging, die door de voorstanders der justitia infusa tegen de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat Hij niet is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij den troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat dikwerf zoo klein is en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze wegschuilt, dat volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het christelijk leven een leven van voortdurende angst en onzekerheid; in plaats van naar Christus, wordt het oog des geloofs steeds naar binnen, naar zichzelven, geslagen; een waarachtig, christelijk leven in den dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vreeze voor God als Rechter omgezet zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van waarlijk goede werken sprake kan zijn.
6. Toch dient het bezwaar, dat tegen de justitia imputata ingebracht wordt, ernstig overwogen te worden. 1o Bellarminus, de justif. II c. 7 ontwikkelde het op deze wijze: de gerechtigheid van Christus, indien alleen ons toegerekend en dus buiten ons blijvend, kan de forma niet zijn, waarin wij voor God gerechtvaardigd worden. Gods oordeel is toch naar waarheid. Hij kan iemand niet rechtvaardig verklaren, die het niet is; zoolang de gerechtigheid van Christus alleen toegerekend is en buiten den mensch blijft, is hij niet rechtvaardig en kan hij niet rechtvaardig verklaard worden. Men zal zeggen: maar de zondaar is toch door het geloof met Christus’ gerechtigheid bekleed! Doch, ofschoon dat zoo zij, indien iemand optreedt in tweeërlei gedaante, in eene forma extrinseca en eene forma inhaerens, dan wordt hij niet naar de eerste maar naar de laatste genoemd. Laat een Ethiopiër een wit kleed aandoen, hij blijft toch zwart en wordt zoo genoemd, al is hij ook wit naar de forma extrinseca. Ja nog sterker: ook Christus kan in tweeërlei forma beschouwd worden; naar de forma intrinseca was Hij heilig, naar de forma extrinseca was Hij met onze zonden beladen; toch wordt Hij niet naar deze maar naar gene genoemd. En zoo kan ook in de rechtvaardiging de justitia imputata onze forma niet zijn; wij kunnen alleen gerechtvaardigd worden op grond van eene in ons wonende gerechtigheid. Dit bezwaar van Bellarminus keert bij alle bestrijders der reformatorische leer terug; alwat men op de leer van de justitia imputata tegen heeft, komt hierop neer. Om nu met het laatste te beginnen, Christus wordt in de Schrift wel terdege naar de forma extrinseca genoemd en behandeld; Hij heet zelfs tot zonde voor ons gemaakt en een vloek voor ons geworden. In legalen, juridischen zin kan Christus een zondaar heeten, ofschoon ter vermijding van antinomiaansch misverstand de uitdrukking geen aanbeveling verdient, boven bl. 366. En zoo wordt in Rom. 4:5 en 5:6 gezegd, dat God den goddelooze rechtvaardigt. Sterker uitdrukkingen dan deze kunnen niet gebruikt worden. De tegenstanders van de justitia imputata moeten hun bezwaar niet tegen Luther en Calvijn maar tegen Paulus inbrengen. 2o Het beeld van den Moor is ongelukkig gekozen. De tweeërlei forma, waarin de mensch in de rechtvaardigmaking voorkomt, staan onderling in gansch andere verhouding dan die van de zwarte huid en het witte kleed bij den Ethiopiër. De mensch is een goddelooze in ethischen zin, maar hij wordt om de gerechtigheid van Christus een rechtvaardige in juridischen zin; het aantrekken van een wit kleed brengt echter hoegenaamd geen legale verandering van den Ethiopiër mede. Juister is het beeld van het kind, dat, in genade door een rijk man aangenomen, reeds als toekomstig erfgenaam rijk mag heeten, al heeft het op het oogenblik nog niets in zijn bezit. God verklaart den zondaar rechtvaardig, neemt hem aan tot zijn kind, belooft hem Christus en al zijne weldaden, en daarom is hij rechtvaardig en wordt eens in het bezit van alle schatten der genade gesteld. 3o De toerekening van Christus’ gerechtigheid wordt echter door Bellarminus c. s. geheel verkeerd opgevat. Zij stellen zich deze voor als eene fictie, die met de werkelijkheid in strijd is; justitia imputata is volgens hen eene gerechtigheid, die alleen in de verbeelding bestaat, en justitia infusa is alleen ware, wezenlijke gerechtigheid. Dat is echter eene gansch verkeerde voorstelling. De rechtvaardigmaking is even waarachtig als de heiligmaking, de toerekening even reëel als de instorting. Dit is alleen het verschil; in de justificatie wordt de gerechtigheid ons geschonken in juridischen, in de sanctificatie wordt zij ons deel in ethischen zin. Beide zijn even wezenlijk en beide evenzeer noodig. Eerst moet de rechter iemands recht op een zeker pand uitspreken, eer deze daarvan in het bezit kan komen; het eerste is geen fictie, geen inbeelding, die er niets toe doet en met de werkelijkheid strijdt; neen, eerst is de imputatio justitiae noodig, de erkenning van het recht, en daarna kan eerst de infusio justitiae volgen, de inbezitneming van datgene, waar recht op bestaat. Wanneer dit alles nu reeds waar is bij den aardschen rechter, hoeveel te meer bij den hemelschen? Als God den goddelooze rechtvaardigt, dan is dat geen fictie, geen imputatio putativa, maar dan is en wordt dat zoo. Zooals God recht spreekt, zoo is en zoo blijft het eeuwiglijk, en zoo zal het ook eens in den dag des oordeels door allen worden erkend. Want God, als Hij den goddelooze rechtvaardigt, doet dat op grond van eene δικαιοσυνη, welke Hij zelf in Christus aangebracht heeft; door Christus’ offerande heeft Hij tegenover alle vijandige macht het recht der vrijspraak van den goddelooze verworven; en als Hij recht spreekt, zal Hij het uitvoeren ook. De goddelooze is rechtvaardig in legalen zin, hij zal het dus zeker ook worden in ethischen zin. Want God is degene, die dooden levend maakt en die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. En het rechtvaardigend geloof bestaat juist in onwankelbaar vertrouwen op dien God der wonderen, bij wien alle dingen mogelijk zijn. 4o De gerechtigheid, op grond waarvan de goddelooze gerechtvaardigd wordt, is inderdaad zijne eigene niet; zij is eene δικαιοσυνη θεου, staande tegenover de ἰδια δικαιοσυνη. Maar zij is toch niet in dien zin eene vreemde en buiten hem staande, dat zij hem niets aangaat en niet in de minste relatie tot hem staat. Integendeel, reeds in het pactum salutis heeft Christus zich in betrekking tot de zijnen gesteld en als middelaar hun plaats ingenomen. In den staat der vernedering is Hij om hunne zonden gestorven, en Hij is opgewekt om hunne rechtvaardigmaking. Er bestaat een verbond der genade, eene unio mystica tusschen Christus en zijne gemeente, lang voordat de geloovigen persoonlijk daarin worden opgenomen; anders had Christus ook niet voor hen kunnen voldoen. Er heeft eene toerekening en schenking van Christus en al zijne weldaden van Gods zijde plaats, eer de bijzondere personen komen tot het geloof. Bepaaldelijk heeft die toerekening en schenking plaats in de vocatio interna, en de wedergeboorte is de passieve aanvaarding van deze gave der genade. God moet ook eerst geven, opdat wij zouden kunnen ontvangen. De allereerste genade, welke ons wordt geschonken, onderstelt reeds de toerekening van Christus, want deze is de eenige bron der genade, de verwerver en uitdeeler van den Geest, die zijn Geest, de Geest van Christus is. Eene vreemde is dus de gerechtigheid, die de grond der rechtvaardiging is, slechts in zekeren zin. Zij is de gerechtigheid van het hoofd maar daarom ook van al de leden, van den middelaar maar dus ook van al de bondgenooten.
7. Doch ook hiermede is de reformatorische leer van de rechtvaardigmaking nog niet in het volle licht gesteld. Al moge het waar zijn, dat er eene toerekening en schenking van Christus aan de zijnen reeds plaats heeft in het pactum salutis, in vleeschwording en voldoening, in uit- en inwendige roeping; deze is toch nog niet genoeg, zij is de eigenlijke rechtvaardigmaking nog niet. Het is waar dat de Geref. theologie reeds spoedig ging onderscheiden tusschen de justificatio activa, die vóór, en de justificatio passiva, die na het geloof plaats had, en de eerste als de eigenlijke rechtvaardigmaking tegen de laatste als een tot bewustzijn komen van de reeds geschiede rechtvaardigmaking ging overstellen. De Schrift geeft hier in Rom. 4:25 en 2 Cor. 5:19 eenigen grond voor, en ook in de nieuwere theologie is menigmaal, zij het dan ook om andere reden en met andere bedoeling, de juistheid dezer Geref. gedachte erkend, cf. bijv. Schelling, Werke II 4 S. 217 f. Dorner, Chr. Gl. II 754 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 76 f. Kaftan, Dogm. 493 f. enz. Er ligt hier zulk eene belangrijke waarheid in, dat de ontkenning daarvan onvermijdelijk tot Remonstrantsche voorstellingen voert. God wacht niet met de vrijspraak van den zondaar, totdat deze als het ware buiten Hem om de gerechtigheid van Christus door het geloof heeft opgenomen; de toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden gaat aan het geloof vooraf, zij is geschied in het besluit des Vaders, in de voldoening van Christus, in de vocatio interna des H. Geestes. Maar hoe waar dit alles ook zij, het is toch opmerkelijk, dat de Schrift deze toerekening nooit met den naam van rechtvaardigmaking bestempelt maar daaronder steeds verstaat die vrijspraak Gods, welke geschiedt uit en door het geloof. Op zijn minst ligt hierin opgesloten, dat de rechtvaardigmaking uit het geloof in de orde des heils eene gewichtiger plaats inneemt dan degenen, die het zwaartepunt leggen in de justificatio activa, haar kunnen toekennen. Behalve dat deze voorstelling van de leer der rechtvaardigmaking afwijkt van het doorloopend spraakgebruik der H. Schrift, geeft zij ook aanleiding tot misverstand, ziet zich genoodzaakt tot exegetische gewelddadigheden, en laat de rechtvaardigmaking uit het geloof niet genoegzaam als vrijsprekende daad Gods tot haar recht komen. Men kan wel van eeuwige rechtvaardigmaking spreken en ze in goeden zin bedoelen en opvatten; maar zonder bedenking is de uitdrukking toch niet; de Gereformeerden verwierpen haar bijna zonder uitzondering, ook Maccovius, L. C. 676, Voetius, Disp. V 281, Westm. Syn. XI 4, en zelfs Comrie, Brahe e. a. namen ze slechts aan in beperkten en wel omschreven zin, Comrie, Brief over de regtv. Sneek 1858 bl. 91v. Brahe, Godg. Stellingen over de leer der rechtv. Amst. 1833 bl. 26v. Immers is in God niet alleen de rechtvaardigmaking, maar alwat Hij denkt en doet eeuwig. In dien zin, als actus immanens, is ook de schepping eeuwig, deel II 411, maar wie daarom van eeuwige schepping ging spreken, zou verwarring stichten en een pantheistische terminologie invoeren. En zoo is het ook met de onderhouding, de regeering, de wedergeboorte, de roeping, de heilig- en heerlijkmaking, en niet minder de rechtvaardigmaking. Ook kan er in goeden zin van eene rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en in het evangelie gesproken worden; maar toch is er tusschen deze en die, welke uit het geloof geschiedt en die meer bepaald in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt, een groot onderscheid. Gene betreft toch Christus als borg der zijnen, maar deze gaat over de geloovigen zelven, en niet alleen over die geloovigen als geheel, als gemeente gedacht, gelijk Ritschl beweert, Rechtf. u. Vers. III 103 f., maar ook over hen allen persoonlijk, zooals uit Rom. 3:26, 4:3, 24, 5:19, 8:1, 30, 10:4, 10, 1 Cor. 6:11, Gal. 2:16, Phil. 3:9 enz. onwedersprekelijk bewezen wordt. Deze laatste rechtvaardigmaking nu is geen toevallig element, dat bij de eigenlijke en wezenlijke rechtvaardigmaking in Gods besluit, in Christus’ opstanding of in de roeping door het evangelie bijkomt; maar zij vormt in de rechtvaardigmaking, die als het ware in de eeuwigheid begint en eerst in het laatste oordeel haar volle beslag krijgt, een onmisbaar en allerbelangrijkst moment. De toepassing des heils door den H. Geest mag in geenerlei opzicht tot eene verwerving des heils worden gemaakt, want de H. Geest neemt alles uit Christus; maar de toepassing is toch op haar terrein even noodzakelijk en van even groote beteekenis als de verwerving. Van wedergeboorte, geloof en bekeering wordt daarom in de Schrift de ingang in het koninkrijk der hemelen afhankelijk gemaakt. En verwerving en toepassing staan daarbij in zoo nauw verband, dat de eerste niet zonder de laatste en omgekeerd de laatste niet zonder de eerste denkbaar of bestaanbaar is. De verwerving brengt noodzakelijk de toepassing mede; door zijn lijden en sterven heeft Christus ook verworven, dat al zijne weldaden, dus ook de vergeving der zonden aan al de zijnen persoonlijk en individueel zouden worden toegepast. Het is Christus als Zaligmaker niet alleen om objectieve voldoening maar ook om subjectieve verlossing der zijnen van de zonde te doen. Deze komt nu niet tot stand door eene objectieve rechtvaardigmaking in het besluit Gods of in de opstanding van Christus, maar zij krijgt dan eerst haar beslag, wanneer de mensch beide naar het zijn en naar het bewustzijn van de zonde bevrijd wordt, en dus wedergeboren en gerechtvaardigd wordt. Op deze rechtvaardigmaking heeft nu gewoonlijk de Schrift het oog, als zij dit woord gebruikt of ook van vergeving der zonden enz. spreekt. Paulus bij name denkt bij de rechtvaardigmaking niet aan eene eeuwige daad in God, want hij spreekt van haar als ἐκ, δια πιστεως. Ook geeft hij met geen enkel woord te kennen, dat zij daarin bestaat, dat God op een gegeven oogenblik, bijv. als de mensch gelooft, stil bij zichzelven, in foro coeli, in de hemelsche vierschaar, hem vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven. Want alleen de raad Gods is een actus immanens, maar alle andere werken Gods, schepping, onderhouding, regeering, verlossing, rechtvaardigmaking enz., behooren tot de actus transeuntes; zij zijn niet ratio ordinis maar executio ordinis, boven bl. 6. Ook denkt Paulus bij de rechtvaardigmaking uit het geloof niet aan de zoogenaamde justificatio passiva, ten minste niet, als deze van de justificatio activa temporeel gescheiden en als een tot bewustzijn komen van de reeds lang te voren geschiede rechtvaardigmaking opgevat wordt; want hij legt er juist allen nadruk op, dat God rechtvaardigt uit en door het geloof. Wij staan hier als zoo dikwerf voor het mysterie der verhouding van eeuwigheid en tijd. Als Christenen belijden wij, dat het eeuwige willen Gods, zonder op te houden eeuwig te zijn, werkingen kan voortbrengen in den tijd, gelijk zijn eeuwig denken ook tijdelijke dingen tot inhoud hebben kan, deel II 413. In de rechtvaardigmaking uit het geloof komt niet eene eeuwen geleden door God uitgesproken vrijverklaring eindelijk tot bewustzijn van den mensch; maar God, die onveranderlijk is, is zelf de handelende, als Hij den zondaar vrijspreekt door het geloof. Van Hem gaat, zonder dat Hij ophoudt de Eeuwige te zijn, die werkzaamheid uit, welke door den mensch als rechtvaardiging uit het geloof ontvangen en genoten wordt. De toepassing is evengoed als de verwerving des heils van oogenblik tot oogenblik eene werkzaamheid Gods, van den Vader, den Zoon en den H. Geest. Ook in de rechtvaardigmaking uit het geloof zijn alle drie personen betrokken. Het is de Vader, die door den Zoon en in den Geest den zondaar rechtvaardigt, Rom. 8:33, 34, 1 Cor. 6:11. Paulus denkt er niet aan, om hier scheiding te maken en de rechtvaardigmaking door den Vader in de eeuwigheid, die van den Zoon in de opstanding, en die van den H. Geest in het bewustzijn van den mensch te verleggen. Maar gelijk zij alle drie saamwerkten in de verwerving, zoo werken zij ook saam in de toepassing der zaligheid. In gene werd de schuld en straf weggenomen en het leven verworven; in deze wordt de mensch door God ook van zijne zijde en subjectief in die verhouding geplaatst, waarin hij objectief reeds stond in Christus als zijn borg en middelaar. Gelijk de wedergeboorte in subjectieven zin van de smet der zonde bevrijdt, zoo neemt de rechtvaardiging de schuld der zonde weg. Beide zijn even noodzakelijk, even reëel, evenzeer gegrond in de offerande van Christus, maar ook in de toepassing van eene zelfde hooge beteekenis.
Deze rechtvaardigmaking gaat daarom niet buiten den mensch om maar geschiedt uit en door het geloof. De Schrift denkt daarbij ongetwijfeld meestentijds aan het geloof als actus. Maar natuurlijk is daardoor het geloof als habitus niet uitgesloten; wedergeboren kinderkens en volwassen geloovigen hebben en houden in dezen habitus fidei de vrijspraak Gods, de getuigenis des H. Geestes, dat zij kinderen Gods zijn, ook al getuigt hun geest niet altijd mede. Maar verder stelt de Schrift deze rechtvaardigmaking uit het geloof scherp en streng tegen die uit de werken over. Deze tegenstelling wil echter niet zeggen, dat het geloof geen werk is en geen beginsel van goede werken. Zij dwingt ons niet, om zoolang te zoeken totdat wij in de innerlijke natuur des geloofs iets vinden, dat geen werk, geen daad maar enkel passiviteit is, De tegenstelling, die de Schrift en inzonderheid Paulus maakt, is deze, dat de rechtvaardigmaking niet tot stand komt door de werken der wet, d. i. niet in zulke werken haar grond, haar causa meritoria heeft. Immers heeft God in Christus eene andere, betere δικαιοσυνη gegeven, dan die zondige werken kunnen bieden; en die δικαιοσυνη dat is Christus, is de eenige en genoegzame grond onzer rechtvaardigmaking. In de tegenstelling οὐκ ἐξ ἐργων ἀλλ’ εκ πιστεως heeft de praepositie ἐκ dus beide malen eene verschillende beteekenis. In het eerste lid geeft zij te kennen, dat werken der wet niet de δικαιοσυνη kunnen zijn, op grond waarvan God ons vrijspreken kan; maar in het tweede lid duidt zij aan, niet dat het geloof zelf wel die gerechtigheid kan zijn, maar dat het die gerechtigheid, welke noodig is om gerechtvaardigd te worden, juist niet bij den mensch in zijne werken, maar buiten hem in Christus zoekt. De tegenstelling luidt dus zuiver aldus: niet de eigen gerechtigheid der werken, maar de gerechtigheid Gods in Christus. Ofschoon deze gerechtigheid nu volkomen door Christus verworven is en in Hem gereedligt, ofschoon zij in de vocatio interna en dus in logischen zin vóór de wedergeboorte en het geloof toegerekend en geschonken wordt, zij wordt toch van ’s menschen zijde eerst aanvaard in het geloof (habitus of actus fidei) en wordt dan eerst de grond, waarop hij zelf persoonlijk door God, in bovengenoemden zin gerechtvaardigd wordt. Het geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het is zelfs geen conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de rechtvaardigmaking; want het staat tot deze niet als bijv. het oog tot het zien of het oor tot het hooren; het is geen voorwaarde, waarop en geen instrument, waardoor wij de rechtvaardigmaking ontvangen, maar het is de daad van het aannemen van Christus zelf en wel van Christus, gelijk Hij zich inwendig door den Geest en uitwendig door het Woord aan ons geeft, en dus de vaste, zekere bewustheid dat Hij mijn Heer is en ik zijn eigendom ben. Het geloof is geen instrument, waarmede de mensch Christus aanneemt, maar veel meer een middel des H. Geestes, waardoor Hij den mensch Christus aannemen en zijn geest met zichzelven getuigen doet, dat hij een kind Gods is, Calvijn, Inst. III 11, 5. Heid. Cat. vr. 61. Ned. Gel. art. 22. Witsius, Misc. S. II 792. 797 sq. Trigland, Antapol. p. 515. Mastricht, VI 6, 28. Owen, De rechtv. uit het geloof c. 3. Moor IV 695. M. Vitringa III 295. Jon. Edwards bij Dorner II 752. Daarom staat het geloof niet in elk opzicht tegen alle werk over. Het staat tegen de werken der wet over in dubbelen zin, n.l. daarin dat zij noch de causa materialis noch de causa instrumentalis der rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging, als geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op grond waarvan God ons rechtvaardigt; want dat is Christus en Christus alleen; het geloof is zelf geen grond der rechtvaardiging en dus ook niet de goede werken, die er uit voortkomen. Maar het geloof staat niet tegen de werken des geloofs over, inzoover deze, als vruchten des geloofs, door den H. Geest als middel gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid zijns geloofs, en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren, Heid. Cat. vr. 86. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6:29, het beste werk en beginsel aller goede werken, het eenige werk, waardoor God ons hier op aarde van onze schuld bevrijden en van onze gerechtigheid in Christus verzekeren kan. Daarom zeiden de Gereformeerden dan ook, dat het wel is fides sola, quae justificat, fides tamen, quae justificat non est sola, Calvijn, C. R. 7, 477. Inst. III 11, 20, en spraken zij na de justificatio peccatoris ook nog van eene justificatio justi. In dezen zin zijn ook Paulus en Jacobus niet met elkander in tegenspraak. Wel is het niet juist, te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio peccatoris en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden ontkennen, dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken der wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof, het geloof, dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel is, waardoor de H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus verzekert. Daarbij is er alleen dit verschil, dat Paulus strijd voert tegen doode werken en Jacobus ijvert tegen een dood geloof. Het geloof, dat rechtvaardigt, is de door den H. Geest in ons hart gewerkte zekerheid van onze gerechtigheid in Christus. En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe levendiger en hoe krachtiger het is, des te meer rechtvaardigt het ons. Het geloof werkt mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken, Jak. 2:22. Cf. over Jacobus en Paulus: Calvijn, Inst. III 17, 11 sq. Comm. op Jac. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de satisf. 384 sq. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III 8, 21-26. M. Vitringa III 317. James Buchanan, The doctrine of justification, Edinb. 1867 p. 491. Usteri, Stud. u. Krit. 1889, 2tes Heft. Schwarz ib. 1891, 4tes Heft. Böhmer, Neue kirchl. Zeits. 1898 S. 251-256.
8. Over de deelen der rechtvaardigmaking was er in de kerken der Reformatie van den aanvang af eenig verschil. Zij, die met Piscator de obedientia activa ontkenden, moesten de justificatie beperken tot de vergeving der zonden en dus vroeger of later tot de gevolgtrekking komen, dat de geloovigen, na door Christus bevrijd te zijn van de schuld en straf der zonde, zelven de wet hadden te volbrengen, ten einde het eeuwige leven te verwerven, boven bl. 350v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.2 I 271. II 61 f. Daarom werd dit gevoelen ook vrij algemeen verworpen; al kon de vergeving der zonden ook synecdochisch, als pars pro toto, voor heel de rechtvaardiging genomen worden, deze hield toch nog meer in dan de vergeving alleen. Immers heeft Christus ons niet maar in den staat van Adam vóór den val hersteld, doch ook voor ons de wet onderhouden en het eeuwige leven verworven, cf. boven 351v. 361. 373 en vooral ook Gomarus op Luk. 1:77, Op. 1664 I 175 sq. Turretinus, Theol. El. XVI 4. Moor IV 681. Hodge III 125. 127. Maar al erkende men vrij algemeen, dat de rechtvaardiging meer omvatte dan de vergeving der zonden, toch was er nog weer verschil over, waarin dat meerdere bestond. Oudere theologen noemden dikwerf als tweede deel der rechtvaardigmaking de toerekening van Christus’ gerechtigheid, Luther, Chemniz, Gerhard, Quenstedt, Polanus, Wollebius, Junius, Trelcatius, Rivetus, Ned. Gel. art. 23 enz., cf. M. Vitringa III 311. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 28. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 61. Ofschoon dit niet bepaald onjuist is, wanneer hier onder de toegerekende gerechtigheid van Christus zijne actieve gehoorzaamheid wordt verstaan, zijn de deelen toch niet zuiver gecoordineerd en maken zij ook eene te sterke scheiding tusschen Christus’ passieve en actieve gehoorzaamheid, cf. Mastricht, VI 6, 17. Beter is het daarom, om de rechtvaardiging te omschrijven door de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid, gelijk bij Paulus het woord δικαιουν afwisselt met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην, cf. Heid. Cat. vr. 60. Synopsis pur. theol. 33, 8; en nog juister is het, om de twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de vergeving der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid gebouwd zijn, Voetius, Disp. V 279 sq. Turretinus, Theol. El. XVI qu. 4. Als tweede deel werd soms ook genoemd de aanneming tot kinderen, Turretinus, ib. XVI qu. 6. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 90. Pfleiderer, Paulinismus 189. Holtzmann, Neut. Theol. II 134; maar anderen, zooals Martyr, L. C. p. 354, beschouwden deze liever als eene vrucht der rechtvaardigmaking.
Wat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat niet in de wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome beweert, inzooverre het de rechtvaardigmaking laat bestaan in de infusio gratiae en de vergeving van de heiligmaking laat afhangen. Zij bestaat ook niet alleen in de wegneming van de reatus culpae, d. i. feitelijk in de bevrijding van de eeuwige straf, terwijl de straf voor de peccata venialia, na de infusio gratiae begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in het vagevuur geboet moet worden, want schuld en straf zijn correlate begrippen, boven bl. 162 cf. 98. Maar de vergeving, welke een deel der rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet alleen van de verledene en tegenwoordige maar ook van de toekomstige zonden. Sommigen hadden, uit vreeze voor het antinomianisme, tegen deze rijke en breede opvatting van de vergeving bezwaar, en beperkten ze daarom tot de kwijtschelding van de schuld der verledene en telkens beledene zonden, met beroep ook op Mt. 6:12, 1 Joh. 1:9, 2:1 enz., Rivetus, Op. III 1099. Pictet, Christ. Godg. XI 11, 3. Brakel, Red. Godsd. 34, 53-62. 56, 6. 62, en voorts ook Claude, Vlak e. a. Tegenover het antinomianisme verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is, dat de geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen, soms zelfs in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden in het leven als straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit te mogen afleiden, dat de geloovigen nog zelf voor hunne peccata venialia hebben te boeten, en doet alzoo aan den rijkdom en de genade der vergeving tekort; het antinomianisme wil deze laatste eeren en meent daarom, dat de zonden, die de geloovigen bedrijven, niet voor rekening komen van den nieuwen maar alleen van den ouden mensch, en dat de geloovigen zelfs om geen vergeving der zonden meer hebben te bidden. Daartegenover hielden alle Gereformeerden staande, dat de vergeving wel wegneemt de reatus actualis maar niet de reatus potentialis van de zonde; d. w. z. de vergeving neemt wel weg de straf maar niet de strafwaardigheid van de zonde. Deze laatste blijft, zoolang de zonde blijft. Zonde brengt, ook en vooral bij de geloovigen, schuldbesef, smart, leedwezen, verwijdering van God, verootmoediging enz. mede; zij ontneemt de rust des gewetens, de vrijmoedigheid en verzekerdheid des geloofs. Dat kan niet anders; de natuur der zonde is zoo, dat ze schuldbesef en strafwaardigheid noodzakelijk insluit. Zelfs als de geloovigen, na reeds lang vergeving te hebben ontvangen, later dieper blik leeren slaan in de verdorvenheid van eigen hart, hebben zij behoefte om belijdenis te doen zelfs van de zonden hunner jeugd en hunne schuld terug te leiden tot hunne ontvangenis en geboorte toe, Ps. 25:6, 51:6, 7. Deze belijdenis is dan geen voorwaarde der vergeving; maar wie zijne zonde waarlijk kent, belijdt ze vanzelf en voelt daartegenover te sterker behoefte aan den troost der vergeving. Daarom blijft het gebed om vergeving den geloovige dagelijks noodig. Maar hij bidt dan niet in twijfel en wanhoop, hij bidt niet alsof hij nu geen kind Gods meer ware en de eeuwige verdoemenis weer te wachten hadde, doch hij bidt uit en in het geloof, als een kind, tot zijn Vader die in de hemelen is, en zegt amen op zijn gebed. En dit bidden is niet alleen eene behoefte, maar het is ook noodig; want de rechtvaardigmaking bestaat niet in eene transcendente vrijspraak van den zondaar bij God in foro coeli, maar zij is een actus transiens, die door den H. Geest ingedragen wordt in het bewustzijn van den geloovige, en in deze eenheid in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt. Belijdenis en gebed is daarom de weg, waarlangs God dit bewustzijn der vergeving in den geloovige weer opwekt en versterkt. Onder de zonde gaat het schuil; het geloof als habitus blijft wel, maar het kan zich niet meer uiten in daden. Opdat dit geloof weer opleve, opdat de Geest Gods weer luide en krachtig met onzen geest getuige, dat wij kinderen Gods zijn; daartoe is na de zonde weer verootmoediging, belijdenis, bede om vergeving noodzakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden, zouden wij nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons kindschap, aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige ramp in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf doch alleen als eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan, zou alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven waren. Wijl dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt, daarom blijft bekeering en belijdenis het middel, waardoor God ons wederom tot zijne gemeenschap brengt en van zijne gunst verzekert. Daaruit mag echter niet met Rivetus e. a. afgeleid, dat God telkens slechts de verledene en beledene zonden vergeeft. Immers zijn alle zonden der gemeente op Christus overgedragen en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In de toerekening van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis, vleeschwording en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij met al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave Gods aannemen, worden zij ook van hunne zijde in eens in eene nieuwe relatie tot God gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar is. En de werkzaamheden des geloofs mogen een tijd lang ontbreken, onverliesbaar is toch de gave des geloofs, waardoor zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden aannemen, Joh. 3 vs. 36, Rom. 8:30, Gal. 3:27, Hebr. 9:12, 10:12, 14 enz. Daarom hebben de geloovigen de vrijmoedigheid, om na iedere struikeling en na elken val met vertrouwen tot den troon der genade te gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift en roeping onberouwelijk zijn, Rom. 11:29, Hebr. 4:12, 1 Joh. 1:9, cf. Calvijn, Inst. III 11, 11. 20, 19. Voetius, Disp. V 282. Alting, Theol. probl. nova XVII 10. Witsius, Misc. Sacr. II 806-820. M. Vitringa III 313.
Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo groot, dat ze voor den natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden ze niet en meenden door allerlei werken de gunst der Goden te moeten verwerven; Celsus spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid, cf. Witsius, de theol. gentilium circa justificationem, Misc. Sacr. II 668-721. Zelfs maken de meeste Christenen haar van geloof en goede werken afhankelijk. Alles pleit ook tegen haar, de zonde zelve, die straf eischt, het geweten, dat beschuldigt, de wet, die veroordeelt, de wereld, die geen barmhartigheid kent, Satan, die een aanklager is van heel het menschelijk geslacht, God zelf, wiens gerechtigheid en heiligheid de zonde niet gedoogen kan. De vergeving der zonden is eene gave, die alleen door het geloof aangenomen en genoten kan worden. Zij is geen voorwerp des gezichts maar des geloofs. Om haar in waarheid te belijden, is datzelfde geloof noodig, hetwelk ook alleen tot het aannemen van de Goddelijke autoriteit der H. Schrift, van de Godheid van Christus, van zijne voldoening en opstanding in staat stelt. De bezwaren, tegen alle deze dogmata ingebracht, zijn in het wezen der zaak geen andere, dan die ook tegen de vergeving der zonden gelden. De schijn is tegen haar. Maar het geloof is ook een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is het geloof aan een God, die wonderen doet, die de dooden levend maakt, die de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, en die den goddelooze rechtvaardigt. Zoozeer staat deze vergeving der zonden in de Schrift op den voorgrond, dat zij soms met de rechtvaardigmaking vereenzelvigd wordt. Toch is met haar nog eene andere weldaad verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er wel niet van afgescheiden maar toch onderscheiden mag worden. Het is de toekenning van het recht op het eeuwige leven, of de aanneming tot kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de wet genoemd, Gal. 4:5, cf. Dan. 9:24, Hd. 26:18, Op. 1:5, 6. Reeds in het O. T. heet God de Vader van zijn volk en Israel zijn zoon, deel II 113. Maar in het N. T. krijgt dit vader- en zoonschap een veel dieper zin. God is nu, niet in theocratischen maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen, en dezen zijn zijne kinderen, τεκνα, uit Hem geboren, en daarom door het geloof in Christus de ἐξουσια verkrijgend, om het te worden, γενεσθαι, totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij God zien zullen gelijk Hij is, 1 Joh. 3:2. Dit ethische kindschap, dat bij Johannes vooral voorkomt, behoort echter hier niet maar bij wedergeboorte en heiligmaking ter sprake te komen. Daarentegen spreekt Paulus van de υἱοθεσια in juridischen zin. Evenals de geloovigen op grond van Christus’ gerechtigheid de vergeving der zonden ontvangen, zoo worden zij ook tot kinderen, υἱοι θεου (niet τεκνα) aangenomen. Deze υἱοθεσια, welke dus op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven, Gal. 4:5, en wordt door het geloof ons deel, 3:26. Wie van de schuld en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk tot zoon aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke liefde gesteld. De geloovigen worden daardoor in denzelfden stand geplaatst als Christus, die de eerstgeborene onder vele broederen is, Rom. 8:29. Hij was de Zone Gods van natuur, 8:32, en werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1:3; de geloovigen worden ὑιοι θεου door aanneming. En evenals Christus bij zijne opstanding tot Zoon Gods in kracht verklaard is κατα πνευμα ἁγιωσυνης, 1:3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn ἐν τῳ πνευματι του θεου ἡμων, 1 Cor. 6:11, zoo worden zij ook door het πνευμα υἱοθεσιας tot zonen Gods, Rom. 8:14-16, en daarna ook door dienzelfden Geest van dit hun zoonschap verzekerd, ib. Gal. 4:6. Als zonen zijn zij dan tevens κατ’ ἐπαγγελιαν κληρονομοι, Gal. 3:29, 4:7, Rom. 8:17; en wijl deze erfenis nog in de toekomst ligt, is ook de υἱοθεσια in haar volle verwezenlijking nog een voorwerp der hope, Rom, 8:23. De rechtvaardiging, die in de eeuwigheid haar aanvang heeft, in de opstanding van Christus en de roeping der geloovigen zich realiseert, krijgt hare voltooiing eerst, als God in het laatste oordeel zijne sententie van vrijspraak ten aanhooren der gansche wereld herhaalt en alle tong zal moeten belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar al wacht de „Rechtsfolge der Adoption” nog, de geloovigen zijn toch hier op aarde reeds tot kinderen aangenomen; zij worden door den H. Geest als waarborg en onderpand verzegeld tot den dag hunner verlossing, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30, en voor de hemelsche erfenis bewaard, gelijk deze voor hen, 1 Petr. 1:4, 5. Door dien Geest worden zij voortdurend geleid (ἀγονται, niet φεγονται als 2 Petr. 1:21), Rom. 8:14, van de liefde, die God tot hen heeft, 5:5, cf. vs. 8, en van hun kindschap, 8:15, 16, Gal. 4:6 verzekerd, en thans reeds vrede, Rom. 5:1, Phil. 4:7, 9, 1 Thess. 5:23, en vreugde, Rom. 14:17, 15:13, 1 Thess. 1:6 deelachtig.
1. Met de rechtvaardigmaking is de heiligmaking verbonden, welke er wel in aard maar niet in tijd van onderscheiden is. Over beider verhouding is er in de christelijke kerk altijd verschil en strijd geweest, evenals in alle godsdiensten de band van godsdienst en zedelijkheid op verschillende wijze wordt gelegd, en er onder de menschen een groot onderscheid bestaat tusschen de religieuse en de ethische naturen. Het nomisme, opkomend voor de belangen van het zedelijk leven, maakt rechtvaardigmaking van heiligmaking, godsdienst van zedelijkheid, de verhouding tot God van die tot den naaste afhankelijk. Omgekeerd let het antinomisme in de eerste plaats op de eischen van het religieuse leven, stelt de rechtvaardigmaking op den voorgrond en komt dikwerf aan de heiligmaking niet toe; de verhouding tot God staat geheel los van die tot den naaste. Werkelijk baart het, zoowel in leer als in leven, groote moeilijkheid, om godsdienst en zedelijkheid, rechtvaardigmaking en heiligmaking tot elkander in het juiste verband te stellen, cf. deel I 193. Beide zijn onderscheiden; wie ze vermengt, ondermijnt het religieuse leven, neemt den troost der geloovigen weg en maakt God aan den mensch ondergeschikt. Het onderscheid van beide is hierin gelegen, dat in de rechtvaardigmaking de religieuse verhouding des menschen tot God wordt hersteld, en in de heiligmaking zijne natuur vernieuwd en van de onreinheid der zonde bevrijd wordt. Het berust in zijn diepste wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot Hem zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft, vrij van schuld en straf. Als Heilige eischt Hij, dat zij alle rein en onbesmet door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen. De eerste mensch werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid en heiligheid geschapen en had geen rechtvaardigmaking noch heiligmaking van noode, al moest hij ook der wet gehoorzaam zijn en uit hare werken gerechtvaardigd worden en het eeuwige leven ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde heeft den mensch met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor Gods aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden, moet hij daarom van haar schuld bevrijd en van haar smet gereinigd worden. En dat geschiedt in de reehtvaardigmaking en heiligmaking. Beide zijn dus even noodzakelijk en worden in de Schrift met gelijken nadruk gepredikt. De rechtvaardigmaking gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8:30, 1 Cor. 1:30, want zij is eene justificatio evangelica, eene vrijspraak op grond van eene in het geloof ons geschonken δικαιοσυνη θεου, en niet ἐξ ἐργων νομου; zij is eene juridische daad en in één oogenblik voltooid. Maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door heel het leven, en maakt de gerechtigheid van Christus door de vernieuwende werkzaamheid des H. Geestes langzamerhand tot ons persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s leer van de gratia of justitia infusa is op zichzelve niet onjuist, alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot den grond der vergeving maakt, en de religie dus bouwt op den grondslag der zedelijkheid. Maar de geloovigen worden de gerechtigheid van Christus wel waarlijk ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking en heiligmaking schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, den ganschen, vollen Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop zij Hem schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken in juridischen, in de heiligmaking in ethischen zin; door gene worden wij rechtvaardigheid Gods in Hem, door deze komt Hij zelf door zijnen Geest woning in ons maken en vernieuwt ons naar zijn beeld.
Schoon rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband tusschen beide geen oogenblik uit het oog te verliezen; wie ze scheidt, ondermijnt het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar aan de zonde. In God zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde geheel en al, niet alleen zooals zij schuldig stelt maar ook zooals zij onrein maakt. De daden Gods in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn onafscheidelijk verbonden; οὑς δε ἐδικαιωσεν, τουτους και ἐδοξασεν, Rom. 8:30; de δικαιωσις brengt ζωη mede, 5:18; wie door God is gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijne gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon dit alleen doen, wijl Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen; en met en in Hem zijn zij zelven gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6:2-11, 2 Cor. 5:15, Gal. 2:20, Ef. 2:5, 6, Col. 2:12, 3:1 enz. Christus is hunne δικαιοσυνη maar in denzelfden zin ook hun ἁγιασμος, 1 Cor. 1:30, d. i. niet hunne heiligheid, ἁγιοτης, ἁγιωσυνη, maar hunne heiligmaking. Christus n.l. heeft door zijn lijden en sterven niet alleen de gerechtigheid aangebracht, op grond waarvan de geloovigen door God vrijgesproken worden. Maar alzoo heeft Hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen Gode wijden en van alle smet der zonde reinigen kan, Joh. 17:19. Zijne gehoorzaamheid tot den dood toe bedoelde toch de verlossing in hare gansche uitgestrektheid, ἀπολυτρωσις, niet alleen als loskooping uit de rechtsmacht der zonde, Rom. 3:24, Ef. 1:7, Col. 1:14, maar ook als bevrijding van haar zedelijke heerschappij, Rom. 8:23, 1 Cor. 1:30, Ef. 1:14, 4:30. Daartoe schenkt Christus zichzelven aan hen niet alleen objectief in de rechtvaardigmaking, maar Hij deelt zichzelven ook subjectief mede in de heiligmaking, en vereenigt zichzelven met hen op geestelijke, mystieke wijze. Deze unio mystica wordt door de Lutherschen steeds van de anthropologische zijde beschouwd, en komt dan natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk geloof tot stand, Schneckenburger, Vergl. Darst. I 182-225. Maar de theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot eene andere opvatting. De unio mystica heeft haar aanvang reeds in het pactum salutis; vleeschwording en voldoening onderstellen, dat Christus hoofd en middelaar des verbonds is; het verbond komt niet eerst na Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid des H. Geestes tot stand; maar Christus stond zelf in het verbond, en alle werkzaamheid des Geestes als Geest van Christus geschiedt uit en in het verbond. Er is toch geen gemeenschap aan de weldaden van Christus dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus gaat weer vóór de actieve aanneming van Christus en zijne weldaden door de daad des geloofs. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz., zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereeniging der geloovigen met Christus is eenerzijds geen pantheistische vermenging van beiden, geen unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en later tijd opgevat is; maar zij is toch aan den anderen kant ook geen loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zooals het rationalisme ze verstond en thans Ritschl ze weer verklaard heeft, Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers. III2 106. 552 f. Gesch. d. Pietismus, 3 Bde 1880-86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott 1886. Gottschick, Luthers Lehre v. d. Gem. des Gläubigen mit Christus, Zeits. f. Th. u. K. Aug. 1898 S. 406. Wat de Schrift van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan eene zedelijke overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat Christus in de geloovigen woont en leeft, Joh. 14:23, 17:23, 26, Rom. 8:10, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, Ef. 3:17, en dat zij in Hem zijn, Joh. 15:1-7, Rom. 8:1, 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:17, Ef. 1:10v.; zij zijn vereenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12:4, 1 Cor. 12:12, Ef. 1:23, 4:15, man en vrouw, 1 Cor. 6:16, 17, Ef. 5:32, hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3:11, 16, 6:19, Ef. 2:21, 1 Petr. 2:4, 5, cf. over de unio mystica Calvijn, Inst. III 11, 5. Boquinus, Zanchius, Olevianus, Eglin bij Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 372. Martyr, L. C. 259. Polanus, Synt. VI c. 35. Amesius, Med. Theol. 1 c. 26. Voetius, Disp. II 459. Mastricht VI c. 5. Witsius, Misc. S. II 788. M. Vitringa III 78. Comrie, Catech. op vr. 20-23. Kuyper, Het werk v. d. H. G. II 163. Pfleiderer, Paulinismus2 214 f. Krebs, Ueber die unio mystica, Marburg 1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881 S. 377-417. Deismann, Die neutest. Formel ἐν Χρ. I. Marburg 1892. Deze unio mystica is echter niet onmiddellijk maar komt tot stand door den H. Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking. De Geest, dien Jezus aan zijne discipelen beloofd en in de gemeente uitgestort heeft, is n.l. niet alleen een Geest der υἱοθεσια, die de geloovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de Geest der vernieuwing en der heiligmaking. Deze Geest heeft Christus zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijne ontvangenis af tot zijne hemelvaart toe. Door zijne vernedering is Christus verhoogd aan ’s Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakenden Geest, verwerver en uitdeeler van den Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus is. Door dezen Geest vormt en bekwaamt Hij ook zijne gemeente. De allereerste gave, welke de geloovigen ontvangen, wordt hun reeds medegedeeld door den Geest, die alles uit Christus neemt, Joh. 16:14. Hij is het, die hen wederbaart, Joh. 3:5, 6, 8, Tit. 3:5, het leven schenkt, Rom. 8:10, in de gemeenschap met Christus inlijft, 1 Cor. 6:15, 17, 19, tot het geloof brengt, 1 Cor. 2:9v. 12:3, wascht, heiligt, rechtvaardigt, 1 Cor. 6:11, 12:13, Tit. 3:5, leidt, Rom. 8:14, Gods liefde in hunne harten uitstort, Rom. 5:5, in hen bidt, Rom. 8:26, allerlei deugden, Gal. 5:22, Ef. 5:9, en gaven, Rom. 12:6, 1 Cor. 12:4, vooral de liefde, 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar eene nieuwe wet, de wet des Geestes, Rom. 8:2, 4, 1 Cor. 7:9, Gal. 5:6, 6:2, hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6:19, 1 Cor. 2:10, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23; in één woord, de H. Geest woont in hen, en zij leven en wandelen in den H. Geest, Rom. 8:1, 4, 9-11, 1 Cor. 6:19, Gal. 4:6 enz. Cf. deel II 231. 249 en voorts nog Pfleiderer, Der Paulinismus2 225 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 f.
2. In dezen zin is de heiligmaking, even goed als de rechtvaardiging, eene gave en een werk Gods, beurtelings toegeschreven aan den Vader, Joh. 17:17, 1 Thess. 5:23, Hebr. 13:20, 21, den Zoon als πνευμα ζωοποιουν, 1 Cor. 15:45, Ef. 5:26, Tit. 2:14, en vooral ook, gelijk boven bleek, aan den H. Geest, Tit. 3:5, 1 Petr. 1:2. De geloovigen zijn daarbij passief, zij worden geheiligd, Joh. 17:19, 1 Cor. 6:11, zij zijn met Christus gestorven en opgewekt, Rom. 6:4v., zij zijn ἡγιασμενοι ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2, Gods ποιημα, Ef. 2:10, κτισις, 2 Cor. 5:17, Gal. 6:15, ἐργον, Rom. 14:20; τα δε παντα ἐκ του θεου, 2 Cor. 5:18. Deze heiliging bestaat allereerst hierin, dat de geloovigen van de wereld afgezonderd worden en in eene bijzondere relatie tot God komen te staan. In het O. T. duidde heiligheid die verhouding van God tot zijn volk en van het volk tot God aan, welke in de verschillende wetten omschreven en geregeld was, deel II 184-191. Ook in het N. T. heeft het begrip heilig deze beteekenis van eene relatie behouden. Er is sprake van heilige stad, Mt. 4:5, heilige plaats, 24:15, heilig verbond, Luk. 1:72, heilig land, Hd. 7:33, heilige Schrift, Rom. 1:2, heilige berg, 2 Petr. 1:18, heilige profeten, Luk. 1:70, heilige offerande, Rom. 12:2; van Christus wordt gezegd, ofschoon Hij zonder zonde was, dat Hij zich heiligde, d. i. zich in zijn dood Gode tot eene heilige offerande voor de zijnen opofferde, Joh. 17:19; en zoo heeten de geloovigen met een staand epitheton ἁγιοι, omdat zij door de roeping, cf. Rom. 1:7, 1 Cor. 1:2, κλητοι ἁγιοι, in eene bijzondere verhouding tot God staan en, in de plaats van het oude Israel, γενος ἐκλεκτον, βασιλειον ἱερατευμα, ἐθνος ἁγιον, λαος εἰς περιποιησιν, zijn, 1 Petr. 2:9. Maar deze verhouding is geen louter uitwendige; dat was zij al niet onder het O. Test., want krachtens die heiligheid had God zich verbonden, om Israel zijn verbond en wet te geven, om het te redden of ook te kastijden, en was Israel verplicht, om in Gods inzettingen te wandelen, deel II 189. Nu is in het N. T. de wet in Christus vervuld; zij regelt dus de heiligheidsverhouding niet meer, welke tusschen God en zijn volk bestaat. Voor de wet is Christus in de plaats getreden; in en door Hem regelt God de verhouding tusschen zich en zijn volk; de geloovigen zijn ἡγιασμενοι ἐν Χριστῳ Ιησου, 1 Cor. 1:2; en deze heiligt zijn volk door den H. Geest, ἐν πνευματι, 1 Cor. 6:11, die nu als zoodanig πνευμα ἁγιον heet en het principe der heiliging is. Deze heiliging bestaat volstrekt niet alleen daarin, gelijk velen het thans voorstellen, bijv. Paul Wernle, Der Christ und die Sünde bei Paulus, 1897 S. 31, 39, 62, dat de Christenen van de wereld afgezonderd en Gode in uitwendigen, cultischen zin toegeeigend zijn; maar zij heeft eene diepe, ethische beteekenis. Immers, de H. Geest wederbaart, reinigt, vernieuwt, Joh. 3:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:5; met de inwoning des H. Geestes begint voor de geloovigen eene καινοτης ζωης, Rom. 6:4, welke eene tegenstelling vormt met den vroegeren wandel in allerlei zonden en ongerechtigheden, 1 Cor. 6:10, Ef. 2:1; zij zijn thans nieuwe menschen, 2 Cor. 5:17, Ef. 2:10, 15, 4:24, Gal. 6:15, Col. 3:10, die Gode leven en hunne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid tot heiligmaking, Rom. 6. De relatie tot God in Christus door den H. Geest brengt mede, dat de geloovigen van alle schuld en ook van alle smet der zonde bevrijd zijn. En daarom bestaat de heiliging in het N. T. ten volle daarin, dat de geloovigen den beelde des Zoons gelijkvormig worden gemaakt, Rom. 8:29, Gal. 4:19. In zoover valt de heiliging met de heerlijkmaking saam; deze begint niet eerst na dit leven, maar neemt terstond met de roeping een aanvang; die Hij riep, rechtvaardigde Hij en die Hij rechtvaardigde, verheerlijkte Hij in datzelfde oogenblik, Rom. 8:30; en deze verheerlijking zet zich in dit leven voort, 2 Cor. 3:18, totdat zij voltooid wordt bij de wederkomst van Christus, 1 Cor. 15:49, 51v., Col. 3:4. Phil. 3:21, cf. deel II 191.