Van Hem, wiens knie omklemd is
met dubbel gewonden slang,
Zijn beenen kruislings knoopend—
Die, d’adem binnenhoudend,
alle bewustzijn verloor,
Wiens organen gestuit zijn—
Die in zich zelf het Zelf slechts,
waarvan alle daad verdween,
met het oog ziet der waarheid—
Van Çambhu hoed’ U ’t peinzen,
dat door den blik in het Niet
doet verzinken in ’t Brahman.
En ook:
U hoede van den Blauwhalz’ge
de hals, een donk’re wolk gelijk,
Waar, als de bliksemlijn, flikkert
d’arm-liane van Pârvatî.*
(Na het gebed de Tooneelleider.)
Genoeg omhaal van woorden, die de nieuwsgierigheid van het gehoor verstoort. Aldus mij voor de edele heeren nederwerpend, doe ik hen weten, dat wij nu besloten hebben een tooneelspel* op te voeren, dat „Het leemen Wagentje” heet. De dichter hiervan,
Met den gang van een olifantenkoning,
een gelaat schit’rend, de volle maan gelijkend,
Met een oog als cakora*-oogen lieflijk,
van gestalt statig, van wezen ondoorgrond’lijk,
Van die tweemaal geboren* zijn de voorste,
was genaamd Çûdraka, wijd vermaard als dichter.†
[2]
En ook:
Ṛg-veda, Sâma-veda*,
minnekunst, rekenkunde,
dressuur van olifanten,
Daarin was hij ervaren;
oogen, vrij van verduist’ring,†
schonk hem Çarva’s* genade;
Als zijn zoon hij als koning
had gezien en voleindigd
een heerlijk paardenoffer*,
Op leeftijd honderdjarig,
met tien dagen vermeerderd,
Çûdraka inging ten vure.
En ook:
Op den oorlog belust en nimmer zorgloos,
met een schat boete*, de spits der Veda-kenners,
Was er Çûdraka, d’aardbehoeder, dorstend
naar den vuistkamp en des vijands olifanten.†
In dit werk van hem treedt op:
Een jonge veemheer in d’Avanti-hoofdstad*,
Brahmaan van afkomst, d’arme Cârudatta,
Dien om zijn deugden een hetaere minde,
als lente-lieflijkheid* Vasantasenâ.
Wat in verband staat met hun edel minnefeest,
gebruik van listen, de verkeerdheid van het Recht,
Den aard eens booswichts en hoe wordt, wat worden moet —
geschilderd heeft dat alles koning Çûdraka.
(Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.)
Hé, onze concertzaal is leeg; waar zouden nu de tooneelspelers heengegaan zijn? (Bedenkt zich.) Ah! ik weet het:
Leeg is de woning van den kinderlooze,
lang leeg van hem, die geen goed vriend bezit,
Den dwaas is de geheele wereld ledig,
den man, die armoe lijdt, is alles leeg.†
En het concert heb ik geëindigd. Door die langdurige deelneming aan het concert knetteren van honger mijn oogen, waarvan de oogappels uitpuilen als het zaad van den door de felle zonnestralen verdorden lotus in den zomertijd. Laat ik dan de vrouw des huizes roepen en haar vragen: „Is er eenig ontbijt of niet?” Nu moet ik wel ter wille van mijn doel en krachtens het gebruik Prâkṛt gaan spreken.* O wee, o wee! Door de langdurige deelneming aan het concert zijn mijn leden van honger verwelkt als verdorde lotusstengels. Laat ik dan naar huis gaan en eens hooren of door de huisvrouw iets is klaar gemaakt of niet. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is ons [3]huis; laat ik dan binnengaan. (Gaat binnen en ziet rond.) Wel menschen†! wat is er in ons huis voor byzonders aan de hand? Door een stroom rijstwater is de weg versperd; zwartgevlekt door het ronddraaien van een ijzeren ketel, prijkt de grond als een met schoonheidsteekenen* getooide jonkvrouw; door den liefelijken geur als het ware ontvlammend, kwelt de honger mij nog meer. Zou dan een voormaals vergaarde† schat verschenen zijn? Of zie ik door den honger de wereld der levenden voor rijstebrij aan? Er is zeker geen ontbijt in ons huis. Doodelijk kwelt mij de honger. Uit alles blijkt, dat hier byzondere toebereidselen worden gemaakt. Van de vrouwen maalt de één kleursel, de ander vlecht bloemen. (Bedenkt zich.) Wat is dat nu? Kom, ik zal de vrouw des huizes roepen en hooren, wat de zaak is. (Naar de kleedkamer* ziende.) Edele, kom eens hier.
Tooneelspeelster (opkomend).
Edele, hier ben ik.
Tooneelleider.
Edele, wees welkom.
Tooneelspeelster.
UEd. bevele; wat moet ik voor U doen?
Tooneelleider.
Edele, door langdurige deelneming aan het concert enz. (Herhaalt het vorige.) Is er in ons huis iets te eten of niet?
Tooneelspeelster.
Edele, er is van alles.
Tooneelleider.
Wat, wat is er?
Tooneelspeelster.
Bij voorbeeld: rijstebrij met suiker, gesmolten boter, zure melk, rijst, ja, een levenselixir is voor U te eten.
Tooneelleider.
Wat! is er van alles in ons huis of houdt ge me voor den mal?
Tooneelspeelster (bij zich zelf).
Ik zal hem eens voor den mal houden. (Luid.) Edele, het is op de markt.
Tooneelleider (toornig).
O onedele, zoo moge van U een wensch worden afgesneden! Te niet zult ge gaan, daar ge mij, evenals een zwengel-knop† eerst hoog hebt opgeheven en toen doen nedervallen.
Tooneelspeelster.
Vergeef mij, vergeef mij, Edele, ik heb maar geschertst.
Tooneelleider.
Maar wat is hier toch voor byzonders aan de hand? de één maalt kleursel, de ander vlecht bloemen en de grond is versierd met een offergave van vijfkleurige bloemen.
[4]
Tooneelspeelster.
Edele, er zijn vasten begonnen.
Tooneelleider.
Hoe heeten die vasten?
Tooneelspeelster.
Ze heeten: „Vasten ter verwerving van een passend gemaal”.
Tooneelleider.
Edele, in dit of in een volgend leven?
Tooneelspeelster.
Edele, in een volgend leven.
Tooneelleider (verstoord).
Ziet eens aan, ziet eens aan, edele heeren, ten koste van mijn maal zoekt men een gemaal voor een volgend leven!
Tooneelspeelster.
Edele, genade, genade! opdat gij ook in een volgende geboorte mijn gemaal zoudt zijn, ben ik gaan vasten.
Tooneelleider.
Maar door wien zijn die vasten voorgeschreven?
Tooneelspeelster.
Door uw eigen lieven vriend Cûrnavṛddha.
Tooneelleider (toornig).
O slavinnenzoon Cûrnavṛddha! wanneer zal ik dan toch zien, dat koning Pâlaka in zijn toorn U afsnijdt, als den welriekenden lokkenbundel eener jonggehuwde!
Tooneelspeelster.
Genade, genade, Edele! ter wille van U zelven worden immers die vasten voor het volgend leven verricht. (Valt hem te voet.)
Tooneelleider.
Edele, sta op, sta op, vertel mij, vertel mij, wie is hier bij die vasten noodig?
Tooneelspeelster.
Daartoe moet een Brahmaan worden uitgenoodigd, die bij lieden van onze soort past.
Tooneelleider.
Dan kunt UEd. wel gaan. En ik zal een Brahmaan noodigen, die bij lieden van onze soort past.
Tooneelspeelster.
Zooals UEd. beveelt. (Af.)
Tooneelleider (rondloopend).
O menschen! hoe moet ik nu toch in het rijke Ujjayinî* een Brahmaan vinden, [5]die bij lieden van onze soort past! (Rondziende.) Daar komt Cârudatta’s vriend Maitreya juist hierheen. Kom, ik zal het hem eens vragen. Edele Maitreya, wilt gij in ons huis voorgaan met eten?
Stem achter het tooneel.
Noodig een anderen Brahmaan; ik ben vandaag bezet.
Tooneelleider.
Edele, er is smakelijke spijs en geen mededinger; en ge zult ook een offerloon hebben.
Weer achter het tooneel.
Wel, daar ge nu reeds de eerste maal zijt afgewezen, wat is dat nu voor een hardnekkigheid van U, om telkens op mij terug te komen!
Tooneelleider.
Ik ben door hem afgewezen. Kom, ik zal een anderen Brahmaan uitnoodigen. (Af.)
VOORSPEL.
[6]
Maitreya (opkomend met een mantel in de hand).
Noodig een anderen Brahmaan; ik ben vandaag bezet. En toch, zelfs ik, Maitreya, moet wel datgene eten, waartoe een vreemde mij uitnoodigt. Ach! als ik onzen toestand vergelijk met vroeger. Ik, die eens door de welvaart van dien achtenswaardige, den edelen Cârudatta, slechts met dag en nacht zorgvuldig toebereide, welriekenden geur verspreidende lekkernijen gespijzigd, aan de deur van ons binnenhuis neergezeten, door wel honderd schoteltjes omringd, als een schilder, ze met de vingers beurtelings aanraakte en weer wegschoof—als een stier op een stadsplein stond ik te herkauwen—keer thans door zijn armoede, na her- en derwaarts te hebben rondgezworven, als een tamme duif hier weer om te overnachten. Door den lieven vriend van den edelen Cârudatta, Cûrnavṛddha, is deze met jasmijngeur doortrokken mantel gezonden, om hem aan den edelen Cârudatta te overhandigen, wanneer hij zijn godsdienstplichten heeft vervuld. Laat ik dus naar den edelen Cârudatta uitzien. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Daar komt de edele Cârudatta juist hierheen, terwijl hij, na vervulling zijner godsdienstplichten, den huisgoden de offergave biedt.
(Dan komt Cârudatta op, gelijk is aangeduid, met Radanikâ.)
Cârudatta (ten hemel ziende en moedeloos zuchtend).
Waar van den drempel mijner woning onz’ offergave
Eens snel verslonden werd door zwanen en reigerscharen,
Valt op dien drempel, waar nu halmen van gras ontspruiten,
Een handvol zaad slechts, dat de monden der wormen lekken.
(Gaat langzaam het tooneel rond en zet zich neder.)
Vidûshaka*.
Daar is de edele Cârudatta. Laat ik hem thans naderen. (Komt nader.) Heil U! Moge het U wèl gaan.
Cârudatta.
Wel, mijn vriend te allen tijde Maitreya hier! Vriend, welkom, zet U neder.
[7]
Vidûshaka.
Zooals U beveelt. (Zet zich neder.) Zie, vriend, deze met jasmijngeur doortrokken mantel is door uw lieven vriend Cûrnavṛddha gezonden met de woorden: „Gij moet hem aan den edelen Cârudatta geven, als hij zijn godsdienstplichten heeft vervuld.” (Overhandigt hem, Cârudatta neemt hem en blijft in gepeins.) Wel, waar peinst gij over?
Cârudatta.
Vriend!
Hoe schoon is hem vreugde, die leed verduren moest,
Een lamp gelijk, lichtend in dikke duisternis;
Maar wie van voorspoed tot behoeftigheid vervalt,
Wel leeft zijn lichaam, maar zijn leven is de dood.†
Vidûshaka.
Wel, vriend, van dood en armoede, welke van beide schijnt U verkieselijk?
Cârudatta.
Vriend!
Zoo ’k één van beide kiezen moet,
mij dood, niet armoede behaagt;
Want korte kwelling is de dood,
maar d’armoed’ eindelooze ramp.
Vidûshaka.
Kom, vriend, genoeg U gekweld. Daar gij uw vermogen deedt overgaan op hen, die U dierbaar zijn, is uw verlies ook ten zeerste liefelijk, als van de maan, die weer gaat wassen, wanneer zij nog slechts een overschot vormt van dat, wat door de goden werd gedronken.*
Cârudatta.
Vriend, niet om mijn rijkdom ben ik treurig. Zie:
Dit pijnigt mij, dat onze woning de gasten mijden,
Nu zij haar rijkdom heeft verloren, als honingbijen
Zwervend den olifant verlaten, wanneer de paartijd
Voorbijgegaan en aan zijn slapen het vocht gedroogd is.*
Vidûshaka.
Maar, vriend, die slavinnenzonen, die nietswaardige schatten, gaan immers, evenals herdersjongens, die bang zijn voor wespen, steeds daarheen, waar ze met rust gelaten worden.†
Cârudatta.
Vriend!
Voorwaar, ik peins niet om ’t verliezen van mijn vermogen,
Want schatten komen en verdwijnen door lotsbeschikking;
Maar dit mij pijnigt, dat in vriendschap men gaat verslappen
Voor wie den steun van zijnen rijkdom zich zag ontvallen.
[8]
En ook:
Door armoe wordt een man vervuld van schaamt,
door schaamte dan van waardigheid beroofd,
Van waardigheid ontbloot, wordt hij veracht,
verachting voert hem tot kleinmoedigheid,
Den moedelooze overwint de smart,
door smart gekweld, verliest hij het verstand,
Verstandeloos daalt hij ten ondergang—
ach, armoed’ is de zetel aller ramp!†
Vidûshaka.
Kom, vriend, genoeg U gekweld, door aan dien nietswaardigen rijkdom te denken.
Cârudatta.
Vriend, armoede is immers voor den mensch:
Woonplaats der zorg, vernedering, ja een soort veete,
Afschuw van vrienden, bron van haat voor bloedverwanten;
Veracht zelfs door zijn vrouw, kiest men het woud tot woning;
Het vuur der smart verbrandt niet, maar verschroeit het harte.
Nu, vriend, door mij is aan de huisgoden de offergave gebracht; ga gij nu ook en bied op den viersprong den Moeders* d’offergave aan.
Vidûshaka.
Ik zal niet gaan.
Cârudatta.
Waarom?
Vidûshaka.
Daar de godheden, zóó vereerd, toch niet genadig zijn, wat baat het dan, de goden te dienen?
Cârudatta.
Vriend, niet aldus! Voor den gṛhastha* is dit steeds regel:
Wie, vrij van hartstocht, door boete,
door geest en woord en offergift
De goden eert, verwerft immer
hun gunst—waarom dan weifelt gij?
Ga dus, bied den Moeders d’offergave aan.
Vidûshaka.
Neen, ik zal niet gaan. Ge moet iemand anders daarmee belasten. Bij mij, Brahmaan, komt alles averechts uit, zooals bij een beeld in den spiegel rechtsch wordt, wat linksch is, en linksch, wat rechtsch is. En bovendien: zoo in den avondstond zwerven hier op den grooten weg hetaeren, hovelingen†, slaven en gunstelingen des konings. Dus zou ik zijn als de muis, die voor den muil kwam van de zwarte slang, toen deze begeerig was naar kikkers.* Wat wilt ge dan, hier neergezeten, doen?
Cârudatta.
Welnu, blijf dan. Ik wil mijn gebeden volbrengen.
[9]
Stem achter het tooneel.
Blijf staan, Vasantasenâ, blijf staan!
(Dan komt Vasantasenâ op, achtervolgd door hoveling, koningszwager en slaaf.)
Hoveling.
Vasantasenâ, blijf staan, blijf staan!
Wat vlucht ge henen, uwe zachtheid van schrik verwisseld,
Uw voeten reppend, in het oef’nen der dans bedreven,
Ontstelde, weifelende blikken ter zijde richtend,
Als d’antilope, de vervolging der jagers duchtend!
Koningszwager.
Blijf staan, Vasantasenikâ*, blijf staan!
Wat gaat ge, loopt ge, en ontvlucht ge, gedurig struiklend!
Blijf staan toch, meisje, wees genadig: ge zult niet sterven.
Wordt niet mijn ongelukkig harte verteerd van liefde,
Zooals een in een stapel kolen gevallen vleesch-stuk!
Slaaf.
Jonkvrouw†, blijf staan, blijf staan!
Gij schijnt, ontsteld uit mijn nabijheid vluchtend,
Een pauw, wier staart ’s zomers zich voller uitspreidt;
Mijn heer en meester, die U hup’lend naloopt—
Een jonge haan, die in het woud verblijf houdt.
Hoveling.
Vasantasenâ, blijf staan, blijf staan!
Wat loopt ge voort, gelijk een jonge banaanstam trillend,
In ’t rood gewaad, waarvan de franje de wind doet wap’ren,
Uitstrooiend menigte van roode nymphaea-knoppen,
Als een met beitelen gespleten realgar*-groeve!
Koningszwager.
Blijf staan, Vasantasenikâ, blijf staan!
Hoveling.
Vasantasenâ!
Waarom, uw schreden van mijn schreden verwijd’rend, gaat ge,
Een slang gelijk, vervuld van vrees voor den vorst der vog’len*!
Wel zou den wind in zijne vaart mijn gezwindheid stuiten,
Maar U, voortref’lijke, te grijpen, is niet mijn pogen.
[10]
Koningszwager.
Meester, Meester!
Zij is het zweepje van Kâma*, den duitendief,
zij is een vischeetster*, een danseres,
Eén zonder hoofd†, een familieverderfster,
z’ is een losbandig’, een mandje der Min,
Z’ is een bordeelvrouw, een bordeelbewoonster,
z’ is een bordeelsche, een bordeelvriendin†,
Deze tien* namen heb ik haar gegeven,
en toch nog altijd begeert ze mij niet!
Hoveling.
Wat ijlt ge voort, van schrik bevangen gelijk een reiger,
Die voor het donderen bevreesd is der regendragers,
Terwijl de slingerende ringen uw wangen schaven,
Als waart g’een luit, die met den nagel een hov’ling tokkelt.
Koningszwager.
Verzeld van ’t rinkelend geluid van uw talrijk sieraad,
Wat vliedt ge, Draupadî gelijkend, bevreesd voor Râma!
Zoo dadelijk zal ik U grijpen, gelijk Hanûman
Eertijds Subhadrâ heeft gegrepen, de zuster Vishnu’s.*
Slaaf.
Bemin des konings gunsteling,
Dan wordt g’onthaald op visschevleesch—
Ja, zulke visch, waarvoor een hond
Niet langer bij een lijk verwijlt.
Hoveling.
Geachte Vasantasenâ!
Wijl gij den gordel-bundel, schit’rend als stargeflonker,
Opheft, die vastgehouden wordt door der heupen glooiing,
En afgewischt van uw gelaat is ’t realgar-poeder—
Wat loopt ge bevend voort, gezwind, als der stede godheid!
Koningszwager.
Onstuimig door ons achternageloopen,
Gelijk een jakhals in het woud door honden,
Ontvlucht ge snel, haastiglijk, met gezwindheid,
Mijn hart en tulband met U medevoerend.
Vasantasenâ.
Pallavaka, Pallavaka! Parabhṛtikâ, Parabhṛtikâ!
Koningszwager (bevreesd).
Meester, Meester, een man, een man!
Hoveling.
Vrees niet, vrees niet.
[11]
Vasantasenâ.
Mâdhavikâ, Mâdhavikâ!
Hoveling (lachend).
Dwaas, zij zoekt haar geleide.
Koningszwager.
Meester, Meester, zoekt zij een vrouw?
Hoveling.
Welzeker.
Koningszwager.
Vrouwen dood ik wel honderd. Ik ben een held!
Vasantasenâ (in het ledig ziende).
O wee, o wee! Hoe, is mijn geleide verdwenen? Dan zal ik zelf mij moeten beschermen.
Hoveling.
Zoek haar, zoek haar.
Koningszwager.
Vasantasenikâ, al jammert ge om Parabhṛtikâ, of Pallavaka of de heele lentemaand*, wie zal U beschermen voor mijn vervolging?
Noch Bhîmasena, Jamadagni’s zone,
Geen telg van Kuntî, noch de vorst van Lankâ!
Duhçâsana kies ik mij thans ten voorbeeld,
Met mijne hand U bij de haren grijpend.*
Zie dan toch, zie!
Het zwaard goed-scherp! de schedel reeds gevallen!
Houwt haar het hoofd af of wel doet haar sterven!
Staak toch dat vluchten, dat U niet mag baten;
Wie sterven moet, blijft immers niet in leven!
Vasantasenâ.
Edele, ik ben immers een zwakke vrouw.
Hoveling.
Daarom juist blijft ge in leven.
Koningszwager.
Daarom juist zult ge niet sterven.
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Hoe, ook zijn vriendlijkheid veroorzaakt vrees. Komaan dan! (Luid.) Edele, is het U om mijn sieraden te doen?
Hoveling.
Dat kwaad zij verre, dat kwaad zij verre! Geachte Vasantasenâ, de liane in den hof mag men niet van haar bloemen berooven. Spreek dus niet van uw sieraden!
Vasantasenâ.
Maar wat wilt ge dan?
[12]
Koningszwager.
Mij, den godmensch, den man, den Vâsudeva* moet ge beminnen.
Vasantasenâ (toornig).
Dat kwaad zij verre! Ga heen, onedel spreekt ge.
Koningszwager (in de handen klappend en lachend).
Meester, Meester, zie eens aan! Hoe byzonder vriendelijk is deze hetaere, daar ze tot mij zegt: „Ga heen, ge gaat te verre!† ge zijt vermoeid, ge zijt afgemat.” Ik ben toch niet naar een ander dorp gegaan of naar een stad gegaan. Jonkvrouw, ik zweer bij het hoofd van den Meester, met mijn eigen voeten: door U achterna te loopen, ben ik vermoeid en afgemat geworden.
Hoveling (bij zich zelf).
Wel, hoor eens aan! Terwijl „kwaad” gezegd wordt, verstaat de dwaas „gaat”. (Luid.) Vasantasenâ, in strijd met het verblijf in een bordeel is door U gesproken. Zie:
Bedenk: van jonge lieden begeleid
is zij, die een bordeel tot woning heeft†
En overweeg: gij, een hetaere, zijt
als de liane, aan den weg gegroeid.
Gij draagt een lichaam, dat, voor geld te krijg,
immers geworden is tot handelswaar;
Bedien, mijn waarde, dan gelijklijk elk,
of hij U welgevallig zij of niet.
En ook:
In één vijver zich baadt d’aanzienlijke Brahmaan
en ’t domme Cândâla*-volk;
Wèl buigt onder de kraai de bloeiende liaan,
die ook de pauw buigen doet;
Brahmaan, Kshatriya, Vaiçya* kruisen de rivier,
met d’and’ren in ’t zelfde schip:
Gij zijt als de liaan, de vijver en het schip—
hetaere, heb ieder lief!
Vasantasenâ.
Voortreflijkheid immers is oorzaak van liefde, maar niet gewelddadigheid.
Koningszwager.
Meester, Meester! die geboren slavin is, sedert zij hem zag in Kâma’s* tempelhof, verliefd op den armen Cârudatta: daarom bemint ze mij niet. Links staat zijn huis. Maak, dat ze niet aan onze hand ontsnapt, Meester!
Hoveling (bij zich zelf).
Juist wat de dwaas voor zich moest houden, daar loopt hij mee te koop! Hoe, Vasantasenâ verliefd op den edelen Cârudatta! Naar waarheid zegt men toch: „De paarl verbindt zich met de paarl.” Laat zij† dan gaan, wat geef ik om dien dwaas! (Luid.) Bastaard, links staat het huis van den veemheer?
[13]
Koningszwager.
Zeker, links staat zijn huis.
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Wat hoor ik! „Links staat zijn huis” zegt hij. Waarlijk! die misdadige booswicht heeft een samenkomst met den geliefde bewerkt.
Koningszwager.
Meester, Meester, hoe dicht is de duisternis; als in een hoop boonen een balletje zwartsel, is Vasantasenikâ, daareven nog gezien, verdwenen!
Hoveling.
O hoe dicht is de duisternis! Immers:
Vér-ziend, door ’t ingetreden donker plots’ling afgesneden,
Hoewel geopend, schijnt mijn oog door duisternis gesloten.
En ook:
Het donker schijnt de leden te bestrijken
met zwarte zalf, die van den hemel regent;
Gelijk een dienst, onwaardigen bewezen,
zoo is ’t gezicht thans nutteloos geworden.†
Koningszwager.
Meester, Meester! ik zoek Vasantasenikâ.
Hoveling.
Bastaard! is er eenig teeken, waar gij op let?
Koningszwager.
Meester, Meester! wat dan?
Hoveling.
Het geluid der sieraden, of de welriekende geur van den krans.
Koningszwager.
Ik hoor wel den geur van den krans, maar, daar mijn neus door de duisternis verstopt is, zie ik niet zeer duidelijk het geluid der sieraden.
Hoveling (zacht tot Vasantasenâ).
Vasantasenâ!
Schoon door het donker van den avond ge niet gezien wordt,
Zooals de bliksem, in de plooien der wolk verborgen,
Toch zal de geur, dien uwe bloemen verspreiden, schuchtre,
U kenbaar maken, en het bab’lende voetensieraad.
Gehoord, Vasantasenâ?
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Gehoord en aangenomen! (Doet of zij de voetringen en den krans aflegt en loopt eenigen tijd rond, met de hand tastend.) Ah, door betasting van den muur bespeur ik, dat dit de zijdeur is, en ik bemerk aan de verbinding met het huis, dat de zijdeur gesloten is.
[14]
Cârudatta.
Vriend, ik heb mijn gebeden geëindigd. Ga dan nu, bied den Moeders d’offergave aan.
Vidûshaka.
Neen, ik zal niet gaan.
Cârudatta.
Helaas!
Door armoe komt, dat naar de woorden van een man
geen bloedverwant luist’ren wil;
Zijn liefste vrienden wenden d’oogen van hem af;
zijn rampen vermeerd’ren zich;
Zijn geestkracht wordt gedoofd, de lieflijkheid verwelkt
van zijne karakter-maan;
Een misdaad, zij die ook door anderen begaan,
toch wordt ze hem toegedicht.
En ook:
Niemand, die met den arme samenkomst begeert,
hem aanspreekt met heuschen groet;
Op feesttijd, als der rijken woning hij bezoekt,
wordt spottend hij aangezien;
Vèr gaat hij van de groote menigte, beschaamd,
daar luttel zijn kleeding is;
Armoede mag den grooten zonden, naar mij schijnt,
als zesde zijn toegevoegd!
En ook:
Armoede! ach, U zelfs moet ik beklagen,
daar g’ in ons lichaam als een vriend gewoond hebt;
Waar zult ge heengaan, dit is mijn gedachte,
als ik, rampzalige, zal zijn bezweken.
Vidûshaka (beschaamd).
Welnu, vriend, wanneer ik dan gaan moet, laat Radanikâ mij ten minste vergezellen.
Cârudatta.
Radanikâ, begeleid Maitreya.
Radanikâ.
Zooals UEd. beveelt.
Vidûshaka.
Geachte Radanikâ! neem de offergave en de lamp. Ik zal de zijdeur open maken. (Aldus doet hij.)
Vasantasenâ.
Als ware het, om mij te hulp te komen, heeft men de zijdeur geopend; laat ik dus binnengaan. (Licht ziende.) O wee, o wee! een lamp! (Waait ze met een slip van haar kleed uit en treedt binnen.)
Cârudatta.
Maitreya, wat is dat?
[15]
Vidûshaka.
Door den wind, bij het openen der deur saamgeperst, is de lamp uitgeblazen. Geachte Radanikâ, ga gij door de zijdeur naar buiten; ik kom terug, wanneer ik binnen de lamp weer heb aangestoken. (Af.)
Koningszwager.
Meester, Meester! ik zoek Vasantasenikâ.
Hoveling.
Zoek haar, zoek haar!
Koningszwager (doet aldus).
Meester, Meester! ik heb haar, ik heb haar!
Hoveling.
Dwaas, dat ben ik!
Koningszwager.
Kom dan naar dezen kant, Meester, en blijf daar afgezonderd staan. (Zoekt weer en grijpt den slaaf.) Meester, Meester! ik heb haar!
Slaaf.
Heer, ik ben het, uw slaaf.
Koningszwager.
Hier de Meester, daar de slaaf. De Meester, de slaaf, de slaaf, de Meester. Blijf gij dan een eindje ter zijde staan. (Zoekt weder en grijpt Radanikâ bij de haren.) Meester, Meester! nu heb ik dan toch Vasantasenikâ gegrepen!
Mij in het duister ontvluchtend,
verraden door den bloemengeur,
Is zij gevat bij haar lokken,
als door Cânakya Draûpadî.*
Hoveling.
Gij, die, in d’ overmoed der jeugd,
naloopt een zoon van ed’len stam,
Wordt bij die lokken, vol bloemen,
verzorgenswaard—thans voortgesleurd!
Koningszwager.
Nu zijt ge, meisje, bij het hoofd gegrepen
En bij de lokken, en de vlecht en ’t hoofdhaar!
Ja, roep om hulp, jammer en weeklaag luide
Tot ′Içvara, Çankara, Çiva, Çambhu!*
Radanikâ (bevreesd).
Wat hebben de edele heeren in den zin?
Hoveling.
Bastaard, dat is een andere stem!
Koningszwager.
Meester, Meester! zooals een kat, zeer begeerig naar melkkost, haar stem verandert, zoo heeft ook de slavinnendochter haar stem veranderd.
[16]
Hoveling.
Hoe, zij heeft haar stem veranderd? Wel, dat is vreemd! En toch, wat is hier vreemd?
Door op ’t tooneel te verschijnen,
door der kunsten bedrevenheid,
En des bedriegens ervaren,
steunt z’ op der stemme buigzaamheid.
Vidûshaka (optredend).
Kijk, kijk! door den zachten avondwind siddert het lamplicht als het hart van een bok, die naar de offerplaats wordt gevoerd. (Nader komend en Radanikâ aldus ziende.) Geachte Radanikâ!
Koningszwager.
Meester, Meester! een man, een man!
Vidûshaka.
Is dat nu passend, is dat nu voegzaam, dat ten gevolge van de armoede van den edelen Cârudatta vreemde lieden zijn huis binnendringen†!
Radanikâ.
Edele Maitreya, zie toch, hoe men mij beleedigt!
Vidûshaka.
Wordt gij of worden wij beleedigd?
Radanikâ.
Ook gij immers.
Vidûshaka.
Wat, is dit gewelddadigheid?
Radanikâ.
Wat anders?
Vidûshaka.
In waarheid?
Radanikâ.
In waarheid.
Vidûshaka (toornig zijn stok opheffend).
Niet aldus! In zijn eigen huis wordt zelfs een hond boos, hoeveel te meer ik, een Brahmaan! Met dezen stok, die krom is als het levenspad van ons-gelijken, zal ik uw hoofd met slagen kneuzen, alsof ge een ellendige, verdorde rietstengel waart.
Hoveling.
Groot Brahmaan, vergeef mij, vergeef mij!
Vidûshaka (den hoveling ziende).
Niet deze is hier de schuldige. (Den koningszwager ziende.) Dat is de schuldige. Wel, wel, koningszwager, Samsthânaka, booswicht, is dat nu passend? Al is ook die achtenswaardige, de edele Cârudatta arm geworden, is Ujjayinî dan niet met zijn deugden gesierd, dat men, zijn huis binnengedrongen, zijn bedienden dusdanige beleediging aandoet? [17]
Hoveling (beschaamd).
Groot Brahmaan, vergeef mij, vergeef mij! Doordat zij voor een ander werd aangezien, is dit bedreven, niet uit overmoed. Zie:
Een willig meisje wij zoeken—
Vidûshaka.
Wat, deze?
Hoveling.
Dat kwaad zij verre!
een’, onafhankelijk van jeugd.
Zij verdween—deze aanziende
voor haar, misduidden wij haar aard.
In elk geval moet gij dit aanvaarden—het is al, wat wij tot verzoening kunnen aanbieden. (Met deze woorden legt hij het zwaard af en valt hem met opgeheven handen te voet.)
Vidûshaka.
Brave man, sta op, sta op! Daar ik den stand van zaken niet kende, deed ik U verwijten, maar nu ik dien ken, vraag ik vergiffenis.
Hoveling.
Aan U moet immers hier vergiffenis worden gevraagd. Dus zal ik opstaan op een voorwaarde.
Vidûshaka.
U heeft slechts te spreken.
Hoveling.
Indien ge, wat hier is gebeurd, niet aan den edelen Cârudatta zult vertellen.
Vidûshaka.
Ik zal het niet vertellen.
Hoveling.
Dez’ uw welwillendheid, Brahmaan,
door mij eerbiedig wordt aanvaard;
Gewapend zijn wij verwonnen
door U, met wapenen der deugd.
Koningszwager (wrevelig).
Waarom zijt gij toch, Meester, dien ellendigen Brahmanenjongen te voet gevallen, zoo erbarmelijk de handen tot hem opheffend?
Hoveling.
Ik ben bevreesd.
Koningszwager.
Voor wien zijt ge bevreesd?
[18]
Hoveling.
Voor Cârudatta’s deugden.
Koningszwager.
Wat zijn wel de deugden van hem, in wiens huis men niet eens te eten krijgt?
Hoveling.
Spreek niet aldus!
Vriendschap met ons-gelijken hem vermag’ren deed
En hij heeft niemand met zijn rijkdom ooit gekrenkt.
Gelijk een meer, nog in den zomer waterrijk,
Zoo is ook hij, lesschend der menschen dorst, verdroogd.
Koningszwager (met ergernis).
Wie is die zoon eener geboren slavin?
Hoveling.
Dwaas, die Cârudatta is immers:
Der behoeftigen Wenschboom*,
door zijn deugdvruchten buigend,
der rechtvaardigen gastheer,
De spiegel der geleerden,
der wellevendheid toetssteen,
zee, met vloed van karakter,†
Niet-verachtend, weldadig,
een schatkist van mannendeugd,
edelaardig en vriendelijk;
Hij alleen leeft in waarheid,
roemvol door zijn deugdzaamheid,
terwijl and’ren slechts ad’men.
Laten wij dan vanhier gaan.
Koningszwager.
Zonder Vasantasenikâ?
Hoveling.
Vasantasenâ is verdwenen.
Koningszwager.
Hoe is dat mogelijk?
Hoveling.
Als van den blinde het gezicht, het verstand des dwazen,
Als van den kranke het gedijen, des tragen voorspoed,
Bij zwak geheugen en bij hartstocht de hoogste wijsheid,
Is zij verdwenen, nauw bereikt, als bij haat de wellust.
Koningszwager.
Zonder Vasantasenikâ zal ik niet gaan.
[19]
Hoveling.
Hebt ge dan dit nooit gehoord:
Aan den paal houdt men d’olifant,
aan de teugels houdt men het ros,
En aan het hart houdt men de vrouw:
waar dit niet is, kan men wel gaan.
Koningszwager.
Indien gij wilt gaan, ga dan. Ik zal niet gaan.
Hoveling.
Dan ga ik. (Af.)
Koningszwager.
Zoo is de Meester door het Niet vermeesterd.† (Tot den Vidûshaka.) Hé, kraaienpootschedelkop*, ellendige Brahmanenjongen, zet U neder, zet U neder.
Vidûshaka.
We zijn al vernederd.
Koningszwager.
Door wien?
Vidûshaka.
Door het Noodlot.
Koningszwager.
Sta dan op, sta op!
Vidûshaka.
We zullen wel opstaan.
Koningszwager.
Wanneer?
Vidûshaka.
Wanneer het Lot weer gunstig zal zijn.
Koningszwager.
Komaan, ween dan, ween dan!
Vidûshaka.
Men heeft ons reeds doen weenen.
Koningszwager.
Wie?
Vidûshaka.
De Armoede.
Koningszwager.
Nu, lach dan, lach dan!
Vidûshaka.
We zullen wel lachen.
Koningszwager.
Wanneer?
Vidûshaka.
Wanneer de edele Cârudatta weer tot welvaart komt.
[20]
Koningszwager.
Komaan, ellendige Brahmanenjongen, ge zult uit mijn naam aan den armen Cârudattaka zeggen: „Deze hetaere, dit meisje, met goud getooid, met goud versierd als een tooneelleidersvrouw, die zich zoo juist heeft opgemaakt tot het vertoonen van een Heldenspel,*† Vasantasenâ genaamd, op U verliefd, sinds zij U zag in Kâma’s tempelhof, is uw woning binnengegaan, terwijl wij haar zochten te winnen door gewelddadigheid. Wanneer gij haar goedschiks wegzendt en in mijn handen overlevert, dan zal er, in geval gij haar zonder proces voor het gerecht snel aan mij overgeeft, vriendschap tusschen ons bestaan. Maar indien gij haar niet uitlevert, zal tusschen ons een vijandschap bestaan, die eerst met den dood eindigt.” En let hier op:
Een kalebas, smeert men den steel met koemest,
Vleesch, dat gestoofd is en gedroogde groente
En rijst, die in een winternacht bereid is,
Geldschuld en vijandschap verrotten nimmer.
Mooi moet ge spreken, vlug moet ge spreken, zóó moet ge spreken, dat ik, in de duiventil op den toren van mijn paleis gezeten, het zal hooren. Wanneer ge niet zoo spreekt, zal ik je hoofd verbrijzelen als een kapittha* onder een deurvleugel.
Vidûshaka.
Ik zal het zeggen.
Koningszwager (zacht tot den slaaf).
Slaaf, is de Meester inderdaad heengegaan?
Slaaf.
Welzeker.
Koningszwager.
Laten we dan snel wegloopen.
Slaaf.
Neem dan het zwaard, Heer.
Koningszwager.
In uw hand moge het blijven.
Slaaf.
Hier is het, groote Heer, neem toch het zwaard, Heer.
Koningszwager (het verkeerd aannemend)
’t Bastlooze zwaard, dat in de scheede sluimert,
’t Radijshuidkleurige, op schouder nemend,
Gelijk een jakhals, aangeblaft door rekels
En teven, vlucht ik henen naar mijn schuilplaats.
(Beiden gaan het tooneel rond en treden af.)
Vidûshaka.
Geachte Radanikâ, ge moet deze beleediging, U aangedaan, niet aan dien achtenswaardige, aan Cârudatta mededeelen. Voor hem, die reeds door armoede wordt gekweld, zou het, dunkt mij, dubbele kwelling zijn.
[21]
Radanikâ.
Edele Maitreya, ge weet immers wel, dat Radanikâ haar mond weet te bedwingen.
Vidûshaka.
Zeker, zoo is het.
Cârudatta (tot Vasantasenâ).
Radanikâ, verlangend naar den Wind is de Avondstond. Rohasena heeft het koud. Breng hem dus in huis en dek hem toe met dezen mantel. (Reikt haar den mantel.)
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Hoe, hij ziet mij aan voor zijn bediende! (Neemt den mantel en kust† hem; bij zich zelf, verlangend.) Zie, de mantel, met jasmijngeur doortrokken, toont dat zijn jeugd niet onverschillig is. (Doet hem ongemerkt om.†)
Cârudatta.
Radanikâ, kom toch met Rohasena in huis.
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Weinig recht heb ik immers op uw huis.†
Cârudatta.
Radanikâ, geeft ge zelfs geen antwoord! Helaas!
Wanneer het Noodlot aan een man heeft opgelegd
Een leven, door der welvaart ondergang benard,
Dan wordt de vriendschap van zijn vrienden vijandschap
En lang gekoesterde genegenheid verkoelt.
(Radanikâ en de Vidûshaka komen nader.)
Vidûshaka.
Wel, hier is Radanikâ.
Cârudatta.
Is dat Radanikâ! Wie is dan die andere,
Die onbekende, omhangen
met mijn gewaad, dat haar verneert—
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Neen, vereert!
Cârudatta.
Die glinstert als, van herfstnevels
omhuld, de sikkellijn der maan.
Maar niet voegzaam is het, een anders vrouw aan te zien.
Vidûshaka.
Wel, een anders vrouw aan te zien, daarvoor behoeft ge niet te vreezen. Dit is Vasantasenâ, op U verliefd, sinds zij U zag in Kâma’s tempelhof.
[22]
Cârudatta.
Hoe, is dat Vasantasenâ! (Bij zich zelf.)
Die tot een liefde mij wekte,
die, aan des lafaards toorn gelijk,
Als bekneld is in mijn lichaam,
daar d’omvang van mijn rijkdom slonk.
Vidûshaka.
Hoor eens, vriend! De koningszwager zegt:
Cârudatta.
Wat?
Vidûshaka.
„Deze hetaere, dit meisje, met goud getooid, met goud versierd, als een tooneelleidersvrouw, die zich zoo juist heeft opgemaakt tot het vertoonen van een Heldenspel, op U verliefd, sinds zij U zag in Kâma’s tempelhof, is uw woning binnengegaan, terwijl wij haar zochten te winnen door gewelddadigheid.”
Vasantasenâ (bij zich zelf).
„Te winnen door gewelddadigheid!” waarlijk, ik ben vereerd door die woorden.
Vidûshaka.
„Wanneer gij haar goedschiks wegzendt en in mijn handen overlevert, zal er, in geval gij haar zonder proces voor het gerecht snel aan mij overgeeft, vriendschap tusschen ons bestaan, anders zal tusschen ons vijandschap bestaan tot aan den dood.”
Cârudatta (minachtend).
Die dwaas! (Bij zich zelf.) Waarlijk, dit meisje is waardig, als een godheid te worden vereerd!† Daardoor is het immers, dat zij op dezen stond,
Schoon ’k haar noodigde: „Betreed mijn woning!”
Niet verroert, mijn lotstoestand aanschouwend,
En niet door bekendheid met de mannen
Vastberaden spreekt, al zegt zij veel.†
(Luid.) Geachte Vasantasenâ! Door U daareven onbewust als mijn bediende te behandelen, daar ik U niet herkende, heb ik U beleedigd. Met gebogen hoofd vraag ik U vergiffenis.
Vasantasenâ.
Door dit ongepast betreden van uw drempel heb ik U beleedigd; ik vraag U met gebogen hoofd vergiffenis.
Vidûshaka.
Wel, gij beiden brengt de hoofden bij elkander als twee welige rijstvelden. Ook ik buig nu dit hoofd, een kameelsknie gelijkend, en smeek U beiden: „Richt U op.”
Cârudatta.
Welaan! Moge er vertrouwlijkheid bestaan!*
[23]
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Vaardig en aardig is dit gezegde! Op zulk een wijze hier gekomen, past het mij niet, hier te blijven. Kom, zóó wil ik spreken. (Luid.) Edele, indien dan UEd. mij een dienst wil bewijzen, dan wensch ik deze sieraden in uw huis in bewaring te geven. Om mijn sieraden vervolgen mij die booswichten.
Cârudatta.
Dit huis is niet geschikt, ze te bewaren.
Vasantasenâ.
Edele, dat is niet juist! aan de menschen worden panden toevertrouwd, niet aan de huizen.
Cârudatta.
Maitreya, wil die sieraden aannemen.
Vasantasenâ.
Ik ben U wel verplicht. (Overhandigt de sieraden.)
Vidûshaka (ze aannemend).
Ik breng U mijn dank.
Cârudatta.
Och dwaas, het is immers een toevertrouwd pand.
Vidûshaka (ter zijde).
Als dat het geval is, dan mag het voor mijn part door de dieven worden weggenomen.
Cârudatta.
Binnen korten tijd.…
Vidûshaka.
Behoort dit pand van haar aan ons.
Cârudatta.
Zal ik het teruggeven.
Vasantasenâ.
Edele, ik wensch, door dezen edelen heer begeleid, naar mijn huis terug te keeren.
Cârudatta.
Maitreya, begeleid die achtenswaardige.
Vidûshaka.
Wanneer gij zelf haar begeleidt, die den gang heeft van een zwaan, zult gij prijken als een flamingo. Maar ik, Brahmaan, zal door die menschen worden omgebracht, zooals een offergave†, op den viersprong aangeboden, door de honden wordt verscheurd.
Cârudatta.
Zoo zij het. Ik zelf zal de achtenswaardige begeleiden. Laten er dan lampen worden aangestoken, geschikt om ons vertrouwen in te boezemen op den heirweg.
[24]
Vidûshaka.
Vardhamânaka, steek de lampen aan.
Slaaf (zacht).
Wel, kunnen lampen zonder olie worden aangestoken?
Vidûshaka (zacht).
Nu, onze lampen kunnen dan evenmin ontvlammen als hetaeren, die minnaars zonder geld verachten.†
Cârudatta.
Maitreya, de lampen zijn niet noodig. Zie:
De maan verrijst, bleek als de wang eener verliefde,
Van de planetenschaar omringd—de lamp des heirwegs,
Wier stralen in het dichte duister vallen,
Als drop’len melk in een verdroogden poel.
(Zich opmakend; op verliefden toon.)
Geachte Vasantasenâ, hier is uw huis; wil binnentreden.*
(Vasantasenâ ziet hem aan met verliefden blik en treedt af.)
Cârudatta.
Vriend, Vasantasenâ is gegaan. Komaan dan, laten we naar huis terugkeeren;
Want de heirweg is verlaten
en de stadswachters zwerven rond;
Hoeden wij ons voor misduiding,*
want vol van boosheid is de Nacht.
(Gaat het tooneel rond.) Dit goudkistje moet gij des nachts bewaren en Vardhamânaka over dag.
Vidûshaka.
Zooals U beveelt. (Beiden af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het eerste Bedrijf,
„Het Toevertrouwen
der Sieraden”
genaamd.
[25]