N.B. Met St. wordt Stenzler’s uitgave van de Mṛcchakaṭikâ aangeduid, met Calc. I de Calcutta-editie van 1829, met Calc. II die van 1876 en met Calc. III die van 1891.

W. is Wilson’s vertaling van de Mṛcchakaṭikâ, R. die van Reignaud, A. die van Böhtlingk en Fr. die van Fritze.

P.W. is het Petersburgsch Woordenboek.

Blz. XI 4). H. H. Wilson. Select Specimens of the Theatre of the Hindus. Translated from the original Sanskrit. Calcutta 1827; 2d Ed. London 1834; 3d Ed. London 1871.

Theater der Hindus. Aus der Englischen Uebertragung des Sanskrit Originals von H. H. Wilson, metrisch übersetzt von O. L. B. Wolff. Weimar 1828–1831.

Chefs d’œuvre du théatre indien traduit de l’original sanskrit en anglais par H. H. Wilson et de l’anglais en français par Langlois, accompagnés de notes et d’éclaircissemens et suivis d’une table alphabétique. Paris 1828.

Mery et Gérard de Nerval. Le Chariot d’enfant, drame en vers, traduction du drame indien du roi Soudraka. Paris 1850.

Hippolyte Fauche. Une tétrade, ou drame, hymne, roman et poëme, traduits pour la première fois en français. Paris 1861 (I. La Mritchakatika, le petit Chariot d’argile, drame en dix actes).

Paul Regnaud. Le Chariot de Terre cuite (Mricchakatika) drame sanscrit attribué au roi Çûdraka, traduit et annoté des scolies inédites de Lallâ Dîkshita. 4 Tomes. Paris 1876–77.

Victor Barrucand. Le Chariot de Terre cuite d’après la Mṛcchakaṭikâ. Paris 1895.

Otto Böhtlingk. Mṛcchakaṭikâ d.i. Das irdene Wägelchen, ein dem König Çûdraka zugeschriebenes Schauspiel. St. Petersburg 1877.

Ludwig Fritze. Mricchakatika oder das irdene Wägelchen. Ein indisches Schauspiel. Metrisch übersetzt. Chemnitz 1879.

Emil Pohl. Vasantasenâ, Bühnenbearbeitung in 5 Akten. Stuttgart 1892.

Michael Haberlandt. Vasantasenâ oder das irdene Wägelchen. Ein altindisches, [184]dem König Çûdraka zugeschriebenes Schauspiel. Frei wiedergegeben. Leipzig 1893.

Hermann Camillo Kellner. Vasantasenâ oder das irdene Wägelchen (Mṛicchakaṭikâ). Ein indisches Schauspiel in zehn Aufzügen, von König Çûdraka. Leipzig. Verlag von Philipp Reclam Jun.

C. Kossowitsch’ Russische vertaling verscheen in den „Moskwitjanin”, September 1849 (Buitenl. Letterk.).

E. Brandes. Lervognen, et Indisk Skuespil. Kjöbenhavn 1870.

Michele Kerbaker. Il Carruccio di Creta, waarvan, naar de vertaler mij meldt, slechts vijf bedrijven zijn verschenen, het eerste met inleiding in de Revista Europea di Firenze, 1872, de overige vier in het Giornale Napoletano, 1878–79.

Blz. XII 1). Bij het navolgen der Indische metra in Hollandsche verzen kan het kwantiteitsverschil niet anders dan door verschil in klemtoon worden weergegeven; echter is het niet wel doenlijk en m.i. ook onnoodig, steeds iedere lange lettergreep door een beklemtoonde, iedere korte door een onbeklemtoonde te vervangen, waarbij men bovendien in aanmerking neme, dat een dergelijk kenmerkend onderscheid, als bestaat tusschen lange en korte lettergrepen in het Indisch, bij beklemtoonde en niet-beklemtoonde ontbreekt.

In het algemeen heb ik er naar gestreefd, met behoud van het aantal lettergrepen van den versregel, een vorm te kiezen, die op het gehoor zooveel mogelijk denzelfden indruk maakt als de Indische versmaat. Op deze wijze behield ik çloka, vasantatilaka, trishṭubh (upajâti, upendravajrâ) en vaṃçasthavila.

Het çârdûlavikrîḍita-metrum heb ik soms in den oorspronkelijken vorm, soms in jamben- (of dactylen-) maat weergegeven.

Bij metra, die een opeenvolging van verscheidene korte of lange lettergrepen bevatten, bepaalde ik mij er toe, syllaben-aantal en caesuur-indeeling te behouden (sragdharâ) of koos een geheel afwijkenden vorm (mâlinî, pushpitâgrâ, çikhariṇî). In ’t laatste geval nam ik een enkele maal een ander Indisch metrum.

De ârya-strofe scheen mij in een Nederlandsch vers zelfs niet bij benadering weer te geven; doorgaans bezigde ik bij het vertalen daarvan den jambus, een enkele maal den trochaeus. Bij de groote moeilijkheid, die het metrisch vertalen oplevert, zullen mij, hoop ik, vergrijpen tegen het geslacht der substantiva (der dans, der lust) niet te zwaar worden aangerekend.

Blz. 1. R. 28. Hoewel het Indisch metrum behoudend, noopte mij de omschrijving der samenstellingen een tweeregelig couplet door een drieregelig weer te geven.

Blz. 2. R. 6. Vyapagatatimire cakshushî copalabhya (St. 1:16) door B. vert.: „hatte er sein getrübtes Augenlicht wieder erlangt”, heb ik in overdrachtelijken [185]zin opgevat, evenals W.: „he enjoyed eyes uninvaded by darkness”, en R.: „ses yeux virent disparaître l’obscurité (de l’ignorance).”

Blz. 2. R. 18. Paravâraṇabâhuyuddha- (St. 2:1) door vorige vertalers als tatpurusha-, door mij als dvandva-samenstelling opgevat. „Ein Faustkampf mit eines Gegners Elefanten” (B.) schijnt mij in verband met het overige omtrent koning Çûdraka meegedeelde wel wat al te overdreven.

Blz. 2. R. 34. Deze ârya-strofe (St. 2:9–11) in ongeveer dezelfde bewoordingen, maar in çloka-vorm komt voor Hit. I, 120 (ed. Schl.-L. p. 30, 12–14), volgens W. ook in het Pan̄c, waar ik ze echter niet vond, en volgens R. ook in Câṇakya en in de Vikramorvaçî (Indische Sprüche, Spr. 151 en 249).

Blz. 3. R. 1. Hîmâṇahe (St. 2:19) weergeg. door Skr. âçcaryaṃ is toch eigenlijk wel niets anders dan Skr. hî mâṇavâḥ (Vgl. St. 79:8). Als Prâkṛt-vorm van âçcaryaṃ komt St. 172:6 accariaṃ voor.

Blz. 3. R. 6. Puvvaviḍhattaṃ ṇihâṇaṃ (St. 2:23) vert. B, „ein ehemals vergrabener Schatz.” Ik betwijfel, of deze beteekenis aan vidadhâti mag worden toegekend en kies liever de gewone beteekenis: „vormen, tot stand brengen,” enz. (P.W. i. v.).

Blz. 3. R. 35. Varaṇḍalambuo (St. 3:17) door W. met „a ball on a turret top, door B. met „eine Fahne,” door Fr. met „ein Brunnenschwengel” weergegeven. Bij de volkomen onzekerheid omtrent de ware beteekenis van dit woord, scheen het mij het veiligst, (tenzij men het met R. onvertaald wil laten) mij aan den Comm. te houden en wel aan den door Stenzler aangehaalden (die bij R. levert geen verstaanbaren zin op), hoewel de bedoeling van mṛttikâsthûṇaḥ niet duidelijk is (voor dvaram leze men dûram). In elk geval zou het woord iets aanduiden, dat aan het einde van den pompzwengel (varaṇḍa) is bevestigd (niet de pompzwengel zelf, zooals Fr. meent), terwijl aan het andere uiteinde de emmer hangt, zoodat inderdaad bij het water-putten de varaṇḍa-lambuo eerst hoog wordt opgeheven en dan weer nedervalt.

Blz. 7. R. 12. Letterlijk: Vastgehouden door het lichaam, leeft hij dood [zijnde] (St. 7:13).

Blz. 7. R. 35. Deze plaats (St. 8:2–5) vert. B.: „Diese Söhne von Sklavinnen mit ihrem Bischen Gelde machen es ja wie die vor Wespen sich fürchtenden Hirtenknaben im Walde: sie gehen immer nur dahin, wo sie nicht ausgesogen werden.” Dezelfde opvatting heeft Fr.; ook R. en W. beschouwen dâsîeuttâ, als slaande op de zelfzuchtige vrienden, waarvan Câr. heeft gesproken.

Het is echter duidelijk, dat de vergelijking met de herdersjongens, die bang zijn door wespen te worden „gegeten”, deze opvatting niet toelaat. [186]Ook is atthakallavattâ hier ongetwijfeld hetzelfde als 8:15 en dus niet als bahuvrîhi op te vatten (vgl. ook itthîkallavatta 60:19). Ten slotte wijs ik nog op Pañc. I, 278, waar gezegd wordt: kṛpaṇânusâri ca dhanaṃ.

Zooals men ziet, heb ik khajjanti eenigszins vrij vertaald.

Blz. 8. R. 9. Dit vers (St. 8:11–15) in eenigszins gewijzigden vorm ook Hit. I, 128 (ed. Schl.-L. p. 31, 11–15).

Blz. 8. R. 39. Met „hoveling” vertaal ik, evenals Fr., Skr. viṭa, hoewel deze vertaling ongetwijfeld niet geheel juist is. Zij scheen mij echter te verkiezen boven de vertaling van B. „Schmarotzer”, daar toch, zooals W. terecht opmerkt de viṭaevinces something of the character of the Parasite in the Greek comedy, but that he is never rendered contemptible.” (H. Th. XLVII). W. en R. behouden het Skr.-woord.

Blz. 9. R. 17. Ajjuâ, (St. 10:2) door B. vertaald met „Hetäre” (ook in het P.W.) houd ik voor een vereerenden titel (Prâkṛt-diminutief van âryâ) Fr. vert. een enkele maal „Hetäre” (p. 20), gewoonlijk „Herrin, Gebieterin”; ook deze vertaling scheen mij minder juist, daar niet alleen Vasantasenâ’s onderhoorigen haar zoo betitelen, maar ook de çakâra (13:8); diens slaaf (10:2), de sambâhaka (37:3, 6, 9, 19), die haar ook ajje noemt (36:2,8), Radanikâ (94:20) en Candanaka (102:22). Beter is „lady” bij W. en „madame” bij R.

Blz. 9. R. 30. Mama maaṇam aṇan̄gaṃ bammahaṃ (St. 10:13) vert. B. „Meine Liebe, den körperlosen Liebesgott”. Eerder geloof ik met het oog op des çakâra’s voorliefde voor synoniemen (vgl. 10:25; 116:16, 17; 136:11, 12, 13), dat wij hier met drie substantieven te doen hebben.

Blz. 10. R. 5. ṇîçâçâ (St. 10:24) kan bezwaarlijk aan Skr. nirnâsa beantwoorden, dat eerder ṇiṇṇâça of ṇîṇâça zou hebben opgeleverd; is misschien ṇîçîçâ te lezen?

Blz. 10. R. 8. Veçavahû çuveçaṇilaâ veçan̄gaṇâ veçiâ (St. 10:25) bij B.: „eine Hurenmutter, eine Zierpuppe, eine Metze, und eine Hure”, blijkbaar vier samenstellingen met veça van gelijke beteekenis: veçavahû en veçan̄gaṇâ = bordeelvrouw; veçiâ lett. bordeelsche; çuveçaṇilaâ = een, die in een goed bordeel woont.

Blz. 12. R. 7. Om de woordspeling santaṃ-çante (St. 13:7) weer te geven heb ik „ge gaat te verre” ingevoegd; ook de uitleg, die dan door den viṭa wordt gegeven, ondergaat hierdoor eenige wijziging.

Blz. 12. R. 16. Letterlijk: Door jonge lieden begeleid moet het verblijf in een bordeel worden gedacht (St. 13:13). [187]

Blz. 12, R. 41. Gacchatu (St. 14:5) wordt door B. op den çakâra toegepast: „ich lasse ihn laufen.”

Blz. 13, R. 17. Op dit vers (St. 14:16–18) berust bijna geheel Pischel’s betoog ten gunste van Daṇḍin’s auteurschap der Mṛcch; het komt nl. ook voor Kâvyâdarça 2,226, een rhetorisch werk, waarin Daṇḍin steeds verzen van eigen maaksel als voorbeeld bezigt. Dus is, meent Pischel, ook dit vers en bij gevolg de geheele Mṛcch. het werk van Daṇḍin. Zie: Rudraṭa’s Çṛn̄gâratilaka enz. (p. 16 vlg.). De mogelijkheid van interpolatie wordt door Pischel niet aangeroerd.

Blz. 16. R. 16. Letterlijk: dat door de armoede van den edelen Cârudatta vreemde lieden zijn huis worden binnengevoerd (St. 17:18–19).

Blz. 17. R. 2. Tot herstel van het metrum leze men: ṇa duggado tti (St. 18:12).

Blz. 17, R. 4. Bij B.: „Auch der Reiche wird arm, wenn ihm guter Wandel abgeht (St. 18:13).

Blz. 18. R. 16. Indautte (St. 19:19) door B. in aansluiting aan de Skr.-vertaling bij St. met indradatta weergeg., kan toch wel niets anders zijn dan Skr. indraputra (zoo ook in Calc. II en III). Indautte en dhammaputte worden door B. gescheiden van lâvaṇe en jaḍâû. Verbindt men echter deze namen met de genoemde patronymica, dan zegt de çakâra weer een paar domheden, zooals telkens, waar hij van zijn bekendheid met het epos wil doen blijken.

Na aççatthâme is in te voegen tot herstel van het metrum.

Blz. 18. R. 24. Çîlavelâsamudraḥ (St. 19:24) bij B.: ein hochgehendes Meer von edler Gemüthsart.” Zoo geeft ook het P.W. voor velâsamudraein hochgehendes Meer zur Zeit der Fluth.

Blz. 19. R. 12. Om de woordspeling bhâve abhâvaṃ (St. 20:16) weer te geven, heb ik eenigszins vrij vertaald.

Blz. 20. R. 5. Ṇavaṇâḍaadaṃçaṇuṭṭhidâ çuttadhâli (St. 21:9) door B. vert.: „eine beim Anblick eines neuen Schauspiels hoch aufspringende Vorsteherin einer Schauspielertruppe”. Daar de sûtradhârî niet tot de toeschouwers, maar tot de vertooners behoort, meen ik daṃçaṇa hier niet als „het zien” maar als „het laten zien, het vertoonen” te moeten vertalen (vgl. dantadarçana). Dit is ook de opvatting van W., R. en Fr. Zij brengen echter evenals B. ṇava bij ṇâḍaa, terwijl ik geloof, dat het in samenstelling met een part. praet. pass. eerder als „zoo pas, zoo juist” is te vertalen (Vgl. ṇavabandhaṇamukkâe St. 29:19; navotthitaṃ St. 108:7).

Blz. 21. R. 10. Samâghrâya (St. 22:21) vert. B.: „riecht an ihm.” [188]

Blz. 21. R. 12. Prâvṛṇoti (St. 22:23) vert. B.: „hüllt den Rohasena ein.” Uit -avasaktena (St. 23:9) en vooral uit de daarop volgende vergelijking (St. 23:12) blijkt, dat Vasantasenâ zich zelf den mantel omhangt. Ook 42:5 wordt prâvṛṇoti reflexief gebruikt.

Blz. 21. R. 16. Mandabhâiṇî khu ahaṃ tuha abbhantarassa (St. 22:25) bij B.: „Für dein Inneres bin ich gewiss eine arme Seele.” Ik meen, dat met het oog op den genitief, die volgt, mandabhâiṇî (Skr. mandabhâginî) niet in beteekenis is gelijk te stellen met mandabhâgyâ; bhâgin bet. immers: „aandeel hebbend,” en ook „wien een aandeel toekomt” met het „waaraan” in den gen. of in samenstelling voorafgaande (zie P.W. s.v. bhâgin) mandabhâgin dus: „wien weinig aandeel toekomt aan, die weinig recht heeft op (gen.)”.

Blz. 22. R. 25. Devatopasthânayogyâ (St. 24:5–6) „eine Gottheit, die angebetet zu werden verdient” (B.). Mijn vertaling komt overeen met die van R. en Fr.

Blz. 22. R. 29. Mijne vertaling van dit couplet (St. 24:7–11) stemt in hoofdzaak overeen met die van B., met dit onderscheid echter dat B. bhâgyakṛtâṃ daçâm opvat als doelende op den lotstoestand van Vasantasenâ. Ik geloof eerder dat Cârudatta zijn eigen armoede op het oog heeft, die hij als de reden beschouwt, waarom Vasantasenâ geen gevolg geeft aan zijn uitnoodiging om binnen te treden. Dat inderdaad het praviça gṛhamiti pratodyamânâ slaat op een verzoek van Cârudatta en niet van den çakâra zooals W., R. en Fr. meenen, blijkt m.i. voldoende uit 22:24.

Blz. 23. R. 36. Ubahâro (St. 25:15) „Opferthier” (B.). Ik geloof eerder, dat de bali bedoeld is; deze wordt immers juist op den viersprong aan de mâtaras aangeboden (8:12–13).

Blz. 24. R. 7. De woordspeling die ṇissiṇehâo (St. 25:21) bevat, dat „zonder olie” en „zonder liefde” beteekent, heb ik bij eenigszins vrije vertaling in het woord „ontvlammen” gelegd.

Blz. 25. R. 11. Met B. lees ik mantemi voor mantesi (St. 27:7).

Blz. 26. R. 8. B. leest voor aṇavagahido (St. 28:1) aṇavagâhido (Skr. anavagâhitaḥ) en vert.: „dieser unergründliche, hehre Gott.” Ik behoud liever de lezing van St.; aṇavagahido (Skr. anavagṛhîta) van avagṛhṇâti in de bet.: „hemmen, zurückhalten” (P.W.) schijnt mij juist voor Kâma een byzonder geschikt epitheton; vgl. nog avagrahaHemmniss, Hinderniss.” Onjuist dunkt mij Windisch’ opvatting, die het met mahûsavo verbindt (Gr. Einfl. p. 91–92).

Blz. 27. R. 22. Paccuaâradubbaladâe (St. 29:10) door B. gevoegd bij ahisârianto: „um ihm einen schwachen Gegendienst zu erweisen.[189]

Blz. 27. R. 28. Bhaṭṭâ (St. 29:15) schijnt door B. ten onrechte te worden opgevat als beantwoordend aan Skr. bhadra („Hé, mein Bester”). Volgens den Comm. bij R. zouden deze woorden van Mâthura tot den speler gericht zijn; daar echter Mâthura met den speler den sambâhaka achtervolgt, geloof ik eerder dat Mâthura zich wendt tot de omstanders en dus bhaṭṭâ als pluralis is op te vatten. Het woord bhaṭṭa (Skr. bhartar) beteekent „heer”.

Blz. 27. R. 30. Apaṭîkshepeṇa (St. 29:17) vertaal ik met B. (ook P.W.) „zonder het gordijn weg te schuiven”. Vgl. echter Windisch, Gr. Einfl. p. 24–25, die een subst. apaṭi wil aannemen en in kshepa het buitengewone van de aangeduide wijze van optreden zoekt.

Blz. 29. R. 21. Çilu paḍadi (St. 31:10) vert. Fr.: „Mir schwindelt der Kopf.”; met het oog op 78:10 schijnt mij toch B.’s opvatting waarschijnlijker.

Blz. 29. R. 28. Ganthu (St. 31:16, 20; 32:5; 39:16), weergeg. met Skr. gaṇḍa, beantw. aan Skr. grantha (= brief, schuldbrief).

Blz. 30. R. 8. In navolging van B. lees ik voor daçasuvaṇṇaṃ (St. 32:3) pañcasuvaṇṇaṃ; immers Mâthura heeft den sambâhaka de helft zijner schuld kwijtgescholden.

Blz. 30. R. 12. De conclusie van den sambâhaka (St. 32:4–7) is niet volkomen duidelijk; de bedoeling zal toch wel deze zijn: De één heeft mij de helft kwijtgescholden, de ander heeft mij de helft kwijtgescholden. Twee helften is één geheel; dus is mij alles kwijtgescholden.—Vooral de genitivi ekkâha en abalâha zijn bevreemdend.

Blz. 30. R. 14. Ṇa ahaṃ dhuttijjâmi (St. 32:7–8) bij B.: „auf diese Gaunerstreiche verstehe ich mich nicht.Dhuttijjâmi is echter passief (Skr. dhûrtye); dus zal aan *dhûrtayati de bet. „bedriegen” moeten worden toegekend.

Blz. 31. R. 12. Dit vers (St. 33:6–8), door B. opgevat als slaande op „men” in ’t algemeen, meen ik met het oog op het volgende wel op Darduraka te mogen toepassen.

Blz. 31. R. 25. Kimayaṃ tapasvî karishyati (St. 33:18) luidt bij B.: „Was kann mir der erbärmliche Schwächling anhaben.” Ik betwijfel of tapasvî aldus mag vertaald worden; het P.W. geeft: „der Leiden zu tragen hat, geplagt, vom Schicksal heimgesucht, arm”; het woord wordt dus ter uitdrukking van medelijden, niet van verachting gebezigd (vgl. St. 9:25; 34:1; 52:6; 114:11; 152:6).

Bovendien duidt het volgende yo ’haṃ er op, dat Darduraka met tapasvî niemand anders dan zich zelf bedoelt. [190]

Blz. 32. R. 35. Ahaṃ pi ṇâma mâthuru dhuttu jûaṃ micchâ âdaṃsaâmi (St. 34:25) is niet recht duidelijk. B. vert.: „Auch ich heisse ja der Schelm Mâthura und lehre falsch spielen.

Blz. 33. R. 2. Gosâviâputta (St. 35:5), weergeg. met Skr. veçyâputra, is niet anders dan Skr. goçâvikâputra, dus: „zoon van het vrouwelijk jong eener koe.”

Overigens volg ik hier de lezing van Calc. II en III: ṇaṃ evvaṃ jjeva jûdaṃ tue sevidaṃ; evvaṃ jjeva wil dan zeggen: zooals deze man, zonder te betalen. B. vertaalt deze plaats: „Du Bastard! Wenn ich spiele, verpflichte ich mich zu Nichts. Dard: Ich aber thue es, wenn ich spiele.

Blz. 33. R. 35. Voor apalâvuda- (St. 35:25) te lezen: apâvuda- (Skr. apâvṛta); Calc. II heeft: aṇapâvuda-; dat deze lezing verkeerd is, blijkt uit St. 36:3.

Blz. 34. R. 12. Kadhaṃ dhaṇikâdo tulidaṃ çe bhaakâlaṇaṃ (St. 36:10) geeft moeilijkheid. B. vermoedt: abhaakalaṇaṃ en vertaalt: „Wie! Einem Gläubiger gegenüber vermag sie eine angemessene Sicherheit zu gewähren.” Ik geloof eerder, dat voor dhaṇikâdo dhaṇâdo is te lezen, dat licht tot dhaṇikâdo kan zijn geworden door invloed van hetzelfde woord in R. 8. De zin zou dan zijn: Hoe, de oorzaak van mijn vrees wordt door haar afgewogen naar haar rijkdom, d.w.z. zij, die rijk is, behoeft niet bevreesd te zijn voor een schuldeischer. Bij deze opvatting zijn tulidaṃ in R. 10 en tulidaṃ in R. 12, in dezelfde beteekenis genomen, en bevat het vers een verklaring van het voorafgaande.

Blz. 36. R. 31. Iti nishkrântâ (St. 38:25), door B. vertaald: „Tritt ab”, moet betrekking hebben op het gaan uit Vasantasenâ’s huis, niet op het verlaten van het tooneel.

Blz. 37. R. 8. Jai îdisâiṃ ṇa mantesi tâ ṇa hosi jûdiaro (St. 39:11) luidt bij B.: „Wenn du nicht solche Dinge redetest, wärest du kein Spieler.” (evenzoo R. en Fr.). Ik volg de lezing van Calc. I en III: ṇaṃ in plaats van ṇa en stel mij de zaak voor als volgt: Madanikâ ziet twee menschen, die zij vermoedt dat de sabhika en de dyûtakara zijn, waarvan de sambâhaka heeft gesproken. Zij wendt zich tot hen met de vraag: „Wie van U beiden is de sabhika?” waarop deze, meenende, dat zij met andere bedoelingen tot hem komt, zegt: Ga heen, ik heb geen geld.” Hierop nu zegt Mad.: „Uit uw gezegde merk ik, dat ge de speler niet zijt, want een speler zegt nooit, dat hij geen geld heeft.” (Comm. bij Calc. III: dyûtakaraḥ âtmanaḥ nirdhanatvaṃ kadâcidapi na prakâçayatîti bhâvaḥ). Aldus ook W.’s vertaling.

Blz. 39. R. 10. Sarosaṃ (St. 41:16), dat door B. bij hatthiṃ wordt getrokken (diesem wüthenden Elephanten), heb ik als adverbium opgevat, daar het, vóór de caesuur vallend, mij toescheen, eerder bij âhaṇiûṇa te behooren (zoo ook R.). [191]

Blz. 42. R. 4. Samaṃ (St. 44:8), door B. als adjectief opgevat („gleichmässig”).

Blz. 42. R. 27. Letterlijk: Gelijk de overgebleven slagtandspits van den in het water gedompelden woudolifant (St. 44:13).

Blz. 42. R. 34. Ettha vitthiṇṇe âçaṇe (St. 45:3) vert. B.: „Da habe ich zwei Lager ausgebreitet”; vitthiṇṇe âçaṇe kan echter m.i. niet anders dan als sing. zijn op te vatten (hetzij nom. of loc.), de dualis toch is in ’t Prâkṛt verloren gegaan (Zie: Lassen, Inst. Pracr. p. 298 § 92, 1). De Skr.-vertaling: vistîrne âsane is dus als loc. sing. op te vatten.

Blz. 43. R. 2. Eso dâṇiṃ dâsîe utto bhavia (St. 45:8) vert. B.: „dieser da erniedrigt sich jetzt zu dem Sohne einer Sklavin.” Vardhamânaka is echter inderdaad een dâsîeutto en als zoodanig stelt de Vidûshaka hem tegenover zich zelf, den Brahmaan.

Blz. 43. R. 25. In plaats van dasîeutto (St. 45:24) lees ik dâsîeuttaṃ (Calc. III heeft dasîe putta, waar vermoedelijk het teeken van den anusvâra is weggevallen). Immers het scheldwoord past op het goudkistje, dat de Vidûshaka verfoeit, niet op den dief, dien hij juist te hulp roept, om hem van het kistje te verlossen. Hiervoor spreekt ook de plaatsing tusschen edaṃ en ṇiddâcoraṃ. Dat het scheldwoord „slavinnenzoon” niet enkel voor personen wordt gebruikt, blijkt St. 79:24; 91:18 en ook 8:2, indien althans mijn opvatting van die plaats de juiste is. Het ongewone echter van een dergelijk gebruik kan aanleiding zijn geworden, dat dâsîeuttaṃ in dâsîeutto werd veranderd.

Blz. 43. R. 31. B. vert.: Du darfst ihn nicht in ’s Innere des Hauses bringen, da ein öffentliches Mädchen ihn getragen hat (St. 46:2). Ik geloof niet, dat tasmât van yasmât te scheiden is; ook komt het mij zeer onwaarschijnlijk voor, dat Cârudatta er bezwaar tegen zou hebben de sieraden in zijn huis te bewaren, omdat zij van een prakâçanârî afkomstig zijn, terwijl hij later niet het minste bezwaar heeft, haar zelf in zijn huis (zie St. 92:11; 93:16–20) toe te laten. Daarom heb ik alaṃ van het volgende gescheiden.

Blz. 44. R. 7. Met Calc. III na jareva (St. 46:8) in te voegen.

Blz. 44. R. 19. Letterlijk: Wiens optreden bevreesd is voor des vorsten mannen (St. 46:17). B. heeft: „dessen Erscheinen die Diener des Königs vermuthen.” Ik geloof niet, dat çankita hier iets anders dan „bevreesd” kan beteekenen; mocht het in passieven zin worden opgevat, dan zoude ik het liever met „gevreesd” vertalen, wat inderdaad in den toon van Çarvilaka byzonder goed zou passen. Het vers zou dan luiden:

Den held, van zins, een anders huis te schaden

wiens nadering des konings mannen duchten.

[192]

Blz. 44. R. 26. Met B. lees ik voor vardhate (St. 46:21) vartate.

Blz. 45. R. 1. Mûshikotkara (St. 47:6), ook door B. in zijn vertaling weergeg. door „Mauseloch,” in het P.W. echter door „Maulwurfshaufen.” Inderdaad schijnt het tweede deel der samenstelling (bij utkirati = opwerpen) eerder voor de laatste beteekenis te pleiten, vooral daar ook âkhûtkara in die bet. voorkomt. Op grond, dat âkhu zoowel voor „mol” als „muis” wordt gebezigd, zou men dan hetzelfde van mûshika moeten aannemen. Daar dit laatste mij echter bedenkelijk schijnt (het P.W. geeft voor mûshika alleen Ratte, Maus) en utkirati ook in de bet.: „ausgraben, aushöhlen” voorkomt, verkoos ik in dezen de eerstgenoemde vertaling, daarbij in aanmerking nemende, dat juist een muizengat voor een dief als een gelukkig voorteeken mag gelden, omdat 1o. daaruit blijkt, dat de muur niet zeer stevig is, 2o. de muis, als de dief onder de dieren (men denke aan het ww. mushṇâti) hem sympathiek is.

Blz. 45. R. 7. De woorden „welken vorm zal ik kiezen” heb ik tot goed begrip van het volgende vers ingevoegd.

Blz. 46. R. 8. B. vat bhûmau patac (St. 48:18) op als slaande op de deur; kapâṭa is echter gewoonlijk masc.; ook spreekt Çarv. zijn vrees uit, terwijl hij bezig is, het water uit te gieten en ten slotte is het toch niet denkbaar, dat de deur wordt geopend, door haar op den grond te laten vallen.

Blz. 46. R. 9. Pṛskṭḥena pratîkshya kapâṭam udghâṭya (St. 48:19) vert. B. „mit dem Rücken die Thür ganz allmählich öffnend.” De beteekenis „ganz allmählich,” die B. aan pratîkshya toekent, steunt echter alleen op deze plaats (zie P.W. i. v.); bovendien is een deur met den rug openen wel eenigszins zonderling, ook al wil men met B. aannemen, dat de deur op den grond wordt neergelaten. Daarentegen is door pṛskṭḥena pratîkshya eenvoudig te vertalen met „achter zich ziende” de plaats volkomen duidelijk; immers vóór hij de deur opent ziet Çarvilaka om naar de beide slapenden, om, wanneer zij teekenen van ontwaken geven, oogenblikkelijk de vlucht te nemen.

Blz. 46. R. 24. Bhavanapratyayât (St. 49:3) vert. B.: „in der Gewissheit, dass es das rechte sei.

Blz. 47. R. 3. Voor bhadrapîṭḥena (St. 49:20), dat door Calc. II en III wordt verklaard als de naam van een insect, als zoodanig ook in het P.W. wordt opgegeven, maar in die bet. elders niet voorkomt, lees ik bhadrakîṭena (zoo ook Huizinga, blz. 28: „De goede vlieg heeft duisternis gebracht”).

Blz. 47. R. 8. Praṇayam (St. 49:23) vert. B. „Vertrauen” (evenzoo 50:3); het woord kan echter zoowel „genegenheid” (vertrouwen, vertrouwelijkheid) als „geneigdheid” (verlangen, begeerte) beteekenen en is hier m.i. in de laatste bet. op te vatten (zie P.W. i. v.). [193]

Blz. 47. R. 26. Athavâ âtmâ pâtitaḥ (St. 50:7–8) vert. B.: „Doch nein, mich selbst habe ich hineingestürzt.” Dat pâtitaḥ niet met mayâ, maar met dâridryena moet worden aangevuld, blijkt, dunkt mij, uit het onmiddelijk volgende vers, dat een verklaring bevat van het voorafgaande (khalu!). Çarvilaka is onder zijn diefstal bezig, zich afwisselend te beschuldigen en te verontschuldigen; eerst zegt hij: „Ik heb mijn geslacht ten val gebracht” en dan „maar neen, ik ben zelf ten val gebracht door de Armoede, die een geheimzinnige kracht over mij bezit (B. vert.: anirveditapaurusham: „die keinen Mannesmuth verräth.”).

Blz. 47. R. 36. Grahâluñcane vert. B.: „wenn es eine Beute zu rupfen gilt.” Daar het P.W. voor graha niet de bet. „Beute”, maar wel „das Ergreifen, Packen” geeft, heb ik gemeend, de samenstelling als dvandva te moeten opvatten.

Blz. 48. R. 19. Ter wille van het komisch effekt veroorloofde ik mij een kleine wijziging; letterlijk zegt Radanikâ: „Een dief, in ons huis een opening gebroken hebbend, is weggeloopen”, waarop de Vidûshaka: „O slavinnendochter, wat zegt ge, een dief is gebroken, de opening weggeloopen?”

Blz. 48. R. 23. Dudiaṃ pi duâraaṃ ugghâḍidaṃ (St. 51:10) vert. B.: „Auch die zweite Thür sei geöffnet worden?” maar wat is met „die zweite Thür” bedoeld? Een betere lezing geven Calc. I en III, nl. via voor pi, welke door mij is gevolgd (ook door R. en Fr.).

Blz. 48. R. 36. De beteekenis van uparitalanipâtiteshṭako (St. 51:18) is niet duidelijk; het P.W. geeft voor uparitala „superficies” met verwijzing naar deze plaats; de hier bedoelde superficies kan dan wel niet anders dan het aardoppervlak zijn; B. heeft echter in zijn vertaling: „Die Ziegel sind herausgezogen und auf einander gelegt worden” op grond van den Comm. bij Calc. II.

Blz. 49. R. 5. Bij B. luiden deze twee regels (St. 52:2–4): „Wenn es ein Fremdling war, der mit Anwendung von vieler Mühe diese Oeffnung in mein Haus schlug, dann wusste er nicht, dass hier ein armer Mann im Gefühl der Sicherheit ruhig schläft.” Mijn vertaling komt in hoofdzaak overeen met W. en wat het laatste gedeelte betreft ook met R. en Fr.

Blz. 52. R. 23. Parivâdavahaladoshân (St. 55:23) bij B.: „da ihr grösster Fehler der ist, dass sie Andern Böses nachsagen.”

Voor vahala moet in elk geval bahula worden gelezen.

Blz. 54. R. 35. Met B. lees ik: tvaritagatiṃ (St. 58:22) als tegenstelling tot sthitaṃ in den volgenden regel. Reeds W.’s vertaling berust op deze lezing: „him, who appears to track my rapid steps.”

Blz. 56. R. 32. Deze plaats (St. 60:24–25) vert. B.: „Çarvilaka! Dein Wandel [194]ist unbefleckt. Mithin kannst du nicht im vollkommenen Widerspruch damit meinetwegen eine unbesonnene That verübt haben”; waarbij echter karenteṇa onvertaald blijft (vgl. St. 61:24); bovendien wordt niet door Mad. betwijfeld, dat Çarv. een sâhasa heeft bedreven, maar zij vermoedt, dat, daar Çarv. akhaṇḍidacâritto is, hij niet iets volkomen ongeoorloofds zal hebben verricht. Alleen bij deze opvatting is het antwoord van Çarv. begrijpelijk. Ook Fritze vertaalt in denzelfden zin.

Blz. 57. R. 7. Letterlijk: Een sieraad, dat niet mag vertoond worden en menschen, zooals wij, die twee passen niet (St. 61:9–10).

Blz. 57. R. 26. Met B. nîyamânâbhujishyâtvam (St. 61:22) te lezen.

Blz. 58. R. 11. Dit vers (St. 62:13–15) volgens R. ook Dampatîç. 45.

Blz. 58. R. 15. Dit vers (St. 62:15–17) volgens R. te vergelijken met Bhartṛhari I, 90.

Blz. 58. R. 22. Dit vers (St. 62:19–21) volgens R. ook Dampatîç. 45.

Blz. 58. R. 30. Dit vers (St. 62:24–63:3) met geringe wijziging ook Pañc. I, 192 (ed. Kielhorn5 I, p. 34), in de vertaling van H. G. van der Waals, I, blz. 54. Çmaçânasumanâ iva (St. 63:2) vert. B.: „wie den Jasmin, der auf einer Leichenstätte wächst”; sumanâ zal echter om ’t meervoud veçyâḥ wel als plur. van sumanâ en niet als sing. van sumanas zijn op te vatten. Daar sumanâ volgens de Lexicografen Iasminum grandiflorum, Rosa glandulifera of Chrysanthemum indicum kan aanduiden, vond ik het veiligst, net woord met „bloem” te vertalen.

Blz. 58. R. 35. Dit vers (St. 63:4–6) met geringe wijziging ook Pañc. I, 194 (ed. Kielhorn5 I, p. 34), bij Van der Waals I, blz. 54; volgens R. ook te vergelijken met Bhartṛhari Çṛn̄gâra passim.

Blz. 58. R. 40. Dit vers (St. 63:7–9) volgens R. te vergelijken met Bhartṛhari I, 81. ’t Laatste deel is door mij vrij vertaald.

Blz. 59. R. 9. Asaṃbhâvanîyam, eigenlijk: wat niet te veronderstellen is (saṃbhâvayati voraussetzen, Jmd. Etwas zutrauen; zoo o.a. St. 15:15) B. vert.: „reine Phantasiegebilde.

Blz. 62. R. 26: Siddhâdeçapratyayaparitrastena râjñâ pâlakena (St. 66:24–25) vert. B.: „Im festen Glauben an die Richtigkeit der Aussage eines Wahrsagers, dass u. s. w. hat König Pâlaka in seiner Angst u. s. w.” Dat echter koning Pâlaka zijn maatregelen tegen de troonsverheffing van ′Aryaka neemt, bewijst, dunkt mij, dat hij niet aan de juistheid der voorspelling gelooft, dat hij niet met ′Aryaka zegt: „daivî ca siddhirapi langhayituṃ na çakyâ (St. 98:13); hieruit blijkt juist Pâlaka’s goddeloosheid. Wel kan hij bevreesd zijn, dat men geloof zal slaan aan de voorspelling, wat aanleiding zou kunnen geven tot een opstand, dien hij door gevangenneming [195]van ′Aryaka wil voorkomen. Evenzoo is de opvatting van R.: „Le roi Pâlaka, ému de la foi qu’on accorde à une prophétie etc.

Blz. 62. R. 39. Guruaṇâṇaṃ (St. 67:8), door B. vertaald „Eltern”, heeft hier blijkens bet onmiddelijk volgende een ruimere beteekenis.

Blz. 64. R. 12. Pâsâdabantîo (St. 69:1) kan bezwaarlijk met W. en de Duitsche vertalers als „een rij paleizen” worden opgevat. Wat pâsâda hier wel is, is moeilijk uit te maken („ein erhöhter Platz zum Sitzen oder Zuschauen.” P.W.). R. heeft „serie de bâtiments.”

Ook de beteekenis van viṇihidacuṇṇamuṭṭḥipaṇḍurâo (St. 68:25) is niet helder; volgens W. en R. zou met cuṇṇa „pleisterkalk” bedoeld zijn; volgens Fr.: „Pulver, das man verstreute Wohlgeruch zu schaffen”, ook B. heeft: „Handvoll wohlriechenden Pulvers.”

Blz. 64. R. 22. Pajjantobaṇîdajavasabusakavalasupuṭṭḥâ (St. 69:7) „die ihnen hingeworfenen Bissen Javasa-Spreu haben sie hübsch fett gemacht” (B.).

Blz. 64. R. 23. Aṇṇadaro (St. 69:8) wijst er m.i. op, dat met seriho één van de twee te voren genoemde pavahaṇabaillâ wordt bedoeld. B. vert.: „Dort seufzt ein Büffel.

Blz. 64. R. 35. In sâhîṇamaṇimaasâriâsahido (St. 69:17) zal sâriâ wel „speelfiguur” beteekenen, gelijk de opvatting is van W. en B. (Het P.W. geeft s.v. çâriein beim Würfelspiel gebrauchter Stein,—Figur” en voor çârikâWürfelspiel mit Steinen”). Of Dr. Huizinga het met „schaakstukken” mag vertalen, zou ik betwijfelen (Vidûshaka, blz. 137). R. en Fr. zien er „dobbelsteenen” in.

Blz. 65. R. 16. Uâsâbedi (St. 70:9) wordt door B. vert.: „erregt meinen Appetit.” Ik heb gemeend, het als causatief te moeten beschouwen van Skr. upâste in de bet. „ehrend nahen.”

Calc. II en III hebben ususâbedi (Skr. utsukâyate).

Blz. 65. R. 18. Vajjhanti (St. 70:11) weergeg. door Skr. vadhyante (B. heeft: „Confect wird in Formen gebracht”, leest dus blijkbaar badhyante) is door mij opgevat als beantwoordend aan Skr. vardhyante.

Blz. 65. R. 20. Vaḍḍḥiaṃ (St. 70:12) door R. met „des mets”, door B. met „Schüssel”, door Fr. met „Napf” vertaald, heb ik gemeend, in verband te moeten brengen met het voorafgaande vajjhanti (zie mijn vorige Aant.) en dus eenvoudig als part. praet. pass. van vardhate opgevat; de bet. „Schüssel”, die ook het P.W. geeft, vindt alleen steun in Kullûka’s Comm. bij Manu 3, 224.

Blz. 65. R. 22. Terecht lezen alle vertalers voor gandhavvasuragaṇehiṃ (St. 70:13) gandhavvassaragaṇehiṃ. [196]

Blz. 65. R. 28. Ik volg hier B.’s conjectuur, die voor guṇeshvavâcyâ (St. 70:19) ṛṇeshvavâcyâ leest.

Blz. 66. R. 3. Mijn vertaling van deze plaats (St. 71:8–10) komt overeen met die, welke B. onder „Anmerkungen” geeft, waarbij te als ace. = tân (sc. karakân) moet worden opgevat. Zoo vertalen ook W., R. en Fr.

Blz. 66. R. 12. Maaṇasâriâ (St. 71:16) is niet met B. en het P.W. als Predigerkrähe te vertalen (zie: Bühler, Zschr. Dschen Morgenl. Ges. XXXXVI, p. 69). Dat çârikâ en niet sârikâ de juiste schrijfwijze is, werd op grond van Slavische verwanten, door Dr. C. C. Uhlenbeck aangetoond (Archiv. f. Slavische Philologie XVII, p. 629).

Blz. 66. R. 22. Van pasâraṇaaṃ kidaṃ gaṇiâe ṇâṇâpakkhisamûhehiṃ (St. 71:23–24) geeft B. een tweede vertaling onder „Anmerkungen”, luidende: „Eine Hetäre hat Vögel aller Art zu Schau aufgestellt”; zoo vertaalt ook Fr. (met dit verschil, dat volgens hem met gaṇiâe Vasantasenâ is bedoeld); echter zou bij deze opvatting ṇâṇâpakkhisaṃûhâṇaṃ te verwachten zijn. Hetzelfde geldt van R.’s vertaling: „La courtisane [qui habite ici] a rassemblé des oiseaux de toute espèce.

De eerste vertaling, die B. geeft, schijnt mij daarom verkieslijk, alhoewel dan aan prasâraṇa een ongewone beteekenis moet worden toegekend, die zich echter uit prasârayati als caus. v. prasarati zeer goed laat afleiden. Of is misschien pasâdaṇaaṃ te lezen?

Blz. 66. R. 29. An̄gabhan̄gehiṃ parikkhalanto ido tado paribbhamadi (St. 72:3–4) bij B.: „reckt und streckt die Glieder und schreitet taumelnd einher.

Blz. 66. R. 37. Phulla (St. 72:9) door B. vert. met „bauschig”, door mij, in aansluiting aan den Comm. bij R. met „gebloemd” (evenzoo Fr.).

Blz. 67. R. 15. Ter wille van het rijm eenigszins vrij vertaald.

Blz. 67. R. 24. W., Fr. en Kellner laten deze passage (St. 72:23–73:2) onvertaald. Het al te realistische tthaṇaṇiambajahaṇâ heb ik eenigszins gewijzigd weergegeven.

Voor macchâharaṇâ lees ik met B.: maṇaharaṇâ (de lezing van HS. B. en D. en van Calc. I en III).

Blz. 67. R. 33. B. leest hier met Calc. II voor: accharîakusumapatthârâro­bidâṇeapâdabâ (St. 73:8) accharîakusumâ jattha robidâ aṇeapâdabâ, en vertaalt: „in dem eine ganze Menge von Bäumen mit den wunderbarsten Blüthen gepflanzt ist!

Blz. 67. R. 35. Ṇirantarapâdabatalaṇimmidâ juadijaṇajahaṇapamâṇâ paṭṭadolâ (St. 73:8–9) zijn door mij tot één samenstelling verbonden als bepaling van rukkkavâḍiâe sassirîadâ. Hierdoor wordt het mogelijk St. 73:7–12 als één zin op te vatten, gelijk ik in mijn vertaling gedaan heb. [197]

Blz. 67. R. 39. Saṃjhâadi (St. 73:13), door alle vertalers beschouwd als denominatief van saṃdhyâ („scheint gleichsam die Morgenröthe vorzustellen”, bij B.), is door mij als samenstelling van Skr. dyâyati (= nadenken) opgevat met het oog op het elders voorkomende ṇijjhâadi (St. 59:24; 69:2; 89:4) in dezelfde beteekenis. Misschien is het wel als een woordspeling op te vatten, die beide beteekenissen vereenigt.

Blz. 69. R. 11. Imâdo gaṇiâpasan̄gâdo (St. 74:25) vert. B.: „von dieser Neigung zu Vasantasenâ.” Ik geloof, dat het juist in het karakter van den Vidûshaka ligt, Cârudatta’s liefde als niet meer dan „een neiging tot hetaeren” te beschouwen (evenzoo St. 77:15).

Blz. 70. R. 5. Deze versregel (St. 76:4) luidt bij B.: „(man sehe nur) wie die zum Wegzuge bereiten Flamingos eine Unruhe verrathen und schliesslich von ihrem Vorhaben abstehen.” Ik heb gemeend, het geheele couplet met het voorafgaande yadetat als één zin te moeten beschouwen, waarbij dus apâkṛtam, evenals het voorafgaande âlokitaṃ, ter bepaling dient van âkâlikaṃ durdinam. De beteekenis, door mij op deze plaats van apâkaroti toegekend, is zeer nauw verwant aan die, welke het P.W. geeft: „von sich abwerfen,—stossen—weisen enz.” Ook is de versregel, aldus vertaald, overeenkomstig met de werkelijkheid, daar, gelijk reeds Wilson in een Noot mededeelt, de zwanen (of ganzen) bij het begin van den regentijd naar het meer Mânasa trekken. Men vergelijke nog St. 77:4 en 84:23.

Blz. 70. R. 11. Kuṭilabalâkâvalîracitaçan̄khaḥ (St. 76:12) letterlijk: met een schelp, gevormd door de gebogen kraanvogelrijen.

Blz. 70. R. 25. Patracchedyam (St. 76:21) vert. W.: „a picture”; evenzoo R.: „un tableau varié”, in aansluiting aan den Comm. van Lallâ Dîkshita. B. vertaalt: patracchedyamiveha bhâti gagaṇaṃ: „es hat den Anschein, als ob ihm (dem Himmel) gleichsam die Federn ausgerupft würden,” en geeft ook in het P.W. s.v. pattracchedya: „dem die Federn ausgerupft sind.” Fr. eindelijk heeft: „als wär’ er ein Gesicht das manchen Moschusstreifen trägt zur Zier.

Boven deze zoo uiteenloopende opvattingen schijnt mij de volgende verkieselijk: pattra op te vatten als „lemmer” (P.W. i.v. pattra: „Blatt, so v.a. ein schmaler dünner Streifen von Metall”) en chedya als gerundivum van chinadmi in de gewone beteekenis: „snijden”; dus pattracchedya „met een lemmer te snijden, dicht van duisternis” (vgl. ook de uitdrukking: tamasi sûcîbhedye, voorkomende Hit. ed. Schlegel-Lassen 98:22). Ik gaf het in mijn vertaling weer door „duister”.

Blz. 71. R. 8. Evenals B. lees ik met Calc. II (en III) adakkhiṇadâ (St. 77:8) in één woord. [198]

Blz. 71. R. 11. B. volgt hier de lezing: ṇa tâe ahaṃ bhaṇido; ik behield die van St. (77:10).

Blz. 71. R. 14. Akandasamutthidâ (St. 77:13) vert. B.: „die nicht aus einer Wurzel hervorgeschossen wäre”. Het P.W. geeft echter juister s.v. kanda: „Wurzelknolle, Zwiebel.” R. vert. dan ook terecht: „un lotus qui ne sorte pas d’une bulbe.”

Blz. 71. R. 36. Ik verkies hier (St. 78:2) met B. de v.l.: kadhaṃ ṇa viṇaṭṭham (zoo ook Calc. III).

Blz. 74. R. 2. Indamahakâmuko (St. 80:15) vert. B.: „wie ein auf das Indrafest versessener”, hetgeen zou doen vermoeden, dat een persoon bedoeld is; volgens W., R. en Fr. zou het woord den hond aanduiden. Waarschijnlijker is mij de Comm. bij Calc. III, die het verklaart als = kâka (men denke aan de uitdrukkingen balibhuj, balibhojana, balipushṭa, kâkakṛt en het woord kâka zelf, dat toch wel niet anders dan als onomatop. zal zijn op te vatten). Ook Dr. Huizinga vertaalt het aldus op blz. 113 zijner dissertatie. Niet onwaarschijnlijk komt het mij voor, dat vóór kâkâaçi het woord kâko is weggevallen.

Blz. 75. R. 6. In den tekst staat: padâiṃ palivattâbehi (St. 81:17) d.w.z. keer de voeten (of: de leden der samenstelling) om.

Blz. 76. R. 15. Varavṛksha (St. 82:21) is door mij opgevat als synoniem van kalpavṛksha; B. vert.: „die Blüthe des besten der Bäume, des Kâma”. Verder verbindt B. ratisamayalajjâ praṇayinî tot één woord en vert.: „(sie) sehnt sich nach dem Gefühl der Scham in der Minnestunde.” Ik behield hier de lezing van St.

Blz. 76. R. 18. R. teekent hierbij (St. 83:1.) aan: „La ressemblance porte sur la fumée, entourant le coeur, consumé par le chagrin de la séparation, de l’amante éloignée de celui qu’elle chérit”, welke verklaring mij niet zeer aannemelijk voorkomt. Eerder geloof ik, dat het punt van overeenkomst moet gezocht worden in het ww. garjati, dat ongeveer de verschillende beteekenissen van Hd. „grollen” in zich vereenigt (der Donner grollt, ein grollendes Herz; ook wordt „grollen” evenals garjati voor het geluid van sommige vogels gebruikt).

Blz. 76. R. 39. Strîsvabhâvadurvidagdhayâ (St. 83:15) vert. B.: „da sie in Folge ihrer Weibernatur gar einfältig ist”; evenzoo Fr. R. heeft: „Elle est femme et par conséquent obstinée.” Met het oog op het volgende vers, meen ik dat het eerste lid der samenstelling strîsvabhâva eerder in locatief- dan in instrumentaal-verhouding tot het tweede lid durvidagdhayâ is op te vatten. Immers daar de Nacht den aard der vrouwen niet kent, tracht zij Vasantasenâ terug te houden; kende zij dien, dan zou zij weten, dat „vrouwen zich niet laten terughouden” enz. [199]

Blz. 77. R. 5. Letterlijk vertaald, luidt deze versregel (St. 83:22): „De wolk ontrooft een menigte stralen (of: schatting) in de lucht aan de maan.”

Blz. 77. R. 12. B. volgt hier (St. 84:1) de v.l. sataḍitbalâka- en vert.: „von Blitzen und Kranichen bunt schimmernden (Wolken).”

Blz. 77. R. 26. Apîta- (St. 84:8) is door B. en Fr. opgevat als adj. (gelblich). Een beteren zin geeft het m.i. het te beschouwen als part. praet. pass. van âpibati (= hineintrinken, einschlürfen, absorbiren, verschwinden machen). Dit doen ook W. en R.

Blz. 77. R. 38. B. leest voor vidyudguṇa- (St. 84:13) vidyudgaṇa-, terwijl ik St.’s lezing behield (vgl. St. 76:13). Voor sarâgâ (St. 84:14) verkies ik met B. de v. l. sadhârâ.

Blz. 78. R. 24. Pracchâditâçâmukham (St. 85:2) vert. B.: „ihr Horizont ist verhüllt”; payodhârâgṛhântargataṃ (St. 85:3): „Sie hat sich in ihr Badegemach begeben.

Blz. 78. R. 30. Na râjanti kakubhaḥ (St. 85:7) vert. B.: „Die Weltgegenden sind alles Schmuckes ledig.” W. vert. kakubhaḥ: „the heavens”, R. „les régions du ciel”, Fr. „die Himmelsgegenden.

Blz. 79. R. 44. Tot herstel van het metrum leze men voor ca kântam (St. 86:16) kântaṃ ca.