Blz. 158. R. 14. B. volgt hier (St. 173:12) de lezing: mâlidâ mae diṭṭhâ.

Blz. 158. R. 18. Waarom B. (en ook Fr.) jayati (St. 173:14, 15, 16) met „es lebe” vertaalt, is mij niet duidelijk. Ik geloof, dat jayati niets anders is dan „hij overwint”, zooals ook blijkt uit het object kṛtsnâṃ gâm. Dat de overwinning op Pâlaka in de eerste plaats het werk der goden is, spreekt immers van zelf.

Blz. 158. R. 24. Çeshabhûtâṃ (St. 173:21) vert. B.: „als heiligen Kranz.” Ook geeft het P.W. voor çeshâ Pl. „von einer heiligen Handlung übrig gebliebene, Segen bringende Blumen”; Sg. „ein solcher Kranz,” waarbij het „çeshabhûtam metrisch für çeshâbhûtam” dan op deze plaats zou moeten worden toegepast.

Blz. 158. R. 33. B. leest wel terecht ayi voor api (St. 174:3).

Blz. 158. R. 36. Volgens B. zouden guṇadhṛtayâ en suçîlavatyâ (St. 174:7) zoowel op nâvâ als op priyatamayâ moeten worden toegepast. Hij vert. dienovereenkomstig: „Seine von Tugenden getragene, höchst edle Geliebte war sein durch Seile getragenes, wohl ausgerüstetes Schiff”. Of sucîlavatî ook op het schip mag worden toegepast, is echter twijfelachtig (zie: Anmerkungen, p. 213).

Blz. 159. R. 41. Met B. lees ik voor dukkale (St. 175:15) dukkule (Skr. dushkulaḥ).

Blz. 161. R. 17. Met B. volg ik de lezing vadatvâryaḥ voor vadatyâryaḥ (St. 176:25). [216]

Blz. 161. R. 21. Hier begint de interpolatie van Nîlakaṇṭha, die ik onvertaald liet. W. en R. namen ze in hun vertaling op, Fr. geeft ze vertaald als bijlage.

Blz. 162. R. 29. Deze laatste versregel (St. 178:3) luidt bij B.: „Wenn ich ausser diesem noch etwas Anderes erlangen soll, so bitte ich dich jetzt um Folgendes”. Het onjuiste dezer vertaling blijkt reeds hieruit, dat er een beschouwing over de wisselvalligheid van der menschen lot op volgt en niet een of ander verzoek aan Çarvilaka. Bovendien is het duidelijk, dat Cârudatta in de voorafgaande drie versregels te kennen geeft, dat hij alles heeft en dus niets meer voor hem te wenschen overblijft, zoodat de vierde regel niet anders dan als vraag is op te vatten. Men vergelijke ook het slot van Bhaṇa’s Pârvatîpariṇayanâṭaka, dat juist dezelfde wending bevat. Daar vraagt Çiva aan Himavat: kimataḥ paraṃ te priyamasti, waarop deze antwoordt: samadhigatasakalamanorathânâṃ kimataḥ paraṃ prârthanîyam. tathâpîdamastu bharatavâkyam; hierop volgt dan de zegenspreuk, die het stuk besluit.