(Dan komt Cârudatta op, begeleid door een paar Cândâla’s.)
Beiden.†
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij! Hier is de edele Cârudatta, die
Met karavîra-snoer* omhangen,
door ons, beulsknechten, aangegrepen,
Gelijk een lamp met weinig olie,
allengs, allengs zijn einde nadert.
Cârudatta (verslagen).
Mijn lichaam, met der oogen vocht begoten,
Door stof verdroogd, bekleed met grafsteebloemen,
Gezalfd met sandel†, meenen, walglijk krassend,
De raven als een offer te verslinden.
Cândâla’s.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!
Wat ziet ge naar den goeden man,
dien dragers van de bijl des Doods doen sterven,
Dien boom van edelaardigheid,
waarin als vogels brave lieden wonen?
Kom dan, Cârudatta, kom!
Cârudatta.
Onbegrijpelijk is toch de werking van der menschen lot, daar ik tot zulk een toestand ben geraakt!
Door handenvol† van rood sandel,
op alle leden uitgespreid,
En bestrooid met gestampt poeder
ben ik, mensch, offerdier gemaakt!
(Voor zich uit ziende.) Ach, welk een verschil onder de menschen!
Want wanneer dezen dit mijn lichaam aanzien,
„Wee ’t sterflijke”, zoo spreken zij bekommerd†
En daar zij niet vermogen, mij te redden,
zeggen de burgers: „Hij verwerv’ den hemel.”
[144]
Cândâla’s.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij! Wat kijkt ge?
De ééne.
Wel ′Ahinta, zie toch, zie!
Daar hij, voortreflijkste der stad,
op last van ’t Noodlot wordt gedood,
Is het nu, dat de hemel weent,
of valt er regen† zonder wolk?
De tweede.
Wel, Goha!
Het is niet, dat de hemel weent,
noch valt er regen zonder wolk:
Een wolk—het is der vrouwen schaar—
valt neer in stroomen oogenvocht.
En ook:
Daar over hem, die wordt ten doode heengevoerd, een ieder weent,
Verrijst, door oogenvocht besproeid, het stof niet van den wagenweg.
Cârudatta (rondziende, droevig).
Die vrouwen, die, zich in ’t paleis bevindend,
door ’t venster halverweg te voorschijn komen,
Zij roepen mij: „Ach, Cârudatta!” tegen,
tranen vergietend als door watergeulen.
Cândâla’s.
Kom dan, Cârudatta, kom! Dit is de plaats der afkondiging. Slaat de trommel, verkondigt de afkondiging.
Beiden.
Hoort, Edelen, hoort! Deze is de kleinzoon van den veemheer Vinayadatta, de zoon van Sâgaradatta, de edele Cârudatta genaamd. Door dezen nu, misdadig handelend, is de hetaere Vasantasenâ, ter wille van haar beetje geld, in het verlaten, oude park Pushpakarandaka gevoerd en door des armstriks gewelddadigheid gedood. Deze is in bezit van het gestolene gegrepen en heeft zelf bekend. Toen is door koning Pâlaka aan ons gelast, hem te doen sterven. Indien een ander zulk een misdrijf, strijdig met beide werelden, bedrijft, zal koning Pâlaka ook hem op gelijke wijze straffen.
Cârudatta (moedeloos, bij zich zelf).
Mijn naam, gelouterd door ontelbar’ offers, eens uitblinkend
Door ’t prev’len van gebeden in een reeks van tempels,
Wordt, nu ik in den staat des doods verkeer, door booze mannen,
Die des-onwaardig zijn, in dez’ afkondiging verkondigd.
[145]
(Opziende, de ooren dichtstoppend.) Ach, Vasantasenâ!
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen,
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
Beiden.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!
Dit schatvertrek van deugd-juweelen,
der braven reddingsbrug uit rampen,
Een kleinood, schoon geen goud bevattend,
wordt van de stad thans weggevoerd.
En verder:
Op aard’ is immers iedereen
opmerkzaam voor wie in geluk verkeeren,
Voor menschen, die gevallen zijn,
is een, die vriendschap doet, niet licht te vinden.
Cârudatta (overal heenziende).
Daar ginds, met ’t overkleed ’t gelaat bedekkend,
Gaan immers verder van mij voort mijn vrienden:
Ook vreemd’ is maag† van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.
Cândâla’s.
Er is ruimte gemaakt, de hoofdstraat is vrij. Voert hem dus heen, die met het teeken der terdoodveroordeelden is voorzien.
Cârudatta.
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’U nog immer in ’t grootste onheil.
Stem achter het tooneel.
Ach vader! Ach lieve vriend!
Cârudatta (luisterend, droevig).
O hoofd uwer kaste, ik wensch van U een geschenk te ontvangen.
Cândâla’s.
Uit onze hand neemt ge een geschenk aan?
Cârudatta.
Dat kwaad zij verre!*—Niet onbezonnen handelend, slecht van gedrag als Pâlaka is de Cândâla. Dus ter wille van het volgend leven vraag ik, het gelaat van mijn zoon te zien.
Cândâla’s.
Aldus geschiede.
[146]
Achter het tooneel.
Ach vader, ach vadertje!
Cârudatta (luisterend, droevig).
O hoofd uwer kaste, enz. (Herhaalt het vorige.)
Cândâla.
Laat hij hier komen.
Tweede.
Laat hij hier komen.
Beiden.
Hé, burgers, maakt een oogenblik ruimte; laat de edele Cârudatta het gelaat van zijn zoon zien. (Naar de kleedkamer gewend.) Edele, hierheen, hierheen. Kom nader, kind, kom nader. (Dan komt met het kind de Vidûshaka op.)
Vidûshaka.
Haast U, haast U, lieve jongen; uw vader wordt heengevoerd om gedood te worden.
Jongen.
Ach vader, ach vadertje!
Vidûshaka.
Ach, lieve vriend, waar moet ik U zien!
Cârudatta (zoon en vriend ziende).
Ach zoon, ach vriend! (Droevig.) O helaas!
Langen tijd zal ik voorzeker
in d’and’re wereld dorstig zijn;
Al te klein immers voor ’t water,
Wat zal ik mijn zoon geven? (Zich zelf beschouwend, het offerkoord* ziende.) Ah, dit is ten minste van mij.
Schoon niet van goud, niet van paarlen,
is ’t der Brahmanen lijfsieraad,
Waarmede aan Goden en Vad’ren
’t verschuldigd deel wordt toegebracht.
(Geeft het offerkoord.)
Cândâla.
Kom dan, Cârudatta, kom!
De tweede.
Wel, gij spreekt den edelen Cârudatta toe met zijn naam zonder begeleidend woord! Zie:
Bij opgang en bij ondergang,†
en nacht en dag, met ongestoorden loop,
Gaat, als een band’loos merrieveulen,
naar haar believen de Noodwendigheid.
En nog dit: [147]
Jongen.
Zeg eens, Cândâla’s, waar voert gij vadertje heen?
Cârudatta.
Kind!
Wijl ’k om den hals den karavîra-krans draag,
’t spit op den schouder, in het hart den kommer,
Ga ’k thans ter strafplaats heen, als naar de slachtbank
een bok, dien men bij ’t offerfeest zal binden.
Cândâla.
Niet wij toch zijn Cândâla’s,
schoon voormaals uit Cândâla-stam geboren,
Zij, die een ed’le krenken,
dat zijn de slechten, ja, dat zijn Cândâla’s.
Jongen.
Maar waarom wilt ge vadertje dooden?
Cândâla.
Hieraan heeft des konings bevel schuld, niet wij.
Jongen.
Doodt mij, laat vadertje vrij.
Cândâla.
Leef mij lang, daar ge zóó spreekt.
Cârudatta (onder tranen zijn zoon omhelzend).
Die liefde—z’ is de bezitting
gelijkelijk van rijk en arm;
Zonder uçîra* of sandel,
is zij een balsem voor het hart.
Wijl ’k om den hals den karavîra-krans draag,
’t spit op den schouder, in het hart den kommer,
Ga ’k thans ter strafplaats heen, als naar de slachtbank
een bok, dien men bij ’t offerfeest zal binden.
(Rondziende, bij zich zelf.)
Daar ginds, met ’t overkleed ’t gelaat bedekkend,
Gaan immers verder van mij voort mijn vrienden:
Ook vreemd’ is maag van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.
Vidûshaka.
O goede menschen, laat mijn lieven vriend Cârudatta vrij, doodt mij.
[148]
Cârudatta.
Dat kwaad zij verre! (Rondziende, bij zich zelf.) Ik begrijp het.†
Ook vreemd’ is maag van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.†
(Luid.)
Die vrouwen, die, zich in ’t paleis bevindend,
door ’t venster halverweg te voorschijn komen,
Zij roepen mij: „Ach, Cârudatta!” tegen,
tranen vergietend als door watergeulen.
Cândâla.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!
Wat ziet ge naar den goeden man,
die door de schande levens hoop verloor?
Hij is een gouden kruik gelijk,
in een put zinkend, met gebroken koord.
Cârudatta (droevig).
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen,
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
De andere.
Kom, maak weder het vonnis bekend. (De Cândâla doet aldus.)
Cârudatta.
Rampspoed mij bracht tot dez’ oned’len toestand,
Waar winst zelfs heeten mag dit levenseinde,†
En dez’ afkondiging mijn geest verbijstert,
Nu ’k hooren moet: „Zij is door U verslagen.”
(Dan verschijnt Sthâvaraka, geboeid, op het paleis.)
Sthâvaraka (de bekendmaking vernemend, ontsteld).
Hoe, onschuldig wordt Cârudatta ter dood gebracht! Ik ben door mijn meester met een keten geboeid. Komaan, ik zal schreeuwen. Hoort, Edelen, hoort!† Ik, booswicht, heb heden door een verwisseling der wagens Vasantasenâ naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd. Toen is zij door mijn meester—„Gij bemint mij niet,” zeide hij—met des armstriks gewelddadigheid gedood, maar niet door dezen edele. Hoe, door den afstand hoort niemand mij. Wat zal ik dan doen? Zal ik mij zelf laten vallen? (Denkt na.) Indien ik zoo doe, dan wordt de edele Cârudatta niet ter dood gebracht. Komaan, hier van den omgang van den paleistoren door dit oude venster zal ik mij nederwerpen. Beter, dat ik sterf, dan deze boom, waar als vogels welgeborenen een toevlucht vinden, de edele Cârudatta. Indien ik zóó omkom, is de andere wereld door mij verworven. (Laat zich zelf vallen.) Wel kijk, ik ben niet omgekomen, gebroken is mijn keten! Laat ik dan het geroep der Cândâla’s volgen. (Rondziende en toeloopend.) Hé daar, Cândâla’s, ruimte, ruimte!
[149]
Beide Cândâla’s.
Hé, wie vraagt daar ruimte?
Slaaf.
Luistert. (Herhaalt het vroeger gezegde.)
Cârudatta.
Wel!
Wie is dat, die op zulk tijdstip,
nu ’k in den strik des Doods verwijl,
Gelijk, als droogte ’t graan† teistert,
een regenwolk—verschenen is!
Nu, ge hebt het vernomen!
Niet bevreesd voor den dood ben ik,
maar zie, geschandvlekt is mijn naam!
Gezuiverd toch, is mij ’t sterven
als de geboorte van een zoon.
En nog dit:
Hij, wien ’k geen vijandschap aandeed,
nietig, van al te klein verstand,
Heeft als een pijl, met gif besmeerd,
zelf een besmette, mij besmet.
Beide Cândâla’s.
Sthâvaraka, spreekt ge waarheid?
Slaaf.
Ik spreek waarheid. Ook ben ik, opdat ik het niemand zou vertellen, met een keten geboeid en op den omgang van den paleistoren opgesloten.
Koningszwager (opkomend, verheugd).
Met zuur en bitter vleesch gespijsd, met groente, soep en visch,
Genoot ik rijstebrij en rijst van rijst aan eigen disch.†
(Luisterend.) Van een gebarsten koperen klok is het geluid van de stem der Cândâla’s en daar de luide klank van doodstrom en pauken wordt gehoord, maak ik daaruit op, dat de armoedige Cârudattaka naar de plaats der terechtstelling wordt gevoerd. Dat wil ik zien. De ondergang van een vijand is waarlijk een groote voldoening voor het hart. Ook heb ik gehoord, dat wie een vijand ziet ombrengen, in een volgende geboorte geen oogziekte zal hebben. Ik heb immers evenals een worm, die in den knoop van een lotusstengel† is doorgedrongen, een leemte zoekend, den ondergang van den armoedigen Cârudatta bewerkt. Thans wil ik op den omgang van den toren van mijn paleis klimmen, om mijn heldendaad te aanschouwen. (Doet aldus en ziet rond.) Wel, wel, wat een gedrang van menschen†, omdat die armoedige Cârudatta wordt ter dood gebracht; wanneer eens een voortreffelijk, uitstekend mensch, zooals wij, werd ter dood gebracht, hoe zou het dan wel zijn! (Uitziende.) Wel, daar [150]wordt hij, als een jonge stier opgetooid, in zuidelijke richting heengevoerd. Maar waarom is nabij den omgang van mijn paleistoren de bekendmaking verstomd† en opgehouden? (Toeziende.) Hoe, en de slaaf Sthâvaraka is niet hier! Als hij maar niet, vanhier weggeloopen, het geheim heeft verbroken. Laat ik hem zoeken. (Hij daalt af en komt nader.)
Slaaf (hem ziende).
Hooge heeren, daar is hij zelf!
Beide Cândâla’s.
Gaat uit den weg, maakt ruimte,
sluit de poort, weest stil! Daar nadert
Een booze stier, gewapend
met der driestheid spitse hoornen.
Koningszwager.
Hé daar, ruimte, maakt ruimte! (Nader gekomen.) Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, kom, laten we gaan.
Slaaf.
Wel, wel, onedele, na Vasantasenikâ te hebben gedood, zijt ge nog niet tevreden en nu zijt ge van zins, dien Wenschboom van wie hem lief zijn, den edelen Cârudatta te doen sterven.
Koningszwager.
Ik, die een pot met paarlen gelijk, dood immers geen vrouw!
Allen.
Ja, door U is zij gedood, niet door den edelen Cârudatta.
Koningszwager.
Wie zegt dat?
Allen (op den slaaf wijzend).
Wel, deze brave man.
Koningszwager (ter zijde, bevreesd).
O wee, o wee! ik heb den slaaf Sthâvaraka niet goed geboeid.† En hij was immers getuige van mijn misdaad. (Denkt na.) Laat ik zóó doen. (Luid.) Het is onwaar, hooge heeren. Wel, dezen slaaf heb ik bij het stelen van goud gevat, geslagen en gedood; is dan alles waar, wat hij zegt, dien ik mij dus tot vijand heb gemaakt? (Hij reikt heimelijk den slaaf een armband toe; zacht†.) Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, neem dit en spreek anders.
Slaaf (hem aannemend).
Ziet, ziet, hooge heeren, met goud wil hij mij verlokken.
Koningszwager (hem den armband ontrukkend).
Dit is het goud, waarom ik hem heb geboeid. (Toornig.) Zie, Cândâla’s, omdat hij, in de schatkamer aangesteld, goud stal, heb ik hem gedood en geslagen. En wanneer ge het niet gelooft, ziet dan zijn rug maar eens.
[151]
Cândâla’s (ziende).
Uitstekend spreekt hij. Wat bazelt niet een slaaf, die zijn meester niet meer genegen is?†
Slaaf.
Helaas, zóó is het slaafschap, dat voor de waarheid het bij niemand geloof kan vinden. (Droevig.) Edele Cârudatta, zoo groot is mijn macht! (Valt hem te voet.)
Cârudatta.
Sta op, o gij, die U ontfermt eens gevallen braven,
Belangloos volgend een gedrag, den verwant betamend.†
Wel groote moeite ge gedaan hebt tot mijn bevrijding,
Maar ’t Noodlot weigert—wat is meer nog van U te eischen?†
Cândâla’s.
Heer, drijf dien slaaf met slagen vanhier.
Koningszwager.
Ga heen dan. (Drijft hem heen.) Nu, Cândâla’s, wat talmt ge, brengt dezen man ter dood.
Cândâla’s.
Zoo ge haast maakt, breng hem dan zelf ter dood.
Rohasena.
O Cândâla’s, doodt mij, laat vadertje vrij.
Koningszwager.
Doodt hem met zijn zoon.
Cârudatta.
Van dien dwaas kan men alles verwachten. Ga dus, mijn zoon, tot uwe moeder.
Rohasena.
Wat moet ik dan doen?
Cârudatta.
Ga met uw moeder nog heden, kind, naar een kluizenaarsverblijf,
Dat niet door schuld van uw vader, mijn zoon, ’t U evenzoo verga.
Vriend, ga dus met hem vanhier.
Vidûshaka.
Maar vriend, weet ge dan zoo zeker, dat ik zonder U het leven zal behouden?
Cârudatta.
Vriend, zoolang uw bestaan onafhankelijk is, past het U niet, het leven te verlaten.
Vidûshaka (bij zich zelf).
Dat is niet gepast.† En toch, door mijn lieven vriend verlaten, kan ik niet blijven leven. Dus zal ik den jongen aan de Brahmaansche overgeven en door afstand van het leven mijn lieven vriend volgen. (Luid.) Nu, vriend, ik zal hem spoedig wegbrengen. (Onder omhelzingen valt hij hem te voet; ook de jongen valt weenend ter aarde.)
[152]
Koningszwager.
Komaan, zeg ik niet: „Breng Cârudattaka met zijn zoontje om”?
(Cârudatta toont schrik.)
Cândâla’s.
De koning heeft ons immers niet bevolen: „Brengt hem met zijn zoontje om.” Ga dus heen, jongen, ga heen. (Zij doen hem heengaan.)
Cândâla’s.
Dit is de derde plaats der afkondiging; slaat de trommel. (Verkondigen het vroeger gezegde.)
Koningszwager (bij zich zelf).
Hoe, de burgers gelooven het niet! (Luid.) Hé daar, Cârudatta, Brahmanenjongen, dit burgervolk gelooft het niet. Zeg dus met uw eigen tong: „Door mij is Vasantasenâ omgebracht.” (Cârudatta bewaart het stilzwijgen.) Hé, Cândâla’s, de kerel spreekt niet, de Brahmanenjongen Cârudatta. Doet hem dus spreken, door hem met een snerpend stuk gespleten bamboes of met een ketting te ranselen.
Cândâla (dreigend hem te slaan).
Kom, edele Cârudatta, spreek!
Cârudatta (droevig).
Hoewel vervallen in dez’ Oceaan van ramp,
Bevangt geen sid’ring, geen ontsteltenis mijn geest;
Alleen het vuur verteert mij van der menschen blaam,
Daar ’k zeggen moet: „Door mij is zij gedood.”†
(De koningszwager weder als te voren.)
Cârudatta.
Hoort, burgers!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen and’re wereld weet,
Een vrouw of Rati, om ’t even—
de rest zal deze doen verstaan.
Koningszwager.
Omgebracht.
Cârudatta.
Het zij zoo.
Cândâla.
Komaan, het is thans uw beurt om ter dood te brengen.
De tweede.
Neen, de uwe.
De eerste.
Welnu, laten we een berekening maken. (Zij maken herhaaldelijk een berekening.) Nu, indien het mijn beurt is om ter dood te brengen, dan moet hij nog een oogenblikje wachten.
[153]
De tweede.
Waarom?
De eerste.
Wel, toen mijn vader ten hemel ging, heeft hij tot mij gezegd: „Mijn zoon, Vîraka, wanneer de beurt der terechtstelling aan U komt, moet gij den terdoodveroordeelde niet terstond om ’t leven brengen.”
De tweede.
En waarom?
De eerste.
Misschien zal een of ander braaf man geld geven en den veroordeelde vrij koopen. Misschien wordt den koning een zoon geboren, daardoor† worden alle veroordeelden in vrijheid gesteld. Misschien verbreekt een olifant zijn kluister, en wordt in die verwarring de veroordeelde bevrijd. Misschien heeft er een koningsverwisseling plaats, daardoor worden alle veroordeelden in vrijheid gesteld.
Koningszwager.
Wat, wat, er zou een koningsverwisseling plaats hebben!
Cândâla.
Kom, laten we een berekening maken, aan wien de beurt der terechtstelling is.
Koningszwager.
Komaan, brengt Cârudattaka spoedig ter dood. (Na deze woorden blijft hij met den slaaf afgezonderd staan).
Cândâla.
Edele Cârudatta, des konings bevel draagt schuld, niet wij, Cândâla’s. Gedenk dan, wat te gedenken valt.
Cârudatta.
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht†, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis, of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
Welnu, waar moet ik thans heengaan?
Cândâla (naar voren wijzend).
Zie, daar vertoont zich de zuider-begraafplaats, bij het zien waarvan de terdoodveroordeelden spoedig het leven verliezen. Zie, zie:
Van een lijk sleuren, zich rekkend, jakhalzen d’ééne helft in ’t rond,
D’ and’re helft, aan den paal hangend, vertoont een grijns† van schaterlach.
Cârudatta.
Ach, verloren ben ik, ongelukkige! (Zet zich ontroerd neder.)
Koningszwager.
Ik zal nog niet heengaan, ik wil eerst Cârudattaka zien ter dood brengen. (Gaat het tooneel rond en ziet.) Hoe, hij is neergezeten!
[154]
Cândâla.
Cârudatta, zijt ge bevreesd?
Cârudatta (haastig opstaande).
Dwaas!
Niet bevreesd voor den dood ben ik,
maar zie, geschandvlekt is mijn naam!
Gezuiverd toch, is mij ’t sterven
als de geboorte van een zoon.
Cândâla.
Edele Cârudatta, ook Maan en Zon, die aan het hemelvlak verwijlen, vinden den ondergang, hoeveel te eer wezens, die den dood vreezen of menschen. Op aarde† is de één opgestaan, om te vallen, de ander gevallen om weder op te staan. Opstaande en vallend, heeft ieder weder wisseling van gewaad. Overleg deze dingen in uw hart en bemoedig U zelven.† (Tot den Cândâla.) Dit is de vierde plaats der afkondiging, laat ons dus het vonnis afkondigen. (Zij kondigen weder op gelijke wijze het vonnis af.)
Cârudatta.
Ach, geliefde Vasantasenâ!
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen, †
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
(Dan komt, ontsteld, Vasantasenâ op met den bedelmonnik.)
Bedelmonnik.
Wel menschen! terwijl ik Vasantasenikâ, die ten ontijde geheel was uitgeput, heb verkwikt en geleid, ben ik gesteund door mijn bedelmonnikschap. Dienstmaagd, waarheen zal ik U geleiden?
Vasantasenâ.
Naar het huis van den edelen Cârudatta. Verheug mij door zijn aanblik, gelijk den nachtlotus door den aanblik der maan.
Bedelmonnik (bij zich zelf).
Langs welken weg zal ik daar komen? (Denkt na.) Ik ga langs de hoofdstraat. Dienstmaagd, volg mij, dit is de hoofdstraat. (Luisterend.) Wat is dat voor een groot rumoer, dat op de hoofdstraat gehoord wordt?
Vasantasenâ (voor zich uit ziende).
Hoe, daar vóór staat een groote menigte volks. Edele, verneem eens, wat dat toch is. Als een ongelijk-geladen vrachtschip† helt Ujjayinî naar ééne zijde over.
Cândâla.
Dit is de laatste plaats der afkondiging; slaat dus de trommel, verkondigt de afkondiging. (Doet aldus.) Nu, Cârudatta, wees voorbereid, vrees niet; snel wordt ge ter dood gebracht.
Cârudatta.
Verheven Godheden!
[155]
Bedelmonnik (het hoorend, ontsteld).
Dienstmaagd, omdat gij door Cârudatta zoudt gedood zijn, wordt Cârudatta heengevoerd om terechtgesteld te worden.
Vasantasenâ (ontsteld).
O wee, o wee! Hoe, om mij, ongelukkige, wordt de edele Cârudatta omgebracht. Kom, wijs mij snel, snel den weg.
Bedelmonnik.
Haast U, haast U, Dienstmaagd van den Buddha, om den edelen Cârudatta, nog levend, te vertroosten. Edelen, ruimte, maakt ruimte!
Vasantasenâ.
Ruimte, ruimte!
Cândâla.
Edele Cârudatta, des meesters bevel draagt schuld; gedenk dan, wat te gedenken valt.
Cârudatta.
Waartoe vele woorden!
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
Cândâla (het zwaard trekkend).
Edele Cârudatta, blijf met het gelaat omhoog, onbeweeglijk staan; U doodend met éénen slag, voeren wij U ten hemel. (Cârudatta blijft aldus staan.)
Cândâla (wil den slag toebrengen en doet, alsof hem het zwaard uit de hand valt).
Hoe nu!
Het zwaard, getrokken in gramschap,
met de vuist bij de greep gevat,
Waarom is gevallen ter aarde
het wreede, bliksemende zwaard?
Daar dit is gebeurd, vermoed ik, dat Cârudatta heden niet zal sterven. Verhevene, die op den Sahya woont*, wees genadig, wees genadig! Voorwaar, mocht Cârudatta bevrijd worden, dan zoudt gij den stam der Cândâla’s hebben gelukkig gemaakt.
De andere.
Doen wij, zooals ons bevolen is.
De eerste.
Het zij zoo, laten wij aldus doen. (Beiden willen Cârudatta op den paal plaatsen.)
Cârudatta.
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
[156]
De Bedelmonnik en Vasantasenâ (het ziende).
Edelen, houdt op, houdt op! Edelen, hier ben ik, ongelukkige, om wie deze wordt ter dood gebracht.
Cândâla (haar ziende).
Wie is toch deze, die met op den schouder vallenden lokkenlast
„Houdt op, houdt op!” roepend, met opgeheven hand hierhenen snelt!
Vasantasenâ.
Edele Cârudatta, wat is dit? (Valt hem aan de borst.)
Bedelmonnik.
Edele Cârudatta, wat is dit? (Valt hem te voet.)†
Cândâla (bevreesd nader komend).
Hoe, Vasantasenâ! Hij is dus wel terecht† niet door ons omgebracht!
Bedelmonnik (opstaande).
Zie, de edele Cârudatta leeft.
Cândâla.
Hij leve honderd jaar!
Vasantasenâ (verheugd).
Ik ben herleefd.
Cândâla.
Laten wij het gebeurde aan den koning melden, die zich in den offertuin bevindt. (Zij gaan heen.)
Koningszwager (Vasantasenâ ziende, bevreesd).
O wee, wie heeft die slavinnendochter doen herleven? Het is met mij gedaan. Komaan, ik ga op de vlucht. (Hij gaat op de vlucht.)
Cândâla.
Welnu, luidt niet des konings bevel aan ons: „Brengt hem ter dood, door wien deze hetaere is omgebracht”?† Laat ons dus den koningszwager zoeken. (Af.)
Cârudatta (verbaasd).
Wie is zij,
Die, terwijl ’t zwaard was geheven,
’k mij in den muil des Doods bevond,
Gelijk, als droogte ’t graan teistert,
een regenbui—verschenen is!
(Haar aanziende.)
Is dit een andere Vasantasenâ,
is zij het zelf, verschenen uit den hemel,
Of ziet mijn geest haar slechts in zijn verbijst’ring,
of is Vasantasenâ nog in leven?
[157]
En toch:
Is z’uit den hemel, mijn leven
willende redden, weergekeerd,
Of is ’t, in vorm haar gelijkend,
een ander, die verschenen is?
Vasantasenâ (onder tranen opstaande en hem te voet vallend).
Edele Cârudatta, ik ben het zelf, de slechte, om wie gij in dezen onwaardigen toestand zijt geraakt.
Achter het tooneel.
O wonder, o wonder! Vasantasenâ leeft! (Allen herhalen het.)
Cârudatta (het hoorend, schielijk opstaande, het genot der aanraking te kennen gevend, met gesloten oogen).
Geliefde, gij zijt Vasantasenâ!
Vasantasenâ.
Die ben ik, ongelukkige.
Cârudatta (haar aanschouwend, verheugd).
Hoe, Vasantasenâ zelve! (Vol vreugde.)
Vanwaar toch is zij, den boezem
badend in stroomen tranenvocht,
Gelijk de Wijsheid† verschenen
mij, in de macht des Doods geraakt!
Geliefde Vasantasenâ!
Om uwentwil ten doode prijsgegeven,
is dit mijn lichaam ook door U behouden;
O macht van der gelieven samenkomen!
een doode zelfs zoude voorwaar herleven.†
En ook, geliefde, zie!
Dit rood’ een bruidegoms gewaad schijnt, en deze bloemkrans
Schijnt, door de komst van de geliefde, de krans eens bruigoms,†
En evenzoo zijn deze klanken der doodentrommel
Thans aan der bruiloftstrommel klanken gelijk geworden.
Vasantasenâ.
Wat heeft UEd. hier door al te groote edelmoedigheid bewerkt!
Cârudatta.
Geliefde! zeggende, dat gij door mij waart gedood,
Heeft mij een machtige vijand,
die reeds met mij in veete was,
Hij, die ter helle zal varen,
op weinig na ten val gebracht.
Vasantasenâ (de ooren dichtstoppend).
Dat kwaad zij verre! Door hem ben ik omgebracht, door den koningszwager.
[158]
Cârudatta (den bedelmonnik ziende).
En wie is deze?
Vasantasenâ.
Door dien onedele omgebracht, heeft deze edele mij doen herleven.
Cârudatta.
Wie zijt gij, zonder oorzaak een vriend?
Bedelmonnik.
UEd. herkent mij niet? Ik ben immers de wrijfmeester van UEd., bedreven in het wrijven der voeten; door spelers gegrepen, ben ik door deze Dienstmaagd, als UEd. toebehoorend, met een sieraad losgekocht. En door die vertwijfeling, waartoe het spel mij bracht, ben ik monnik van den Çâkya geworden. Deze edele, door een verwisseling der wagens in het oude park Pushpakarandaka gekomen, is door dien onedele—„Gij acht mij niet veel” zeide hij—door des armstriks gewelddadigheid gedood.†
Achter het tooneel (rumoer).
Hij overwint, Hij-met-den-stierenvaan, Stoorder van Daksha’s offer;
Dan overwint de Splijter, Die-met-zes-gezichten, Kraunca’s Vijand;
Dan overwint† geheel de wijde aarde, wier banier de blanke
Kailâsa is, ′Aryaka, die den sterken vijand nedervelde.*
(Çarvilaka komt haastig op.)
Çarvilaka.
Nu ik dien slechten koning Pâlaka verslagen
En tot zijn koningschap snel ′Aryaka gezalfd heb,
Zal ik, zijn laatst† bevel eerbiediglijk aanvaardend,
Thans Cârudatta, die in rampspoed is, bevrijden.
Toen hij dien schelm, van heir en vriend verlaten,
Geveld, de burgers zeer gerustgesteld had,
Heeft hij geheel ’t bewind des lands verworven,
’s Vijands bewind: ’t bewind eens Godenhaters*.
(Naar voren ziende.) Komaan, hij moet zich daar bevinden, waar die verzameling van volk is. Moge toch dit begin van ′Aryaka’s heerschappij vrucht dragen door het leven van Cârudatta. (Haastiger nader komend.) Gaat op zij, schelmen! (Hem ziende, verheugd.) Zie†, Cârudatta is nog in leven met Vasantasenâ; dan zijn de hartewenschen van onzen meester vervuld.
Goddank! aan eenen eindeloozen Oceaan van ramp
Ontkomen door de liefste, hooggezind, door deugd bewaard,†
Als door een schip, ten langen lest’ ik hem aanschouw,
Als de maan rijk aan schijnsel, van verduistering bevrijd.
Maar ik, die een groote zonde bedreef, hoe zal ik hem wel naderen? Maar kom! Oprechtheid is altijd goed. (Hem openlijk naderend met opgeheven handen.) Edele Cârudatta!
Cârudatta.
Wie is toch deze achtenswaardige?
[159]
Çarvilaka.
Ik, die uw huis heb verbroken, ’t U toevertrouwde pand ontroofd,
Ik, aan een hoofdzonde schuldig, ga U thans om bescherming aan.
Cârudatta.
Vriend, niet aldus! Gij hebt mij daardoor vertrouwen betoond. (Omhelst hem.)
Çarvilaka.
En nog dit:
′Aryaka, edel van wandel, behouder van zijn stam en eer,
Heeft, als een rund, bij het offer den boozen Pâlaka geveld.
Cârudatta.
Wat?
Çarvilaka.
Die op uw wagen geklommen, te voren uw bescherming zocht,
Als een rund, bij ’t bereid’ offer heeft hij thans Pâlaka geveld.
Cârudatta.
Çarvilaka, is dat die ′Aryaka, die door Pâlaka van het veepark heengevoerd, zonder reden in den toren werd opgesloten en door U bevrijd?
Çarvilaka.
Gelijk UEd. gezegd heeft.
Cârudatta.
Dat is ons lief, zeer lief.
Çarvilaka.
Nauwelijks te Ujjayinî in zijn heerschappij bevestigd, heeft uw vriend ′Aryaka U het koningschap verleend aan den oever der Venâ te Kuçâvatî. Aanvaard dan dit eerste blijk van genegenheid van uw vriend. (Zich omwendend.) Hé daar, brengt dien booswicht hier, den valschen koningszwager.
Achter het tooneel.
Zooals Çarvilaka beveelt!
Çarvilaka.
Edele, koning ′Aryaka doet U dit weten: „Ik heb door uwe deugden het koningschap verworven; dus moet gij het aannemen.”
Cârudatta.
Door onze deugden het koningschap verworven!
Achter het tooneel.
Hé daar, koningszwagertje, kom hier, kom hier! Geniet de vrucht van uw schanddaden. (Dan komt de koningszwager op, door stadswachters bewaakt, de armen op den rug gebonden.)
Koningszwager.
O wee!
Ofschoon ver weggeloopen als een losgebroken ezel,
Ben ’k hier gebracht, gebonden als een lage en gemeene† hond.
[160]
(Naar alle kanten ziende.) Rondom is de koningszwager ingesloten! Bij wien zal ik, onbeschermde, nu bescherming zoeken? (Denkt na.) Komaan, ik zal tot hem om bescherming gaan, die de redding is van wie bescherming vragen. (Hem naderend.) Edele Cârudatta, red mij, red mij! (Valt hem te voet.)
Achter het tooneel.
Edele Cârudatta, laat hem, laat hem, dooden wij hem!
Koningszwager.
O beschermer van onbeschermden, red mij!
Cârudatta (medelijdend).
Ach, veiligheid, veiligheid hem, die bescherming zoekt.
Çarvilaka (opgewonden).
Ah! voert dien man weg van Cârudatta’s zijde! (Tot Cârudatta.) Zeg toch, wat met dien booswicht moet worden uitgevoerd.
Moet men geboeid hem voortsleepen,
moet hij door honden zijn verteerd,
Of aan den strafpaal gestoken
of door de zaag vanééngescheurd?
Cârudatta.
Wat ik zeg, wordt dat gedaan?
Çarvilaka.
Zonder twijfel.
Koningszwager.
Groote Heer, Cârudatta, ik zoek bescherming. Red mij, red mij! Doe dat, wat uwer waardig is. Ik zal niet weer lasteren.
De burgers achter het tooneel.
Doodt hem, waarom laat men den zondaar in ’t leven!
(Vasantasenâ neemt den doodskrans van Cârudatta’s hals en werpt hem den koningszwager om).
Koningszwager.
Slavinnendochter, wees genadig, wees genadig! Ik zal niet weer moorden. Dus red mij.
Çarvilaka.
Komaan, voert hem weg. Edele Cârudatta, beveel; wat moet met dien booswicht worden uitgevoerd?
Cârudatta.
Wat ik zeg, wordt dat gedaan?
Çarvilaka.
Zonder twijfel.
Cârudatta.
In waarheid?
Çarvilaka.
In waarheid.
[161]
Cârudatta.
In dat geval moet men hem spoedig.…
Çarvilaka.
Ter dood brengen?
Cârudatta.
Neen, neen, vrijlaten!
Çarvilaka.
Om welke reden?
Cârudatta.
Een vijand, die misdeed, die bescherming zoekt, die ons te voet is gevallen, mag niet met het zwaard worden verslagen.
Çarvilaka.
Laat hij dan door de honden worden opgegeten.
Cârudatta.
Neen, neen, door weldaden moet men hem verslaan.
Çarvilaka.
O wonder, wat zal ik doen? UEd. spreke.†
Cârudatta.
Dan moet men hem vrijlaten.
Koningszwager (vrijgelaten).
O hé, ik ben herleefd! (Met de stadswachters af.)†
Çarvilaka.
Edele Vasantasenâ, in zijn tevredenheid verblijdt de koning U met den naam van gemalin.
Vasantasenâ.
Edele, mijn wensch is vervuld.
Çarvilaka (na Vasantasenâ te hebben gesluierd*, tot Cârudatta).
Edele, wat moet met dezen bedelmonnik worden gedaan?
Cârudatta.
Bedelmonnik, wat wordt door U op prijs gesteld?
Bedelmonnik.
Nu ik zulk een wisselvalligheid heb gezien, ben ik het monniksleven dubbel gaan op prijs stellen.
Cârudatta.
Vriend, zijn besluit staat vast. Dus worde hij tot hoofd gemaakt over alle kloosters des lands.
Çarvilaka.
Gelijk UEd. heeft gezegd.
Bedelmonnik.
Dat is ons lief, zeer lief.
[162]
Vasantasenâ.
Thans ben ik herleefd!
Çarvilaka.
Wat moet met Sthâvaraka worden gedaan?
Cârudatta.
De brave man worde uit de slavernij ontslagen. Laten de Cândâla’s hoofden van alle Cândâla’s worden. Candanaka verwerve het ambt van politiemeester des lands en van den koningszwager blijve de bezigheid, gelijk die vroeger was.
Çarvilaka.
Zoo zij het, gelijk UEd. gezegd heeft. Maar hem moet ge aan ons overlaten, dan breng ik hem ter dood.
Cârudatta.
Veiligheid hem, die bescherming zoekt. Een vijand, die misdeed, enz. (Herhaalt hij.)
Çarvilaka.
Zeg mij dan; waarmede kan ik U nog verblijden?
Cârudatta.
Van nu af aan is ons de hoogste blijdschap.
Want mijn naam is gezuiverd,
en, te voet mij gevallen,
deze vijand ontslagen;
Zijn benijders ontwort’lend,
beheerscht mijn geliefde vriend,
′Aryaka d’ aard’ als koning;
De geliefde herkreeg ik;
met mij, den geliefden vriend,
zijt, mijn vriend, gij vereenigd.
Wat is dan te verwerven,
wat nog ov’rig gebleven,
dat ik thans U zou vragen?†
’t Lot maakt sommigen leeg en sommigen gevuld,
voert and’ren tot hoogheid weer;
Doet ook som’gen den weg ten ondergang betreen,
voert and’ren, die bijster zijn;
Wijl ’t in ’s werelds bestand een samenstel vertoont
van wat elkaar strijdig is,
Speelt ’t Noodlot met den mensch, als hadde het te doen
met kruikjes aan ’t waterrad.
Nochtans geschiede dit:
Mogen de koeien melkrijk,
de aard’ alom bedekt zijn
met welig-groeiend koren; [163]
Parjanya* tijdig reg’nen,
mogen er winden waaien,
die aller geest verblijden,
De scheps’len zich verheugen,
rechtvaardige Brahmanen
gestadiglijk geliefd zijn;
Hoeden, in praal regeerend,
hun vijanden verdelgend,
gerechte vorsten d’aarde!
(Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het tiende Bedrijf,
„Het Besluit”
genaamd.
En hier
is geëindigd
„Het leemen Wagentje”.
HEIL!
[165]