Slavin (opkomend).
Door haar moeder ben ik tot de Jonkvrouw gezonden met een boodschap. Laat ik dus binnengaan en mij tot de Jonkvrouw begeven. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Daar zit de Jonkvrouw, in haar hart iets bepeinzend. Laat ik nader gaan.
(Dan wordt, op een zetel zittend, Vasantasenâ zichtbaar, vol smachtend verlangen, met Madanikâ.)
Vasantasenâ.
Meisje, en toen?
Madanikâ.
Jonkvrouw, ik zeg† niets. Wat beteekent dat „En toen”?
Vasantasenâ.
Wat heb ik gezegd?
Madanikâ.
„En toen.”
Vasantasenâ (de wenkbrauwen fronsend).
Ah, zoo is het.
Vorige slavin (nader komend).
Jonkvrouw, uw moeder gelast U: „Wanneer ge gebaad hebt, moet ge den goden eer bewijzen.”
Vasantasenâ.
Meisje, meld mijn moeder: „Heden zal ik niet baden, laat dus een Brahmaan de vereering volbrengen.”
Slavin.
Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)
Madanikâ.
Jonkvrouw, liefde doet mij vragen, niet vrijpostigheid: Wat is dit toch?
Vasantasenâ.
Madanikâ, wat ziet ge aan mij?
[26]
Madanikâ.
Uit de verstrooidheid der Jonkvrouw bemerk ik, dat zij verlangen heeft naar iemand, die in haar hart woont.
Vasantasenâ.
Dat hebt ge goed gezien. Gij, Madanikâ, verstaat toch de kunst, in een anders hart te lezen.
Madanikâ.
Dat is mij lief, zeer lief. Waarlijk, Kâma, die verhevene, onweerstaanbare† is immers een Lentefeest voor jonge lieden. Vertel dan, Jonkvrouw, is het de koning of een gunsteling des konings, die door U wordt gediend?
Vasantasenâ.
Meisje, beminnen wil ik, niet dienen.
Madanikâ.
Is het dan een jong Brahmaan, met buitengewone kennis versierd, dien ge bemint?
Vasantasenâ.
Meisje, den Brahmanenstand moet ik vereeren.
Madanikâ.
Bemint ge dan een jong koopman, die door het bezoeken van verschillende steden zich een uitgebreid vermogen heeft verworven?
Vasantasenâ.
Meisje, een koopman verlaat de zijnen, ook al zijn ze zeer aan hem gehecht en door naar vreemde landen te reizen, veroorzaakt hij groote scheidingssmart.
Madanikâ.
Jonkvrouw, geen koning, geen koningsgunsteling, geen Brahmaan, geen koopman! Wie is het dan, die door onze prinses wordt bemind?
Vasantasenâ.
Meisje, gij zijt met mij naar Kâmadeva’s* tempelhof gegaan?
Madanikâ.
Jonkvrouw, dat ben ik.
Vasantasenâ.
En toch vraagt ge me, alsof ge er niets van wist!
Madanikâ.
Ik weet het, Jonkvrouw. Dus hij is het, die U bijstand verleende, toen gij bescherming zocht?
Vasantasenâ.
Welken naam draagt hij dan?
Madanikâ.
Hij woont immers in de wijk der gildemeesters.
[27]
Vasantasenâ.
Ach, zijn naam heb ik U gevraagd.
Madanikâ.
Jonkvrouw, heilvol van benaming, is hij immers de edele Cârudatta genaamd.
Vasantasenâ (verheugd).
Mooi zoo, Madanikâ, mooi zoo! Dat hebt ge goed begrepen.
Madanikâ (bij zich zelf).
Dat moet ik eens vragen. (Luid.) Jonkvrouw, men zegt toch, dat hij arm is.
Vasantasenâ.
Daarom juist heb ik hem lief. Een hetaere, wier hart zich heeft vereenigd met een arm man, is voor de wereld vrij van blaam.
Madanikâ.
Jonkvrouw, bezoeken bijen dan den mangoboom nog, wanneer zijn bloesems zijn afgevallen?
Vasantasenâ.
Daarom juist worden zij honingmaaksters* genoemd.
Madanikâ.
Jonkvrouw, wanneer ge naar hem verlangt, waarom gaat ge dan niet nu dadelijk tot hem?
Vasantasenâ.
Meisje, wanneer ik hem dadelijk bezocht, zou hij, niet in staat mij een wederdienst te bewijzen†, een ander maal moeilijk te zien zijn.
Madanikâ.
Jonkvrouw, hebt ge daarom uw sieraden aan zijn handen toevertrouwd?
Vasantasenâ.
Meisje, dat hebt ge goed begrepen.
Stem achter het tooneel.
Hé daar, Heeren†! een speler, die om tien suvarna’s was opgesloten, is ontvlucht. Grijp hem dus, grijp hem! Blijf staan! ge zijt reeds van verre gezien.
(Er treedt ontsteld, zonder het gordijn weg te schuiven†, een wrijfmeester* op.)
Wrijfmeester.
Hoe ellendig is het bestaan van een speler! Helaas!
Gelijk door eene, aan haar kluister pas ontsnapte ezelin,
ben ’k, ach! geschopt door „d’ Ezelin”,
Gelijk Ghatokaca door een aan Karna’s hand ontsnapte speer,
ben ik getroffen door „de Speer.”*
Toen ik den speelbankhouder in berekening
verdiept zag, ben ik oogenblikkelijk ontsnapt,
Ik vloog de straat op—maar waar is de man,
tot wien ik thans mij om bescherming wend!
[28]
Terwijl zij, bankhouder en speler, mij elders zoeken, zal ik met omgekeerde voeten dezen leegen tempel binnengaan en mij er als godenbeeld opstellen.
(Na allerlei gebaren blijft hij in de aangeduide houding. Dan treedt Mâthura op met een speler.)
Mâthura.
Hé daar, Heeren! een speler, die om tien suvarna’s was opgesloten, is ontvlucht. Grijp hem, grijp hem! Blijf staan, blijf staan! ge zijt reeds van verre gezien.
Speler.
Al loopt ge tot in d’ onderwereld voort,
al wendt g’ U thans tot Indra* om behoed,
Den speelbankhouder uitgezonderd slechts,
kan geen U redden, ja zelfs Rudra* niet.
Mâthura.
Waarheen—gij, die een braven speelbankhouder hebt bedrogen!
Waar vlucht ge heen, terwijl uw leden sidderen van vrees,
Gedurig over effen en oneffen struik’lend,
Bezoed’lend uw geslacht en goeden naam!
Speler (het voetspoor ziende).
Daar is hij gegaan. En hier is het voetspoor verdwenen.
Mâthura (het beziende, overleggend).
Wel, de voeten omgekeerd—de tempel zonder godenbeeld. (Denkt na.) Die schelm van een speler is met omgekeerde voeten den tempel binnengegaan.
Speler.
Dan zullen wij hem volgen.
Mâthura.
Zoo zij het. (Beiden doen, of zij den tempel binnengaan; wanneer zij den wrijfmeester zien, wenken zij elkander veelbeteekenend toe.)
Speler.
Wel, is het een houten beeld?
Mâthura.
Wel neen, wel neen, het is een beeld van steen. (Zij schudden hem eenige malen en geven elkander teekenen van verstandhouding.) Zoo zij het. Kom, laten we een spel spelen. (Zij spelen eenige malen.)
Wrijfmeester (die telkens de ontroering van zijn begeerte tot het spel tracht te verbergen).
Ach!
[29]
Speler.
Mijn beurt, mijn beurt!
Mâthura.
Neen, mijn beurt, mijn beurt!
Wrijfmeester (van de andere zijde plotseling toeloopend).
Neen, mijn beurt!
Speler.
De kerel is gevat!
Mâthura (hem grijpend).
Zoo, schelm, nu ben je gegrepen; geef de tien suvarna’s.
Wrijfmeester.
Edele, ik zal ze geven.
Mâthura.
Geef ze oogenblikkelijk.
Wrijfmeester.
Ik zal ze geven, wees genadig.
Mâthura.
Kom, wil je ze eens dadelijk geven.
Wrijfmeester.
Mijn hoofd buigt zich neder.† (Hij valt ter aarde; beiden slaan hem duchtig.)
Mâthura (een spelerscirkel trekkend).
Nu ben je in een spelerscirkel gevangen.
Wrijfmeester (opstaande, ontsteld).
Hoe, ik ben in een spelerscirkel gevangen! O wee, wij spelers moeten dat gebruik eerbiedigen. Hoe zal ik nu betalen?
Mâthura.
Komaan, schrijf een schuldbrief.†
Wrijfmeester.
Zóó zal ik doen. (Zich tot den speler wendend.) De helft geef ik U, de helft moet U mij kwijtschelden.
Speler.
Zoo zij het.
Wrijfmeester (zich tot den bankhouder wendend).
Voor de helft geef ik een schuldbrief; de helft moet UEd. mij kwijtschelden.
Mâthura.
Wat kwaad? Zoo zij het.
Wrijfmeester (luid).
Edele, de helft is door U kwijtgescholden?
Mâthura.
Zeker.
[30]
Wrijfmeester (tot den speler).
Ook door U is de helft kwijtgescholden?
Speler.
Zeker.
Wrijfmeester.
Nu kan ik gaan.
Mâthura.
Betaal de vijf† suvarna’s; waar wilt ge heen?
Wrijfmeester.
Ziet eens aan, ziet eens aan, edele heeren. Nu heb ik voor de eene helft een schuldbrief gemaakt en de andere helft is mij kwijtgescholden, en toch vraagt hij mij nog de andere helft.†
Mâthura (hem grijpend).
Ik, Mâthura, ben een listige bedrieger, ik laat mij hier niet bedriegen.† Geef dan nu dadelijk de volle som, schelm.
Wrijfmeester.
Hoe zou ik betalen?
Mâthura.
Verkoop je vader en betaal.
Wrijfmeester.
Hoe kom ik aan mijn vader?
Mâthura.
Verkoop je moeder en betaal.
Wrijfmeester.
Hoe kom ik aan mijn moeder?
Mâthura.
Verkoop je zelf en betaal.
Wrijfmeester.
Wees genadig; breng mij op de hoofdstraat.
Mâthura.
Ga voort, ga voort.
Wrijfmeester.
Zoo zij het. (Gaat het tooneel rond.) Edelen, koopt mij van dezen bankhouder voor tien suvarna’s. (Rondziende; in de ruimte*.) Wat zegt ge? Wat ik zal uitvoeren? Ik zal in uw huis dienen. Hoe, zonder antwoord te geven, gaat hij heen. Kom, ik zal dien ander eens aanspreken. (Herhaalt het vorige.) Hoe, ook deze gaat heen en versmaadt mij. Ach, daar de edele Cârudatta zijn vermogen verloor, bevind ik mij thans in het ongeluk.
Mâthura.
Zul je nu betalen?
Wrijfmeester.
Hoe zou ik betalen? (Hij valt neer; Mâthura sleurt hem voort.) Edelen, redt mij, redt mij! (Dan treedt Darduraka op.)
[31]
Darduraka.
Wel, het spel is toch waarlijk voor den mensch een koninkrijk, waaraan slechts de troon ontbreekt! En waarom?
Hij telt geen nederlaag, vanwaar z’ ook komen moge,
voortdurend neemt en geeft hij geld,
En als een koning overvloedig’ inkomst trekkend,
wordt hij door machtigen vereerd.
En ook:
’k Won mijn goed door dobbelspel,
vrouw en vriend door dobbelspel,
’k Gaf en ’k at door dobbelspel,
weg is ’t al door dobbelspel!†
En ook:
Door Tretâ is mij al mijn geld ontnomen,
door Pâvara mijn lichaam uitgeteerd,
Door Nardita is mij de deur gewezen,
door Kata ga ik heen, geruïneerd!*
(Voor zich uitziende.) Daar komt juist onze eerste speelbankhouder Mâthura aan. Kom, wegloopen kan ik niet, dus zal ik mijn gelaat omhullen. (Hij maakt allerlei gebaren en blijft staan; zijn overkleed bekijkend.)
Die mantel is tot dradenarmoede geraakt,
Die mantel is met honderd scheuren opgesierd,
Die mantel kan niet door mij worden aangedaan,
Die mantel staat, als hij verborgen is, het best.
Maar wat zal ik ongelukkige doen?† Ik, die
Met ’t ééne been op d’aardbodem,
en met het tweede in de lucht,
Mij zwevend houd zóó langen tijd,
als de Zon aan den hemel zweeft.
Mâthura.
Betaal, betaal!
Wrijfmeester.
Hoe zou ik betalen? (Mâthura sleurt hem voort.)
Darduraka.
Hé, wat is dat daarvóór? (In de ruimte.) Wat zeide U? Die speler wordt door den bankhouder mishandeld en niemand bevrijdt hem! Dan zal Dardura hier hem bevrijden. (Toeloopend.) Ruimte, ruimte! (Hem ziende.) Wel kijk, daar is Mâthura, de schelm! En die ongelukkige wrijfmeester,
Die niet den ganschen dag hangt, roerloos, met gebogen hoofd,
Wiens rug niet door aanhoudend slaag en steenen is vereelt,
Wiens been ook niet gedurig door de honden wordt geknauwd,
Hoe komt hij, slank en teeder, aan die neiging tot het spel?
Komaan, ik zal Mâthura eens vriendelijk toespreken. (Tot hem gaande.) Mâthura, ik groet U.
[32]
Mâthura.
Ik groet U insgelijks.
Darduraka.
Wat is er aan de hand?
Mâthura.
Deze man is tien suvarna’s schuldig.
Darduraka.
Maar dat is immers een kleinigheid.
Mâthura (het in Darduraka’s okselholte tot een bal samengewrongen overkleed te voorschijn halend).
Heeren, ziet eens aan, ziet eens aan! Deze man, die zulk een versleten kleed draagt, noemt tien suvarna’s een kleinigheid!
Darduraka.
Wel, dwaas, betaal ik geen tien suvarna’s, wanneer ik Kata* werp? Moet dan iemand, die geld heeft, dat op zijn borst dragen, om het aan ieder te toonen. O!
Ellendeling! verworpeling!
daar, om slechts tien suvarna’s goud,
Een man, voorzien van vijf zinnen,
door U te gronde wordt gericht.
Mâthura.
Heer, voor U zijn tien suvarna’s een kleinigheid, voor mij is het een kapitaal.
Darduraka.
Welnu, luister, geef hem dan nog eens tien suvarna’s, dan kan hij weer spelen.
Mâthura.
En wat moet er dan gebeuren?
Darduraka.
Wanneer hij wint, dan zal hij betalen.
Mâthura.
Maar wanneer hij niet wint?
Darduraka.
Dan zal hij niet betalen.
Mâthura.
Kom, praten dient tot niets. Verschaf jij dan het bedrag, schelm. Ook ik, Mâthura, ben een schelm en speel valsch† en ik vrees ook geen ander. Schelm, je staat slecht bekend.
Darduraka.
Wel, wie staat er slecht bekend?
Mâthura.
Jij staat slecht bekend.
Darduraka.
Jouw vader staat slecht bekend. (Geeft den wrijfmeester een wenk, om weg te loopen.)
[33]
Darduraka.
Ja, zoo heb ik het spel beoefend.
Mâthura.
Komaan, wrijfmeester, betaal de tien suvarna’s.
Wrijfmeester.
Edele, ik zal ze wel betalen, ik zal ze betalen. (Mâthura sleurt hem voort.)
Darduraka.
Dwaas, achter mijn rug kunt ge hem mishandelen, maar niet voor mijn oogen.
(Mâthura sleurt den wrijfmeester voort en geeft hem een vuistslag op den neus. De wrijfmeester, een flauwte voorstellende, valt bloedend ter aarde. Darduraka, toeloopend, komt tusschen beiden. Mâthura slaat Dardura. Dardura slaat weerom.)
Mâthura.
Ha, ellendige hoerenzoon, dat zal ik je betaald zetten.
Darduraka.
Zoo, dwaas, ik ben door jou op den openbaren weg geslagen, maar sla me morgen eens in het paleis*, dan zul je eens zien.
Mâthura.
Dan zal ik wel zien.
Darduraka.
Hoe zul je dan zien?
Mâthura (de oogen openspalkend).
Zóó zal ik zien. (Dardura gooit Mâthura de oogen vol zand en geeft den wrijfmeester een wenk om weg te loopen. Mâthura, de oogen dichtknijpend, valt ter aarde. De wrijfmeester loopt weg.)
Darduraka (bij zich zelf).
Nu heb ik Mâthura, onzen eersten speelbankhouder mij tot vijand gemaakt. Het is dus niet geraden, hier te blijven. Ook heeft mijn lieve vriend Çarvilaka mij verteld, dat aan een jongen herder, ′Aryaka genaamd, door een waarzegger is voorspeld, dat hij koning zal worden. En alle lieden van onze soort kiezen zijn partij. Ik zal dus ook tot hem gaan. (Af.)
Wrijfmeester (bevreesd rondloopend en om zich ziende).
Hier is een huis, van wien weet ik niet, waarvan de zijdeur open staat.† Hier zal ik dus binnengaan. (Doet of hij binnengaat; Vasantasenâ ziende*.) Edele, ik zoek bescherming.
Vasantasenâ.
Veiligheid hem, die bescherming zoekt. Meisje, sluit de zijdeur.
Slavin* (doet aldus en gaat het tooneel rond).
Jonkvrouw, het is geschied.
[34]
Vasantasenâ.
Wat?
Slavin.
Wat door U is bevolen.
Vasantasenâ.
Waarvoor zijt ge bevreesd?
Wrijfmeester.
Edele, voor een schuldeischer.
Vasantasenâ.
Meisje, open dadelijk de zijdeur.
Wrijfmeester (bij zich zelf).
Hoe, die oorzaak van vrees wordt door haar naar haar rijkdom† afgewogen. Terecht zegt men toch:
De mensch, die, kennend eigen kracht,
een last draagt, daarnaar afgewogen,
Bij hem ontstaat geen struikeling
en in de wildernis komt hij niet om.
Men heeft mij hier gezien.
Mâthura (de oogen uitwrijvend, tot den speler).
Komaan, betaal, betaal!
Speler.
Heer, terwijl Dardura met ons aan ’t twisten was, is de kerel weggeloopen.
Mâthura.
Ik heb dien speler door een vuistslag den neus gebroken. Kom dus, laten wij het bloedspoor volgen. (Volgt het.)
Speler.
Heer, hij is het huis van Vasantasenâ binnengegaan.
Mâthura.
Dan zijn de suvarna’s er geweest!
Speler.
Laten we naar het paleis gaan en het aangeven.
Mâthura.
Dan zal die schelm dit huis uitloopen en elders heengaan. Laten wij hem dus vangen, door hem den uitgang te versperren.
(Vasantasenâ geeft Madanikâ een wenk.)
Madanikâ.
Vanwaar komt UEd.? en wie is UEd.? en wiens zoon is UEd.? en van welk bedrijf leeft UEd.? en vanwaar uw vrees?
Wrijfmeester.
De Jonkvrouw luistere. Jonkvrouw, Pâtaliputra* is mijn geboortegrond; ik ben de zoon van een gṛhastha* en leef van het bedrijf van wrijfmeester.
[35]
Vasantasenâ.
Dan heeft UEd. wel een zeer fijne kunst geleerd.
Wrijfmeester.
Jonkvrouw, wat ik als kunst leerde, is nu mijn levensonderhoud geworden.
Slavin.
UEd. heeft daar een al te moedeloos antwoord gegeven. En toen?
Wrijfmeester.
Toen, Jonkvrouw, door al wat ik in ons huis uit den mond van reizigers vernam, werd bij mij de begeerte opgewekt, vreemde landen te zien en zoo ben ik hierheen gegaan. En toen ik hier in Ujjayinî was aangekomen, heb ik een edel heer gediend, zoo iemand, die, vriendelijk van voorkomen en vriendelijk van taal, eigen weldaad niet roemt en beleediging vergeet. Waartoe vele woorden? In zijn rechtvaardigheid beschouwt hij zich zelf als aan anderen toebehoorend en is de vriend van die bescherming zoeken.
Slavin.
Wie is dat sieraad van Ujjayinî, die aan hem, die zoozeer der Jonkvrouw hartewensch is, zijn deugden heeft ontstolen.
Vasantasenâ.
Mooi zoo, meisje, mooi zoo! Ook ik had juist zoo in mijn hart gesproken.
Slavin.
Edele, en toen?
Wrijfmeester.
Toen, Jonkvrouw, door de gaven, die hij schonk uit barmhartigheid.…
Vasantasenâ.
Heeft hij zijn vermogen verloren?
Wrijfmeester.
Hoe weet de Jonkvrouw dit, vóór ik het vertelde?
Vasantasenâ.
Wel, het is toch bekend: moeilijk te vereenigen zijn deugd en rijkdom; in ondrinkbare vijvers is het meeste water.
Slavin.
Edele, welken naam draagt hij dan?
Wrijfmeester.
Wie kent den naam niet van die Maan op aarde? Hij woont immers in de wijk der gildemeesters; roemvol van benaming, heet hij de edele Cârudatta.
Vasantasenâ (verheugd van haar zetel afdalend).
UEd. beschouwe dit huis als uw eigen. Meisje, geef hem een zetel, neem een waaier; de edele heer wordt door vermoeidheid gekweld. (De slavin doet aldus.)
[36]
Wrijfmeester (bij zich zelf).
Hoe, door den naam van den edelen Cârudatta te noemen, valt mij zulk een onderscheiding te beurt. Bravo, edele Cârudatta, bravo! gij alleen leeft op aarde, maar andere menschen ademen slechts. (Haar te voet vallend.) Welaan, Jonkvrouw, welaan! De Jonkvrouw neme weder plaats op haar zetel.
Vasantasenâ (op den zetel plaats nemend).
Edele, vanwaar die schuldeischer?
Wrijfmeester.
Der ed’len rijkdom is weldadigheid;
wie heeft geen rijkdom, die vergank’lijk is?
Wie ook vereering te bewijzen weet,
die weet ook ’t onderscheid van eerbewijs.*
Vasantasenâ.
En toen?
Wrijfmeester.
Toen heeft de edele heer mij tot zijn dienaar gemaakt en onderhouden, maar toen hij niets meer over had dan zijn goeden naam, ben ik gaan leven van het spel. Toen, door de vijandschap van het Lot, heb ik tien suvarna’s bij het spel verloren.
Mâthura.
Ik ben geruïneerd, ik ben bestolen!
Wrijfmeester.
Daar zijn de bankhouder en de speler, die het op mij gemunt hebben. Nu de Jonkvrouw mijn verhaal heeft vernomen, staat aan haar de beslissing.
Vasantasenâ.
Madanikâ, wanneer de boom, die hun tot woning dient, wankelt, zwerven ook vogels her-en-derwaarts. Meisje, ga dan en geef aan bankhouder en speler dit armsieraad met de woorden: „Hij zelf, de edele heer, doet het U toekomen.”
(Trekt van haar arm een armband en reikt dien de slavin.)
Slavin (hem nemend).
Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Gaat naar buiten.†)
Mâthura.
Ik ben geruïneerd, ik ben bestolen!
Slavin.
Daar dezen ten hemel zien en diep zuchten, verslagen staan en overleggen, de oogen op de deur gevestigd, vermoed ik, dat het de bankhouder en de speler zullen zijn. (Op hen toetredend.) Edele, ik groet U.
Mâthura.
Vreugde zij U.
Slavin.
Edele, wie van U beiden is de bankhouder?
[37]
Mâthura.
Aan wien behoort ge, mijn slanke?
Met stuk-gebeten, drieste lip
Prevelt ge woorden van liefde,
mij aanziende met schuinschen blik.
Ik heb geen geld; ga elders heen.
Slavin.
Indien ge zoo spreekt, zijt gij de speler niet.† Gij beiden hebt een schuldenaar?
Mâthura.
Zeker, hij is tien suvarna’s schuldig; wat wilt ge met hem?
Slavin.
Ter wille van hem doet de Jonkvrouw U dit armsieraad toekomen. Och neen, och neen, hij zelf doet het U toekomen.
Mâthura (het verheugd nemend).
Wel, gij moet den Jonker zeggen: „Uw schuldbrief is er geweest; kom U weer eens met het spel vermaken.” (Beiden af.)
Slavin (tot Vasantasenâ gaande).
Jonkvrouw, bankhouder en speler zijn tevredengesteld heengegaan.
Vasantasenâ.
Ga dan, Edele, om uw verwanten gerust te stellen.
Wrijfmeester.
Jonkvrouw, wanneer het zóó is gesteld, laat ik dan mijn kunst aan de handen uwer bedienden toevertrouwen.
Vasantasenâ.
Edele, hem, ter wille van wien gij uw kunst hebt geleerd, dienzelfde, dien gij vroeger hebt gediend, moet gij dienen.
Wrijfmeester (bij zich zelf).
De Jonkvrouw heeft mij handig afgewezen, maar hoe zal ik haar nu een wederdienst bewijzen? (Luid.) Jonkvrouw, om de verachting, die ik als speler ondervond, wil ik monnik van den Çâkya* worden. Dus „De wrijfmeester, de speler, is monnik van den Çâkya geworden”; de Jonkvrouw gedenke deze woorden.
Vasantasenâ.
Edele, welk een overijling!
Wrijfmeester.
Jonkvrouw, mijn besluit is genomen. (Gaat het tooneel rond.)
Dat is door ’t spel van mij gemaakt,
wat aller menschen afschuw wekken moet;
Maar thans met openlijk gelaat,
bewandel ik den koninklijken weg.
(Rumoer achter het tooneel.)
[38]
Wrijfmeester (luisterend).
Hé, wat is dat? (In de ruimte.) Wat zegt ge? „Die kwaadaardige olifant van Vasantasenâ, „Zuilenbreker”, is losgebroken!” Wel, dan wil ik eens naar den bronstigen olifant der Jonkvrouw gaan zien. Maar kom, wat heb ik daarmede noodig! zooals ik besloten heb, zal ik doen. (Af.)
(Dan treedt, zonder het gordijn weg te schuiven, Karnapûraka op, verheugd en met een buitengewoon schitterend gewaad.)
Karnapûraka.
Waar, waar is de Jonkvrouw?
Slavin.
Booswicht, wat is de oorzaak van uw opgewondenheid, dat gij de Jonkvrouw, die zich vlak voor U bevindt, niet ziet?
Karnapûraka (haar ziende).
Jonkvrouw, ik groet U.
Vasantasenâ.
Karnapûraka, gij verschijnt met zoo verheugd gelaat, wat is er toch?
Karnapûraka (vol trots).
Jonkvrouw, ge hebt wat gemist, dat ge thans Karnapûraka’s heldhaftigheid niet hebt gezien!
Vasantasenâ.
Karnapûraka, wat dan?
Karnapûraka.
De Jonkvrouw luistere. Die kwaadaardige olifant der Jonkvrouw, „Zuilenbreker”, had zijn paal verbrijzeld, zijn kornak gedood, en, groote opschudding veroorzakend, liep hij de hoofdstraat af. Toen riepen de menschen intusschen:
Haalt weg het kindervolk,
snel, klimt in boomen en op daken!
Ziet ge dan niet, dat van de stad
een booze olifant hierheen komt loopen?
En ook:
Spangen sling’ren van de voeten,
gordels scheuren, fonk’lend van juweelen,
En armbanden al te heerlijk,
schit’rend met een net van paarlenloten.
Toen gebeurde het, dat die kwade olifant,—met snuit, pooten en slagtanden zich in Ujjayinî dompelend als in een bloeienden lotus-vijver,—een bedelmonnik aantrof. Toen men zag, hoe deze, wien staf, nap en pot ontvielen, door hem met water overgoten en tusschen zijn tanden werd neergeworpen, toen riep men weer: „Ach, de bedelmonnik wordt gedood!”
Vasantasenâ (ontsteld).
O, die nalatigheid!
[39]
Karnapûraka.
Stel U gerust: de Jonkvrouw luistere slechts. Toen ziende, hoe hij, een bundel van verscheurde ketenen medesleepend, den monnik tusschen zijn tanden greep en ophief, heb ik, Karnapûraka—of neen! de slaaf, Jonkvrouw, door U met kluiten rijst gevoed—met den linkervoet een speelrekening uitwisschend*, snel van de markt een ijzeren staaf genomen en den olifant tot mij geroepen.
Vasantasenâ.
En toen? en toen?
Karnapûraka.
Toornig† den olifant, die wel een top scheen van ’t Vindhya-gebergte,
Treffend, bevrijdd’ ik den monnik, zich tusschen zijn tanden bevindend.
Vasantasenâ.
Ge hebt wèl gedaan. En toen?
Karnapûraka.
Toen, Jonkvrouw, riep geheel Ujjayinî, dat als een ongelijk geladen schip naar ééne zijde overhelde, niet anders dan: „Bravo, Karnapûraka, bravo!” Toen, Jonkvrouw, heeft iemand, die vergeefs die plaatsen betastte, waar men sieraden draagt, ten hemel ziende en diep zuchtend, mij dezen mantel omgeworpen.
Vasantasenâ.
Karnapûraka, zie eens of die mantel met jasmijngeur is doortrokken of niet.
Karnapûraka.
Jonkvrouw, door den reuk van het bronstzweet kan ik den geur niet goed waarnemen.
Vasantasenâ.
Zie dan eens naar den naam.
Karnapûraka.
Hier staat de naam; de Jonkvrouw leze zelf. (Overhandigt haar den mantel.)
Vasantasenâ.
Van den edelen Cârudatta! (Als zij dit gelezen heeft, neemt zij hem vol verlangen en doet hem om.)
Slavin.
Karnapûraka, de mantel staat de Jonkvrouw goed.
Karnapûraka.
Och, de mantel staat de Jonkvrouw goed.
Vasantasenâ.
Karnapûraka, hier hebt ge een belooning. (Reikt hem een sieraad.)
Karnapûraka.
Nu staat de mantel de Jonkvrouw eerst recht goed.
[40]
Vasantasenâ.
Karnapûraka, waar is de edele Cârudatta op dit oogenblik?
Karnapûraka.
Langs dezen zelfden weg is hij naar huis teruggekeerd.
Vasantasenâ.
Meisje, laten we op het hoogste terras gaan en naar den edelen Cârudatta uitzien. (Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het tweede Bedrijf,
„De Wrijfmeester
als Speler”
genaamd.
[41]