[Inhoud]

Kruik met tien muizen.

Slaaf (opkomend).

Een vriend’lijk heer, zijn dienaars welgezind,

staat hoog in aanzien, ook al is hij arm;

Een slechtaard echter, op zijn rijkdom prat,

is moeilijk te voldoen, in ’t einde hard.

En ook:

Een stier, die gretig is naar graan, is niet te houden;

Hij, die een anders vrouw bemint, is niet te houden;

Een man, verslaafd aan dobbelspel, is niet te houden;

Wien d’ondeugd aangeboren is, is niet te houden.

Het is al eenigen tijd geleden, dat de edele Cârudatta muziek is gaan hooren middernacht is verstreken en nog komt hij niet terug. Laat ik mij dus in het vertrek bij de buitendeur te slapen leggen.

(Hij doet aldus; dan komt Cârudatta op met den Vidûshaka.)

Cârudatta.

Wel, wat heeft Meester Rebhilaka mooi gezongen! De luit is toch waarlijk een parel, al wordt ze niet door den oceaan voortgebracht. Immers:

Vriendinne, welkom aan het harte, naar minne smachtend,

Tijdkorting, waar zich de geliefde te lang doet wachten,

Opbeuring zoetst, van die gekweld zijn door scheidingssmarten,

Doet zij—de lust van den verliefde—zijn liefde wassen.

Vidûshaka.

Kom, laten we naar huis gaan.

Cârudatta.

Wel, wat heeft Meester Rebhilaka goed gezongen!

Vidûshaka.

Wat mij betreft, er zijn twee dingen, die mij steeds doen lachen: een vrouw, die Sanskṛt spreekt, en een man, die pianissimo zingt. Een vrouw, die Sanskṛt spreekt, sist als een vaars, die men pas een touw door den neus heeft gehaald en een man, die pianissimo zingt—als een oude huispriester, die, met een krans van verdorde bloemen omwonden, zijn gebed prevelt—behaagt mij al heel weinig.

[42]

Cârudatta.

Vriend, Meester Rebhila heeft toch zoo mooi gezongen en nog zijt ge niet tevreden!

Voorwaar, zoo lieflijk en welluidend en helder tevens,

Zoo vol gevoel en zoo bekoorlijk en medesleepend—

Maar waartoe zoud’ ik vele woorden van lof verkonden!

Mij scheen, of daarin de geliefde verborgen ware.

En ook:

Van dien zachtstemmige de wisseling van toon,

en smeltenden snarenklank,

Doordringend-klinkend in der woorden melodie,

wegstervend met zacht geluid,

Nu lichtelijk-gedempt en liefelijk dan weer,

in hartstocht met dub’len klank,

Voorwaar, zij van den zang de stonde reeds geëind,

ik ga, of ik ’t nog vernam!

Vidûshaka.

Kom, vriend, tusschen de kramen op de markt liggen de honden al gerust te slapen; laten we dus naar huis gaan. (Voor zich uit ziende.) Vriend, zie toch, als om plaats te maken voor de duisternis, daalt nu ook van de tinne des hemels de verheven Maan.

Cârudatta.

Gij hebt waarheid gesproken:

Want ginder daalt, duisternis ruimte gevend,

ter kimme Candra*, met geheven hoornen,

Als d’olifant des wouds, zich onderdomp’lend,

de scherpe slagtandpunten slechts vertoonend.

Vidûshaka.

Wel, dit is ons huis. Vardhamânaka, Vardhamânaka, doe de deur open!

Slaaf.

Ik hoor de stem van den edelen Maitreya. De edele Cârudatta is teruggekomen. Laat ik dus de deur open maken. (Doet aldus.) Edele, ik groet U; edele Maitreya, ook U groet ik. Laten de edele heeren plaats nemen op den zetel, die hier is uitgespreid. (Beiden doen, of zij binnengaan en zetten zich neder.)

Vidûshaka.

Vardhamânaka, roep Radanikâ om ons de voeten te wasschen.

Cârudatta (medelijdend).

Neen, maak geen slapenden meer wakker.

Slaaf.

Edele Maitreya, ik zal water halen, dan moet gij de voeten wasschen.

[43]

Vidûshaka (toornig).

Vriend, hoor eens aan! deze, die de zoon is eener slavin, wil water halen en mij, een Brahmaan, de voeten laten wasschen.

Cârudatta.

Vriend Maitreya, haal gij water, en laat Vardhamânaka mij de voeten wasschen.

Slaaf.

Edele Maitreya, schaf water. (De Vidûshaka doet aldus; de slaaf, na Cârudatta’s voeten te hebben gewasschen, wil heengaan.)

Cârudatta.

Wil ook den Brahmaan water voor de voeten geven.

Vidûshaka.

Wat heb ik aan water voor de voeten! Ik moet mij toch weer als een afgebeulde ezel op den grond wentelen.

Slaaf.

Edele Maitreya, ge zijt immers een Brahmaan.

Vidûshaka.

Gelijk onder alle slangen de dundubha*, zoo onder alle Brahmanen ben ik, Brahmaan.

Slaaf.

Edele Maitreya, ik zal ze toch wasschen. (Doet aldus.) Edele Maitreya, dit goudkistje is overdag van mij en ’s nachts van U, neem het dus. (Geeft het hem en treedt af.)

Vidûshaka (het nemend).

Het is er nog altijd! Is er dan hier in Ujjayinî geen dief, die dezen slavinnenzoon, dezen dief van mijn slaap wil medenemen! Nu, vriend, ik zal het binnen in onze woning brengen.

Cârudatta.

Genoeg, in deze woning moet ge ’t brengen,

en daar ’t gedragen werd door een hetaere,

Daarom, Brahmaan, moet gij het zelve dragen,

zoolang het haar niet is teruggegeven.

(Toont slaap; herhaalt:)

Van dien zachtstemmige de wisseling van toon

en smeltenden snarenklank,

Doordringend-klinkend in der woorden melodie,

wegstervend met zacht geluid,

Nu lichtelijk-gedempt en liefelijk dan weer,

in hartstocht met dub’len klank,

Voorwaar, zij van den zang de stonde reeds geëind,

ik ga, of ik ’t nog vernam.

[44]

Vidûshaka.

Heeft U slaap?

Cârudatta.

Zeker.

Het schijnt, de Slaap, die op onz’ oogen nederhangt,

van af het voorhoofd mij geheel bekruipen komt,

Van vorm onzichtbaar en als grijsheid onverhoeds

vermeestert hij, wassend in kracht, der menschen geest.

Vidûshaka.

Laten we dan gaan slapen. (Doet of hij is ingeslapen; dan treedt Çarvilaka op.)

Çarvilaka.

Nu ik, door vaardigheid en kracht, mij ten arbeid baande

Den weg*, die d’omvang van mijn lichaam gemak’lijk doorliet,

Ga ’k voort, al kruipend langs den bodem de lenden schurend

Als, zich van ’t oude vel ontdoende, de kronkelganger.

(Naar den hemel ziende, verheugd.) Wel zie! ten ondergang neigt de verheven Maan!

Den held, van zins een anders huis te schaden,

behoedzaam naderend om ’s vorsten mannen,

Hult, als een moeder, nu de Nacht, met duister

de sterren als met dichten mantel dekkend.

Na in de omheining van den boomhof eene opening te hebben gemaakt, ben ik hier binnengedrongen; komaan, thans ga ik ook het huis schaden!

Dit handwerk! ja, de menschen noemen het gemeen,

zij zeggen: wat in den slaap

Voorvalt, krenking van argeloozen door bedrog

is misdaad, geen heldendaad.

En toch is onafhank’lijkheid, hoe slecht befaamd,

mij liever dan dienstbaarheid—

Dit pad immers is, bij der vorsten nachtelijken moord,

door Drona’s zoon eens gevolgd.*

Dus op welke plaats zal ik nu de opening aanbrengen?

Wat plek nu is door watervloeiingen onvast,

waar geen gedruisch zal ontstaan,

En waar niet in de wanden d’opening zoo gaapt,

dat ’t oog er op vallen moet,

De leemlaag dun en door salpeter is verteerd,

de woning bouwvallig zij,

Geen vrouwvolk zich vertoonen zal en dus de zaak

mij mog’lijk gelukken kan?

(Den muur betastend.) Deze plek is door aanhoudenden zonneschijn en het afloopen van water beschadigd, door salpeter ingevreten en hier is een muizengat. [45]Komaan, dan is de zaak gelukt. Dit is bij Skanda’s* zonen het zekerste teeken van slagen. Maar vóór ik het werk aanvang, wat voor opening zal ik thans aanbrengen? Hierbij toch heeft de verheven God met de gouden lans vier middelen aan de hand gedaan, namelijk: gebakken tegels moet men uitbreken, ongebakken tegels stukslaan, een leemen muur moet men met water begieten, een houten muur splijten. Dus hier bij een muur van gebakken tegels moet ik de tegels uitbreken. En dan, welken vorm zal ik kiezen?

Den lotuskelk, de zon, de halve maan,

Den langen vijver, ’t kruis, de volle kruik?

Op welke plaats betoon ik nu mijn kunst,

Dat morgen zich de burgerij verbaast?

Wel, bij een muur van gebakken tegels staat de volle kruik het best. Die zal ik aanbrengen.

Wanneer ik elders, door salpeter verteerde muren

’s Nachts heb gespleten of een lastig bedrijf voleindigd,

Bespreekt, in d’ochtendstond het ziende, de schaar der buren

Zoowel mijn fouten bij den arbeid, als mijn bekwaamheid.

Hulde den Wenschenvervuller, den jeugdigen Kârtikeya, hulde den God met de gouden lans, den Brahmanen goedgunstig, den Goden genegen, hulde den Zoon der Zon, hulde den Meester der tooverkunst*, wiens eerste leerling ik ben. Ook heeft hij mij in zijn tevredenheid een tooverzalf gegeven:

Immers bestreken hiermede,

zullen de wachters mij niet zien

En geene pijn veroorzaakt mij

het wapen, dat mijn lichaam treft.

(Aldus doet hij.) Och, daar heb ik mijn meetsnoer vergeten! (Denkt na.) Wel, dit offerkoord* kan mij tot meetsnoer dienen. Het offerkoord is toch waarlijk een onmisbaar werktuig voor een Brahmaan, vooral voor een van onze soort. En waarom?

Daarmede meet hij aan de wanden den weg ten arbeid,

Daarmede slaakt hij de verbinding van lijfsieraden,

Tot sleutel dient het bij een deur, die is dichtgegrendeld

En tot omwindsel bij insecten- en slangenbeten.*

Nu ik gemeten heb, vang ik het werk aan. (Aldus doet hij en beziet dan de opening.) Er is nog maar één leemkluit in de opening. O wee! daar ben ik door een slang gebeten. (Hij verbindt zijn vinger met het offerkoord en doet, of hij de werking van het vergift gevoelt.) Na deze behandeling ben ik weer in orde. (Hij zet het werk voort en ziet door de opening.) Kijk, er brandt een lamp, immers:

De stralenstreng, roodachtig-geel als goud, der lamp

verschijnt op ’t aardvlak door den mond der opening

En schittert, rondom van de duisternis omhuld,

gelijk een goudstreep, op den toetssteen aangebracht.

[46]

(Hij zet het werk voort.) De opening is voltooid. Kom, ik zal naar binnen gaan. Maar neen, ik zal nog niet naar binnen gaan, ik zal eerst de pop naar binnen laten. (Doet aldus.) Zoo, er is niemand. Hulde aan Kârtikeya. (Gaat naar binnen en ziet rond.) Kijk, daar ligt een tweetal menschen te slapen. Kom, voor mijn eigen veiligheid zal ik de deur openen. Wat is dat? De deur kraakt door de bouwvalligheid van het huis. Laat ik dus water zoeken. Waar zou nu toch water zijn? (Ziet rechts en links, vindt water en giet het uit; bevreesd.) Als het nu maar niet, bij het op den grond vallen, geluid maakt. Kom, zoo zal ik doen. (Achterwaarts ziende, opent hij de deur.) Kom, nu zal ik eens zien, of dit tweetal maar in schijn of in werkelijkheid slaapt. (Hen schuddend en nauwkeurig beziende.) Wel, die moeten in werkelijkheid slapen, immers:

Hun ademhaling, niet-verdacht, zeer-duidelijk,

beweegt zich in even maat;

Hun vast-gesloten oog vertoont niets ongewoons

en siddert geen oogenblik;

Hun lichaam, dat met slappe leden nederhangt,

reikt verder dan ’t rustbed uit;

En ook verdroegen zij de lamp niet in ’t gelaat,

indien hun slaap schijnbaar was.

(Overal rondziende.) Wel, kijk eens aan, een trommel, daar een fluit, daar een tamboerijn en daar een citer, hier rietfluiten, daar handschriften. Is dit dan het huis van een dansmeester*? En toch, in vertrouwen op het voorkomen der woning ben ik hier binnengegaan; zou dan deze man in werkelijkheid arm zijn of heeft hij uit vrees voor den koning of uit vrees voor dieven zijn goed in den grond verborgen? Aan mij, Çarvilaka, behoort voorzeker ook het goed, dat zich in den grond bevindt. Kom, ik zal een zaadkorrel neerwerpen. (Aldus doet hij.) De zaadkorrel is neergeworpen, maar nergens zwelt zij op. Nu, die man is in werkelijkheid arm. Kom, dan ga ik heen.

Vidûshaka (spreekt in den slaap).

Vriend, het is, alsof ik een gat in den muur zie, het is, alsof ik een dief zie; neemt U dus dit goudkistje.

Çarvilaka.

Wat is dat! heeft die man gezien, dat ik hier ben binnengekomen en bespot hij mij met zijn armoede? Zal ik hem dan ombrengen? Of spreekt hij uit lichtzinnigheid in den slaap? (Toeziende.) Wel kijk, daar zie ik, in een versleten badbroekje vastgeknoopt, door het lamplicht beschenen, zoo waarlijk een sieradenkistje. Kom, dat neem ik. Maar neen, het is niet voegzaam, een zoon van goeden huize te kwellen, wiens toestand is gelijk de mijne, dus ga ik.

Vidûshaka.

Vriend, ik bezweer U bij de liefde voor koeien en Brahmanen: neem toch dit goudkistje.

Çarvilaka.

Niet voorbijgaan mag ik die verheven liefde voor koeien en liefde voor Brahmanen, dus neem ik het. Maar neen, de lamp brandt. Wel, ik heb, om de [47]lamp uit te blazen, een vuurvlieg bij mij. Daarvoor is thans de juiste tijd gekomen. Nu ik dit insect loslaat, fladdert het in veelvuldige kringen boven de lamp en thans is de lamp door het hulpvaardig insect met den wind zijner beide vleugels uitgebluscht. Ach, er is duisternis gemaakt! Maar ook in ons Brahmanengeslacht is er door mij, ach! duisternis gemaakt. Want ik, de zoon van een kenner der vier Veda’s, van één, die geen geschenken zelfs aannam, ik, de Brahmaan Çarvilaka, bedrijf ter wille van de hetaere Madanikâ ongerechtigheid. Thans vervul ik het verlangen van den Brahmaan. (Wil het nemen.)

Vidûshaka.

Vriend, uw vingers zijn koud.

Çarvilaka.

Ach, hoe onvoorzichtig! door de aanraking van het water zijn mijn vingers koud. Wel, ik zal mijn hand in de okselholten steken. (Doet, alsof hij zijn linkerhand verwarmt en neemt het.)

Vidûshaka.

Ge hebt het genomen?

Çarvilaka.

Dat verlangen van een Brahmaan mag men niet voorbijgaan, dus heb ik het genomen.

Vidûshaka.

Nu zal ik zoo gerust slapen als een koopman, die zijn waren heeft verkocht.

Çarvilaka.

Groot Brahmaan, slaap honderd jaar!—Helaas! ter wille van de hetaere Madanikâ, heb ik een Brahmanengeslacht doen nederstorten in de duisternis der hel. Maar neen, ik zelf ben ten val gebracht.

Helaas! vervloekt zij d’armoede,

die wel geheime kracht bezit,

Daar deze daad, zoo verfoeilijk,

ik wel misprijs—en toch verricht.

Nu wil ik, om Madanikâ los te koopen, naar het huis van Vasantasenâ gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Hé, ik hoor, meen ik, geluid van voetstappen; als het maar geen wachters zijn! Wel, ik blijf staan als een paal. Maar kom, bestaan er voor mij, Çarvilaka, dan wachters? voor mij, die

Een kat ben in het gaan, in ’t vluchten een gazel,

in greep en pakken een valk,

In ’t schatten van der menschen kracht, ook in den slaap,

een hond, in ’t kruipen een slang,

In ’t nadoen van gestalt’ en kleeding het Bedrog,

in vreemden tongval de Taal,

In duisternis een lamp, in engt’ een hagedis,

te water schip, ros te land.

[48]

En ook:

Een slang gelijk in ’t gaan, een berg in ’t staan,

niet minder zwerfziek dan der vog’len vorst*,

Ben ’k als de haas in ’t speuren langs den grond,

in ’t grijpen als de wolf, in kracht een leeuw.

Radanikâ (opkomend).

O wee, o wee! Vardhamânaka had zich in het voorvertrek te slapen gelegd en nu zie ik hem hier niet. Kom, ik zal den edelen Maitreya roepen. (Gaat het tooneel rond.)

Çarvilaka. (wil Radanikâ treffen, nauwkeurig toeziende).

Hoe, een vrouw! kom, dan ga ik heen. (Af.)

Radanikâ (loopt heen, ontsteld).

O wee, o wee! er is in ons huis ingebroken en de dief loopt daar weg. Kom, ik zal Maitreya gaan wekken. (Tot den Vidûshaka gaande.) Edele Maitreya, sta op, sta op! in ons huis is de muur doorgebroken, en de dief is weggeloopen.

Vidûshaka (opstaande).

O slavinnendochter, wat zegt ge? er is een dief doorgebroken en de muur is weggeloopen?

Radanikâ.

Ongelukkige, houd op met uw spot; ziet ge dit dan niet?

Vidûshaka.

O slavinnendochter, wat zegt ge? Er is als ’t ware een tweede deur geopend! Hé, vriend Cârudatta, sta op, sta op! Er is in ons huis ingebroken en de dief is weggeloopen.

Cârudatta.

Komaan nu, houd op met uw spot.

Vidûshaka.

Wel, het is geen spot, zie maar.

Cârudatta.

Op welke plaats dan?

Vidûshaka.

Wel, hier!

Cârudatta (toeziende).

O, hoe sierlijk is die opening!

De tegels op den bodem neergeworpen,

Is zij van boven smal en breed in ’t midden;

Uit vrees van laaggeboornen aan te raken,

Schijnt van het groote huis het hart gebarsten!

Hoe, zelfs bij dit werk toont men kunstvaardigheid!

Vidûshaka.

Maar, vriend, deze opening moet gemaakt zijn door één van beiden, òf door een vreemdeling òf door iemand, die zich wilde oefenen. Overigens wie hier in Ujjayinî kent niet den rijkdom van ons huis?

[49]

Cârudatta.

Een vreemd’ling zou die op’ning hebben aangebracht,

één, die ’t bedrijf leeren wil?

Hij wist dan niet, dat wie van rijkdom is beroofd

een rustigen slaap geniet,

Toen d’aanzienlijken bouw hij zag van ons verblijf,

aanvank’lijk met hoop vervuld,

Is hij, na door de inbraak lang te zijn vermoeid,

teleurgesteld heengegaan.

En wat zal die ongelukkige dan wel aan zijn vrienden vertellen? „In het huis van den veemheerszoon ben ik binnengegaan en ik heb er niets gevonden.”

Vidûshaka.

Hoe nu, dien verwenschten dief beklaagt ge nog! Hij heeft gedacht: „Dit is een groot huis, hier zal ik een juweelenkistje of een goudkistje uitdragen.” (Zich herinnerend, ontsteld bij zich zelf.) Waar is het goudkistje? (Zich weder herinnerend, luid.) Nu, vriend, ge zegt altijd: „Die domme Maitreyaka, die onverstandige Maitreyaka!” maar nu heb ik toch goed gedaan met het goudkistje aan U te overhandigen, anders zou het door den slavinnenzoon zijn meegenomen.

Cârudatta.

Houd op met uw spot.

Vidûshaka.

Maar, al ben ik dan ook een dwaas, zou ik daarom niet weten, wat de tijd is voor spotternij?

Cârudatta.

Maar wanneer dan?

Vidûshaka.

Toen ik tot U zeide: „Uw vingers zijn koud.”

Cârudatta.

Dat zal dan wel zoo zijn. (Na overal te hebben gezocht, verheugd.) Vriend, Goddank, ik heb u iets verblijdends te berichten.

Vidûshaka.

Wat, is het niet gestolen?

Cârudatta.

Het is gestolen.

Vidûshaka.

Wat is er dan verblijdends?

Cârudatta.

Dat die man niet onverrichter zake is heengegaan.

Vidûshaka.

Het was ons immers toevertrouwd.

Cârudatta.

Hoe, toevertrouwd! (Verliest de bezinning.)

[50]

Vidûshaka.

Kom tot bezinning! Waarom valt ge in onmacht, als de dief iets heeft meegenomen, dat ons maar was toevertrouwd?

Cârudatta (tot bezinning komend).

Wie zal de waarheid gelooven?

wantrouwen zal mij iedereen;

Want hier op aard’ is armoede

verdacht en zonder waardigheid.

Helaas!

Zoo al door ’t Noodlot verlangen

naar mijnen rijkdom is betoond,

Waarom is door den boosaard’ge

nu ook mijn goede naam besmet?

Vidûshaka.

Maar ik zal het immers tegenspreken. En door wien is het gegeven? door wien is het genomen? wie was ooggetuige?

Cârudatta.

Ik zoude nu onwaarheid spreken!

Neen, bed’lend zal ik verwerven

vergoeding voor ’t vertrouwde pand,

En geen onwaarheid zal ’k spreken,

die goeden naam te loor doet gaan.

Radanikâ.

Ik zal het de edele vrouwe gaan mededeelen. (Af.)

(De vrouw van Cârudatta komt op met de slavin.)

Vrouw (ontsteld).

Nu, is werkelijk de edele heer ongedeerd en ook de edele Maitreya?

Slavin.

Werkelijk, Meesteres! maar die sieraden van de hetaere, die zijn gestolen.

(De vrouw doet, of zij in onmacht valt.)

Slavin.

Kom tot bezinning, edele vrouwe, kom tot bezinning.

Vrouw (tot bezinning komend).

Meisje, waarom zegt ge: „De edele heer is ongedeerd”? Het ware beter, dat hij aan zijn lichaam gedeerd ware dan aan zijn goeden naam. Nu zal men in Ujjayinî zóó spreken: „Uit armoede heeft zelfs de edele heer zulk een misdaad bedreven.” (Ten hemel ziende en zuchtend.) Verheven Noodlot, gij speelt met het lot der armen, dat onbestendig is, als de op het lotusblad gevallen waterdroppel. Ik heb nog alleen een paarlensnoer, afkomstig uit het huis mijner moeder. Maar mijn gemaal zal het uit al te groote edelmoedigheid niet willen aannemen. Meisje, roep den edelen Maitreya eens.

[51]

Slavin.

Zooals de edele vrouwe beveelt. (Tot den Vidûshaka gaande.) Edele Maitreya, Mevrouw roept U.

Vidûshaka.

Waar is zij?

Slavin.

Hier is zij; kom nader.

Vidûshaka (naderend).

Heil U.

Vrouw.

Edele, ik groet U; Edele, wend mij uw gelaat toe.

Vidûshaka.

Zie, ik heb U mijn gelaat toegewend.

Vrouw.

Edele, neem dit.

Vidûshaka.

Geachte, wat is dit?

Vrouw.

Edele, ik heb namelijk voor een Ratnashashthi-gelofte* gevast; daarbij moet men naar gelang van zijn vermogen een Brahmaan begiftigen en deze is niet begiftigd, neem dus daarvoor dit paarlensnoer.

Vidûshaka (het nemend).

Ik dank U. Ik zal het mijn lieven vriend gaan mededeelen.

Vrouw.

Edele Maitreya, maak hem toch niet beschaamd. (Af.)

Vidûshaka (verwonderd).

Hoe groot is haar edelmoedigheid!

Cârudatta.

Wat blijft Maitreya lang weg. Als hij in zijn verwarring maar niets onbehoorlijks doet. Maitreya! Maitreya!

Vidûshaka (nader komend).

Hier ben ik, neem dit. (Toont het paarlensnoer.)

Cârudatta.

Wat is dat?

Vidûshaka.

Wel, vriend, het is het loon daarvoor, dat ge een vrouw ten huwelijk naamt, die uwer waardig is.

Cârudatta.

Hoe, de Brahmaansche ontfermt zich mijner. Ach, thans ben ik eerst arm!

Wiens goed door eigen lot heenging,

wie deernis vindt bij ’t goed der vrouw,

Die man is vrouw in werk’lijkheid,

die vrouw in werk’lijkheid een man!

[52]

Maar neen, ik ben niet arm; want ik bezit:

’n Vrouw, tegen rijkdom opwegend,

en U, in lief en leed een vriend,

En niet te loor ging d’eerlijkheid,

die moeilijk men bij armen vindt.

Maitreya, ga met dit paarlensnoer naar het huis van Vasantasenâ en zeg haar uit mijn naam: „Daar wij het goudkistje, in goed vertrouwen als ons eigen beschouwende, bij het spel hebben verloren, moet ge in plaats daarvan dit paarlensnoer aannemen.”

Vidûshaka.

Maar ge wilt toch niet voor iets, dat we niet hebben verteerd, dat we niet hebben opgegeten, iets van weinig waarde, dat door de dieven is meegenomen, een paarlensnoer geven, het puik der vier oceanen!

Cârudatta.

Vriend, spreek niet aldus!

Daar zij, geloof in ons stellend,

haar sieraad ons heeft toebetrouwd,

Wordt voor dat groote vertrouwen,

dit als belooning haar vereerd.

Dus, vriend, met aanraking van mijn lichaam bezweer ik U, keer hier niet terug, vóór gij haar bewogen hebt, het aan te nemen. Vardhamânaka, maak spoedig met deze tegels de opening weer goed dicht. Ik wil des vorsten wachters ontwijken, wier gebreken veelal worden gelaakt. Vriend Maitreya, ge moet niet erbarmelijk, maar met zelfvertrouwen spreken.

Vidûshaka.

Wel, spreekt een arme dan niet erbarmelijk?

Cârudatta.

Ik ben niet arm, vriend, want ik bezit:

’n Vrouw, tegen rijkdom opwegend,

en U, in lief en leed een vriend,

En niet te loor ging d’eerlijkheid,

die moeilijk men bij armen vindt.

Ga dus. Ik zal intusschen, na volbrachte reiniging, de Morgenschemering vereeren.* (Allen af.)

Aldus in „Het leemen Wagentje”
het derde Bedrijf,
„De Inbraak”
genaamd.

[53]