Slavin (opkomend).
Door haar moeder is mij gelast, tot de Jonkvrouw te gaan. Daar staat de Jonkvrouw met Madanikâ iets te bespreken, terwijl zij den blik op een portret laat rusten. Laat ik nader gaan. (Gaat het tooneel rond. Dan treedt Vasantasenâ met Madanikâ op, in den aangeduiden toestand.)
Vasantasenâ.
Meisje Madanikâ, is dit portret van den edelen Cârudatta goed gelijkend?
Madanikâ.
Zeer gelijkend.
Vasantasenâ.
Hoe weet ge dat?
Madanikâ.
Doordat het oog der Jonkvrouw er zóó vol liefde op is gevestigd.
Vasantasenâ.
Meisje, spreekt ge aldus uit die vriendelijkheid, Madanikâ, die het bordeel eigen is?
Madanikâ.
Jonkvrouw, is de vriendelijkheid dan valsch van hen, die in een bordeel wonen?
Vasantasenâ.
Meisje, door den omgang met verschillende mannen moet de vriendelijkheid van hetaeren wel valsch worden.
Madanikâ.
Daar nu het oog der Jonkvrouw zich hier verlustigt en ook haar hart, wat behoeft men dan nog naar de oorzaak daarvan te vragen?
Vasantasenâ.
Meisje, ik wil mij hoeden voor de bespotting van mijn vriendinnen.
[54]
Madanikâ.
Jonkvrouw, die behoeft ge niet te vreezen. Vrouwen gevoelen mede met haar vriendinnen.
De vorige slavin (nader komend).
Jonkvrouw, uw moeder laat U weten: „Een gesloten wagen staat voor de zijdeur gereed; ga dus.”
Vasantasenâ.
Meisje, laat de edele Cârudatta mij afhalen?
Slavin.
Jonkvrouw, hij, die U met dien wagen sieraden ter waarde van honderdduizend suvarna’s zendt.….
Vasantasenâ.
Wie is dat dan?
Slavin.
Is niemand anders dan des konings zwager Samsthânaka.
Vasantasenâ (toornig).
Ga heen, opdat ge niet weer zoo moogt spreken.
Slavin.
Vergeef mij, vergeef mij, Jonkvrouw, met die boodschap ben ik gezonden.
Vasantasenâ.
Juist om die boodschap ben ik boos.
Slavin.
Wat moet ik dan uw moeder antwoorden?
Vasantasenâ.
Ge moet dit antwoorden, dat, indien zij wenscht, dat ik leef, mijn moeder mij niet weer zulk een bevel moet zenden.
Slavin.
Zooals U behaagt. (Af.)
Çarvilaka (komt op).
Nu ’k van de misdaad aan den nacht de schuld gaf,
Den slaap verwonnen heb en ’s vorsten wachters,
Ben ’k, daar de nacht week, als de maan geworden,
Gering van stralen bij der zon verrijzen.
En ook:
Wie ook, verhaast ik mijne schreden†, mij even aanziet,
Of snel mij nader komt, terwijl ik verbijsterd staan blijf,
Argwaan gevoelt jegens een ieder mijn schuldig harte;
Immers beangstigd wordt de mensch door zijn eigen zonden.
Ik heb toch ter wille van Madanikâ een vermetele daad verricht. [55]
Een man, met zijn bedienden in gesprek, ging ’k stil voorbij;
Waar ik een huis zag, door een vrouw beheerd, vermeed ik ’t steeds;
En kwam mij ’s vorsten macht op zij, dan stond ik als een paal.
Door honderd zulke listen is de nacht tot dag gemaakt.
(Hij gaat het tooneel rond.)
Vasantasenâ.
Meisje, leg dit portret op mijn rustbed, haal een waaier en kom dan vlug weer hier.
Madanikâ.
Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Neemt het schilderstuk en treedt af.)
Çarvilaka.
Dit is het huis van Vasantasenâ, laat ik dus binnengaan. (Binnentredend.) Waar zal ik nu Madanikâ te zien krijgen?
(Dan komt Madanikâ op, met een waaier in de hand.)
Çarvilaka (haar ziende).
Wel, daar is Madanikâ!
Zelfs Madana* in deugden overtreffend,
En stralend als de lijfelijke Wellust,
Schijnt zij mijn hart, verzengd door ’t vuur der liefde,
Geheel en al met sandel te verkoelen.
Madanikâ, Madanikâ!
Madanikâ (hem ziende).
Wel kijk, daar is Çarvilaka. Çarvilaka, wees welkom. Waar gaat ge heen?
Çarvilaka.
Ik zal het U vertellen. (Zij zien elkander vol liefde aan.)
Vasantasenâ.
Madanikâ blijft lang weg, waar zou ze toch zijn? (Door het venster ziende.) Wel, daar staat ze met een man te praten, en daar zij, met innigen, onbeweeglijken blik hem als indrinkend, in zijn aanschouwing is verzonken, vermoed ik, dat die man haar wenscht vrij te koopen. Laat zij dan genieten, laat zij genieten. Men mag niet iemands vreugde verstoren, dus zal ik haar niet roepen.
Madanikâ.
Çarvilaka, vertel het. (Çarvilaka ziet bevreesd naar alle richtingen.)
Madanikâ.
Çarvilaka, wat is er toch, ge schijnt wel bevreesd.
Çarvilaka.
Ik wil U een geheim vertellen. Zijn wij hier alleen?
Madanikâ.
Zeker.
[56]
Vasantasenâ.
Hoe, is het een diep geheim? dan zal ik niet luisteren.
Çarvilaka.
Madanikâ, zou Vasantasenâ U voor losgeld vrijlaten?
Vasantasenâ.
Hoe, zijn verhaal heeft betrekking op mij, dan zal ik toch luisteren.
Madanikâ.
Çarvilaka, toen ik het de Jonkvrouw vroeg, zeide zij: „Indien het mijn zaak was, zou ik zonder losgeld alle bedienden vrijlaten.” Maar, Çarvilaka, hoe komt ge aan zooveel geld, dat ge mij daarmede van de Jonkvrouw kunt loskoopen?
Çarvilaka.
Overweldigd door armoede,
en door liefde tot U vervolgd,
Heb ik om uwentwil, schucht’re,
deez’ nacht een stoute daad verricht.
Vasantasenâ.
Rustig is zijn voorkomen en toch, daar hij een vermetele daad bedreef, afschrikwekkend.
Madanikâ.
Çarvilaka, om zulk een nietigheid als een vrouw, hebt ge twee dingen in gevaar gebracht.
Çarvilaka.
Wat dan?
Madanikâ.
Uw persoon en uw goeden naam.
Çarvilaka.
Onervarene, in de vermetele daad woont de Fortuin!
Madanikâ.
Çarvilaka, gij zijt iemand van onbevlekt karakter, dus zult ge toch zeker wel niet—om mijnentwil een vermetele daad bedrijvend—iets hebben gedaan, wat volkomen met alle recht in strijd is.†
Çarvilaka.
Nimmer zal ik een vrouw berooven, die, getooid,
een bloeiende rank gelijkt,
Noch ook neem ik des priesters have, of het goud,
tot of’ren bijeengegaard,
Zoo steel ik evenmin, begeerende naar geld,
’t kind, liggend in voedsters schoot,
Mijn geest zelfs bij den diefstal immer overweegt,
wat al of niet voegzaam is.
[57]
Wil dus Vasantasenâ melden:
„Dit sieraad, dat naar den maatstaf
van uw lichaam vervaardigd schijnt,
Moet g’uit liefde tot mij dragen,
maar zorg, dat gij het niemand toont.”
Madanikâ.
Çarvilaka, sieraden niet vertoonen! dat past slecht bij onzen stand.† Maar laat mij die sieraden eens zien.
Çarvilaka.
Hier zijn de sieraden. (Reikt ze haar bevreesd over.)
Madanikâ (ze beschouwend).
Çarvilaka, het is me, of ik die sieraden meer heb gezien; zeg eens, vanwaar zijn ze?
Çarvilaka.
Madanikâ, wat hebt gij daarmede noodig; neem ze.
Madanikâ (toornig).
Als ge me niet vertrouwt, waarom wilt ge me dan loskoopen?
Çarvilaka.
Welnu, toen het dag werd, heb ik in de wijk der gildemeesters gehoord, dat ze van den veemheer Cârudatta.… (Bij deze woorden doen Vasantasenâ en Madanikâ of zij in zwijm vallen.)
Çarvilaka.
Madanikâ, kom tot bezinning, kom tot bezinning! Hoe komt het, dat gij thans
Alle leden van vrees bevend,
’t oog van ontsteltenis verward,
Wijl ik U wilde vrijmaken,†
siddert van angst, maar niet om mij.
Madanikâ (tot bezinning komend).
Vermetele, ge hebt toch niet, om mijnentwil die misdaad bedrijvend, in dat huis iemand gedood of gewond?
Çarvilaka.
Madanikâ, bevreesden en slapenden treft Çarvilaka niet. Dus heb ik daar niemand gedood noch ook gewond.
Madanikâ.
Waarlijk?
Çarvilaka.
Waarlijk.
Vasantasenâ (het bewustzijn herkrijgend).
Ah, ik ben herleefd.
Madanikâ.
Gelukkig!
[58]
Çarvilaka (met ijverzucht).
Madanikâ, wat beteekent dat „gelukkig”?
Mijn hart verstrikt van uwe liefde, bedrijf ik misdaad,
Een stam van vaderen ontsproten, van vromen wandel.
Mijn trots behoud ik, zij voor hartstocht mijn deugd bezweken;
Maar gij, die valschlijk mij uw vriend noemt, bezoekt een ander.
(Veelbeteekenend.)
Vasantasenâ (glimlachend).
Wel, wat is zijn opgewondenheid misplaatst!
Çarvilaka.
Voor onervaren ik die mannen houde,
die in de vrouw en de Fortuin vertrouwen,
Daar toch Fortuin en evenzoo de vrouwen
den kronkelgang gaan van de slangenjonkvrouw.†
Dat nimmer men voor vrouwen hartstocht voede!
want vrouwen den verliefden man verachten.
Bemin de vrouw, die zelve liefde koestert,
maar, zoo zij onverschillig is, verlaat haar.
Om winstbejag zij nu eens lachen en dan weer weenen;
Hem, wiens vertrouwen ze verwierven, ze niet vertrouwen.
Een man dan, edel van karakter en van geboorte,
Ontwijke immer de hetaeren, als grafstee-bloemen.†
En ook:
Als oceaans golven van aard beweeglijk,
als scheem’rings wolkstreep slechts een wijl’ ontgloeiend,
Verlaat de vrouw, als lak, dat uitgeperst is,
den man, dien zij beroofd heeft van zijn rijkdom.†
Voorwaar, de vrouwen zijn wuft!
Den éénen man zij in het harte dragen,
met d’ oogen zij den tweeden tot zich lokken,
Een derde weer doet haren lust ontvlammen,
en met het lichaam zij den vierden minnen.†
[59]
Goed gezegd is door iemand:
Er wast geen lotus op den top der bergen;
den last van ’t ros kunnen geen ezels dragen;
Er zal geen rijst groeien, waar gerst gestrooid is;
zoo wordt geen vrouw rein, in ’t bordeel geboren.
O boosaardige Cârudatta, verwenschte! niet langer zult ge leven! (Doet eenige schreden.)
Madanikâ (den zoom van zijn gewaad vattend).
Ach, gij met uw ongerijmde taal! over iets ondenkbaars† wordt ge toornig.
Çarvilaka.
En waarom dan wel iets ondenkbaars?
Madanikâ.
Deze sieraden behooren immers aan de Jonkvrouw.
Çarvilaka.
Wat dan?
Madanikâ.
En waren aan de handen van den edelen heer toevertrouwd.
Çarvilaka.
Waarom?
Madanikâ (aan zijn oor).
Wel, daarom.
Çarvilaka (beschaamd).
Helaas! den tak, in wiens schaduw
ik voor de hitte toevlucht zocht,
Juist dien tak heb ik onwetend
van zijn gebladerte beroofd.
Vasantasenâ.
Hoe, ook deze is bedroefd. Dus in onwetendheid heeft hij zoo gehandeld.
Çarvilaka.
Madanikâ, wat is nu geraden?
Madanikâ.
Hierin zijt gij zelve ervaren.
Çarvilaka.
Niet aldus! zie:
De vrouwen zijn toch, in waarheid,
alreede van nature wijs;
De wijsheid echter der mannen
wordt uit de boeken aangeleerd.
Madanikâ.
Çarvilaka, indien mijn woord wordt gehoord, dan moet ge ze dien edelmoedige teruggeven.
[60]
Çarvilaka.
Madanikâ, en wanneer hij mij dan eens aan het paleis gaat aangeven?
Madanikâ.
Van de Maan komt geen hitte.
Vasantasenâ.
Mooi zoo, Madanikâ, mooi zoo!
Çarvilaka.
Madanikâ!
In mij is toch geen angst of vrees bij deze misdaad,
Waartoe vermeldt ge dan de deugden van dien brave?
Maar zelfs in mij wekt die verfoeide daad beschaming;
Wat deed de vorst dan wel met schelmen, zooals ik ben!
Toch is dit in strijd met de levenswijsheid, ge moet een ander middel bedenken.
Madanikâ.
Dit is een ander middel.
Vasantasenâ.
Wat zal dat andere middel wel zijn?
Madanikâ.
Ge moet, even alsof ge een dienaar van den edelen heer waart, die sieraden aan de Jonkvrouw brengen.
Çarvilaka.
En wanneer dat gedaan is, wat dan?
Madanikâ.
Dan zijt gij geen dief, de edele heer is vrij van zijn verplichting en de Jonkvrouw heeft de sieraden, haar eigen goed, teruggekregen.
Çarvilaka.
Maar is dat niet al te gewaagd?
Madanikâ.
Kom, breng ze haar, anders is het al te gewaagd.
Vasantasenâ.
Mooi zoo, Madanikâ, mooi zoo! dat is gesproken als een vrijgeboorne.
Çarvilaka.
Groot inzicht heb ik verworven,
wijl ik mij richtte naar uw raad;
Een gids is moeilijk te vinden
des nachts, wanneer de maan verdween.
Madanikâ.
Wacht gij dan een oogenblikje in dit huis van Kâmadeva, terwijl ik de Jonkvrouw uw komst bericht.
Çarvilaka.
Zoo zij het.
[61]
Madanikâ (haar naderend).
Jonkvrouw, er is, vanwege den edelen Cârudatta, een Brahmaan hier gekomen.
Vasantasenâ.
Meisje, hoe weet ge, dat hij bij hem behoort?
Madanikâ.
Jonkvrouw, zou ik hem niet kennen, die bij mij zelf behoort?
Vasantasenâ (het hoofd schuddend, lachend, bij zich zelf).
Dat komt uit. (Luid.) Laat hij binnenkomen.
Madanikâ.
Gelijk de Jonkvrouw beveelt. (Tot hem gaande.) Kom binnen, Çarvilaka.
Çarvilaka. (verlegen naderend).
Heil U.
Vasantasenâ.
Edele, ik groet U; UEd. neme plaats.
Çarvilaka.
De veemheer doet U weten: „Door de bouwvalligheid van mijn huis valt het mij moeilijk, dit kistje te bewaren. Wil het dus nemen.” (Hij overhandigt het aan Madanikâ en staat op om heen te gaan.)
Vasantasenâ.
Edele, U moet ook mijn antwoord overbrengen.
Çarvilaka (bij zich zelf).
Wie zal dat overbrengen? (Luid.) Welk antwoord?
Vasantasenâ.
UEd. moet Madanikâ medenemen.
Çarvilaka.
Geachte, dat begrijp ik niet.
Vasantasenâ.
Maar ik begrijp het.
Çarvilaka.
Hoe dan?
Vasantasenâ.
De edele Cârudatta heeft tot mij gezegd: „Aan hem, die deze sieraden zal terugbrengen, moet ge Madanikâ geven.” Dus hij geeft U haar, zóó moet UEd. het opvatten.
Çarvilaka (bij zich zelf).
Zij heeft mij doorzien. (Luid.) Bravo, edele Cârudatta, bravo!
Zij toch op deugdzaamheid alleen
der menschen streven steeds gericht;
Met deugd voorzien is zelfs d’arme
meer dan de rijke zonder deugd.
[62]
En ook:
Naar deugdzaamheid zij steeds des menschen streven!
met deugdzaamheid is alles te bereiken.
Heeft niet door overmaat van deugd de Maan zich
gezet op Çambhu’s ongenaakbaar voorhoofd!*
Vasantasenâ.
Hé daar, voerman!
Slaaf (opkomend met een wagen).
Jonkvrouw, de wagen is gereed.
Vasantasenâ.
Meisje, Madanikâ, zie mij goed aan, ge zijt ten huwelijk gegeven, bestijg den wagen, en denk aan mij.
Madanikâ (weenend).
Ik ben door de Jonkvrouw verlaten. (Valt haar te voet.)
Vasantasenâ.
Nu moet men U met eerbied groeten, ga dan, bestijg den wagen en denk aan mij.
Çarvilaka.
Heil U!—Madanikâ,
Nu moet ge deze goed aanzien,
eerbiedig neigen ’t hoofd voor haar,
Die U schonk ’t moeilijk verkrijgb’re:
de wijl’ en naam van gemalin.*
(Dan bestijgt hij met Madanikâ den wagen en begint voort te rijden.)
Stem achter het tooneel.
Hé daar, hé! De koningszwager maakt bekend: „Die jonge koeherder ′Aryaka is door koning Pâlaka uit vrees, dat men geloof zoude slaan aan de voorspelling,† dat hij koning zal worden, van het veepark heengevoerd en in een gruwlijken kerker gekluisterd. Blijft dus allen zorgvuldig op uw post.”
Çarvilaka (het hoorend).
Hoe, door koning Pâlaka is mijn lieve vriend ′Aryaka gebonden. En juist ben ik een vrouw rijk geworden. Helaas! En toch:
Twee dingen zijn op aarde boven alles
den mannen lief: de vriend en de beminde.
In dezen echter is de vriend mij verre
zelfs boven honderd schoonen te verkiezen.
Komaan, ik stap uit. (Hij stapt uit.)
Madanikâ (weenend de handen opheffend).
Dat is voorzeker zoo, maar dan brenge mijn edele gemaal mij ten minste bij achtenswaardige lieden†.
Çarvilaka.
Juist, geliefde, juist, overeenkomstig onze gedachte hebt ge gesproken. (Tot den slaaf.) Hé daar, weet ge het huis van Rebhila den veemheer?
[63]
Slaaf.
Zeker.
Çarvilaka.
Breng daar mijn liefste heen.
Slaaf.
Zooals UEd. beveelt.
Madanikâ.
Gelijk mijn edele gemaal zegt. Maar mijn edele gemaal zij toch voorzichtig. (Af.)
Çarvilaka.
Thans zal ik
Verwanten, hovelingen, allen, die roem verwierven
Door eigen arm en wie vergramd door des konings hoon zij
Van ’s vorsten dienaars,—tot bevrijding mijns vriends bewegen,
Yaugandharâyana gelijk, zijnen vorst bevrijdend.*
En ook:
Den lieven vriend, die zonder reden is gegrepen
Door vijanden, onedel, voor zich zelve duchtend,
Zal ’k, met onstuimigheid aanvallende, bevrijden,
Terwijl hij als de maanschijf is in Râhu’s kaken.* (Af.)
Slavin (komt op).
Jonkvrouw, door het lot wordt ge begunstigd: van wege den edelen Cârudatta is er een Brahmaan aangekomen.
Vasantasenâ.
O, hoe lief’lijk is de dag van heden! Nu, meisje, leid hem, door een bandhula vergezeld, eerbiedig binnen.
Slavin.
Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)
(De Vidûshaka komt op met een bandhula.)
Vidûshaka.
Wel, kijk eens aan! De demonen-koning Râvana wordt gevoerd door den luchtwagen Pushpaka, dien hij door pijnigende zelfkastijding heeft gewonnen, maar ik, Brahmaan, die niet eens pijnigende zelfkastijding heb bedreven, word gevoerd door bajaderen.
Slavin.
Zie, edele heer, onze huispoort.
Vidûshaka (ze aanschouwend, verbaasd).
O zie! met water besproeid en gereinigd en bestreken met geel; met een terras, bont door allerlei bloemen; uit begeerte naar den aanblik des hemels het hoofd hoog verheffend; versierd met als Airâvana’s* schommelend neerhangende slurf slingerende jasmijn-guirlanden; met verheven, elpenbeenen boog verlucht; met een menigte heilbanieren getooid, die, van saffloer-verven schitterend, met door den wind slingerende, dartelende, wapperende vingeren, mij schijnen toe te roepen: „Kom binnen”; aan beide zijden verrukkelijk [64]door op het voetstuk der boog-dragende zuilen geplaatste, met glansend-gele mangotwijgen gesierde, kristallen prachtvazen; met deurvleugels van goud, dicht bezet met diamant, onsplijtbaar als van een grooten Asura* de gewelfde borst; van arme lieden de begeerte prikkelend—hoe heerlijk is die poort van Vasantasenâ’s woning! In waarheid, ook van een onverschillig mensch trekt zij met geweld den blik tot zich.
Slavin.
Dit is de eerste hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend).
Wel, kijk eens aan! een reeks van torentjes, als maan, schelp en lotuswortel van doorschijnenden glans; witachtig door een weinig daarover gestrooid poeder;† prijkend met trappen van goud, ingelegd met allerlei juweelen—schijnen met de maanvormige openingen hunner kristallen vensters, waaruit parelsnoeren nederhangen, in aanschouwing van Ujjayinî verzonken. Als een geleerd Brahmaan, gemakkelijk nederzittend, dommelt de poortwachter. Door rijstebrij met zure melk gelokt, eten de kraaien niet de offergave, daar deze in kleur pleisterkalk gelijkt.—Ga voort, Geachte.
Slavin.
Kom dan, Edele, dit is de tweede hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Wel, kijk eens aan! hier in den tweeden hof staan, goed gevoed met beten gras en kaf uit den omtrek aangevoerd†, met sesam-olie de hoornen gezalfd, trekstieren vastgebonden. Die ééne† stier zucht diep als iemand van goeden huize, die geminacht wordt. En hier als van een worstelaar, na afloop van den strijd, wordt van een ram de nek gewreven. Daar ginds weer worden van paarden de manen opgemaakt. En daar, als een dief stevig vastgebonden, zit in den paardenstal een aap. (Elders heenziende.) En daar wordt met een kluit, waarin gekookte rijst, merg en sesam-olie zijn dooreengemengd, een olifant door de kornaks gevoederd.—Ga voort, Geachte.
Slavin.
Kom dan, Edele, dit is de derde hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Wel, kijk eens aan! hier in den derden hof zijn voor de zonen van goeden huize deze zetels gereed gemaakt. Op de speeltafel ligt een half-doorgelezen handschrift. Van echt-juweelen figuren† is de speeltafel voorzien. En ginds, in der Minne bond en oorlog bedreven, schilderstukken, met allerlei kleuren bestreken, in de hand houdend, zwerven her- en derwaarts hetaeren rond, van oude hovelingen vergezeld.—Ga voort, Geachte.
Slavin.
Kom dan, Edele, dit is de vierde hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Wel, kijk eens aan! hier in den vierden hof, door jonge-meisjeshanden geslagen, dreunen met diepen klank, als onweerswolken, de trommen,—als [65]sterren, wier goede werken zijn uitgeput, van den hemel, zóó vallen de cimbalen; als der bijen gonzen lieflijk, weerklinkt de rietfluit. En daar, als eene door ijverzucht en liefde vertoornde minnares op schoot genomen, wordt door den greep der nagelen de luit getokkeld. En ginds, gelijk door bloemensap bedwelmde honingbijen, hebben hetaerenmeisjes een zeer liefelijk gezang aangeheven, er wordt gedanst, een tooneelspel wordt voorgedragen van verliefden toon. Schommelend in de ronde vensters, vangen waterkruiken den wind.—Ga voort, Geachte.
Slavin.
Kom dan, Edele, dit is de vijfde hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Wel, kijk eens aan! hier in den vijfden hof lokt mij, van arme lieden de begeerte wekkend, een overvloedige geur van hingu* en sesam-olie. Door de deurmonden, die allerlei welriekende dampen uitwasemen, schijnt de keuken, die bestendig wordt verhit, te zuchten. De geur van de velerlei spijzen, die hier worden toebereid, doet mij eerbiedig nader treden.† Daar spoelt een mooie jongen een darm uit, alsof het een oud kleed ware. De kok bereidt een verscheidenheid van velerlei gerechten. Taarten laat men rijzen†, koeken worden gebakken. (Bij zich zelf.) Zal ik nu hier voetwater krijgen met de woorden: „Eet één die gerezen is.”† (Elders heenziende.) En ginds die met allerlei sieraad getooide hetaeren en bandhula’s, welke zijn als Gandharva- en Apsaras-scharen*†, maken in waarheid dit huis tot een hemel. Wel, wie zijt gij, die bandhula’s genoemd wordt?
De bandhula’s.
Wel, wij bandhula’s,
In een vreemd huis gekoesterd en met vreemde rijst gevoed,
Door vreemde mannen voortgebracht bij vreemde vrouwen,
Met vreemd geld ons verheugend,—zoo wij schulden maken†
Niet laakbaar,—dartelen als jonge olifanten.
Vidûshaka.
Ga voort, Geachte.
Slavin.
Kom dan, Edele, dit is de zesde hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Wel, kijk eens aan! hier in den zesden hof geschiedt de bewerking van goud en edelgesteenten; bogen, met saffier ingelegd, vertoonen de gestalte van den regenboog. Berillen, paarlen, koraal, topazen, saffieren, chalcedonen, robijnen, smaragden, ja, allerlei juweelen wegen de kunstenaars tegen elkander af. Robijnen worden in goud gevat, gouden sieraden worden vervaardigd, aan een rooden draad worden parelsnoeren geregen, berillen worden kunstig geslepen, schelpen worden doorboord, koralen worden op een steen gewreven, uitgespreide versche saffraan wordt gedroogd. Muskus wordt bevochtigd, sandelwater uitgeperst, reukwerken worden saamgevoegd. Aan de hetaeren en haar minnaars wordt betel met kamfer gegeven, men ziet elkander van ter zijde aan, er weerklinkt gelach, men slurpt onophoudelijk [66]likeur. Hier zijn slaven, daar slavinnen; en gindsche mannen, zoon, vrouw en goed versmadend, drinken bekers likeur, die door de hetaeren, wanneer zij gedronken hebben, zijn losgelaten,†—Ga voort, Geachte.
Slavin.
Kom dan, Edele, dit is de zevende hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Wel, kijk eens aan! hier in den zevenden hof in een goed gesloten volière behaaglijk nederzittend, verheugen zich de tortelduivenparen, wier grootste vreugde is elkaar te kussen. Als een Brahmaan, die met melkkost zich den buik gevuld heeft, reciteert de papegaai in zijn kooi een schoone spreuk. En ginds weer als een huisslavin, die door haar meester te eeren vrijheid van spreken heeft gekregen, babbelt druk de madana-ekster†. De keel gestreeld door den smaak van verscheidene vruchtensappen, kweelt als een lichtekooi de koekoek; opgehangen aan olifantstanden zijn rijen kooien; kwartels laat men vechten; hazelhoenders in kooien laat men kakelen; tamme duiven worden uitgezonden. Her- en derwaarts vroolijk huppelend en als getooid met velerlei juweelen, schijnt die huispauw het dak, gloeiend door de zonnestralen, met de slagen zijner vleugels te verkoelen. (Elders heenziende.) Daar als verdichte maanstralen zwerven flamingo-paren achter de verliefden, wier gang zij schijnen aan te leeren. En ginds weer als oude eunuchen wandelen tamme reigers rond. Wel, kijk eens aan! daar wordt een hetaere op de vlucht gedreven door zwermen van allerlei vogels.† In waarheid toch, als de lusthof Nandana* schijnt mij het huis der hetaere.—Ga voort, Geachte.
Slavin.
Kom dan, Edele, dit is de achtste hof, UEd. trede binnen.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Geachte, wie is die man, met een mantel van laken bekleed, en overladen met een wonderlijke menigte van sieraden, die, wankelend door het draaien zijner ledematen†, daar heen en weer wandelt?
Slavin.
Edele, dat is de broeder der Jonkvrouw.
Vidûshaka.
Hoe groote zelfkastijding heeft hij wel bedreven, om Vasantasenâ’s broeder te worden! En toch—neen, ook al is hij schitterend en glimmend en welriekend, toch moet men hem schuwen als een campaka-boom*, die aan den weg der begraafplaats is ontsproten. (Elders heenziende.) Geachte, wie is toch die vrouw, die met een gebloemden† mantel bekleed, en de van olie glibberige voeten in een paar muilen gestoken, op een hoogen zetel is gezeten?
Slavin.
Edele, wel, dat is de moeder van onze Jonkvrouw.
[67]
Vidûshaka.
O hé, wat heeft die onreine heks een omvang van buik! Heeft men haar dan als een beeld van den Grooten God* hier in huis gebracht, vóórdat die pracht van een poort was gebouwd?
Slavin.
Deugniet, ge moogt ons moedertje niet zoo beschimpen. Zij lijdt aan derdendaagsche koorts.
Vidûshaka (spottend).
O heilige derdendaagsche koorts, zie ook op mij, Brahmaan, met zulk een welwillenden blik neder!
Slavin.
Deugniet, sterven zult ge!
Vidûshaka (spottend).
O slavinnendochter, het ware beter, dat zulk een opgezwollen, vette buik stierf:
Door zich aan brandewijn, rum en zulk voedertje†
steeds te bedrinken, geraakte toch moedertje
In zulk een toestand en sterft er eens moedertje,
dan is voor duizenden jakhalzen voedertje.
Geachte, varen bij U ook schepen?
Slavin.
Edele, wel neen.
Vidûshaka.
Maar wat vraag ik nog! Op den oceaan der liefde, waarvan teederheid het water is, zijn uw bekoorlijkheden schepen, die den geest ontvoeren.† Nu ik dus Vasantasenâ’s achthovig paleis, zoo rijk aan tafereelen, heb gezien, meen ik, in waarheid, als op één plaats vereenigd, Indra’s drie hemelen te hebben aanschouwd; het te prijzen vermag mijn stem niet. Is dit een hetaeren-huis of is het een afbeeldsel van Kuvera’s* woning? Waar is uw Meesteres?
Slavin.
Edele, zij bevindt zich in den boomhof, treed dus binnen, edele heer.
Vidûshaka (binnentredend en rondziende).
Wel, kijk eens aan! De pracht van den boomhof, met vele boomen, beladen met een overvloed van wonderbare bloesems†, met zijden schommels, aan den voet van naburige boomen aangebracht naar de maat van de heupen der jonge meisjes†, schijnt in waarheid door suvarnayûthikâ, çephâlikâ, mâlatî, mallikâ, navamallikâ, kuravaka, atimuktaka* en andere bloemen, die van zelf zijn neergevallen, de pracht van Nandanavana* te overtreffen. (Elders heenziende.) En daar met waterrozen en roode lotusbloemen, die de opkomende zon in glans gelijken, schijnt in mijmering verdiept de vijver.†
En die açoka-boom*, met pas ontloken bloem en twijgen, schittert
Als een goed krijgsman in den strijd, met dikke laag geronnen bloed bedekt.
Geachte, waar is nu uw Meesteres?
[68]
Slavin.
Edele, sla uw blik neder, en aanschouw de Jonkvrouw.
Vidûshaka (haar ziende en nader tredend).
Heil U, Geachte.
Vasantasenâ.
Wel zie,—Maitreya! (Opstaande.) Welkom, hier is een zetel, wil plaats nemen.
Vidûshaka.
Wil plaats nemen, Geachte. (Beiden nemen plaats.)
Vasantasenâ.
Is de veemheerszoon welvarend?
Vidûshaka.
Geachte, hij is welvarend.
Vasantasenâ.
Edele Maitreya, biedt nog heden
Die braafheidsboom, door zijne deugden vruchtrijk,
wiens twijg is deugdzaamheid, wiens tak betamen.
Wiens bloesem ’t loflijke, wiens wortel trouw is,
een goede schuilplaats aan de vogels „vrienden”?
Vidûshaka (bij zich zelf).
Goed uitgedrukt door de verwenschte deerne! (Luid.) Zeker.
Vasantasenâ.
Welnu, wat is de reden van uw komst?
Vidûshaka.
Luister, Geachte. Die achtenswaardige, Cârudatta, U eerbiedig groetend, doet U weten.…
Vasantasenâ (de handen opheffend).
Wat beveelt hij?
Vidûshaka.
„Ik heb het goudkistje, het in goed vertrouwen als mijn eigen goed beschouwend, bij het spel verloren en de bankhouder is met een opdracht des konings, men weet niet waarheen gegaan.”
Slavin.
Jonkvrouw, ik wensch U geluk, de edele heer is een speler geworden.
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Hoe, terwijl het door een dief is meegenomen, zegt hij uit grootmoedigheid: „Ik heb het bij het spel verloren.” Daarom juist heb ik hem lief.
Vidûshaka.
„Neem dus daarvoor, Geachte, dit paarlensnoer.”
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Zal ik hem de sieraden toonen? Maar neen, nog niet.
[69]
Vidûshaka.
U neemt dit paarlensnoer zeker niet aan?
Vasantasenâ (lachend hare gezellin aanziende).
Maitreya, waarom zou ik het paarlensnoer niet aannemen? (Zij neemt het en legt het ter zijde; bij zich zelf.) Hoe, van den mango-boom, schoon hij zijn bloesem verloor, vallen droppels bloemensap neder. (Luid.) Edele, meld den speler, den edelen Cârudatta uit mijn naam: „Ik kom vanavond den edelen heer bezoeken.”
Vidûshaka (bij zich zelf).
Wat zal ze dan weer meenemen? (Luid.) Geachte, ik zal het zeggen. (Bij zich zelf.) Hij moet van die neiging tot hetaeren† worden afgebracht. (Af.)
Vasantasenâ.
Meisje, neem dit sieraad; wij gaan Cârudatta verheugen.
Slavin.
Jonkvrouw, zie toch, er komt een ontijdig* onweder opzetten.
Vasantasenâ.
Laten wolken dan verrijzen,
’t worde nacht, vall’ onverpoosd de regen,
’k Tel het alles niet in ’t minste,
met het hart gekeerd naar den geliefde.
Meisje, kom met het paarlensnoer heel vlug weer hier. (Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het vierde Bedrijf,
„Madanikâ en
Çarvilaka”
genaamd.
[70]