[Inhoud]

Wagentje met twee koeien aan weerszijden.

Slavin (opkomend).

Hoe, de Jonkvrouw is nog niet ontwaakt. Kom, ik zal naar binnen gaan en haar wekken. (Gaat het tooneel rond; dan vertoont zich, het lichaam toegedekt, ingeslapen, Vasantasenâ.)

Slavin.

Sta op, sta op, Jonkvrouw, het is dag geworden.

Vasantasenâ (ontwakend).

Hoe, is de nacht reeds dag geworden?

Slavin.

Voor ons is het dag, maar voor de Jonkvrouw nacht.

Vasantasenâ.

Meisje, waar is onze speler?

Slavin.

Jonkvrouw, nadat hij Vardharmânaka zijn bevelen had gegeven, is de edele Cârudatta naar het oude park Pushpakarandaka* gegaan.

Vasantasenâ.

Wat heeft hij hem bevolen?

Slavin.

„Span vannacht nog den wagen in; Vasantasenâ moet komen.”

Vasantasenâ.

Meisje, waar moet ik komen?

Slavin.

Jonkvrouw, waar Cârudatta is.

Vasantasenâ (de slavin omhelzend).

Meisje, vannacht heb ik hem niet goed aanschouwd, heden zal ik hem dan duidelijk zien. Meisje, bevind ik mij in ’t binnenste der woning?

Slavin.

Niet alleen in ’t binnenste der woning, ook in ieders hart.

[87]

Vasantasenâ.

Bedroeft zich Cârudatta’s omgeving dan niet?

Slavin.

Men zal zich bedroeven.

Vasantasenâ.

Wanneer?

Slavin.

Wanneer de Jonkvrouw zal zijn heengegaan.

Vasantasenâ.

Dan moet ik allereerst mij bedroeven. Meisje, neem dit paarlensnoer. Ga, overhandig het mijn zuster, de edele vrouwe*, en zeg haar: „Door de deugden van den heilvollen Cârudatta gewonnen, ben ik zijn slavin, dus ook de uwe. Zij dan uw halssieraad dit paarlensnoer.”

Slavin.

Cârudatta zal wel boos zijn op de Jonkvrouw.

Vasantasenâ.

Ga, hij zal niet boos zijn.

Slavin (het nemend).

Zooals ge beveelt. (Af; weder opkomend.) Jonkvrouw, de edele vrouwe zegt: „Door den edelen heer is het U vereerd; het past niet, dat ik het neme. De edele heer zelve is mijn schoonste sieraad, dit doe ik U weten.”

(Dan komt Radanikâ op met het zoontje van Cârudatta.)

Radanikâ.

Kom, kindlief, laten we met het wagentje spelen.

Rohasena (verdrietig).

Radanikâ, wat zal ik met dit leemen wagentje? Geef mij dat gouden wagentje.

Radanikâ (moedeloos zuchtend).

Kind, hoe zouden wij iets met goud te maken hebben! Als Vader weer rijk wordt, zul je met een gouden wagentje spelen. Kom, om hem wat af te leiden, zal ik met hem tot Jonkvrouw Vasantasenâ gaan. (Haar naderend.) Jonkvrouw, ik buig mij neder.

Vasantasenâ.

Radanikâ, wees welkom. Van wien is toch dat knaapje? Schoon ongetooid van leden, verheugt het maangelaat mijn hart.

Radanikâ.

Wel, dat is de zoon van den edelen Cârudatta; Rohasena heet hij.

Vasantasenâ (de armen uitstrekkend).

Kom, mijn zoontje, omhels mij. (Hem op haar schoot nemend.) In schoonheid evenaart hij zijn vader.

Radanikâ.

Niet alleen in schoonheid, ook in karakter, zou ik meenen. In hem verlustigt zich de edele Cârudatta.

[88]

Vasantasenâ.

Maar waarom weent hij?

Radanikâ.

Hij heeft met een gouden wagentje gespeeld, dat aan het zoontje van onzen buurman behoorde, en dat is door dezen meegenomen. Toen hij er weer om vroeg, heb ik dit leemen wagentje gemaakt en hem dat gegeven. Toen zegt hij: „Radanikâ, wat zal ik met dit leemen wagentje? Geef mij het gouden wagentje.”

Vasantasenâ.

Helaas, helaas! ook deze waarlijk heeft verdriet door den voorspoed van anderen. Verheven Noodlot, gij speelt met der menschen lot, dat gelijk is aan den op het lotusblad gevallen waterdroppel. (Onder tranen.) Kind, ween niet; met een gouden wagentje zult ge spelen.

Rohasena.

Radanikâ, wie is zij?

Vasantasenâ.

De slavin van uw vader, door zijn deugden gewonnen.

Radanikâ.

Kind, de Jonkvrouw is uw moeder.

Rohasena.

Radanikâ, onwaarheid spreekt ge; als de Jonkvrouw onze moeder is, hoe komt ze dan aan die sieraden?

Vasantasenâ.

Kind, met naïeven mond zegt ge dingen, die al te droevig zijn. (Doet of zij haar sieraden aflegt; weenend.) Zie, nu ben ik uw moeder geworden. Neem dan deze sieraden; laat U een gouden wagentje maken.

Rohasena.

Ga heen, ik wil ze niet nemen; gij weent.

Vasantasenâ (haar tranen afwisschend).

Kind, ik zal niet weenen; ga, speel. (Met de sieraden het leemen wagentje vullend.) Kind, laat U een gouden wagentje maken. (Radanikâ met het knaapje af.)

Slaaf (op een wagen zittend, opkomend).

Radanikâ, Radanikâ! meld Jonkvrouw Vasantasenâ: „Een gesloten wagen staat aan de zijdeur gereed.”

Radanikâ (opkomend).

Jonkvrouw, Vardhamânaka is daar en laat U weten: „De wagen staat aan de zijdeur gereed.”

Vasantasenâ.

Laat hij een oogenblikje wachten, terwijl ik mij gereed maak.

Radanikâ (naar buiten gaande).

Vardhamânaka, wacht een oogenblikje, terwijl de Jonkvrouw zich gereed maakt.

[89]

Slaaf.

Wel, kijk eens aan! daar heb ik het wagenkussen vergeten; laat ik het even gaan halen. Maar deze stieren zijn door den neusriem kregel. Wel, dan zal ik met den wagen heen en weer rijden. (De slaaf af.)

Vasantasenâ.

Meisje, reik mij mijn opschik; ik ga mij gereed maken. (Zij blijft zich gereed maken.)

De slaaf Sthâvaraka (op een wagen zittend, opkomend).

Mij is gelast door des konings zwager Samsthânaka: „Sthâvaraka, kom spoedig met den wagen naar het oude park Pushpakarandaka.” Komaan, daar ga ik heen. Voort, stieren, voort! (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Hoe, de weg is door dorpskarren versperd, wat zal ik nu doen? (Op hoogen toon.) Hé daar, op zij, op zij! (Luistert.) Wat zegt ge? Van wien deze wagen is? Deze wagen is van des konings zwager Samsthânaka, gaat dus spoedig op zij. (Ziet om zich.) Hé, wie was die man daar toch, die, zoodra hij mij in ’t oog kreeg—evenals, wanneer hij den bankhouder ziet, een van ’t spel weggeloopen speler—zoo plotseling zijn gelaat verborg en naar elders wegliep. Maar kom, wat heb ik met dien man te maken? Ik zal spoedig verder gaan. Hé daar, dorpers, op zij, op zij! Wat zegt ge? „Wacht een oogenblikje, help het wiel omdraaien.” Wel, wel! ik, de voerman van des konings zwager Samsthânaka, zal een wiel helpen omdraaien! Maar hij is alleen, de sukkel; dus zal ik het maar doen. Dezen wagen zal ik aan de tuindeur van den edelen Cârudatta zetten. (Zet den wagen daar.) Daar ben ik al! (Af.)

Slavin.

Jonkvrouw, ik hoor, geloof ik, geluid van wielen. Dus is de wagen aangekomen.

Vasantasenâ.

Meisje, ga, mijn hart drijft tot spoed; dus wijs mij de zijdeur.

Slavin.

Kom dan, Jonkvrouw.

Vasantasenâ (gaat het tooneel rond).

Meisje, ge kunt rust nemen.

Slavin.

Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)

Vasantasenâ (geeft te kennen, dat haar rechter oog trilt* en bestijgt den wagen).

Wat is dat nu! mijn rechter oog trilt. Maar kom, Cârudatta’s aanblik zal het kwade voorteeken wegwisschen.

De slaaf Sthâvaraka (opkomend).

Ik heb de kar op zij gebracht, dus kan ik verder gaan. (Doet, of hij den wagen bestijgt en in beweging brengt; bij zich zelf.) De wagen is bezwaard! Maar [90]neen, daar ik door het omdraaien van het wiel vermoeid ben, schijnt de wagen mij bezwaard. Komaan, ik zal verder gaan. Voort, stieren, voort!

Stem achter het tooneel.

Hé daar, poortwachters! weest op uw hoede en blijve ieder op zijn post. Die herdersjongen heeft den kerker verbroken, den stokbewaarder gedood, zijn boeien verbrijzeld en zóó ontsnapt vlucht hij nu voort. Dus grijpt hem, grijpt hem!

(Zonder het gordijn weg te schuiven, komt, ontsteld, aan d’éénen voet een boei gehecht, met omhuld gelaat, ′Aryaka op en loopt het tooneel rond.)

Slaaf (bij zich zelf).

In de stad is groote opschudding ontstaan; dus zal ik zoo spoedig mogelijk verder rijden. (Af.)

′Aryaka.

Ontkomen aan dien oceaan van ramp en ongeval,

Die onder menschen „Vorstelijke kerker” wordt genoemd,

Als boei nog slechts een keten medesleepend aan mijn voet,

Zwerf ik thans rond gelijk een losgebroken olifant.

Zie, ik ben toch door koning Pâlaka, wiens vrees was opgewekt door een voorspelling, van het veepark hierheen gevoerd en in een doodelijken kerker met boeien geboeid. Maar aan die boeien ben ik, dank zij mijn lieven vriend Çarvilaka, ontsnapt. (Tranen afwisschend.)

Zoo ’t mij is toebeschikt, waarin dan heb ik misdreven,

Dat ’k als een olifant des wouds ben door hem gebonden?

Niet mog’lijk is het de vervulling van ’t Lot te keeren;

Wat strijd met machtiger, een koning, zoo ongenaakbaar!

Dan waarheen ga ik, ongelukkige! (Rondziende.) Hier is het huis van een braaf man, waarvan de zijdeur geopend is.

Dit huis is oud, heeft ongesloten grendels,

de groote deurvleugel gebroken hengsels,

Vast is de huisheer tot een lot vervallen,

door rampen overweldigd als het mijne.

Laat ik hier dan zoolang binnengaan.

Stem achter het tooneel.

Voort, stieren, voort!

′Aryaka (luisterend).

Wel, daar komt juist een wagen hierheen.

Zou ’t een gezelschapswagen zijn en niet bezet door slechtgezinden,

Of wel een vrouwenvoertuig, om haar af te halen hier gekomen,

Of één, toevallig juist bestemd voor buiten en voornamen waardig

En leeg,—in mijn verlatenheid mij door het Noodlot toebeschikt?

De slaaf Vardhamânaka (met den wagen opkomend).

Zoo, menschen, ik heb het wagenkussen gehaald. Radanikâ, Radanikâ! meld Jonkvrouw Vasantasenâ: „De wagen staat gereed; laat de Jonkvrouw instappen, om naar het oude park Pushpakarandaka te gaan.”

[91]

′Aryaka (luisterend).

Een hetaerenwagen en voor buiten bestemd! Komaan, ik stap in. (Nadert behoedzaam.)

Slaaf (hoorend).

Hoe, geluid van voetringen! Wel, dan is de Jonkvrouw gekomen. Jonkvrouw, deze stieren zijn door den neusriem kregel. De Jonkvrouw stappe dus aan de achterzijde in. (′Aryaka doet aldus.) Daar het geluid der voetringen, die door het opspringen der voeten werden bewogen, is opgehouden en de wagen met een last bezwaard, besluit ik, dat de Jonkvrouw thans moet zijn ingestapt. Voort, stieren, voort! (Gaat het tooneel rond.)

Vîraka (opkomend).

Hé daar, hé! Jaya, Jayamânaka, Candanaka, Mangala, Pushpabhadra en gij anderen!

Hoe gaat ge zoo gerust! Die herdersjongen, die was opgesloten,

Loopt voort, gelijk zijn boeien en des konings hart verscheurend!

Hé daar, ga gij staan aan de oostelijke hoofdpoort, en gij aan de westelijke, en gij aan de zuidelijke en gij aan de noordelijke. En hier deze plaats, waar de wal is ingestort, daar zal ik met Candana opklimmen, om toe te zien. Kom, Candanaka, kom eens hier.

Candanaka (ontsteld opkomend).

Hé daar, hé! Vîraka, Viçalya, Bhîmângada, Dandakâlaka, Dandaçûra en gij anderen!

Komt in vertrouwen hier, gezwind! Spant alle krachten in, maakt spoed!

Opdat des konings majesteit niet overga op and’ren stam.

En ook:

In tuin en speelhuis, in de stad, op straat, ter markt, in ’t veepark,

Onderzoekt ieder snel, of waar ook achterdocht verrijst.

Wel, Vîraka, wat wenkt ge toch? Zeg eens, ronduit,

Wie is het, die de boeien brak, den herdersknaap ontvoert?

Bij wiens geboorte stond de Zon in ’t achtste huis, de Maan

In ’t vierd’, in ’t zesde Çukra en in ’t vijfde Bhûmi’s zoon,

In ’t zesde Jîva, zeg, in ’t negende de zoon der Zon?

Wie is ’t, die, wijl Candana leeft, den herdersknaap ontvoert?*

Vîraka.

Waarde Candanaka!

Door iemand wordt hij ijlings weggevoerd,

Candanaka, ik zweer U bij uw hart,

Dat, toen de zonne half verrezen was,

de herdersjongen is ontvlucht.

Slaaf.

Voort, stieren, voort!

Candanaka (den wagen ziende).

Wel, zie toch! [92]

Een dichte wagen rijdt in ’t midden van den heirweg;

Verneem dan eens, van wien hij is, waarheen hij gaat.

Vîraka (hem in het oog krijgend).

Hé daar, voerman, rijd eens niet verder. Van wien is die wagen, en wie is er hier ingestapt en waar gaat hij heen?

Slaaf.

Wel, deze wagen is van den edelen Cârudatta. Jonkvrouw Vasantasenâ is er hier ingestapt en wordt naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd, om zich daar met Cârudatta te vermeien.

Vîraka (tot Candanaka gaande).

Deze voerman zegt: „De wagen is van den edelen Cârudatta, Vasantasenâ is er ingestapt en wordt naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd.”

Candanaka.

Laat hij dan gaan.

Vîraka.

Ongevisiteerd?

Candanaka.

Zeker.

Vîraka.

Op wiens gezag?

Candanaka.

Op gezag van den edelen Cârudatta.

Vîraka.

Wie is die edele Cârudatta, en wie is Vasantasenâ, dat hij ongevisiteerd zal verder gaan?

Candanaka.

Wel, den edelen Cârudatta kent ge niet, noch ook Vasantasenikâ! Indien ge den edelen Cârudatta en Vasantasenikâ niet kent, dan kent ge aan den hemel niet de maan, vereenigd met den maneschijn.*

Wie kent er niet die lotusbloem van deugd,

in edelaardigheid de maan gelijk,

Behoud van wie in onheil zijn gestort,

die parel, der vier oceanen puik!

Het zijn er twee slechts, die vereerenswaard

en dezer stad ten schoonheidsteeken* zijn:

Vasantasenâ, edel van gemoed,

en Cârudatta, voorraadsschuur van plicht.

Vîraka.

Wel, Candanaka!

Die Cârudatta is mij wel bekend

en ook Vasantasenâ ken ik goed, [93]

Maar waar het een bevel des konings geldt,

daar ken ik zelfs mijn eigen vader niet.

′Aryaka (bij zich zelf).

Hiervoormaals was wel deze mij een vriend en gene mij een vijand. Immers:

Schoon hun één zaak werd bevolen,

is niet hun beider zin gelijk,

Zooals van ’t vuur ten huwlijksfeest

en ’t vuur, dat op de lijkmijt brandt.

Candanaka.

Ook gij zijt een omzichtig hoofdman, des konings vertrouwde. Ik houd deze stieren vast; visiteer den wagen.

Vîraka.

Ook gij zijt des konings vertrouwde hoofdman; visiteer gij dus den wagen.

Candanaka.

Is wat door mij is gevisiteerd, ook door U gevisiteerd?

Vîraka.

Wat door U is gevisiteerd, dat is door koning Pâlaka gevisiteerd.

Candanaka.

Hé, voerman, buig het juk neer. (De slaaf doet aldus.)

′Aryaka (bij zich zelf).

O wee, de wachters zullen mij zien. En ongewapend ben ik, ongelukkige. Maar neen:

Bhîma’s* voorbeeld zal ik volgen,

mijn arm zal mij een wapen zijn;

Beter is kampend te sterven,

dan in gevangenschap geboeid.

Maar neen, voor vermetelheid is de tijd nog niet gekomen.

(Candanaka doet of hij den wagen bestijgt en visiteert.)

′Aryaka.

Bescherming zoek ik.

Candanaka (tot Sanskṛt overgaande).

Veiligheid hem, die bescherming zoekt.

′Aryaka.

Hem verlaat toch de Godin der Zege,

hem begeven vrienden en verwanten,

Steeds is hij bespotting prijsgegeven,

die verlaat, wie zijn bescherming zoeken.

[94]

Candanaka.

Hoe, ′Aryaka, de jonge herder, is als de vogel, die, door den valk verschrikt, in handen van een vog’laar is gevallen. (Denkt na.) Deze, die niet misdeed, die bescherming zoekt, gezeten op den wagen van den edelen Cârudatta, de vriend van den edelen Çarvilaka, die eens mijn leven redde en aan den anderen kant het bevel des konings! Wat dan behoort thans hier gedaan te worden? Maar komaan, wat gebeuren moet, dat zal gebeuren. Allereerst heb ik hem veiligheid verleend.

Wie aan bevreesden veiligheid verleent,

er smaak in scheppend, and’ren wel te doen,

Hij ga te gronde, zoo het wezen moet,

toch blijft op aarde zijne deugd bewaard,

(Bevreesd af klimmend.) Ik zag den edelen (Na half te hebben uitgesproken.) och neen, de edele Vasantasenâ. Toen zegt zij: „Is dat nu gepast, is dat nu voegzaam, dat, terwijl ik mij tot den edelen Cârudatta ga begeven, ik op straat word lastig gevallen!”

Vîraka.

Candanaka, nu ben ik aan het twijfelen geraakt.

Candanaka.

Vanwaar die twijfel?

Vîraka.

Uw keel ging van verwarring trillen, toen ge zeidet:

„Ik zag den edelen”,—en dan: „de edele Vasantasenâ.”

Vandaar mijn wantrouwen.

Candanaka.

Och, welk een wantrouwen is dat van U! Wij, zuiderlingen, spreken onduidelijk, doordat wij bekend zijn met allerlei talen van heidenstammen, zooals Khasa’s, Khattikhada’s, Kadattha’s, Vilaa’s, Karnâta’s, Karnaprâvarana’s, Dravida’s, Cola’s, Cîna’s, Vatsara’s, Khera’s, Khâna’s, Mukha’s, Madhughâta’s en anderen, en zeggen dus naar believen „den” of „de” „edelen” of „edele”. Hoe kunt ge bezwaar maken tegen een uitgang! Een verklaring van vrouwelijk, mannelijk en onzijdig is hier niet aan de orde.

Vîraka.

Ik moet toch ook visiteeren, dat is des konings bevel, ik ben ’s konings vertrouwde.

Candanaka.

Heb ik dan zijn vertrouwen verloren?

Vîraka.

Is het niet het bevel van onzen meester?

Candanaka (bij zich zelf).

„′Aryaka, de jonge koeherder, is op den wagen van den edelen Cârudatta ontvlucht,” als dat bekend wordt, zal de edele Cârudatta door den koning [95]worden gestraft. Wat is hier dan voor uitweg? (Na goed te hebben nagedacht.) Ik zal een Karnâtentwist* in praktijk brengen. (Luid.) Zeg, Vîraka! ik, Candanaka, heb gevisiteerd, en nu wilt gij nog visiteeren! Wie zijt gij?

Vîraka.

Wel, wie zijt gij?

Candanaka.

Geëerd en geacht zijt ge, maar aan uw afkomst denkt ge niet.

Vîraka (toornig).

Wel, wat is mijn afkomst?

Candanaka.

Wie zal het zeggen?

Vîraka.

Laat men het zeggen.

Candanaka.

Neen, laat men het niet zeggen.

Hoewel het wetend, wil ik uw geboorte

niet noemen, krachtens mijn gevoel van eer;

O, laat het in mijn geest verborgen blijven;

wat baat, gebroken, een kapittha*-vrucht!

Vîraka.

Nu, laat men het zeggen, laat men het zeggen.

(Candanaka maakt een veelbeteekenend gebaar.)

Vîraka.

Nu, wat is dat?

Candanaka.

Een afgesleten, platten steen hanteerend,

in ’t haar der menschen krul en knoopen zettend,

En ijv’rig ’t scheermes in de handen draaiend,

zóó is het, dat gij hoofdman zijt geworden.

Vîraka.

Wel, Candanaka, ook gij zijt geacht, maar aan uw eigen afkomst denkt ge niet.

Candanaka.

Nu, wat is de afkomst van mij, Candanaka, zoo rein als Candra*?

Vîraka.

Moet men het zeggen?

Candanaka.

Laat men het zeggen, laat men het zeggen.

(Vîraka maakt een veelbeteekenend gebaar.)

Candanaka.

Nu, wat is dat?

[96]

Vîraka.

Wel, luister, luister!

Van U ook is wel d’afkomst rein te noemen,

uw moeder was een pauk, een trom uw vader,

En lastermond! een tamboerijn uw broeder,

zóó is het, dat gij hoofdman zijt geworden.

Candanaka (toornig).

Ik, Candanaka, een leerlooier! Visiteer dan den wagen.

Vîraka.

Hé, voerman, keer den wagen; ik moet hem visiteeren.

(De slaaf doet aldus. Vîraka doet, of hij op den wagen wil klimmen. Candanaka grijpt hem onverhoeds bij de haren, werpt hem neer en schopt hem met den voet.)

Vîraka (toornig opstaande).

Hoe nu! terwijl ik, geen kwaad vermoedend, het bevel des konings uitvoer, ben ik onverhoeds door U bij de haren gegrepen en met den voet geschopt! Maar luister, indien ik niet midden in de rechtszaal U doe vierendeelen, dan heet ik geen Vîraka.

Candanaka.

Nu, ga naar het paleis of naar de rechtszaal; wat geef ik om U, hondegezicht!

Vîraka.

Zoo zij het. (Af.)

Candanaka (in alle richtingen ziende).

Ga voort nu, voerman, ga voort. Indien iemand het vraagt, zeg dan, dat de wagen door Candanaka en Vîraka is gevisiteerd. Edele Vasantasenâ, dit geef ik U als herkenningsteeken. (Reikt hem een zwaard.)

′Aryaka (het zwaard aannemend, verheugd bij zich zelf).

Ha, een zwaard heb ik verworven

en zie, daar trilt mijn rechter arm!*

Dus is wel alles mij gunstig;

komaan dan nu, ik ben gered.

Candanaka.

Jonkvrouw!

Daar ik U hier betrouwbaar heb verklaard,

moet gij ook later Candana gedenken;

Dit zeg ik geenszins uit begeerigheid,

uit lust tot vriendschap is het, dat wij spreken.

′Aryaka.

Candana, edel als Candra,

is thans door ’t Noodlot mij een vriend;

Candana zal ik gedenken,

als de voorspelling is vervuld.

[97]

Candanaka.

Veiligheid verleen’ U Çiva, Vishnu, Brahmâ, Ravi* ook en Candra,

Slaand’ uw tegenstanders, zooals de Godinne*, Çumbha en Niçumbha.

(De slaaf met den wagen af).

Candanaka (in de richting der kleedkamer ziende).

Terwijl hij heenging, is mijn lieve vriend Çarvilaka hem op den voet gevolgd. Komaan, den eersten politiemeester Vîraka, op wien de koning vertrouwt, heb ik tot mijn vijand gemaakt. Laat ik dan ook, van zonen en broeders omgeven, mij bij hem* aansluiten. (Allen af.)

Aldus in „Het leemen Wagentje”.
het zesde Bedrijf,
„De Verwisseling
der Wagens”
genaamd.

[98]

[Inhoud]

Twee zwanen in vijfer in bos.

(Dan komt Cârudatta op met den Vidûshaka.)

Vidûshaka.

Maar zie toch, hoe heerlijk is het oude park Pushpakarandaka!

Cârudatta.

Vriend, zoo is het. Immers:

De boomen schijnen kooplieden,

de bloesems zijn hun handelswaar,

Als beambten, die tol heffen,

zwerven de honingmakers rond.

Vidûshaka.

Kom, zet U neder op dezen platten steen, in zijn eenvoud zoo lieflijk.

Cârudatta (zich nederzettend).

Vriend, Vardhamânaka blijft lang weg.

Vidûshaka.

Ik heb tot Vardhamânaka gezegd: „Kom heel vlug met Vasantasenâ hier.”

Cârudatta.

Waarom blijft hij dan zoo lang weg?

Rijdt langzaam dan een and’re wagen voor hem uit,

en zoekt hij, dien vóór te zijn?

Of is hij, omdat d’as gebroken was, gekeerd?

of is er een toom gescheurd?

Werd hij soms door een balk, die liggen bleef, gestuit,

en zoekt hij een and’ren weg?

Of wel, drijft hij te zacht het stierenkoppel voort

en nadert op zijn gemak?

Slaaf (opkomend op den wagen, waarin ′Aryaka verborgen is).

Voort, stieren, voort!

[99]

′Aryaka (bij zich zelf).

Voor d’aanblik van des konings mannen vreezend, vreezend,

Daar nog mijn voet geboeid is, niet geheel ontkomen,

Ben ’k op den wagen van een braven man gezeten,

Gelijk een koekoek, in het nest gehoed door kraaien.

Komaan, ik ben een goed eind van de stad verwijderd; zal ik nu van dezen wagen afklimmen en het dichte struikgewas van het park inloopen? Of wel zal ik mij aan den eigenaar van den wagen vertoonen? Maar wat spreek ik van het dichte struikgewas van het park! Als de vriend van hulpbehoevenden staat immers die achtenswaardige, de edele Cârudatta bekend. Laat ik dan, na hem te hebben aanschouwd, verder gaan.

Aanziet hij mij, nauw aan dit ongeval ontgaan,

Dan komt die brave man tot opgetogenheid;

Dit lichaam, dat vervallen was tot zulken staat,

Bleef door de deugden van dien ed’le mij bewaard.

Slaaf.

Hier is het park, laat ik naderen. (Naderend.) Edele Maitreya!

Vidûshaka.

Nu, een blijde tijding breng ik U: Vardhamânaka roept, Vasantasenâ moet aangekomen zijn.

Cârudatta.

Dat is ons lief, zeer lief.

Vidûshaka.

Slavinnenzoon, wat zijt ge zoo lang weggebleven?

Slaaf.

Edele Maitreya, wees niet boos; daar ik mij bedacht, dat ik het wagenkussen had vergeten, moest ik terugrijden en ben daardoor zoo lang weggebleven.

Cârudatta.

Vardhamânaka, keer den wagen. Vriend Maitreya, doe Vasantasenâ uitstappen.

Vidûshaka.

Wat, zijn haar voeten geboeid, dat zij niet van zelf uitstapt! (Opstaande en den wagen openend.) Wel, dat is geen Vasantasenâ, maar een Vasantaseno!

Cârudatta.

Vriend, houd op met uw scherts, de liefde duldt geen verwijl. Maar kom, ik zelf zal haar doen uitstappen. (Staat op.)

′Aryaka (hem ziende).

O zie, dat is de eigenaar van den wagen, niet alleen liefelijk van faam, maar ook liefelijk van voorkomen. Welaan, ik ben gered!

Cârudatta (den wagen bestijgend en ′Aryaka ziende).

Wel, wie is dat? [100]

Met armen, gelijk olifantenslurven,

en schouders, vol en hoog als van een leeuw,

Een borst, gelijk een breeden boom, en oogen

van donk’ren glans, beweeg’lijk, lang-gerekt,

Hoe komt het, dat een man van zulk een wezen,

geraakt tot dezen toestand, hem onwaard,

Zoo machtig van gestalt, een boeienkoppel,

aan zijnen voet bevestigd, met zich draagt?

Nu, wie zijt gij?

′Aryaka.

Ik ben ′Aryaka, koeherder van afkomst, bescherming zoekend.

Cârudatta.

Die door koning Pâlaka van het veepark werd heengevoerd en gevangen gezet?

′Aryaka.

Dezelfde.

Cârudatta.

Daar ’t Noodlot zelv’ U hier voerde,

mijn oogen U bereiken deed,

Zoud’ ik het leven zelfs laten,

maar niet U, die bescherming zoekt.

(′Aryaka legt vreugde aan den dag.)

Cârudatta.

Vardhamânaka, neem hem de voetboei af.

Slaaf.

Zooals UEd. beveelt. (Aldus doende.) Edele, de boeien zijn afgenomen.

′Aryaka.

Maar hechtere mij aangedaan, die van de vriendschap!

Vidûshaka.

Ruil de voetboeien maar om: hij is er van bevrijd, wij zullen er in raken.

Cârudatta.

Foei, dat zij verre!

′Aryaka.

Vriend Cârudatta, ik heb in vertrouwen dezen wagen bestegen, dus moet ge mij vergeven.

Cârudatta.

Gij hebt mij vereerd door dat van zelf opgevat vertrouwen.

′Aryaka.

Indien ge mij verlof geeft, wensch ik te gaan.

Cârudatta.

Gij kunt gaan.

[101]

′Aryaka.

Komaan, dan stap ik af.

Cârudatta.

Vriend, gij moet niet afstappen. Daar de voetboei U pas is afgenomen, beweegt ge U nog moeilijk bij het gaan. In deze streek, waar men licht menschen ontmoet, wekt een wagen geen achterdocht. Dus moet gij met den wagen gaan.

′Aryaka.

Gelijk gij gezegd hebt.

Cârudatta.

Bereik in veiligheid uw bloedverwanten.

′Aryaka.

Verwierf ik niet in U een bloedverwant?

Cârudatta.

In uw gesprekken moet ge mij gedenken.

′Aryaka.

Mij zelven eerder ik vergeten zal!

Cârudatta.

U mogen op uw weg d’onsterf’lijken bewaren.

′Aryaka.

Gij zijt het immers, die mij hebt bewaard.

Cârudatta.

Door eigen lot zijt gij bewaard gebleven.

′Aryaka.

En toch zijt gij er waarlijk d’oorzaak van!

Cârudatta.

Daar Pâlaka alle krachten inspant, is er een talrijke wacht op de been; dus moet ge snel ontvluchten.

′Aryaka.

Dan tot wederziens. (Af.)

Cârudatta.

Daar ik den koning dus groot onrecht deed,

Is zelfs een oogwenk toeven niet geraan;

(Rondziende.) Maitreya, werp de boei in d’ouden put,

Want vorsten zien door der verspieders oog.

(Geeft te kennen, dat zijn linker oog trilt.) Vriend Maitreya, wij zijn verlangend naar den aanblik van Vasantasenâ. Zie!

Daar de geliefde ik heden

niet zag, trilt mij het linker oog;

Beangst door ’t kwade voorteeken,

beeft van ontsteltenis mijn hart.

[102]

Kom dan, laat ons gaan. (Gaat het tooneel rond.) Hoe, daar nadert ons de onheil-spellende verschijning van een bedelmonnik. (Weifelend.) Laat hij langs dit pad komen, wij zullen langs dat pad gaan. (Allen af.)

Aldus in „Het leemen Wagentje”
het zevende Bedrijf,
„′Aryaka’s
Ontvoering”
genaamd.

[103]