Blz. 80. R. 28. Ik verkies hier (St. 87: 11) met B. de lezing van Calc. II (en III): sukkharukkha- (Skr. çushkavṛksha-), daar anders de vraag van Vasantasenâ onbegrijpelijk is.
Blz. 82. R. 16. Vicârayati (St. 89:3) vert. B.: „Maitreya zögert es entgegen zu nehmen”, Fr.: „Maitreya prüft es”, R.: „Maitreya réfléchit”.
Blz. 82. R. 31. Deze plaats (St. 89:11) luidt bij B.: „Es ist ja die Rede von der List, die wir ersannen, um das uns anvertraute Gut wiederzuerstatten. Im Uebrigen hält man uns fürwahr zum Narren.” Evenzoo is de opvatting van R. en Fr. Het volgende saccaṃ van den Vidûshaka kan echter m.i. niet anders zijn dan een bevestiging van het satyam van Cârudatta. Zoo zou bij B.’s opvatting de Vidûshaka laten volgen: „Waarlijk (men houdt ons voor den mal) dat zweer ik” enz. en juist het tegengestelde wil hij betuigen. Daarom is viḍambanâ in bet. a) P.W. „das Nachmachen, Nachahmen” te nemen en tweeledig op te vatten, nl. als toepasselijk op het bedrog en toepasselijk op het goudkistje, m.a.w. Cârudatta zegt: „Ons bedrog wordt hier nagevolgd; maar kan navolging werkelijkheid zijn?” en tevens: „kan een namaak (waarvoor hij het getoonde kistje houdt) echt zijn?” Zeer helder is de plaats zeker niet. [200]
Blz. 83. R. 38. Deze plaats (St. 90:15–16) vert. B.: „Es ziemt sich nicht, mich und diese Perlenschnur mit gleichem Maasse zu messen.” Wat de zin van deze woorden zou moeten zijn, is mij niet recht duidelijk; tulayati moet hier m.i. worden genomen in dezelfde bet. als twee regels verder, nl. in die van „wantrouwen” (zoo ook St. 58:24). Dan wordt ook het antwoord van Cârudatta begrijpelijk. Vasantasenâ zegt: „Ge hebt door het zenden van dat paarlensnoer getoond, mij te wantrouwen, dat hadt ge niet moeten doen”, waarop Cârudatta antwoordt: „Ik had wel reden tot vrees: daar ik arm ben, sta ik aan verdenking bloot en hecht men geen geloof aan mijn woorden”. Deze opvatting staat dicht bij die van Fr., behalve dat hij tulaiduṃ blijkbaar als caus. beschouwt; zijn vertaling der plaats luidt:
„Es war nicht recht, mir Argwohn zuzutraun
Und deshalb, ehrenwerther Tscharudatta,
Mir diese Perlenschnur zu schikken.”
Blz. 84. R. 11. Pan̄kântarâṇîva mṛṇâlasûcyaḥ (St. 91:2) bij B.: „wie die Nadeln der Lotuswurzel die Lotusblüthe(?)” pan̄kântarâṇi kan toch wel niets anders zijn dan „’t binnenste van het slijk”, gelijk ook W., R. en Fr. het opvatten.
Blz. 86. R. 12. Ik lees voor tumhâṇaṃ (St. 93:8) amhâṇaṃ.
Blz. 87. R. 2. Ik geloof, dat pariaṇo (St. 93:20) hier in ruimeren zin is op te vatten dan als „Dienerschaft”, zooals B. en Fr. doen, n.l. in dien van „gezamenlijke huisgenooten, familia” (het P.W. geeft ook: „Umgebung”) en vooral aan Cârudatta’s vrouw moet gedacht worden, voor wie Vasantasenâ’s bezoek in de eerste plaats verondersteld mocht worden, onaangenaam te zijn. W. vertaalt dan ook: „I fear me his family are vexed.” Zoo volgt ook Vasantasenâ’s vraag zeer logisch op de opmerking der ceṭî, dat haar Meesteres „savvajaṇassa hiae” is.
Blz. 88. R. 24. Muddheṇa muheṇa adikaruṇaṃ mantesi (St. 95:19) vert. B.: „Dein einfältiger Mund spricht gar kläglich.” Ik heb adikaruṇaṃ als object van mantesi opgevat; zoo doet ook Fr., die het vertaalt: „ein hartes Wort des Vorwurfs.” Of aan karuṇa deze bet. mag worden toegekend, zou ik echter betwijfelen (cf. P.W. i. v.).
Blz. 89. R. 21. Çûle (St. 97:3), bij St. weergegeven door Skr. sûtaḥ, in Calc. II en III door Skr. sûraḥ, kan alleen aan ’t laatste woord beantwoorden, dat hier geen zin oplevert, of aan Skr. sûryaḥ (vgl. St. 116:7), waarvan hetzelfde geldt, of aan Skr. çûraḥ (aldus de Comm. bij R., vgl. ook St. 12:5). Het is dus òf met „held” te vertalen, òf, wat mij verkieselijk schijnt, te emendeeren tot çûde (of çûe).
Blz. 90. R. 15. Deze beide regels (St. 98:4–5) luiden bij B.: „Nachdem ich [201]ein ganzes Meer von Widerwärtigkeiten und Ungemach für uns Menschen, das man mit dem Namen eines königlichen Gefängnisses belegt, hinter mir habe.”
Blz. 90. R. 21. Voor açrûṇi vimṛjya (St. 98:10) leest B. met Calc. II (en III): açrûṇi visṛjya („Thränen vergiessend”); ik behield de lezing van St.
Blz. 90. R. 25. Dezen versregel (St. 98:14) vert. B.: „Einem Könige kann man wohl beikommen, wie mag man aber an einen Kampf mit einem Stärkeren denken?” Ik vermoed, dat uit de â van het voorafgaande çakyâ a met gamyo te verbinden is.
Blz. 91. R. 3. Svairam (St. 99:6) vert. B.: „ohne Weiteres”; de beteekenis b) van het P.W. „langsam, leise, vorsichtig, behutsam” scheen mij hier verkieselijk; evenzoo St. 107:16 en 165:3.
Blz. 91. R. 15. In de ârya-strofe (St. 99:16–18) is het metrum in de war. Voor het tweede ca, câbi te lezen, zooals St. onder corrigenda (p. 331) geeft, brengt hierin geen verbetering. Door voor acchadha, gacchadha en voor bandhaṇaṃ ca, bandhaṃ ca te lezen, wordt het metrum hersteld. Voor vaccai (St. 99:17, ook: 100:19; 101:7; 105:4 en 9) zal wel vajjai (zie: St. 100:15) te lezen zijn. ’t Eerste toch beantwoordt aan Skr. vartate, niet aan Skr. vrajati.
Blz. 91. R 35. Voor bhaḍa (St. 100:10) lees ik bhadda (Skr. bhadra).
Blz. 93. R. 4. Pûrvavairî en pûrvabandhuḥ (St. 101:18) vert. B.: „ärgster Feind” en „bester Freund.” Fr. heeft: „Der eine ist seit langer Zeit mein Feind, Der andre ist mein alter guter Freund.” (Zoo ook W. en R.). Dat echter Vîraka en Candanaka oude bekenden van ′Aryaka zouden zijn, blijkt uit niets. Bestond er tusschen de beide laatsten een vriendschapsbetrekking, dan zou Candanaka dit toch zeker vermelden onder de redenen, die hem nopen, ′Aryaka bij te staan (St. 102:16–18). Trouwens, dat Vîraka wel, Candanaka niet den wagen wil visiteeren, heeft niets te maken met hun gevoelens tegenover ′Aryaka, van wien zij niet weten, dat hij zich in den wagen bevindt. Ik geloof, dat pûrva hier (evenals St. 2:23; 85:22) ziet op een vroegere existentie.
Blz. 93. R. 19. Voor oṇâmehi dhuraṃ (St. 102:2) verkiest B. de lezing: uṇṇâmehi dhuraṃ („Hebe das Joch in die Höhe!”).
Blz. 93. R. 21. Ik lees met B. ayi voor api (St. 102:4).
Blz. 94. R. 12. Taha bi a loe guṇo jjevva (St. 102:21) vert. B.: „In der Welt gilt so Etwas dennoch für eine Tugend.” [202]
Blz. 94. R. 14. Misschien is hier, zooals B. opmerkt, voor ajjuâ (St. 102:22) ajjaâ te lezen, wat in Calc. II (en III) de gewone vorm is.
Blz. 94. R. 31. Diṭṭo diṭṭâ vâ (St. 103:8) liet ik om begrijpelijke redenen onvertaald. Çabda (St. 103:9) neemt B. in de gewone beteekenis „woord”; hier scheen mij echter de beteekenis „uitgang” (bet. 6, P.W.) byzonder geëigend.
Blz. 94. R. 41. Voor ajjagobâladârao (St. 103:14) lees ik: ajjao gobâladârao; dit is immers de vaste formule, waar van ′Aryaka sprake is.
Blz. 95. R. 35. Bhaṇau (St. 104:12) bij B.: „Wer möchte das sagen?” volgens de lezing ko bhaṇau.
Blz. 96. R. 6. Evenals B. lees ik voor dummuhakaraḍa- (St. 104:18) dummuha karaḍa.
Blz. 96. R. 8. Cammârao (St. 104:19) heeft blijkens hetgeen onmiddelijk voorafgaat hier een ruimere bet. dan die van „schoenmaker” (aldus het P.W., de Duitsche vertalers en R.). W. zegt dan ook terecht: „a Chamâr or worker in leather.”
Blz. 96. R. 20. Suṇahasariseṇa (St. 105:4) eigenlijk: „met een hond overeenkomende”. B. vert.: „Hundeseele”; evenzoo Fr.
Blz. 96. R. 26. Ahiṇṇâṇaṃ (St. 105:9): Geleitschein (B.), Pass (Fr.), sauf-conduit (R.).
Blz. 98. R. 9. Deze versregel (St. 107:6) luidt bij B.: „Die Bienen schwärmen da umher wie Leute, die den Zoll bezahlen”. Fr. daarentegen: „Und als Beambte, die den Zoll erheben Bewegen sich die Bienen hin und her.” (Zoo ook W. en R.). Ongetwijfeld verdient de laatste opvatting de voorkeur; het P.W. toch geeft voor sâdhayâmi: 6) Geld, eine Schuld eintreiben. Ook is zoo alleen de vergelijking begrijpelijk.
Blz. 99. R. 32. Als mannelijken vorm van Vasantasenâ koos ik, om het geslacht beter te doen uitkomen, den Prâkṛt-nominatief op o. Kellner heeft: „Zum Geier! Das ist keine Vasantasene, das ist ’n Vasantasenrich (!)”
Blz. 99. R. 38. Na kevalaṃ çrutiramaṇîyo dṛshṭiramaṇîyo ’pi (St. 108:25) vert. B.: „Er entzückt nicht nur das Ohr, sondern auch das Auge.” Çrutiramaṇîyo moet, dunkt mij, zijn verklaring vinden in St. 108:5.
Misschien is dit ook B.’s bedoeling, beter komt het bij Fr. uit, die vertaalt: „Nicht nur von ihm zu hören, ist erfreulich, Das Auge freut sich auch, ihn anzusehn.” [203]
Blz. 100. R. 3. Ik heb gemeend voor pṛthutarasama- (St. 109:4) pṛthutarusama- te moeten lezen, omdat 1o. het mij onwaarschijnlijk voorkomt, dat sama hier als op zich zelf staand adj. zou zijn op te vatten, dus anders dan het sama in den vorigen regel; 2o. de comparatief-vorm pṛthutara hier bevreemdend is te noemen; 3o. de beteekenis van sama als adjectief bij vakshas niet recht duidelijk is („bien proportionnée” bij R., „wohlgebaut” bij Fr. wijken toch tamelijk van de eigenlijke beteekenis af; B. heeft: „ebenmässig”).
Blz. 100. R. 29. Ik lees met B. voor eso bi mukko (St. 109:19) eso vimukko. De vertaling van deze plaats luidt bij B.: „Jetzt, da er befreit ist, kannst du in die Ketten fahren. Ich mache mich aus dem Staube.” Ik heb saṃgacchehi (bij St. weergeg. door Skr. saṃgaccha) opgevat als caus., waarvoor het P.W. onder 4) geeft: „übergehen lassen auf (Loc.), übergeben”; dus bedoelt de Vidûshaka: „Doe de voetboeien overgaan van hem op ons” bij vajjissamo moet dan ṇialâiṃ worden aangevuld.
Blz. 100. R. 33. Praṇayena (St. 109:22) vert. B.: „so ohne alle Umstände”, Fr. heeft: „ganz ohne weit’res”, R. „familièrement.” Ongetwijfeld is dit de beteekenis, die ′Aryaka bedoelt, echter vat Cârudatta het woord blijkbaar op in de meer oorspronkelijke beteekenis: „uit genegenheid, in vertrouwen”; dezelfde woordspeling vinden we ook St. 24:18.
Blz. 103. R. 9. B. leest pekkhiâ (Skr. prekshitâ) en vat çalaṇamhi met den Comm. bij R. als loc. op: „Wer die Vergänglichkeit der Dinge vor Augen hat steht zunächst nur unter dem Schutze der guten Werke.” Wanneer echter çaraṇa hier wordt opgevat in de bet. „Wohnung” (zie P.W.) kan de lezing van St. (112:5) zonder bezwaar worden gehandhaafd.
Blz. 104. R. 24. Ik heb de woordspeling vrij weergegeven. De tekst heeft dhaṇṇa, dat zoowel aan Skr. dhanya (= rijk) als aan Skr. dhânya (= koren) beantwoordt en puṇṇa, dat zoowel aan Skr. puṇya als aan Skr. pûrṇa beantwoordt.
Blz. 104. R. 37. Pulâṇakulutthajûçaçavalâiṇ (St. 113:22) vert. B.: „die an Scheckigkeit alten Bohnen und Erbsen gleichen.”
Blz. 105. R. 10. Dûraṃ nigûḍhântaraṃ (St. 114:5) bij B.: „da das Mittelstück desselben ganz versteckt ist.”
Blz. 105. R. 30. Ik lees voor bhaçṭake puttake (St. 114:16) bhaçṭakâ, puttakâ, daar het onwaarschijnlijk is, dat deze woorden bij çamaṇake zouden behooren; onmogelijk is het echter geenszins, daar toch de çakâra aan het woord is, van wien terecht gezegd wordt: „sarvam asya mûrkhasya sambhâvyate.” In Calc. II en III worden bhaçṭake en puttake in de Sanskṛt-vertaling door vocativi weergegeven. [204]
Blz. 106. R. 11. Deze çloka (St. 115:4–6) vert. B.: „Unsere Erde ist schwer beladen mit Thoren, die verkehrt denken und handeln; ihre Leiber (Knochen) sind die Felsstücke, ihr Fleisch die Bäume.” Het laatste gedeelte van deze vertaling is mij volkomen onbegrijpelijk; een beteren zin herkrijgt men door mâṃsavṛkshaîḥ niet als bahuvrîhi, maar als tatpurusha op te vatten en varshman te nemen in de bet. „Scheitel” (zie P.W.).
Blz. 106. R. 23. B. vert. kaṭhora (St. 115:13) met „üppig”; ook in het P.W. geeft hij die bet. met verwijzing naar deze plaats. De bet. „üppig” laat zich echter bezwaarlijk uit de oorspr. bet. „hart, steif, fest” verklaren en is niet van elders „belegt”; waarom is kaṭhora hier niet in de gewone bet. op te vatten?
Blz. 106. R. 31. B. vert. dezen versregel (St. 115:20): „Affen tändeln mit Brodfrüchten”. Daar echter de maat eischt, dat de 6de syllabe van den 4den versregel kort zij, moet wel met Calc. III paṇaçaphalâ iva worden gelezen.
Blz. 107. R. 7. De tekst heeft: bhûmî daḍhaçantattâ (St. 116:8) de aarde is heftig verhit (of: heftig gekweld).
Blz. 107. R. 20. Deze versregel luidt bij B.: „Ein Sonnenstrahl ist, kluger Herr, in meinen Kopf geschlüpft”.
Blz. 107. R. 30. Hin̄gujjalâ (St. 116:24) vert. B. hier en evenzoo St. 117:7 „vor Allem aber aus (mit) Teufelsdreck.”
Blz. 107. R. 40. Zie vorige Aanteekening.
Blz. 110. R. 39. Anusarati (St. 120:14) bij B.: „verfolgt.”
Blz. 111. R. 13. Ik vermoed, dat voor manyate (St. 120:21) manyase moet gelezen worden, tenzij manyate, als pass. opgevat, op den çakâra mag worden toegepast.
Blz. 111. R. 34. B. vert. hier (St. 121:10): „Ich gehe nur vor Göttern und Brahmanen zu Fusse”. Men lette op het volgend ṇahi ṇahi enz.
Blz. 113. R. 6. Tishṭatu (St. 122:25) wordt door B. op Vasantasenâ toegepast „So mag sie sich denn erheben”; dat dit onjuist is, blijkt uit den toestand zelve: Vasantasenâ bevindt zich in den wagen, de çakâra daarentegen is op den grond gevallen.
Blz. 113. R. 24. Ik volg met B. de lezing lakkhaçîkâbi in plaats van lakhaliâ bi (St. 123:12). Immers wat lakhaliâ (bij St. weergegeven door Skr. rasa!) [205]zou moeten beteekenen, is volkomen onzeker; lakkhaçî geeft wel geen geheel bevredigenden, maar toch met het oog op hetgeen voorafgaat een mogelijken zin.
Blz. 113. R. 41. Bij dit vers (St. 123:23–124:2) vergelijke men Pan̄c. I, 182 en 405 (ed. Kielhorn5 I, p. 33 en 87) bij Van der Waals I, blz. 51 en 136 en ook Hit. II, 108 (ed. Schl.-L. p. 65).
Blz. 116. R. 9. B. volgt hier (St. 126:3) de lezing van Calc. II (en III): bhâve bhaṭṭakaṃ mâledi en vert.: „Der kluge Herr mordet den hohen Herrn”.
Blz. 116. R. 18. Wat met gallakka (Skr. galvarka) bedoeld wordt, is niet recht duidelijk; B. vert. het „Krystallnäpfchen.” Het woord komt behalve op deze plaats (St. 126:9) nog voor: St. 6:6; 77:11 en in hetzelfde verband als hier St. 139:23.
Blz. 116. R. 23. Deze versregel (St. 126:13) luidt bij B.: „Auf einem guten Felde findet man recht üppige Bäume mit Dornen” (Evenzoo St. 140:3–5).
Blz. 116. R. 26. Met B. lees ik voor gade bi eçe (St. 126:15) gaddabe via çe.
Blz. 116. R. 41. De dubbelzinnigheid, die in het woord ṇâçe (St. 126:24) ligt opgesloten, dat tegelijk aan Skr. nyâsa (= pand) en aan Skr. nâça (= ondergang) beantwoordt, heb ik gelegd in de uitdrukking „onder iemands handen blijven”.
Blz. 117. R. 24. B. scheidt: khala caritantkṛshṭa jâtadoshaḥ (St. 127:15) en vert.: „Du Bösewicht, du niederträchtiger Mensch! Wie wagst du es, da doch dein Vergehen offen zu Tage liegt” etc. Ik behield St.’s lezing en heb het woord opgevat als een dvandvische samenstelling, waarvan het eerste lid khalacaritanikṛshṭa „door schelmengedrag verlaagd” en het tweede jâtadoshaḥ „bij wien kwaad is ontstaan, bron van kwaad” zal beteekenen.
Blz. 118. R. 11. B. neemt hier (St. 128:8–12), evenals in vorige soortgelijke verzen (St. 12:12–16; 19:18–22) van den çakâra, alle eigennamen afzonderlijk, terwijl ik de patronymica met de daarop volgende namen verbonden heb. Dat dit werkelijk de bedoeling is, wordt vooral waarschijnlijk gemaakt door den eersten versregel, waar hij volgens mijn opvatting van Vâlins zoon Mahendra in plaats van Mahendra’s zoon Vâlin spreekt, wat juist een vergissing is voor den çakâra. B. voegt verder iââ bij ’t volgende doṇaputte „oder der fürstliche Sohn des Droṇa”, terwijl ik het met ludde verbond.
Blz. 118. R. 36. Met B. volg ik de lezing, die door den Comm. bij Calc. II [206]wordt aangegeven: in plaats van malei ambaçumalâ (St. 129:3) male iaṃ ca çumalâ (Skr. mriyate iyaṃ ca sumṛtâ).
Blz. 118. R. 41. B. leest voor uttâçidâ (St. 129:5) uttâmidâ (Skr. uttâmitâ). Ik houd het er voor, dat wij hier weer met een verspreking van den çakâra te doen hebben, dat hij uttâmidâ bedoelt, maar uttâçidâ zegt, wat ik in mijn vertaling heb weergegeven door „verschrikt” in plaats van „verstrikt”.
Blz. 119. R. 2. Deze versregel (St. 129:6) is volkomen onbegrijpelijk. B. teekent er bij aan: „Ich weiss mit dem Bruder Nichts anzufangen und vermuthe, dass in bhâduka das Wort bhadra steckt. Ferner fasse ich mâdeva als mâteva” B.’s vertaling luidt: „Mein Vater ist wie die Mutter Draupadî um sein Glück betrogen worden”.
Fr. meent, dat met vañcidabhâduke Yudhishṭhira is bedoeld en vertaalt: „Unglücklich ist, wie einst Judhischthira, Mein Vater, und wie Draupadî die Mutter”. Ik vertaalde letterlijk naar St.; dat aldus geen verstaanbare zin wordt verkregen, is, daar de çakâra aan het woord is, nog geen bewijs van corruptie.
Blz. 119. R. 14. Deze laatste zes regels (St. 129:12–16) worden m.i. terecht door Fr. onvertaald gelaten en zijn als geïnterpoleerd te beschouwen, daar toch de viṭa eerst Blz. 120. R. 13 (St. 130:15) tot de ontdekking komt, dat Vasantasenâ is omgebracht; ook is het onwaarschijnlijk, dat de çakâra zijn zegezang (St. 128:25–129:8) „op de knieën liggend” zou voordragen.
Blz. 120. R. 23. Krîḍârasodbhâsini (St. 130:21) vert. B.: „du Förderin aller Lust zum Spiel”.
Blz. 120. R. 29. B. leest voor nu (St. 130:25) na, en vert.: „Was könntest du nicht noch Alles vollbringen, du, durch den dieses vollbracht ist”. Mij schijnt een tekstverandering hier noch noodig, noch wenschelijk, daar toch St.’s lezing een goeden zin oplevert, daarentegen bij de wijziging, door B. voorgesteld, de bet., door hem aan de woorden gehecht, ternauwernood daaruit is af te leiden.
Blz. 121. R. 13. Nirguṇa (St. 131:17) bet. zoowel „zonder deugd” als, op den boog toegepast „zonder pees”.
Blz. 122. R. 4. Jettike vele alan̄kalemi tettike mama aṇṇam tava (St. 132:13–14) vert. B.: „So oft ich mich schmücke, sollst du von mir einen andern haben”.
Blz. 122. R. 8. Pâçâdabâlaggapadolikâe (St. 132:16–17, ook 132:19–20; 162:23; 164:3 en 164:8) vert. B.: „im Taubenhäuschen auf der Zinne meines Palastes”. B. beschouwt het dus blijkbaar als synoniem van pâçâdabâlaggakabodabâliâe (St. 21:21). Nu geeft het P.W. voor Skr. [207]pratolî: „breiter Weg, Hauptstrasse”; St. 99:18 wordt gesproken van een padolîduâraa, waarmede, naar ik vermoed, „de poort, waardoor de hoofdstraat voert, de hoofdpoort” is bedoeld. Hoe echter uit de bet. „weg”, die van „duiventil” kan worden afgeleid, is mij niet duidelijk; ik vermoed, dat het „omgang, gaanderij” of iets dergelijks beteekent.
Blz. 123. R. 5. Deze strofe (St. 133:23–25) luidt bij B.: „Die durch Wind und Sonnenhitze erwärmten Blätter sind durch das Wasser des Gewandes feucht geworden. Diese ausgebreiteten Blätter regen sich, so meine ich, wie Federn hin und her.” Ik heb het driemaal voorkomende patte (Skr. pattra) telkens in een andere bet. opgevat, n.l. als „blad”, als „vleugel” en als „veer”; vithiṇṇapattâ beschouwde ik als bahuvrîhi-samenstelling.
Blz. 123. R. 37. palaloahatthe niçcale (St. 135:2) vert. B.: „der hält die jenseitige Welt fest in seiner Hand” (evenzoo Fr.).
Blz. 124. R. 16. Çuhidehiṃ (St. 136:14), bij St. en Calc. III weergeg. met Skr. suhitaiḥ, door B. met Skr. sukhitaiḥ, „und (ich) habe Wohlbehagen empfunden an meinen Gliedern”, is door mij opgevat als beantwoordend aan Skr. çubhitaiḥ of çobhitaiḥ (aldus Calc. II).
Blz. 124. R. 19. Mukke (St. 136:16), door B. vert met „Perlen”, zal toch wel evenals gaṇṭhî, jûlake enz. doelen op een bepaalde haardracht en is m.i. gelijk te stellen met Skr. muktaḥ (niet: muktâḥ), waarbij keçe verzwegen is. Dit is ook de opvatting van Fr.: „Bald aufgelöst und bald ein Scheitelbüschel.”
Blz. 124. R. 22. Evenals B. heb ik viça- (St. 136:17) beschouwd als beantwoord aan Skr. bisa-, niet visha, zooals de Skr.-vertalingen bij St. en in Calc. II en III geven: hetzelfde geldt van St. 164:1.
Blz. 124. R. 27. Ik volg met B. de lezing van Calc. II, waar ajja- vóór câludattâkeṇa (St. 137:1) is weggelaten; de çakâra toch spreekt nergens van ajjacâludatte. ’t Zou ook mogelijk zijn, ajja van câludattâkeṇa te scheiden en als beantwoordend aan Skr. adya op te vatten.
Blz. 125. R. 32. Paratattva- (St. 138:1) vert. B.: „die gute Sache des Andern.”
Blz. 125. R. 41. B. verkiest de lezing praviçanti voor upaviçanti (St. 138:8).
Blz. 126. R. 20. Ik heb ajja gaccha (St. 138:23) omgezet in overeenstemming met het onmiddelijk voorafgaande gacchâdya.
Blz. 127. R. 4. Met Calc. III lees ik ṇaṃ ettha ubaviçâmi (St. 139:17); ook de Skr.-vertaling bij St. heeft nanu. [208]
Blz. 127. R. 30. Çoçâbeduṃ çodhâbeduṃ poçṭâbeduṃ luṇâbeduṃ (St. 140:9), bij B. „zu trocknen, zu reinigen, zu pflegen, zu beschneiden”, zijn causatieven; de Skr.-vertaling geeft dan ook: çushkaṃ—, pushṭaṃ—, lûnaṃ kârayitum (minder juist çodhayitum).
Blz. 127. R. 38. Met B. lees ik voor paviçia (St. 140:14) paveçia (vgl. St. 133:2; 153:21; 158:12).
Blz. 127. R. 40. Ityardhokte mukhamâvṛṇoti (St. 140:15) vert. B.: „hällt inne und verhüllt sein Gesicht”.
Blz. 128. R. 4. Uttalâanteṇa via pâaçapiṇḍalakeṇa (St. 140:20) heeft tot merkwaardig verschillende vertalingen aanleiding gegeven; zoo heeft W.: „like a man crossing a narrow bridge precipitately, who tumbles into the stream”; R. daarentegen: „comme Pâyasapindaraka courant et volant à toute vitesse”, terwijl B. het vertaalt: „wie ein allzugieriger Reisesser” (zoo ook ongeveer Fr.). De laatste vertaling is ongetwijfeld de juiste; slechts zal uttalâanteṇa niet aan Skr. uttaratâ, maar aan *uttarayatâ beantwoorden, dat als denominatief van uttara is op te vatten dus „zich te buiten gaande”, terwijl ik voor pâaçapiṇḍalakeṇa pâaçapiṇḍâçakeṇa zou willen lezen.
Blz. 130. R. 27. Vâsati (St. 143:13); lees vâçati.
Blz. 130. R. 32. B. vert. svairaṃ (St. 143:15) hier, evenals St. 99:6 „ohne Weiteres”.
Blz. 130. R. 41. In bhinnanîlân̄janâbhaḥ (St. 143:20) is de bet. van bhinna niet duidelijk; B. en Fr. vertalen het „zerrieben”. Moet wellicht bhṛn̄ga- gelezen worden? (Vgl. St. 76:7.)
Blz. 131. R. 20. B.’s opvatting van nânâvâçakakan̄kapakshiruciram (St. 144:11), „mannigfache krächzende Reiher schmücken in”, waarbij pakshi onvertaald blijft, schijnt mij onaannemelijk; want wat doen reigers in de rechtszaal? Ook bevat het compositum ongetwijfeld een vergelijking, evenals de andere, waarmede het op één lijn staat. R. in aansluiting aan den Comm. van Lallâ Dîkshita, die vâçaka gelijk stelt met karṇejaya, piçuna, vert.: „les cris des plaideurs rappellent ceux des hérons.” Ook bij deze opvatting echter is pakshi vrijwel overbodig; bovendien kunnen reigers bezwaarlijk met den oceaan in verband gebracht worden. Fr.’s vertaling stemt overeen met die van R. De vertaling van W. luidt: „and vile informers, like the hovering curlew, Hang fluttering o’er, then pounce upon their prey.” Blijkens een Noot vat hij nânâvâçaka op als „disguised emisseries or informers.” De eenige oplossing schijnt mij, aan kan̄ka hier een andere dan de gewone beteekenis toe te kennen, waardoor het op één lijn te stellen is met mantri, dûta, câra en kâyastha en wel ongeveer die beteekenis, welke door Lallâ Dîkshita aan vâçaka, door W. aan [209]nânâvâçaka wordt toegeschreven. Hierbij denke men aan de bet. van Skr. baka: „eine Reiherart” èn „Heuchler, Betrüger”.
Blz. 131. R. 22. Nîtikshuṇṇataṭaṃ (St. 144:22) vert B.: „und die Staatsklugheit bildet das unterwühlte Ufer”; kshodati bet. echter in de eerste plaats „vaststampen”, dan „door stampen doen schudden” en ook „stukstampen”; wat echter niet hetzelfde is als „unterwühlen”.
Blz. 131. R. 34. Terecht leest B. met Calc. II (en III) voor naitadvibhâjanam (St. 144:19) naitaddhi bhâjanam.
Blz. 132. R. 7. B. leest voor prasaktaḥ (St. 145:7) prasaktiḥ; ik behield de lezing van St.
Blz. 132. R. 23. Met B. volg ik hier de lezing van Calc. II (en III): eṇṇi gûhadi ṇa taṃ hi bkaṭṭake (vgl. St. 145:17).
Blz. 133. R. 5. Voor asambaddhaḥ khalvasi (St. 146:7) leze men asambaddhaṃ jalpasi.
Blz. 133. R. 31. Mijn vertaling van dit vers (St. 146:20–24) stemt in hoofdzaak met die van B. overeen; alleen vat deze den derden versregel als een afzonderlijken zin op („Das ist nicht dein wirkliches Gesicht, Geehrter!”), wat met de adverbiale beteekenis van mithyâ niet wel is overeen te brengen; mithyâ moet hier „zonder reden, zoo maar” of iets dergelijks beteekenen. Voor antarâ te lees ik met Calc. I, II en III antarâle, zonder daarbij echter den Comm. = gagane aan te nemen.
Blz. 135. R. 26. B. leest wel terecht voor loka- (St. 149:1) loke.
Blz. 135. R. 35. B. vat chidreshvanarthâ bahulîbhavanti (St. 149:6) als afzonderlijken zin op: „wo einmal ein Riss ist, da mehren sich die Uebel.”
Dezelfde woorden vindt men ook Pañc. V, k. 5 (ed. Kielhorn V, p. 49) bij Van der Waals III, blz. 81.
Blz. 135. R. 42. De vertaling van dit vers (St. 149:9–13) luidt bij B.: „Nur ein Bösewicht, der Andere um ihre Vorzüge beneidet und von Leidenschaft geblendet ist, ist im Leben mordlustig. Darf man das, was ein Mann in Folge seiner niedrigen Geburt fälschlicher Weise vorbringt, für gültig halten. Nein das darf gar nicht in Betracht gezogen werden”.
Blz. 136. R. 29. Den laatsten versregel (St. 150:7) vert. B. op grond van den Comm. bij Calc. II (vyasanena bâlyasulabhakrîḍayâ): „Mit Unrecht, ach, erfreust du dich stets an Spielereien”. Ik betwijfel, of aan paravyasana deze bet. mag worden toegekend en verkies voor para de bet. „hoogste” [210](zooals ook de Comm. doet), voor vyasana de gewone bet. „ramp”, terwijl met die hoogste ramp niets anders bedoeld kan zijn dan de terechtstelling van Rohasena’s vader.
’t Eenige, wat vreemd blijft, is de instr., waar men eerder een loc. zou verwachten.
Blz. 136. R. 38. B. merkt terecht op, dat imassa (St. 150:13) niet met Calc. II door Skr. asyâs mag worden weergegeven en verkiest derhalven de lezing idaṃ se; mij schijnt het beter imassa te behouden, dat dan alleen op Rohasena kan slaan; immers dit levert een zeer goeden zin, terwijl bij B.’s opvatting tâ samappehi volkomen overbodig is.
Blz. 137. R. 20. Met B. verkies ik hier (St. 151:6) de lezing van Calc. II (en III) strî ratirvâviçeshena; immers het ca bij St. is volstrekt onbegrijpelijk. Ook eischt aviçeshena, dat er verschillende dingen genoemd worden, niet alleen „de Rati der vrouwen”, zooals St. heeft.
Blz. 137. R. 38. puraṭṭhâbaṇavihârârâmadeulehiṃ (St. 151:14–15) luidt bij B.: „durch Errichtung von Burgen, mit Klöstern, Hainen, Tempeln”; ik vatte puraṭṭhâbaṇa- op als bepaling der drie volgende substantiva met bet. „de stad bevestigend”.
Blz. 138. R. 27. B. vert. dit vers (St. 152:14–16): „Das schwache Auge des Königs wird es nicht für Wahrheit halten, und wenn ich nur klägliche Worte vorbrächte, würde der Tod nicht rühmlich sein”. Alle vertalingen zijn hier min of meer verschillend; mijn opvatting staat het dichtst bij die van W., ofschoon deze de plaats, zooals gewoonlijk, zeer vrij weergeeft.
Blz. 139. R. 11. B. leest met Calc. I voor aṇabhijâṇido (St. 153:2) aṇado (l. aṇṇado); ik behield de lezing van St., die m.i. een zeer goeden zin oplevert, wanneer na ṇa hu ṇa hu een komma wordt gedacht.
Blz. 140. R. 16. Ook hier (St. 154:6) volg ik met B. de in de Aant. bij Blz. 35. R. 22 vermelde lezing; viçeshena is hier volkomen onbegrijpelijk.
Blz. 140. R. 33. B. verkiest hier (St. 154:15) de lezing van Calc. I ṇa a aham atthiṇî; echter schijnt mij St.’s lezing logischer, immers uit het feit, dat Vasantasenâ’s moeder niet de aanklaagster is, behoeft niet de vrijlating van Cârudatta te volgen en bovendien is dan het voorafgaande atthippaccatthtṇaṃ vavahâro in tegenspraak met de conclusie. Daarentegen bij St.: „Het proces is de zaak van aanklager en beklaagde; ik als moeder der vermoorde ben de aanklaagster; daar ik echter de veroordeeling van den beklaagde niet wensch, moet hij worden vrijgelaten.”
Blz. 141. R. 7. De hier (St. 154:24) bedoelde plaats (Manu 8, 380) luidt: „na jâtu brâhmaṇam hanyât, sarvapâpeshvapi sthitam; râshṭrâd enaṃ bahiḥ kuryât samagradhanam akshatam”. [211]
Blz. 141. R. 10. Met B. heb ik tahiṃ (St. 155:2) bij het voorafgaande ajjâ gada mhi gevoegd (aldus Calc. III).
Blz. 141. R. 11. Terecht leest B. met Calc. II (en III) voor tahiṃ jjeva (St. 155:3) tâiṃ jjevva.
Blz. 141. R. 12. tti (St. 155:4) behoort, zooals B. opmerkt, niet op bhajjedha, maar op sâsîadi te volgen.
Blz. 142. R. 15. Deze beide versregels (St. 156:3–5) zijn niet volkomen duidelijk, tenzij krakaca gelijk gesteld mag worden met çûla (vgl. echter St. 176:2, waar zij als verschillende strafwerktuigen worden genoemd). Ik heb met B. den zin als vraag opgevat, maar vermoed, dat vóór vîkshya een avagraha is weggevallen. Over de godsoordeelen met vuur en water handelt Manu 8, 114 vlg.
Blz. 143. R. 2. Daar het vers, waarmede het 10de Bedrijf aanvangt (St. 157:2–4) gedeeltelijk volkomen duister is, laat ik het liever geheel weg dan een vertaling te geven, die toch onzeker is. Zoo de Skr.-vertaling bij St. juist is, staat er dit: „Waarom dan maakt gijlieden aanleiding? In een menigte van nieuwe terechtstelling en gevangenneming ervaren, zijn wij bedreven in hoofd-afhouwen en op-den-paal-steken in korten tijd.” B. heeft: „Warum unterweist ihr uns nicht in eurer Kunst, die ihr euch auf eine Menge neuer Todesarten und Fesselungen versteht? Bald wären wir im Köpfen und Pfählen geschickt”; maar merkt hierbij op: „Die Commentare schweigen, und auch ich hätte diese Zeile lieber nicht übersetzt, da ich auf blosses Rathen angewiesen bin.”
Blz. 143. R. 11. Raktagandhânuliptaṃ (St. 157:10) voegt B. bij baliṃ en vert. het: „mit einem Bischen Blut beschmiert”. Nu wordt weliswaar voor gandha de bet. „eine Spur von, ein Wenig” opgegeven, waarin het o.a. ook in de Mṛcch. voorkomt (St. 123:12; 124:15); echter komt het mij hoogst onwaarschijnlijk voor, dat gandha hier in die bet. zou zijn op te vatten (besmeerd met een reuk van bloed!). Beter schijnt mij Fr.’s vert.: „[der] eingerieben ward mit rothem Sandel.” R. geeft ook deze vertaling in een Noot. Rakta-gandha bet. letterlijk rood reukwerk (vgl. St. 157:18).
Blz. 143. R. 23. B. vert. hastaka (St. 157:18) met „Handspur” in overeenstemming met den Comm. bij R.: hastâḥ iva hastakâḥ hastacihnâni.
Blz. 143. R. 29. B. leest met Calc. I (en III) voor upajâtakhedâḥ (St. 157:21) upajâtabâshpâḥ „ihre Augen füllen sich mit Thränen”; ik volgde de lezing van St.
Blz. 144. R. 4. B. vert. çan̄kamaṃ tâlâṇaṃ (St. 158:3) op grond van den Comm. bij Calc. II met „wenn Sterne herabfallen”. [212]
Blz. 144. R. 12. Ik houd het er voor, dat voor vajje (St. 158:7 en 9) vaççe moet gelezen worden; het is toch ondenkbaar, dat de nedervallende tranen der vrouwen door den Cândâla voor een bliksemstraal worden aangezien. Dat Skr. varshaḥ in de taal der Cândâla’s, die het meest overeenkomt met het Mâgadhî, vaççe zou luiden, meen ik op grond van vaççadi (St. 79:9) te mogen aannemen.
Blz. 145. R. 20. Bandhu (St. 159:20) bij B.: „Freund”.
Blz. 146. R. 25. B. leest wel terecht voor -bhojanam (St. 160:20) -bhâjanam.
Blz. 146. R. 38. Abbhudae avaçâṇe (St. 161:4) vert. B.: „Auf der Höhe des Glücks und in der Todesstunde”.
Blz. 147. R. 2. Met B. volg ik hier (St. 161:7) de lezing van Calc. II (en III) paṇamia matthae ṇa kâavvam (B. leest kâavve).
Blz. 148. R. 2. B. volgt de lezing adyâvagacchâmi (vgl. St. 162:2).
Blz. 148. R. 4. Wat met samasthita ityâdi paṭhati (St. 162:2–3) wordt bedoeld, is niet duidelijk; immers een aldus aanvangend vers komt niet voor. Wel vindt men samasaṃsthitasya (St. 159:20), maar het is bevreemdend dat Câr. juist deze regels zou herhalen, waar Maitreya hem zoo groot blijk van vriendschap geeft.
Blz. 148. R. 25. Yatredaṃ phalamapi jîvitâvasânam (St. 162:12) vert. B.: „deren reife Frucht des Lebens Ende ist”, waarbij echter api niet tot zijn recht komt. Mijn vertaling komt overeen met die van Fr.
Blz. 148. R. 32. B. leest voor ettha (St. 162:18) atthi: „Die Sache verhält sich folgendermaassen”.
Blz. 149. R. 9. Çasye (St. 163:8, ook 171:22) te lezen sasye.
Blz. 149. R. 29. Ik vermoed dat çâliççakûleṇa (St. 163:20) in twee woorden moet gelezen worden; en er dus letterlijk staat: „met rijst van rijst”; met kûla (Skr. kûra) wordt speciaal de gekookte rijst bedoeld. Dat çâliçça niet aan Skr. sâdṛçya (bij St.) beantwoordt, spreekt van zelf. B. vert. dit en het volgend gulodaṇeṇa: „rothen Reis und Reis mit Butter” (Skr.-guḍa?)
Blz. 149. R. 36. Viçagaṇṭhigabbhapaviçṭeṇa (St. 164:1) zie Aant. bij Blz. 124. R. 22.
Blz. 149. R. 40. B. schijnt evaḍḍhe jaṇaçamadde (St. 164:5) als loc. op te vatten; ik heb het met de Skr.-vertaling als nom. beschouwd. [213]
Blz. 150. R. 3. Ṇibaḍidâ (St. 164:9) vert. B. „erschallen”; ik geloof eerder, dat het als synoniem van ṇivâlidâ is te beschouwen, gelijk ook R. doet („cessé-interrompu”).
Blz. 150. R. 29. Door B. als vraag opgevat: „Wie in aller Welt! Habe ich nicht den Diener Sth. in aller Ordnung gebunden?” (St. 164:24–25).
Blz. 150. R. 33. Svairakam (St. 165:3) vert. B. hier „unbefangen” (vgl. Aant. bij Blz. 91. R. 3).
Blz. 151. R. 3. Viḍatte ceḍe kiṃ ṇa ppaḍabedi (St. 165:11–12) bij W.: „a scorched slave will set anything on fire”; bij R.: „quand on corrige un esclave, on allume en lui le feu de la colère”; bij B.: „Warum sollte ein gebrannter Diener nicht Gluth ausströmen?” (evenzoo ongeveer Fr.) De opvatting van W., B. en Fr. schijnt mij hierom bedenkelijk, daar de çakâra den slaaf niet heeft gebrandmerkt, maar alleen geslagen, wat toch bezwaarlijk door vitaptaḥ kan worden uitgedrukt (het „corrige” van R. is geheel willekeurig); ook schijnt mij de woordspeling, die in het gezegde zou liggen, wat al te gezocht. Ik geloof, dat wij hier moeten afwijken van de Sanskṛt-vertaling en viḍatte als = Skr. viraktaḥ, ppaḍabadi als = Skr. pralapati opvatten. Of bij deze opvatting viḍatte en ppaḍabadi mogen behouden blijven of wel vilatte, ppalabadi moet gelezen worden, durf ik niet beslissen (Calc. III heeft: vitatte ceḍe kiṃ ṇa ppalabadi).
Blz. 151. R. 10. B. splitst nishkâranopagata bândhava dharmaçîla (St. 165:18) en vert.: „du bist ein Freund, der in uneigennütziger Weise Andern beispringt und ein ehrenwerther Mann”. De lezing van St. schijnt mij verre te verkiezen en geeft immers een uitstekenden zin; bij R.: „[tu] qui remplis à mon égard les devoirs d’un parent, sans que j’ai rien fait pour le mériter”.
Blz. 151. R. 12. Letterlijk: „Het Noodlot stemt niet toe; wat is nu niet gedaan door U?” (St. 165:20). Het laatste gedeelte van dit couplet herinnert aan het bekende yatne kṛte yadi na sidhyati ko ’tra doshaḥ (Pañc. II, 130).
Blz. 151. R. 38. Voor juttam ṇṇedam (St. 166:13) lees ik met Calc. II en III juttaṃ ṇedam (Skr. yuktaṃ nedam); volgens deze lezing vert. ook B.
Blz. 152. R. 23. B. voegt mayâ bij hatâ priyeti (St. 167:12) en vert.: „dass man hier sagen wird, ich hätte die Geliebte umgebracht”. Maar wanneer Câr. de woorden van het publiek aanhaalde, zou in plaats van mayâ, anena moeten staan; en bovendien Câr. moet immers zeggen: mae vaçantaçeṇâ vâbâdidâ (St. 167:3).
Blz. 153. R. 11. B. leest met Calc. I (en III) na teṇa (St. 168:3) baddhâveṇa of vaṭṭâbeṇa (Skr. vardhâpanena) en vert.: „bei dessen Geburtstagsfeier alle zum Tode Verurtheilten begnadigdt werden”. [214]
Blz. 153. R. 28. B. leest met Calc. II (en III) voor prakhala- (St. 168:14) prabala- „durch die Reden mächtiger Männer.”
Blz. 153. R. 36. Wil men veçaṃ (Skr. 168:21) gelijk stellen met Skr. veshaḥ, dan dient wel veçe te worden gelezen.
Blz. 154. R. 12. Evenals B. heb ik met Calc. II (en III) loe (St. 169:4) gevoegd bij den volgenden zin.
Blz. 154. R. 14. Uṭṭhantapaḍantâha enz. tot câṇḍâlaṃ prati (St. 169:5–7) wordt door Calc. III als vers gedrukt. Wat met vaçaṇapâliâ bedoeld wordt, is niet zeer duidelijk; B. vert.: „Wenn aber Jemand zuerst sich erhebt und dann fällt, so ist es als wenn sein Gewand abfiele” en merkt hierbij onder „Anmerkungen” op: „Der Sinn ist wohl: Wer zuerst hoch steigt und dann fällt, befindet sich in der Lage eines plötzlich nackt dastehenden Mannes”. Ik vermoed, dat met uṭṭhedi en paḍadi „geboren worden” en „sterven” wordt bedoeld en vaçaṇapâliâ ziet op de reïncarnatie.
Immers ook elders wordt de wisseling van lichaam met de wisseling van kleederen vergeleken, zoo Bhag. II, 22, waar gezegd wordt: vâsâṃsi jîrṇâni yathâ vihâya navâni gṛhṇâti naro ’parâṇi, tathâ çarîrâṇi vihâya jîrṇânj anyâni saṃyâti navâni dehî. Het feit, dat de dood niets anders is dan de geboorte tot een nieuw leven, schijnt mij een gepaster troost voor een terdoodveroordeelde dan te wijzen op de wisselvalligheid van het geluk der menschen.
Blz. 154. R. 37. B. merkt op: „vasundharâ (St. 169:20) kann nicht richtig sein, man erwartet Schiff, wie S. 41, Z. 20.” Het komt mij voor, dat juist op grond van die analoge plaats aan vasundharâ (sc. naus) hier de bet. „schip” mag worden toegekend.
Blz. 156. R. 10. Waarschijnlijk berust het ontbreken van dezen regel (St. 171:5) in B.’s vertaling op een vergissing; immers onder „Anmerkungen” wordt van een opzettelijke weglating geen melding gemaakt.
Blz. 156. R. 13. Câhû (St. 171:7) is door mij adverbiaal opgevat (de Skr.-vert. bij St. heeft sâdhur); om deze opvatting mogelijk te maken, moet wel câhu (sâhu bij Calc. I) gelezen worden. B. heeft: „Gut dass wir den Ehrenmann nicht hingerichtet haben”, waarbij câhû adverbiaal èn substantivisch vertaald schijnt.
Blz. 156. R. 29. Na maledha (St. 171:18) is tthi in te voegen, zooals B. terecht opmerkt.
Blz. 157. R. 22. Vidyeva (St. 172:13) door B. vert.: „wie ein Zauberspruch”; ik geloof eerder, dat Vasantasenâ met de Kennis, de Wijsheid wordt vergeleken en wel omdat zij door haar verschijning de ware toedracht der zaak aan het licht brengt. W. vert. het: „like the wondrous power That brings back life to its deserted source”, R.: „comme un merveilleux elixir”. [215]
Blz. 157. R. 28. Mṛto pi ko nâma punar dhriyeta (St. 172:16) vert. B.: „Wer würde sonst noch leben, wenn er gestorben wäre?” en Fr.: „Wer wäre sonst im Leben noch, Nachdem er schon gestorben war!” De zin van deze woorden is mij niet helder; ook is dhriyate niet „leven” maar „in het leven blijven” en waar blijft api? Wanneer men den zin niet als vraag en ko als pron. indefin. opvat, is de bet. volkomen duidelijk. Reeds W. vert.: „Such is the force of love omnipotent Who calls the very dead to life again” en nog juister bij R.: „Ah! puissance de l’union des amants! Elle rendrait un mort à la vie.”
Blz. 157. R. 31. Deze beide versregels (St. 172:18–20) luiden bij B.: „wie dieses selbe schöne rothe Gewand und diese Kranz durch die Ankunft der Geliebten den Bräutigam kleidet.” Ik geloof niet, dat vara in den eersten versregel anders is op te vatten dan in den tweeden (nl. als „bruidegom”); Câr. zal toch wel niet het kleed, waarin hij ter dood gebracht zou worden een uitstekend gewaad noemen. Ik geloof, dat men na raktam, vastram verzwegen moet denken, gelijk reeds W. deed: „This crimson vesture be the bridegroom’s garb”.