[Inhoud]

Tijger met gedood hert.

(Dan komt de bedelmonnik* op met een vochtige pij in de hand.)

Bedelmonnik.

Onwetenden, verzamelt goede werken!

Bedwingt den eigen buik,

waakt immer bij den tromslag der bepeinzing,

De zinne-dieven, boos,

stelen de goede werken, lang-vergaard.

En ook: na door de onbestendigheid tot inzicht te zijn gekomen, ben ik slechts een woning van goede werken.

Door wien het stammenvijftal is gedood,

de vrouw gedood is en het dorp behoed,

Gedood ook de Cândâla, krachteloos,

wis dompelt in den hemel zich die man.*

Geschoren ’t hoofd, geschoren ’t aangezicht,

en niet de geest! waarom geschoren dan?

Wien evenwel de geest geschoren is,

van hem is waarlijk recht geschoren ’t hoofd.

Deze pij is in roode verf gedoopt; laat ik nu het park van des konings zwager binnengaan, ze in den lotusvijver uitspoelen en dan vlug, vlug wegloopen.

(Gaat het tooneel rond en doet aldus.)

Stem achter het tooneel.

Blijf staan, ellendige bedelmonnik, blijf staan, blijf staan!

Bedelmonnik (omziende, bevreesd).

O wee, o wee! Daar is des konings zwager Samsthânaka. Omdat door één bedelmonnik een misdrijf is begaan, jaagt hij iederen anderen bedelmonnik weg, waar hij hem ook ziet, na hem als een stier den neus te hebben doorboord. Waar zal ik, onbeschermde, dan bescherming zoeken? Maar kom, de Heer zelve, de Buddha is mijn bescherming.

Koningszwager (opkomend met den hoveling, die een zwaard draagt).

Blijf staan, ellendige bedelmonnik, blijf staan, blijf staan! Je hoofd zal ik verbrijzelen, als van een roode radijs te midden van een drinkgelag. (Slaat hem.)

[104]

Hoveling.

Bastaard! Het past niet, een bedelmonnik te slaan, die uit afkeer van het leven het roode kleed draagt. Wat wilt ge dan met hem? UEd. houde in het oog, dat dit park gemakkelijk toeganklijk is.

Weldadig door de boomen van het woud,

die onbeschutten schutting zijn en vreugd,

Als ’t hart van boosgezinden onbewaakt,

als nieuw bewind* genietbaar zonder strijd.

Bedelmonnik.

Heil U, wees genadig, Dienstknecht*.

Koningszwager.

Meester, zie eens aan, hij beschimpt mij.

Hoveling.

Wat zegt hij?

Koningszwager.

Hij noemt mij „dienstknecht”. Ben ik dan een barbier?

Hoveling.

Als Dienstknecht van den Buddha prijst hij U.

Koningszwager.

Prijs mij, bedelmonnik, prijs mij!

Bedelmonnik.

Gij zijt verkoren, gij zijt gerecht.

Koningszwager.

Meester, hij noemt mij van koren en een gerecht; ben ik dan een schotel, een schuur of een pottebakker?

Hoveling.

Bastaard, hij prijst U immers met de woorden: „Gij zijt verkoren, gij zijt gerecht.”

Koningszwager.

Meester, en waarom is hij hier gekomen?

Bedelmonnik.

Om mijn pij uit te spoelen.

Koningszwager.

O ellendige bedelmonnik, door den gemaal mijner zuster is mij dit schoonste van alle parken, dit park Pushpakarandaka gegeven. Daar, waar de honden en jakhalzen drinken, en ik, de voortreflijke mensch, het mannetje, mij niet baad*, daar in den lotusvijver wilt gij uw als oude-erwtensoep gevlekte, kwalijk-riekende pij uitspoelen! Daarvoor zal ik je één slag geven.

Hoveling.

Bastaard, ik vermoed, dat deze nog niet lang als bedelmonnik moet zijn uitgetogen.

[105]

Koningszwager.

Hoe weet ge dat, Meester?

Hoveling.

Wat valt hier te weten? Zie!

Nog altijd is, hoewel het hoofdhaar hem ontbreekt,

zijn voorhoofdsvel witgetint;

Op zijn schouder ontstond, veroorzaakt door de pij,

geen eelt in zoo korten tijd;

Ook is ’t aandoen van ’t roode kleed nog niet gewend,

en vèr naar omlaag gezakt

Blijft, daar ’t goed zich verheft, de slip van het gewaad

niet over zijn schouder vast.

Bedelmonnik.

Dienstknecht, zoo is het; nog niet lang ben ik uitgetogen.

Koningszwager.

En waarom zijt ge niet dadelijk na uw geboorte uitgetogen? (Slaat hem.)

Bedelmonnik.

Eere den Buddha!

Hoveling.

Wat hebt ge er aan, dien ongelukkige te slaan? Laat hem los, laat hem loopen.

Koningszwager.

Nu, wacht dan, terwijl ik overleg.

Hoveling.

Met wien?

Koningszwager.

Met mijn eigen hart.

Hoveling.

Nu, hij is nog niet gegaan.

Koningszwager.

Zoontje mijn hart, heer zoontje! moet deze bedelmonnik gaan of blijven? (Bij zich zelf.) Hij moet niet gaan, hij moet niet blijven. Meester, Meester, ik heb met mijn hart overlegd en mijn hart zegt …

Hoveling.

Wat zegt het?

Koningszwager.

Hij moet niet gaan, hij moet niet blijven, hij moet niet uitademen, hij moet niet inademen, hier op deze plaats moet hij dadelijk neervallen en sterven.

Bedelmonnik.

Eere den Buddha, ik zoek bescherming.

Hoveling.

Laat hij gaan.

Koningszwager.

Ja, op een voorwaarde.

[106]

Hoveling.

Welke voorwaarde?

Koningszwager.

Laat hij zóó het vuil wegwerpen, dat het water niet troebel wordt. Of neen, laat hij het water ophoopen en dan het vuil wegwerpen.

Hoveling.

O die dwaasheid!

Overladen met vleesch-boomen,

wier kruin uit splinters steen bestaat,

Is deze wereld,—met dwazen,

van geest en handelwijs verkeerd.

(De bedelmonnik beschimpt hem door gebaren.)

Koningszwager.

Wat zegt hij?

Hoveling.

Hij prijst U.

Koningszwager.

Prijs mij, prijs mij en prijs mij andermaal!

(De bedelmonnik, na aldus te hebben gedaan, af.)

Hoveling.

Bastaard, zie de pracht van het park!

Want deze boomen, die, met vrucht en bloem getooid,

Door onbeweeglijke lianen vast omklemd,

Op last des konings door de wachters zijn behoed,

Als mannen bij hun vrouw, verzinken in genot.

Koningszwager.

De Meester spreekt goed!

Met vele bloesems is de grond bespikkeld,

Door bloesemlast de boomen neergebogen,

Lianen groeten uit den top der boomen,

Als broodboomvruchten dartelen de apen.

Hoveling.

Bastaard, hier is een platte steen; zet U neder.

Koningszwager.

Ik ben gezeten. (Zet zich neder met den hoveling.) Meester, nog steeds denk ik aan Vasantasenikâ; als het woord van een booswicht wijkt zij niet uit mijn hart.

Hoveling (bij zich zelf).

Zoo denkt hij nog aan haar, hoewel hij afgewezen werd! En toch:

Versmaad door vrouwen, zal

van slechtaards nog de liefde wassen;

Maar van een edel man

zal zij verzwakken of niet meer bestaan.

[107]

Koningszwager.

Meester, het is al eenigen tijd geleden, dat ik tot mijn slaaf Sthâvaraka heb gezegd: „Kom met den wagen heel spoedig hier.” Daar hij nog altijd niet komt, ben ik al lang hongerig en des middags kan men toch niet te voet gaan. Zie toch, zie!

De middagzon, een boozen aap gelijk, is nauwlijks aan te zien,

D’aarde verkwijnt, als na den dood van ’t zonen-honderdtal Gândhârî*.

Hoveling.

Zoo is het.

De runderkudde dommelt in de schaduw,

terwijl de beten gras haar mond ontvallen;

Van dorst gekweld, wordt door de woud-gazellen

het warme vocht der poelen opgedronken;

Door menschen, al te zeer de hitte duchtend,

wordt niet de weg, die stadwaarts voert, betreden;

Zoo heeft, om den verhitten grond t’ontwijken,

de wagen, denk ik, ergens halt gehouden.

Koningszwager.

Meester!

Op mijn hoofd, Meester, is een straal der zonne neergestreken,

De vogels, lucht- en hemelgangers* rusten op de takken.

De mannen en de menschen en de lieden, warm-diep zuchtend,

In woningen en huizen zittende, de hitt’ ontwijken.

Meester, nog altijd komt de slaaf niet. Maar kom, om mij den tijd te korten, zal ik wat zingen. (Zingt.) Meester, Meester, hebt ge gehoord, wat ik gezongen heb?

Hoveling.

Wat zal men zeggen! Ge zijt een Gandharva*.

Koningszwager.

Waarom zou ik geen Gandharva zijn?

De vlam van hingu* en komijn en cyper,

Violenknoop, suiker, gedroogde gember,

Dit reukwerkmengsel is door mij gebezigd;

Hoe zoud’ ik dan niet lieflijk van geluid zijn?

Meester, Meester, ik zal nog eens even zingen. (Doet aldus.) Meester, Meester, hebt ge gehoord, wat ik gezongen heb?

Hoveling.

Wat zal men zeggen! Ge zijt een Gandharva.

Koningszwager.

Waarom ben ik geen Gandharva?

Van hingu heet, bestrooid met peperpoeder,

Besprenkt met olie en gemengd met boter, [108]

Zulk koekoeksvleesch is er door mij gegeten;

Hoe zoud’ ik dan niet lieflijk van geluid zijn?

Meester, nog altijd komt de slaaf niet.

Hoveling.

Wees goedsmoeds, hij zal zoo aanstonds komen. (Dan komt, op den wagen gezeten, Vasantasenâ op en de slaaf.)

Slaaf.

Ik ben toch bang, de zon staat al in het Zuiden; als de koningszwager Samsthânaka maar niet boos is. Dus zal ik snel rijden. Voort, stieren, voort!

Vasantasenâ.

O wee, o wee! Dat is niet de stem van Vardhamânaka. Wat is dat? De edele Cârudatta zal toch niet, om zijn span vermoeienis te besparen, een anderen man en een anderen wagen hebben gezonden. Mijn rechter oog trilt, mijn hart beeft, leegte is om mij heen, alles zie ik wankelen.

Koningszwager (het dreunen der wielen vernemend).

Meester, Meester, de wagen is aangekomen.

Hoveling.

Hoe weet ge dat?

Koningszwager.

Ziet ge hem niet, Meester? Men kan hem zien knorren als een ouden ever.

Hoveling (hem ziende).

Goed gezien! hij is aangekomen.

Koningszwager.

Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, zijt ge aangekomen?

Slaaf.

Zeker.

Koningszwager.

Is de wagen ook aangekomen?

Slaaf.

Zeker.

Koningszwager.

Zijn de stieren ook aangekomen?

Slaaf.

Zeker.

Koningszwager.

Zijt gij ook aangekomen?

Slaaf (lachend).

Heer, ook ik ben aangekomen.

Koningszwager.

Rijd dan naar binnen met den wagen.

[109]

Slaaf.

Langs welken weg?

Koningszwager.

Over deze instorting van den muur.

Slaaf.

Heer, de stieren zullen omkomen en de wagen zal breken en ook ik, uw slaaf, zal omkomen.

Koningszwager.

Nu, ik ben des konings zwager; zijn de stieren dood, dan zal ik andere koopen, is de wagen gebroken, dan zal ik mij een anderen laten maken, en zijt gij dood, dan zal een ander mijn voerman zijn.

Slaaf.

Ja, alles zal terecht komen, maar ik zal niet meer van mij zelf zijn.

Koningszwager.

Komaan, laat alles te gronde gaan, rijd met den wagen over de instorting van den muur.

Slaaf.

Breek dan, wagen, met uw eigenaar, breek, breek! Wij moeten een anderen wagen hebben, dat ga ik mijn Heer melden. (Binnenrijdend.) Hoe, niet gebroken!—Heer, de wagen is er.

Koningszwager.

De stieren niet gescheurd? De strengen niet dood? En ook gij niet dood?

Slaaf.

Neen, zeker niet.

Koningszwager.

Meester, kom hier, laten we den wagen beschouwen. Meester, ook gij mijn leeraar, mijn voornaamste leeraar, wordt beschouwd met eerbied als een vertrouwde, als een meerdere; bestijg gij dan den wagen het eerst.

Hoveling.

Zoo zij het. (Bestijgt hem.)

Koningszwager.

Maar neen, wacht eens! Behoort de wagen aan uw vader, dat gij hem het eerst bestijgt. Ik, de eigenaar van den wagen, bestijg hem het eerst.

Hoveling.

U zegt het zelf.

Koningszwager.

Ook al spreek ik zoo, toch moest gij de beleefdheid hebben te zeggen: „Mijn Heer bestijge den wagen.”

Hoveling.

UEd. bestijge den wagen.

Koningszwager.

Nu zal ik hem bestijgen. Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, keer den wagen.

[110]

Slaaf (keerend).

Stijg op, groote Heer.

Koningszwager (legt, wanneer hij den wagen heeft bestegen en bezien, schrik aan den dag, klimt haastig af en valt den hoveling om den hals).

Meester, Meester, ge zijt verloren, ge zijt verloren! In den wagen huist een râkshasî* of een dief. Is het een râkshasî, dan worden wij beiden bestolen; is het een dief, dan worden wij beiden opgegeten.

Hoveling.

Vrees niet, vrees niet! Hoe zou nu in een stierenwagen een râkshasa komen? Ik vrees, dat, daar uw oog door den gloed der middagzon is verblind, gij zoo zijt ontsteld bij het zien van de schaduw en het pantser van Sthâvaraka.

Koningszwager.

Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, leeft ge nog?

Slaaf.

Zeker.

Koningszwager.

Meester, er huist een vrouw in den wagen; onderzoek hem dus.

Hoveling.

Hoe, een vrouw!

Laat snel ons henenloopen met gebogen hoofd,

Als stieren, wien op weg regen in d’oogen slaat;

Want daar mij achting onder menschen dierbaar is,

Mijn oog den aanblik van een wèlgeboor’ne vreest.

Vasantasenâ (verbaasd, bij zich zelf).

Hoe, die kwelling mijner oogen, de koningszwager! Dan ben ik in gevaar, ik ongelukkige. Nu is van mij, rampzalige, de komst hier vruchteloos geworden, gelijk een handvol zaad, gevallen op zilten grond. Wat zal ik nu doen?

Koningszwager.

Wel, die oude ever is bang; hij onderzoekt den wagen niet. Meester, onderzoek den wagen.

Hoveling.

Wat kwaad? Komaan dan!

Koningszwager.

Hoe, de jakhalzen vliegen op, de kraaien loopen heen; laat ik dan, terwijl de Meester met oogen wordt gegeten en met tanden wordt gezien, de vlucht nemen.

Hoveling (Vasantasenâ ziende, ontsteld, bij zich zelf).

Hoe nu, de hinde komt tot den tijger! Helaas! [111]

Den zwaan, de herfstmaan gelijkend,

op ’t eiland rustend in den stroom,

Heeft nu zijn wijfje verlaten,

en zich begeven tot den kraai.

(Zacht tot Vasantasenâ.) Vasantasenâ, dat is niet gepast, noch ook is dit voegzaam.

Eerst hem uit hoogmoed versmadend,—

om geld en door uw moeders wil.

Vasantasenâ.

Neen. (Schudt het hoofd.)

Hoveling.

Door uw natuur zonder fierheid,

eert gij hem naar hetaerenaard.

Heb ik niet tot U gezegd:

„Bedien, mijn waarde, dan gelijklijk elk,

of hij U welgevallig zij of niet.”*

Vasantasenâ.

Door een verwisseling der wagens ben ik hier gekomen; ik zoek bescherming.

Hoveling.

Vrees niet, vrees niet. Komaan, ik zal hem misleiden. (Tot den koningszwager gaande.) Bastaard, waarlijk, er huist een râkshasî in.

Koningszwager.

Meester, Meester, indien er een râkshasî in huist, hoe komt het dan, dat gij niet zijt bestolen, of zoo het een dief is, dat gij niet zijt opgegeten?

Hoveling.

Waartoe dat onderzocht? Maar waarom zouden we niet langs de reeks parken te voet naar de stad Ujjayinî terugkeeren?

Koningszwager.

En waartoe zou dat dienen?

Hoveling.

Zoo doende nemen wij beweging en wordt den stieren vermoeienis bespaard.

Koningszwager.

Zoo zij het. Sthâvaraka, slaaf, breng den wagen weg. Maar neen, wacht eens, wacht eens! Voor het oog van Goden en Brahmanen zal ik te voet gaan! Neen, neen, ik ga met den wagen. Dan zullen ze, mij van verre ziende, zeggen: „Daar gaat des konings zwager, de groote Heer!”

Hoveling (bij zich zelf).

Bezwaarlijk is venijn tot artsenij te maken. Komaan dan! (Luid.) Bastaard, Vasantasenâ is hier gekomen, om U te ontmoeten.

Vasantasenâ.

Dat kwaad zij verre, dat kwaad zij verre!

[112]

Koningszwager (verheugd).

Meester, Meester, mij, den voortreffelijken mensch, den man, den Vâsudevaka*?

Hoveling.

Zeker.

Koningszwager.

Dan is een ongekend geluk mij ten deel gevallen; indertijd heb ik haar vertoornd, nu val ik haar te voet en vraag vergiffenis.

Hoveling.

Goed gesproken!

Koningszwager.

Zie, ik val haar te voet. (Vasantasenâ naderend.) Moedertje, zusje, hoor mijn bede!

Zie, ’k werp, wijdoogige, mij neder aan uwe voeten,

Hef U, tiennag’lige, mijn handen, o reingetande!

Voor alles, wat ik heb misdreven, door liefde lijdend,

Vraag ik vergiffenis, o schoone, ik, die uw slaaf ben.

Vasantasenâ.

Ga heen, onedel spreekt ge. (Stoot hem met den voet.)

Koningszwager (toornig).

Dit hoofd, dat moedertje en maatje kussen,

En voor de goden zelfs niet komt te buigen,

Is door de voetzool in het stof geworpen,

Als door een jakhals in het woud een doode.

Hé, Sthâvaraka, slaaf, hoe zijt ge aan haar gekomen?

Slaaf.

Heer, door dorpskarren was de hoofdstraat versperd; toen heb ik den wagen bij den tuin van den edelen Cârudatta gezet en ben afgeklommen, om een wiel om te draaien; intusschen is zij door een verwisseling der wagens hier ingestapt, vermoed ik.

Koningszwager.

Hoe, door een verwisseling der wagens is zij hier gekomen, niet om mij te ontmoeten! Klim dan af, klim af van mijn wagen. Gij bezoekt een armoedig veemheerszoontje en rijdt met mijn stieren! Klim dan af, klim af, slavinnendochter, klim af.

Vasantasenâ.

„Den edelen Cârudatta bezoekt gij”, zegt hij. In waarheid, ik ben vereerd door dat woord. Laat nu komen, wat komen moet.

Koningszwager.

Met deze handen, met tien nagel-lotus-kringen,

Bereid, met honderd vleierijen U te treffen,

Sleur ik uw heerlijk lichaam uit mijn eigen wagen,

Bij ’t hoofdhaar, evenals Jatâyu Vâlin’s liefste.*

[113]

Hoveling.

Men mag niet grijpen bij ’t hoofdhaar

zulke vrouwen, met deugd begaafd;

In ’t boschj’ ontsproten lianen

verdienen niet verlies van twijg.

Sta dan op, ik zal haar doen uitstappen. Vasantasenâ, wil uitstappen.

(Vasantasenâ stapt uit en blijft ter zijde staan.)

Koningszwager (bij zich zelf).

Het vuur der gramschap, toen reeds ontstoken door de verachting van mijn woord, heeft zij nu door dien voetstoot doen opvlammen. Thans zal ik haar dooden. Komaan dan! (Luid.) Meester, Meester!

Begeert g’een mantel, die zoo breed van franje

Ter neder hangt, prijkend met honderd tressen,

En vleesch te eten, en U goed te voeden:

„Tsjoehoe, tsjoehoe, tsjoekkoe, tsjoehoe, tsjoehoe, tsjoe.”*

Hoveling.

Wat dan?

Koningszwager.

Doe mij een genoegen.

Hoveling.

Goed, ik zal het doen, zoo het geen misdaad is.

Koningszwager.

Meester, Meester, er is zelfs geen reuk van een misdaad, ook is er geen râkshasî.

Hoveling.

Wil het dan zeggen.

Koningszwager.

Dood Vasantasenikâ.

Hoveling (de ooren dichtstoppend).

Die jonge vrouw, en die een sieraad der stad mag heeten,

Hetaere, niet als een hetaere in min-gedraging,

Indien ik deze schuldelooze om ’t leven brenge,

Wat boot geleidt mij naar den oever van ’t volgend leven?

Koningszwager.

Ik zal U een boot geven. En bovendien, wanneer gij haar hier in dit verlaten park doodt, wie zal U zien?

Hoveling.

Mij zien de Goden van het woud, de tien Hemelstreken,

De Maan, en, vlammende van stralen, die Dagenmaker,

Beid’ Recht en Wind en ook de Hemel, de ziel hierbinnen,

En d’Aarde, ooggetuig’ van goede en booze daden.

Koningszwager.

Bedek haar dan eerst met een slip van uw gewaad.

[114]

Hoveling.

Dwaas, een verworpeling zijt ge!

Koningszwager.

Die oude ever is bang voor onrecht. Kom, ik zal Sthâvaraka, den slaaf, overhalen. Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, gouden armbanden zal ik je geven.

Slaaf.

En ik zal ze aandoen.

Koningszwager.

Een gouden zetel zal ik je laten maken.

Slaaf.

En ik zal er op gaan zitten.

Koningszwager.

Al wat van den maaltijd overschiet, zal ik je geven.

Slaaf.

En ik zal het opeten.

Koningszwager.

Tot hoofd van alle slaven zal ik je maken.

Slaaf.

Een Heer zal ik zijn.

Koningszwager.

Eerbiedig dan mijn woord.

Slaaf.

Heer, alles zal ik doen, zoo het geen misdaad is.

Koningszwager.

Er is zelfs geen reuk van een misdaad.

Slaaf.

Mijn Heer spreke.

Koningszwager.

Dood haar, Vasantasenikâ.

Slaaf.

Wees genadig, Heer! Door mij, onedele, is die edele door een verwisseling der wagens hierheen gevoerd.

Koningszwager.

Hoe, slaaf, ook over U heb ik geen macht!

Slaaf.

Mijn Heer heeft macht over mijn lichaam, niet over mijn doen en laten. Wees dan genadig, Heer; zie, ik ben bevreesd.

Koningszwager.

Ge zijt toch mijn slaaf; waarvoor zijt ge dan bevreesd?

[115]

Slaaf.

Heer, voor het volgend leven.

Koningszwager.

Wat is dat volgend leven?

Slaaf.

Heer, de uitkomst van goede en slechte daden.

Koningszwager.

Hoe is de uitkomst van goede daden?

Slaaf.

Zooals mijn Heer, met veel goud getooid.

Koningszwager.

Hoe van slechte daden?

Slaaf.

Zooals ik, geboren om met het brood van anderen mij te voeden. Dus een misdaad zal ik niet bedrijven.

Koningszwager.

Zoo, ge wilt haar niet dooden? (Slaat hem duchtig.)

Slaaf.

Sla mij, Heer, dood mij, Heer; een misdaad zal ik niet bedrijven.

Daar ik als slaaf geboren ben door schuld van ’t Lot

En niet nog erger koopen wil, ik misdaad mijd.*

Vasantasenâ.

Meester, ik zoek bescherming.

Hoveling.

Bastaard! vergeef haar, vergeef haar. Mooi zoo, Sthâvaraka, mooi zoo!

Wenscht waarlijk deze, die vernederd van staat en arm is—

Een dienaar—loon in ’t volgend leven en niet zijn meester!

Vanwaar dan komt het, dat dezulken niet gaan te gronde,

Die, wat onwaardig is, bevord’ren, het goede laten?

En ook:

Bedrieglijk* is en ongerecht het Noodlot,

daar slaafschap hem, U heerschappij ten deel viel,

Daar hij uw heerlijkheid niet mag genieten,

daar zijn bevel gij niet hebt op te volgen.

Koningszwager (bij zich zelf).

De oude ever is bang voor onrecht, deze slavinnenzoon is bang voor het volgend leven. Maar ik, des konings zwager, waarvoor zou ik vreezen, ik de voortreflijke manmensch! (Luid.) Hé, slavinnenzoon, slaaf, ga en zonder je in het slaapvertrek af, om uit te rusten.

[116]

Slaaf.

Zooals mijn Heer beveelt. (Vasantasenâ naderend.) Jonkvrouw, zoo groot is mijn macht! (Af.)

Koningszwager (zich aangordend).

Wacht, Vasantasenikâ, ik zal je dooden.

Hoveling.

Ah, voor mijn oogen wil hij haar ombrengen! (Grijpt hem bij de keel.)

Koningszwager (valt ter aarde).

Meester, uw Heer wordt vermoord! (Stelt een flauwte voor; tot bezinning komend.)

Hoe komt, dat hij, t’allen tijde

door mij met vleesch en vet gevoed,

Nu er iets valt te verrichten,

mij een vijand geworden is?

(Denkt na.) Komaan, ik heb een middel gevonden. De oude ever heeft haar een wenk met het hoofd gegeven. Dus zal ik hem wegzenden en dan Vasantasenâ dooden. Komaan dan! (Luid.) Meester, hoe zou ik, geboren uit een zoo groot geslacht, dat den omvang heeft van een schoteltje, de misdaad bedrijven, waarvan ik tot U sprak? Zoo heb ik gesproken, om haar te doen bewilligen.

Hoveling.

Waartoe van afkomst gesproken? Hier komt het op karakter aan.

Doornige boomen gedijen op goeden akker des te meer.

Koningszwager.

Meester, zij is beschaamd in uw bijzijn en is mij niet ter wille. Ga dan. De slaaf Sthâvara is, daar ik hem geslagen heb, als een ezel op den loop gegaan. Kom dan met hem weer hier, Meester.

Hoveling (bij zich zelf).

Zou in ons bijzijn dan Vasantasenâ

uit fieren aard weig’ren den dwaas te minnen?

Dan wil ik eenzaamheid aan haar bereiden,

want liefde stelt in eenzaamheid betrouwen.

(Luid.) Zoo zij het, ik ga.

Vasantasenâ (hem bij de slip van zijn kleed grijpend).

Ik zeg U toch, ik zoek bescherming.

Hoveling.

Vasantasenâ, vrees niet, vrees niet. Bastaard, Vasantasenâ is een pand, aan uwe handen toevertrouwd.

Koningszwager.

Zoo zal zij als een pand onder mijn handen blijven.

[117]

Hoveling.

In waarheid?

Koningszwager.

In waarheid.

Hoveling (een eind weegs gegaan zijnde).

Maar neen, wanneer ik gegaan ben, zou de laaghartige haar kunnen dooden; dus zal ik mij verbergen en eens zien, wat zijn bedoeling is. (Blijft ter zijde staan.)

Koningszwager.

Kom, ik zal haar dooden. Maar neen, die listige Brahmaan, de oude ever, heeft zich mogelijk verborgen en zal als een jakhals gaan janken. Laat ik dan, om hem te misleiden, zóó doen. (Plukt bloemen en tooit zich.) Meisje, meisje, Vasantasenikâ, Vasantasenikâ, kom eens hier.

Hoveling.

Kijk, hij is verliefd geworden. Komaan, ik ben gerustgesteld, ik ga. (Af.)

Koningszwager.

Goud geef ik, vriend’lijk spreek ik,

met hoofd en tulband val ik voor U neder,

En toch, o reingetande,

wilt gij mij niet. Zijn dan van hout wij, mannen?

Vasantasenâ.

Wat valt hier te twijfelen! (Met neergebogen gelaat, zegt zij de beide strofen: „Gij, bron van kwaad” enz.)

Gij, bron van kwaad, verlaagd door schelmsche daden,

Wat zoekt ge hier met geld mij te verlokken!

Den lotus, rein van lijf, van zeden zuiver,

Verlaten immers niet de honingdrinkers.

Met zorgzaamheid te dienen is de man

van ed’len stam en aard, al is hij arm;

Van veile vrouwen is toch ’t ware schoon

een liefde, die bij waardigen verwijlt.

En bovendien. Daar ik een mango-boom heb bezocht, zal ik geen palâça-boom genegen zijn.

Koningszwager.

Slavinnendochter, den armoedigen Cârudattaka maakt ge tot een mango-boom, en mij noemt ge een palâça, niet eens een kimçuka*! Dus, terwijl ge mij beschimpt, denkt ge nog steeds aan hem, aan Cârudattaka!

Vasantasenâ.

Hoe zoud’ ik niet aan hem denken, daar hij in mijn hart woont!

Koningszwager.

Als hij nog steeds in uw hart woont, zal ik hem en tevens U verworgen. Wacht dan, minnares van een armoedigen veemheer-man!

[118]

Vasantasenâ.

Zeg, zeg nog eens die lofwaardige woorden.

Koningszwager.

Laat nu de slavinnenzoon U beschermen, de armoedige Cârudattaka.

Vasantasenâ.

Hij zou mij beschermen, als hij mij zag.

Koningszwager.

Is hij dan Çakra, Vâlin’s zoon Mahendra?

Of Kâlanemi Rambhâ’s zoon, Subandhu?

Of koning Rudra, Drona’s zoon Jatâyu?

Triçanku, Dhundhumâra of Cânakya?*

Maar neen, zelfs dezen zullen U niet redden.

Zooals Sîtâ door Cânakya, stierf in den tijd der Bharata,

Zoo ook zal ik U verworgen, gelijk Jatâyu Draupadî.*

(Hij wil haar slaan.)

Vasantasenâ.

Ach, moeder, waar zijt gij? Ach, edele Cârudatta, vóór nog mijn hartewensch vervuld is, word ik hier omgebracht. Laat ik dan luid schreeuwen. Maar neen, zoo men zeide: „Vasantasenâ schreeuwt luid”, dit ware immers schandelijk. Eere den edelen Cârudatta!

Koningszwager.

Nog steeds noemt de slavinnendochter den naam van dien booswicht. (Haar bij den hals drukkend.) Denk aan hem, slavinnendochter, denk aan hem!

Vasantasenâ.

Eere den edelen Cârudatta!

Koningszwager.

Sterf, slavinnendochter, sterf! (Doet of hij haar, bij den hals drukkend, doet sterven; Vasantasenâ valt bewusteloos, roerloos.)

Koningszwager (verheugd).

Dit zondemandje, deze booze feeks,

die een verblijf was van losbandigheid,

Die, op dien gast verliefd, op liefde zich

vergasten kwam en kwam te rechter tijd—

Wat is het noodig, dat ik thans gewaag

van mijner armen eigen heldenmoed!

Reeds door mijn adem sterft zij, z’is goed-dood

als Sîtâ in het Mahâbhârata.

Daar zij mij, haar begeerend, niet begeert,

is de hetaere door mijn toorn gedood.

In ’t eenzaam park Pushpakarandaka

is zij zoo plots’ling met een strik verschrikt. [119]

Hij, die zijn broers bedroog, mijn vader is,

gelijk mijn moeder is die Draupadî,

Daar hij niet heeft aanschouwd van zijnen zoon

zulk eenen vastberaden heldenmoed.

Kom, aanstonds zal de oude ever terugkeeren, daarom houd ik mij op een afstand. (Doet aldus.)

Hoveling.

Ik heb den slaaf Sthâvaraka tevredengesteld. Laat ik dus naar den Bastaard uitzien. (Gaat het tooneel rond en ziet hem.) Wel zie, op den weg is hij op de knieën neergevallen. En in zijn val heeft hij de vrouw omgebracht. O booswicht, is dan die misdaad door U bedreven? En door uw val, slechtaard, zijn ook wij door het zien van vrouwenmoord maar al te zeer ten val gebracht. Een slecht voorteeken is dit. In waarheid, voor Vasantasenâ is mijn geest beducht. Mogen nochtans de Goden het ten goede keeren. (Tot den koningszwager gaande.) Bastaard, zooals ge ziet, heb ik den slaaf Sthâvaraka tevredengesteld.

Koningszwager.

Meester, wees welkom; zoontje Sthâvaraka, slaaf, wees ook gij welkom.

Slaaf.

Zoo zij het.

Hoveling.

Breng mij mijn pand.

Koningszwager.

Welk pand?

Hoveling.

Vasantasenâ.

Koningszwager.

Ze is gegaan.

Hoveling.

Waarheen?

Koningszwager.

U achterna, Meester.

Hoveling (wantrouwend).

Zij is toch niet in deze richting gegaan?

Koningszwager.

In welke richting zijt gij gegaan?

Hoveling.

In oostelijke richting.

Koningszwager.

En zij is gegaan in zuidelijke.

Hoveling.

Ik in zuidelijke.

Koningszwager.

En zij in noordelijke.

[120]

Hoveling.

Zeer verward spreekt ge, mijn gemoed komt niet tot helderheid, zeg dan de waarheid.

Koningszwager.

Ik zweer bij uw hoofd, Meester, met mijn eigen voeten, stel dan uw hart gerust, zij is gedood.

Hoveling (ontsteld).

Is zij in waarheid door U omgebracht?

Koningszwager.

Indien ge mijn woord niet gelooft, zie dan de eerste heldendaad van des konings zwager Samsthânaka. (Toont hem Vasantasenâ.)

Hoveling.

Ach, ik ongelukkige, ik ben verloren! (Valt in onmacht.)

Koningszwager.

Wel kijk, de Meester is voor goed tot rust gekomen.

Slaaf.

Kom tot bezinning, kom tot bezinning, Meester. Door mij, die haar onbedachtzaam hierheen voerde, is zij allereerst gedood.

Hoveling (tot bezinning komend, droevig).

De stroom met water „minlijkheid” is heengevloeid,

de Wellust naar haar vaderland gekeerd,

Ach, ach, gesierd kleinood, gij, lieflijk van gelaat,

uitblinkend door bekoorlijk minnespel,

Ach, vloed van vriend’lijkheid met eilanden van lach,

ach, toeverlaat van lieden, mij gelijk,

Ach, ach, verloren gaat de markt van Manmatha*,

waar schoonheid lag als koopwaar opgehoopt.

(Onder tranen.) Helaas, helaas!

Wat dan toch kan het doel wezen,

waarmee door U dit is gedaan?

Een booswicht heeft een schuld’looze,

de schutsgodin der stad, gedood!

(Bij zich zelf.) Ja, mogelijk zal die booswicht deze misdaad op mij schuiven. Komaan, ik ga vanhier. (Gaat het tooneel rond. De koningszwager loopt op hem toe en houdt hem vast.) Booswicht, raak mij niet aan. Genoeg van U; ik ga.

Koningszwager.

Wel, waar vlucht ge heen, gij die Vasantasenikâ zelf hebt omgebracht en mij belastert! Nu ben ik, zulk een man, hulpeloos geraakt.

Hoveling.

Ge zijt een verworpeling.

[121]

Koningszwager.

Honderd zaken geef ik je, een goudstuk geef ik, een koperstuk geef ik, de kost geef ik je. Moge deze heldenmoed van Samsthânaka algemeen worden onder de menschen.

Hoveling.

Foei, die zij van U alleen.

Slaaf.

Dat kwaad zij verre! (De koningszwager lacht.)

Hoveling.

Er moge vijandschap bestaan: houd op met lachen!

Wee vriendschap, die vernedering bewerkt, onedel!

Mocht ik dan nimmermeer met U bijeenkomst hebben.

U, bandeloos als een gebroken boog, verlaat ik.

Koningszwager.

Meester, wees genadig, wees genadig. Kom, laten we naar de stad gaan en spelen.

Hoveling.

Schoon niet gevallen, maar alleen wijl ik U diene,

Beschouwt men mij als een gevallene, onedel;

Hoe zoud’ ik U nog volgen, nu g’een vrouw gedood hebt,

Bevreesd met halven blik U de stadsvrouwen aanzien!

(Droevig.) Vasantasenâ!

Dat gij, schoon’, in ’t volgend leven

niet wederom hetaere waart,

In een geslacht wierdt geboren,

vlek’loos, met eer en deugd gesierd.

Koningszwager.

Waar vlucht ge heen, hu ge in het oude park Pushpakarandaka, dat mij behoort, Vasantasenikâ hebt gedood? Kom, verantwoord U voor mijn zwager.

(Houdt hem vast.)

Hoveling.

Ah, wacht, schurk! (Trekt het zwaard.)

Koningszwager (bevreesd wegloopend).

Wat, ge zijt bevreesd! nu, ga dan.

Hoveling.

Niet geraden is het te toeven. Waar de edele Çarvilaka, Candanaka en de anderen zijn, daar ga ik heen. (Af.)

Koningszwager.

Loop in uw verderf! Nu, Sthâvaraka, zoontje, hoe heb ik gedaan?

Slaaf.

Heer, een groote misdaad hebt ge gedaan.

[122]

Koningszwager.

Wel, slaaf, wat zegt ge? Heb ik een misdaad gedaan? Komaan dan! (Verscheidene sieraden afdoende.) Neem deze sieraden, die ik je intusschen geef; zoolang ik mij tooi, zijn ze van mij, anders van U.

Slaaf.

Heer, U alleen staan ze goed, maar wat heb ik er aan!

Koningszwager.

Ga dan met deze stieren en wacht op den omgang van den toren van mijn paleis, tot ik terugkom.

Slaaf.

Zooals mijn Heer beveelt. (Af.)

Koningszwager.

Voor eigen veiligheid is de Meester uit het gezicht verdwenen en den slaaf zal ik op den omgang van den toren van mijn paleis, met ketenen beladen, vastleggen. Zoo blijft het geheim bewaard. Dan ga ik, maar neen, ik wil zien, of zij dood is, of dat ik haar nog eens moet dooden. (Haar beziende.) Wel, ze is goed-dood. Kom, met dezen mantel bedek ik haar. Maar neen, hij is met mijn naam gemerkt; dus zou een of ander edel man hem herkennen. Kom, met dezen door den wervelwind verzamelden hoop dorre blaren bedek ik haar. (Doet aldus en denkt na.) Komaan dan nu. Thans ga ik naar het gerecht en doe een aanklacht opschrijven: dat om haar geld Vasantasenâ door den veemheerszoon Cârudatta in mijn oude park Pushpakarandaka is gevoerd en omgebracht.

Nieuw bedrog ga ik volvoeren tot Cârudatta’s ondergang,

Even verschrik’lijk als ’t dooden van rund’ren* in een reine stad.

Kom, ik ga. (Terwijl hij het tooneel wil verlaten, den bedelmonnik ziende, bevreesd.) O wee, welken weg ik ook ga, steeds komt die verwenschte bedelmonnik daarlangs, met zijn in rood vocht gedoopte pij. Deze, dien ik mij tot vijand heb gemaakt, daar ik hem aan den neusriem voerde, zal mogelijk, wanneer hij mij ziet, aan het licht brengen, dat zij door mij is gedood; hoe kom ik dan vanhier? (Rondziende.) Kom, over dit half-ingestorte stuk van den muur zal ik heenklimmen.

Zoo snel ik vliegensvlug door ’t luchtruim naar de Lankâ-stad,

Gelijk door aard’ en hel Mahendra op Hanûmanspits.* (Af.)

Bedelmonnik (opkomend, zonder het gordijn weg te schuiven).

Ik heb dit stuk pij uitgewasschen; zal ik ze nu aan een tak drogen? Dan zullen de apen ze weghalen. Of op den grond? Dan zal ze vuil worden door het stof. Waar zal ik ze dan uitspreiden, om ze te drogen? (Rondziende.) Wel, hier op dezen door den wervelwind verzamelden hoop dorre blaren zal ik ze uitspreiden. (Doet aldus.) Eere den Buddha! (Zet zich neder.) Kom, ik zal de woorden der Wet opzeggen. (Herhaalt: „Door wien het stammenvijftal” enz.) Maar neen, genoeg mij van dien hemel, zoolang ik die Dienstmaagd [123]van den Buddha geen vergelding doe, die mij om tien suvarna’s van de spelers heeft losgekocht; sedert dat oogenblik beschouw ik mij zelf als door haar gekocht. (Ziende.) Wat zucht daar onder de blaren? Maar neen!

Door wind en zonnegloed verhit, door ’t water van de pij bevocht,

Trillen, dunkt mij, die blaren, als vleugels met gespreide veer.

(Vasantasenâ, tot bewustzijn gekomen, vertoont haar hand.) Wel zie, er komt een vrouwenhand te voorschijn, met schoone sieraden getooid. Hoe, een tweede hand! (Ze nauwkeurig beschouwend.) Ik meen die hand te herkennen. Maar wat bedenk ik mij! Waarlijk, het is dezelfde hand, door welke mij veiligheid is verleend. Kom, ik wil zien. (Doet of hij haar onthult, ziet en herkent.) Zij is het, de Dienstmaagd van den Buddha! (Vasantasenâ verlangt te drinken.) Hoe, zij vraagt water. En de vijver is verre. Wat zal ik nu doen? Wel, ik zal deze pij boven haar uitwringen. (Doet aldus. Vasantasenâ, tot bewustzijn gekomen, richt zich op. De bedelmonnik waait haar met een slip van zijn kleed.)

Vasantasenâ.

Edele, wie zijt gij?

Bedelmonnik.

Hoe, de Dienstmaagd van den Buddha herinnert zich mijner niet, dien zij voor tien suvarna’s heeft losgekocht?

Vasantasenâ.

Ik herinner mij U, maar niet wat UEd. zegt; ik ware beter gestorven!

Bedelmonnik.

Dienstmaagd van den Buddha, wat is dat?

Vasantasenâ (moedeloos).

Wat past bij het wezen van den hetaeren-stand.

Bedelmonnik.

Sta op, sta op, Dienstmaagd van den Buddha. Houd U vast aan deze nabij den boom ontsproten liane. (Buigt de liane neder; Vasantasenâ grijpt haar en staat op.) In dit klooster woont mijne zuster in het geloof. Wanneer daar uw gemoed is verkwikt, zal de Dienstmaagd van den Buddha naar huis terugkeeren. Ga dan zachtjes, zachtjes, Dienstmaagd van den Buddha. (Beiden gaan het tooneel rond; rondziende.) Gaat op zij, Edelen, gaat op zij; dit is een jonge vrouw, dit is een bedelmonnik. Rein is dit mijn geloof. Die de hand bedwingt, den mond bedwingt, de zinnen bedwingt, dat is eerst een mensch; wat doet hem een koninklijk paleis; die het hiernamaals in de hand heeft, is onwankelbaar.

Aldus in „Het leemen Wagentje”
het achtste Bedrijf,
„Vasantasenâ’s
Verworging”
genaamd.

[124]