Bode.
Mij is door de heeren van het gerecht gelast: „Komaan, bode, ga naar de rechtszaal en maak de zetels gereed.” Laat ik dus de rechtszaal gaan gereedmaken. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is de rechtszaal, laat ik dus binnengaan. (Treedt binnen en plaatst de zetels, na ze te hebben afgewischt.) Nu heb ik de rechtszaal schoongemaakt, ik heb de zetels klaargezet, laat ik dit dus weer aan de rechters melden. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Hoe, daar komt des konings zwager, die boosaardige man, juist hierheen; laat ik dan zóó gaan, dat ik zijn gezichtskring vermijd. (Blijft ter zijde staan. Dan komt de koningszwager op, die een schitterend kleed draagt.)
Koningszwager.
Toen ik in vloeistof, water, vocht gebaad had,
Zat ik in ’t park, in ’t bosch, in ’t woud ter neder,
Met vrouwen, jonge dochteren en meisjes
Als een Gandharva, met versierde† leden.
Soms draag ik krullen, somtijds draag ik vlechten,
en somtijds draag ik schommelende lokken,
Soms draag ik ’t haar los†, soms een hooge kuif ook,
wis’lend, afwis’lend ben ik, ’s konings zwager!
En ook: Terwijl ik als een worm, die binnen in den knoop van een lotusstengel† is doorgedrongen, een leemte zocht, heb ik een groote leemte gevonden; dus op wien zal ik dit jammerlijk bedrijf doen vallen? (Herinnert zich.) Ah, ik herinner het mij, op den armen Cârudatta zal ik dat jammerlijk bedrijf doen vallen. En overigens, hij is immers arm, hem zal men tot alles in staat achten. Komaan, ik zal naar de rechtszaal gaan en eerst een aanklacht doen opschrijven, dat door Cârudattaka† Vasantasenikâ is verworgd en omgebracht. Laat ik dus naar de rechtszaal gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is de rechtszaal, hier ga ik binnen. (Gaat binnen en ziet rond.) Hoe, de zetels staan gereed, aanstonds komen de heeren van het gerecht; op dit plein, met dûrva-gras begroeid, zal ik mij een oogenblikje nederzetten en wachten. (Zoo blijft hij.)
Bode (langs de andere zijde het tooneel rondgaande en naar voren ziende).
Daar komen de rechters aan. Laat ik dus naderen. (Hij komt nader. Dan komt, door een gildemeester, een griffier en anderen omgeven, een rechter op.)
[125]
Rechter.
Hoort eens, gildemeester en griffier!
Beiden.
UEd. bevele.
Rechter.
Hoe moeilijk is het voor rechters, een anders gedachte te vatten, daar men in rechtszaken zoo afhankelijk is van anderen.
Ter sprake brengt men een verborgen zaak,
die door het vonnis afgewezen werd,
Bekent niet eigen misdaan voor ’t gerecht,
want zelf is men door hartstocht overmand;
In misdaan, door partij en weêrpartij
van meer belang nog, wordt de vorst gemoeid;
In ’t kort: berisping is zeer licht te krijg,
de deugden van den rechter blijven ver.
En ook:
Hij haalt verstoord ’t verborgen misdrijf aan,
die door het vonnis afgewezen werd,
Bekent niet eigen misdaan voor ’t gerecht,
zij men ook zeker van zijn ondergang;
Met misdaad van partij of weêrpartij
verbondenen, zij voegen kwaad bij kwaad;
In ’t kort: berisping is zeer licht te krijg,
de deugden van den rechter blijven ver.
Want een rechter moet immers
’t Wetboek kennend, bekwaam in ’t nagaan van bedrog,
welsprekend, niet toornig zijn,
Bij vriend, vreemd’ en verwant gelijk zijn van gedrag,
na onderzoek uitspraak doen,
Arglistigen een schrik, der zwakken toeverlaat,
rechtvaardig, van hebzucht vrij,
Bij uitweg aan de hoogste waarheid† ’t hart gehecht,
afwerend des konings toorn.
Gildemeester en Griffier.
„Ook een edele heeft gebreken” zegt men. Is dit zoo, dan kan men ook zeggen: „In het maanlicht zelfs is duisternis.”
Rechter.
Waarde bode, ga ons voor naar de rechtszaal.
Bode.
Kom dan, heeren van het gerecht, kom. (Gaat het tooneel rond.) Dit is de rechtszaal, treedt dus binnen, heeren van het gerecht. (Allen zetten zich neder.†)
Rechter.
Waarde bode, ga naar buiten en verneem, wie een zaak heeft in te dienen.
[126]
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Gaat naar buiten.) Edelen, de rechters vragen: „Wie heeft hier een zaak in te dienen?”
Koningszwager (verheugd).
De rechter is gekomen! (Met trots rondloopend.) Ik, een uitstekend mensch, een man, een Vâsudeva, des konings zwager, des konings schoonbroeder heb een zaak in te dienen.
Bode (ontsteld).
O wee, het allereerst heeft des konings zwager een zaak in te dienen. Welnu, Edele, wacht een oogenblikje, intusschen zal ik het den rechters melden. (Tot hen gaande.) Edelen, daar is de zwager des konings bij de terechtzitting verschenen, om een zaak in te dienen.
Rechter.
Hoe, het allereerst heeft de zwager des konings een zaak in te dienen. Gelijk bij zonsopgang een verduistering voorspelt dat den val van een groot man. Bode, wij zullen heden zeer veel hebben af te handelen. Mijn waarde, ga naar buiten en zeg hem: „Ga, uw rechtszaak wordt heden niet onderzocht.”
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Gaat naar buiten en begeeft zich tot den koningszwager.) Edele, de rechters zeggen: „Ga, uw rechtszaak wordt heden niet onderzocht.”†
Koningszwager (toornig).
Wat, mijn rechtszaak wordt niet onderzocht! Als ze niet onderzocht wordt, dan zal ik het zeggen aan mijn zwager, koning Pâlaka, den gemaal van mijn zuster, en ik zal het zeggen aan mijn zuster en aan moedertje, ik zal dezen rechter wegjagen en een anderen rechter aanstellen. (Wil gaan.)
Bode.
Edele koningszwager, wacht een oogenblikje, intusschen zal ik het den rechters melden. (Tot den rechter gaande.) De koningszwager is toornig en zegt: (Herhaalt wat door hem gezegd is.)
Rechter.
Tot alles kan men den dwaas in staat achten. Wil hem dus zeggen: „Kom, uw rechtszaak wordt onderzocht.”
Bode (tot den koningszwager gaande).
Edele, de rechters zeggen: „Kom, uw rechtszaak wordt onderzocht.” UEd. trede dus binnen.
Koningszwager (verheugd bij zich zelf).
Kijk, eerst zegt hij: „Ze wordt niet onderzocht” en nu: „Ze wordt onderzocht”. Dus zijn de rechters zeker wel heel bevreesd; alles, wat ik zal zeggen, zal ik hen doen gelooven. Komaan, ik treed binnen. (Binnengaande en nadertredend.) Wij zijn zeer welvarend, ook U kan ik welvaren wenschen of ook niet.
Rechter (bij zich zelf).
O, wat een stevige beschaafdheid van dien aanklager! (Luid.) Wil plaats nemen.
[127]
Koningszwager.
Wel, mij zelf behoort de grond toe; dus waar het mij behaagt, daar zal ik gaan zitten. (Tot den gildemeester.) Hier ga ik zitten. (Tot den bode.) Neen, hier ga ik zitten.† (Zijn hand op het hoofd van den rechter leggend.) Hier ga ik zitten. (Zet zich op den grond neder.)
Rechter.
U heeft een zaak in te dienen?
Koningszwager.
Zeker.
Rechter.
Draag dan de zaak voor.
Koningszwager.
Ik zal ze U aan het oor zeggen. Ik ben geboren in een zoo groot geslacht, dat den omvang heeft van een schoteltje.
’s Konings schoonvader is mijn vader,
de koning is mijn vaders schoonzoon,
Ik ben de zwager van den koning,
de koning is mijn zusters man.
Rechter.
Dat alles is bekend.
Waartoe van afkomst gesproken? Hier komt het op karakter aan.
Doornige boomen gedijen op goeden akker des te meer.
Wil dus de zaak mededeelen.
Koningszwager.
Goed, ik zal spreken. Ook al had ik misdaan, hij zou toch niets tegen mij uitrichten. De gemaal dan van mijn zuster heeft mij als blijk zijner tevredenheid het schoonste van alle parken, het oude park Pushpakarandaka geschonken, om er te spelen en het te bewaken en ik ga er dagelijks heen, om toe te zien, om het te doen droog houden, te doen wieden, om het te doen verzorgen, om het te doen snoeien.† Door een schikking van ’t Noodlot zie ik, of zie ik niet het lichaam van een vrouw liggen.
Rechter.
En is bekend, wie de vrouw was, die daar was omgekomen?
Koningszwager.
O heeren van het gerecht, hoe zou ik haar niet kennen, zulk een vrouw, het kleinood der stad, met sieraden voor honderd suvarna’s? Door den een of anderen onmensch is Vasantasenâ ter wille van haar weinigje geld in het verlaten, oude park Pushpakarandaka gevoerd† en door des armstriks gewelddadigheid gedood. Niet door mij! (Na half te hebben uitgesproken, legt hij zijn hand op den mond.†)
Rechter.
Ach, die zorgeloosheid der stadswachters! Hoor, gildemeester en griffier, dat „Niet door mij!” moet als eerste punt van het rechtsgeding worden opgeteekend.
[128]
Griffier.
Zooals UEd. beveelt. (Doet aldus.) Edele, het is opgeteekend.
Koningszwager (bij zich zelf).
O wee, als een gulzige rijstebrijklonteneter† heb ik mij zelf in ’t verderf gestort. Komaan dan! (Luid.) Hoe nu, heeren van het gerecht, zeg ik niet, dat ik haar slechts heb gezien? Wat maakt ge dan zulk misbaar? (Wischt met den voet het opgeteekende uit.)
Rechter.
Hoe weet ge, dat zij om haar geld met den armstrik is omgebracht?
Koningszwager.
Wel, dat maak ik op uit de sterk gezwollen strepen aan haar hals en daaruit, dat de plaatsen, waar men sieraden draagt, zonder goud waren.
Gildemeester en Griffier.
Dat komt wel uit.
Koningszwager (bij zich zelf).
Goddank, ik ben herleefd!
Gildemeester en Griffier.
Wie is in dit geding betrokken?
Rechter.
De behandeling is hier tweeledig.
Gildemeester en Griffier.
Hoe zoo?
Rechter.
Door het nagaan der woorden en door het nagaan der feiten. De behandeling door het nagaan der woorden, die gaat uit van aanklagers en beklaagden. Die door het nagaan der feiten, moet door het inzicht van den rechter tot een einde worden gebracht.
Gildemeester en Griffier.
Dan is Vasantasenâ’s moeder in de zaak betrokken.
Rechter.
Zoo is het. Waarde bode, roep de moeder van Vasantasenâ hier, zonder haar te doen ontstellen.
Bode.
Zoo zij het. (Af; komt op met de moeder der hetaere.) Volg mij, Edele.
Oude.
Mijn meisje is naar de woning van een vriend gegaan, om haar jeugd te genieten. En nu zegt deze goede man: „Kom mede, de rechter laat U roepen.” Dus gevoel ik mij als door een flauwte vermeesterd, mijn hart beeft. Edele, ga mij voor naar de rechtszaal.
Bode.
Volg mij, Edele. (Beiden gaan het tooneel rond.) Dit is de rechtszaal. UEd. trede hier binnen. (Beiden treden binnen.)
[129]
Oude (naderend).
Welvaren zij U, Edelachtbaren.
Rechter.
Mijn waarde, welkom, zet U neder.
Oude.
Zoo zij het. (Zet zich neder.)
Koningszwager (smalend).
Zoo ben je daar, oude koppelaarster, ben je daar!
Rechter.
Wel, gij zijt dus de moeder van Vasantasenâ?
Oude.
Zeker.
Rechter.
Waar is Vasantasenâ dan op dit oogenblik heengegaan?
Oude.
Naar het huis van een vriend.
Rechter.
Hoe heet haar vriend?
Oude (bij zich zelf).
Dit is toch al te beschamend. (Luid.) Dat mag wel een man uit het volk vragen, maar niet een rechter.
Rechter.
Laat uw schaamte varen; het geding vraagt het.
Gildemeester en Griffier.
Het geding vraagt het, er steekt geen kwaad in; zeg het.
Oude.
Hoe, het geding! Luistert dan, Edelachtbaren. Hij is de kleinzoon van den veemheer Vinayadatta, de zoon van Sâgaradatta, heilvol van benaming, de edele Cârudatta genaamd, en woont in de wijk der gildemeesters; daar geniet mijn meisje de vreugde van haar jeugd.
Koningszwager.
Gij hoort het, Edelen! Laten die woorden worden opgeteekend; met Cârudatta is mijn rechtsstrijd.
Gildemeester en Griffier.
Cârudatta haar vriend! Daar steekt geen kwaad in.
Rechter.
Cârudatta is nu in het geding betrokken.
Gildemeester en Griffier.
Dat is wel zoo.
[130]
Rechter.
Dhanadatta! „Vasantasenâ is naar het huis van den edelen Cârudatta gegaan”, dat moet ge als eerste punt van het geding opteekenen. Hoe, zelfs de edele Cârudatta moet door ons worden ontboden! Maar neen, het rechtsgeding ontbiedt hem. Waarde bode, ga, ontbied den edelen Cârudatta, omzichtig, zonder hem te verschrikken of te doen ontstellen en met de noodige onderscheiding. Zeg hem: „Daar gij ter sprake zijt gebracht, wenscht de rechter U te zien.”
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Af; komt op met Cârudatta.) Volg mij, Edele.
Cârudatta (nadenkend).
Daar mij de koning volkomen
door afkomst en geaardheid kent,
Toont waarlijk deze dagvaarding
wantrouwen in mijn levenslot.
(Gissend, bij zich zelf.)
Zou ’t dan bekend zijn, dat die man, nu bevrijd van banden,
Zijns weegs gegaan, op eenen wagen door mij ontvoerd is?
Of heeft het, ziende door verspieders, de vorst vernomen,
Dat dus ik henenga, als war’ ik een aangeklaagde!
Maar kom, wat baten deze overwegingen! Laat ik naar de rechtszaal gaan. Waarde bode, wijs mij den weg naar het gerecht.
Bode.
UEd. volge mij. (Beiden gaan het tooneel rond.)
Cârudatta (bevreesd).
Wat is dat daar!
Met rauw geluid hoor ik dien vogel krassen†,
’s ministers dienaren mij plotsling roepen,
En ’t linker oog voel ik geweldig trillen;
’t zijn kwade teekenen, die mij beangsten.
Bode.
UEd. volge mij behoedzaam† zonder ontsteltenis.
Cârudatta (gaat het tooneel rond en ziet om zich heen).
Op een verdorden boom zittend
en naar den Zonnegod gewend,
Vestigt op mij, ongetwijfeld,
een kraai haar gruwlijk linker oog.
(Weer elders heenziende.) O zie, die slang!
Op mij den blik gericht,
glanzend als bhṛnga*-zwarte zalf,†
Met gifttand-viertal blank
en trillend-uitgestrekte tong, [131]
Schiet toornig op mij toe,
met kronk’lend opgeblazen lijf,
Die bochtenganger-vorst,
die in mijn weg te slapen lag.
En nog dit:
Mijn voet glijdt uit en niet heel vochtig is de grond,
Ook trilt mijn oog en telkens beeft mijn linker arm,
En gindsche vogel krijscht terwijl herhaalde maal,
Spelt een zeer wreeden dood—hier baat geen overleg!
De Goden mogen het nochtans ten goede wenden.
Bode.
UEd. volge mij, dit is de rechtszaal, UEd. trede binnen.
Cârudatta (binnentredend en naar alle zijden rondziende).
O, hoe vol luister is de rechtszaal! want hier
Met in gepeins verdiept-verzonken mantri’s als met water,
met boden als met golf en schelpen overvol,
Met rondom staande spieders als dolfijn en krokodillen,
verblijf van olifant en paard* als wild gediert,
Met velerlei krijschende klagers als met vogels prijkend,†
als ware het door slangen, door griffiers bewoond,
Is het Paleis*, met oevers, vastgestampt uit levenswijsheid,†
door boosgezinden aan den Oceaan gelijk.
Het zij zoo! (Binnentredend, geeft hij te kennen, dat hij het hoofd stoot; gissend.)
Wel, wat is dat weer!
Ik voel het linker oog trillen,
de weg is door een slang versperd,
Bovendien krijscht er een vogel,
moog nochtans ’t Noodlot gunstig zijn.
Laat ik binnentreden. (Treedt binnen.)
Rechter.
Dat is dus Cârudatta.
Met oogen, breed tot in de hoeken, van neus verheven,
Is dit gelaat geen vat van zonden, die reden missen.†
Bij koeien, olifanten, paarden en ook bij menschen
Verloochent ’t uiterlijk den aard niet, daaraan gelijkend.
Cârudatta.
Den rechters heil! En gij, beambten, gaat het U wèl?
Rechter (in verlegenheid).
UEd. zij welkom. Waarde bode, breng ZEd. een zetel.
Bode (een zetel brengend).
Hier is een zetel, UEd. neme plaats. (Cârudatta neemt plaats.)
[132]
Koningszwager (toornig).
Ben je daar, vrouwenmoordenaar, ben je daar! Wat een behoorlijke rechtsspraak, wat een billijke rechtsspraak, dat aan een vrouwenmoordenaar een zetel wordt gegeven! (Op hoogen toon.) Het zij zoo, men geve hem een zetel!
Rechter.
Edele Cârudatta, bestaat tusschen U en de dochter van deze edele vrouw genegenheid of vriendschap?†
Cârudatta.
Van welke?
Rechter.
Van deze. (Wijst op de moeder van Vasantasenâ.)
Cârudatta (opstaande).
Edele, ik groet U.
Oude.
Zoon, ik wensch U lang leven. (Bij zich zelf.) Dat is dus Cârudatta; goed geborgen is dan de jeugd van mijn meisje.
Rechter.
Edele, de hetaere is uw vriendin? (Cârudatta toont verlegenheid.)
Koningszwager.
Laat uit verlegenheid of vrees
de valschaard zijn gedrag verhelen!
Nu zelf om geld hij heeft gedood,
verheelt hij ’t niet, de groote heer.†
Gildemeester en Griffier.
Edele Cârudatta, spreek! Laat uw verlegenheid varen; dit is immers een rechtsgeding.
Cârudatta.
O rechters, hoe zou ik zoo iets kunnen zeggen: „De hetaere is mijn vriendin”? En toch, mijn jeugd misdoet hierin, niet mijn wandel.
Rechter.
Dit rechtsgeding is vol stoornis,
begeef de schaamte van uw hart;
’t Komt slechts op moed aan; spreek waarheid!
misleiding wordt hier niet aanvaard.
Laat uw schaamte varen, het rechtsgeding vraagt het U.
Cârudatta.
Rechter, met wien heb ik een geding?
Koningszwager (op hoogen toon).
Met mij, met mij hebt ge een geding.
Cârudatta.
Een geding met U is voor mij zeer moeilijk te verdragen.
[133]
Koningszwager.
O vrouwenmoordenaar, gij hebt Vasantasenâ gedood, die met honderden juweelen was versierd, en thans verheelt gij het, daar gij een aartsbedrieger zijt.
Cârudatta.
Onzin spreekt ge.†
Rechter.
Edele Cârudatta, genoeg daarvan! Spreek waarheid; is de hetaere uw vriendin?
Cârudatta.
Ja, zoo is het.
Rechter.
Edele, waar is Vasantasenâ?
Cârudatta.
Naar huis gegaan.
Gildemeester en Griffier.
Hoe gegaan? wanneer gegaan? en door wien begeleid?
Cârudatta (bij zich zelf).
Moet ik zeggen: „Zij is heimelijk gegaan”?
Gildemeester en Griffier.
Edele, spreek.
Cârudatta.
Zij is naar huis gegaan; wat zal ik meer zeggen?
Koningszwager.
In het oude park Pushpakarandaka, dat mij behoort, hebt gij haar gebracht, en om haar beetje geld met des armstriks gewelddadigheid gedood, en nu zegt ge: „Zij is naar huis gegaan.”
Cârudatta.
Gij, met uw ongerijmde taal!
Rechter (zacht tot gildemeester en griffier).
Der bergen koning* opheffen,
’t doorklieven van den Oceaan,
Ja, met de hand den wind grijpen,
is Cârudatta’s lastering!
(Luid.) Het is immers de edele Cârudatta; hoe zou hij een misdaad bedrijven?
Met oogen, breed tot in de hoeken, van neus verheven,
Is dit gelaat geen vat van zonden, die reden missen.
Bij koeien, olifanten, paarden en ook bij menschen
Verloochent ’t uiterlijk den aard niet, daaraan gelijkend.
Koningszwager.
Waarom wordt de rechtszaak zoo partijdig onderzocht?
[134]
Rechter.
Ga heen, dwaas!
Gij, lage man, spreekt van den zin der Veda’s
en nog niet uitgevallen is uw tong!
Op ’t midden van den dag ziet gij de zon aan
en niet terstond is uw gezicht verblind!
In vlammend vuur waagt gij de hand te steken
en zij verbrandt niet ’t eigen oogenblik!
Van goeden naam berooft gij Cârudatta
en zie, d’aarde verslindt uw lichaam niet!
Hoe zou de edele Cârudatta een misdaad bedrijven?
Hij, die der zee slechts had gelaten der wat’ren rijzing,*
Zijn schatten, zonder ze te tellen, heeft weggeschonken,
Hoe zou die voorraadsschuur van deugden, die hooggezinde,
Om geld een euveldaad bedrijven, een vijand haatlijk!
Koningszwager.
Waarom wordt de rechtszaak zoo partijdig onderzocht?
Oude.
Nietswaardige, die man, die, daar een goudkistje, dat hem was toevertrouwd, des nachts door dieven was gestolen, daarvoor een paarlensnoer geeft, het puik der vier oceanen, die zou nu, ter wille van geld, dat misdrijf bedrijven! Ach zoon! Kom toch, mijn dochter! (Zij weent.)
Rechter.
Edele Cârudatta, is zij te voet gegaan of met een wagen?
Cârudatta.
Zij is immers niet in mijn bijzijn gegaan. Dus weet ik niet, of zij te voet gegaan is of met een wagen.
Vîraka (opkomend, wrevelig).
Nu ’k door des voetstoots hoon en smaad
een zware veet’ had opgevat,
Is deze kommervolle nacht,
hoe ook, tot lichten dag gemaakt.
Laat ik mij naar de rechtszaal begeven. (Met het gebaar van binnentreden.) Geluk, Edelachtbaren.
Rechter.
Wel zie, de hoofdman der stadswacht Vîraka! Vîraka, wat is de reden van uw komst?
Vîraka.
Wel, toen ik in de verwarring bij zijn ontsnapping ′Aryaka achtervolg en daar er een gesloten wagen rijdt, overleg, hem achtervolg en zeg: „Wel, hij is door U gevisiteerd, hij moet ook door mij gevisiteerd worden”, toen ben ik door Candana, den overste, met den voet gestooten. Nu gij dit gehoord hebt, staat aan U, Edelachtbaren, de beslissing.
[135]
Rechter.
Mijn waarde, weet ge, van wien die wagen was?
Vîraka.
Van dezen, den edelen Cârudatta. „Vasantasenâ bevindt zich er in en wordt naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd om zich te vermeien”, zoo is door den voerman gesproken.
Koningszwager.
Hebt gij ’t wederom gehoord, Edelachtbaren?
Rechter.
Ach, verslonden wordt door Râhu*
die maan van vlekkeloozen schijn.
Door nederstorting des oevers
het klare water wordt bevuild.
Vîraka, later zullen wij hier uw zaak onderzoeken. Bestijg het paard, dat aan de deur van de rechtszaal staat, ga naar het oude park Pushpakarandaka en zie, of daar een omgekomen vrouw is of niet.
Vîraka.
Zooals UEd. beveelt (Af; weder opkomend.) Ik ben gegaan en heb er het lijk van een vrouw gezien, dat door de roofdieren verscheurd werd.
Gildemeester en Griffier.
Hoe weet ge, dat het ’t lijk van een vrouw was?
Vîraka.
Dat heb ik gezien aan hetgeen over was van de haren, de armen, de handen en de voeten.
Rechter.
Ach, hoe lastig is in de wereld† de rechtsspraak!
Hoe meer, hoe meer dit nauwgezet wordt nagegaan,
hoe meer, hoe meer bezwaarlijk het bevonden wordt;
De rechtsgeleerdheid is volkomen uitgeput,
’t verstand beklemd zit als een koe in een moeras.
Cârudatta (bij zich zelf).
Als op een bloem zich, bij haar eerst ontluiken,
de bijenzwermen storten om te drinken,
Zoo bij een man ook in den tijd van onheil
vermeerd’ren met de leemten zich de rampen.†
Rechter.
Edele Cârudatta, gij moet waarheid spreken.
Cârudatta.
Wat een boosaardig man, afgunstig op anders deugden,
Door haat verblind en hier ten zeerste gezind tot moordlust,
Wat, door de schuld van zijn geboorte, hij valsch’lijk aanbrengt,
Moet dat dan aangenomen worden en niet betwijfeld?†
[136]
En ook:
Ik, die zelfs nimmer een liane, getooid met bloesem,
Tot mij zal trekken om de bloem en den bloesem plukken,
Hoe dan, ’t als bijenvleug’len glanzend, heel-lange hoofdhaar
Aangrijpend, zoude ik een weenende vrouwe dooden?
Koningszwager.
Welnu, heeren van het gerecht, wat onderzoekt gij de zaak zoo partijdig, dat nog steeds die nietswaardige Cârudatta op een zetel mag blijven zitten?
Rechter.
Waarde bode, zoo moet ge doen. (De bode doet aldus.)
Cârudatta.
Bedenkt U wel, o rechters, bedenkt U wel. (Verlaat den zetel en zet zich op den grond.)
Koningszwager (bij zich zelf, van vreugde dansend).
Kijk, zoo is het kwaad, door mij gedaan, op een anders hoofd neergekomen. Dus, waar Cârudattaka zit, daar ga ik nu zitten. (Doet aldus.) Cârudatta, zie mij aan, zie mij aan! Zeg dan toch: „Zij is door mij gedood.”
Cârudatta.
O, rechters!
Wat een boosaardig man, afgunstig op anders deugden,
Door haat verblind en hier ten zeerste gezind tot moordlust,
Wat, door de schuld van zijn geboorte, hij valsch’lijk aanbrengt,
Moet dat dan aangenomen worden en niet betwijfeld?
(Zuchtend, bij zich zelf.)
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’U nog immer in ’t grootste onheil.†
Maitreya is door mij tot Vasantasenâ gezonden, om bericht van haar in te winnen en haar de sieraden terug te geven, die zij hem had geschonken voor een wagentje. Waarom toeft hij dan?
(Dan komt de Vidûshaka op met de sieraden.)
Vidûshaka.
Ik ben door den edelen Cârudatta tot Vasantasenâ gezonden, daarheen de sieraden medenemend, met de woorden: „Edele Maitreya, door Vasantasenâ is de kleine Rohasena, met haar eigen sieraad versierd, tot zijn moeder gezonden; hij moet sieraden geven, maar niet aannemen†; overhandig ze haar dus.” Laat ik dus tot Vasantasenâ gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen; in de ruimte.*) Hé, daar is Meester Rebhila. Wel, Meester Rebhila, hoe ziet ge zoo geheel ontsteld? (Luistert.) Wat zegt ge? „De edele Cârudatta is voor het gerecht geroepen!” Dan moet het wel een zaak gelden van niet gering belang. (Denkt na.) Ik zal dan later naar het huis van Vasantasenâ gaan. Laat ik nu [137]eens naar de rechtszaal gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is de rechtszaal, laat ik binnentreden. (Treedt binnen.) Geluk, heeren van het gerecht! Waar is mijn lieve vriend?
Rechter.
Wel, hier staat hij.
Vidûshaka.
Vriend, heil zij U.
Cârudatta.
Het moge zoo zijn.
Vidûshaka.
Zijt ge welvarend?
Cârudatta.
Ook dit moge zoo zijn.
Vidûshaka.
Maar vriend, hoe ziet ge zoo geheel ontsteld? en waarom zijt ge gedaagd?
Cârudatta.
Vriend!
Vidûshaka.
Wat, wat?
Cârudatta (aan zijn oor).
Zoo is het.
Vidûshaka.
Wie zegt dat?
Cârudatta (wijst door een wenk den koningszwager aan).
Niet deze ongelukkige, die het middel is, het Noodlot klaagt mij aan.
Vidûshaka.
Waarom zegt ge niet: „Zij is naar huis gegaan”?
Cârudatta.
Schoon het gezegd wordt, door de schuld van mijn levenslot wordt het niet aangenomen.
Vidûshaka.
Hoe nu, Edelen! Deze man, door wien Ujjayinî is versierd met kloosters, lusttuinen en godshuizen, die de stad bevesten,† met vijvers en putten, die zou ter wille van een beetje geld zulk een misdaad bedrijven! (Toornig.) Wel, wel, bastaard, koningszwager Samsthânaka, bandelooze, bron van beschuldigingen, met veel goud getooide aap! Zeg dan, zeg dan in mijn gezicht, hoe zou mijn lieve vriend, die niet eens een bloeiende mâdhavî-rank* nederbuigt, om de bloemen te plukken, want door het nederbuigen mocht soms een jonge twijg breken, hoe zou hij zulk een misdaad bedrijven, met beide werelden in strijd! Wacht, [138]koppelaarsterszoon, wacht, wacht! Ik zal met dezen stok, die even krom is als je hart, je hoofd in honderd stukken slaan.
Koningszwager (toornig).
Hoort toch, hoort toch, Edelachtbaren. Met Cârudattaka heb ik een rechtsstrijd of een geding; waarom wil jij dan, kraaienpootschedelkop! mijn hoofd in honderd stukken slaan? Neen, neen, slavinnenzoon, verwenschte Brahmanenjongen.
(De Vidûshaka, zijn stok opheffend, herhaalt zijn vorig gezegde. De koningszwager, toornig opstaande, slaat hem. De Vidûshaka slaat weerom. Zij slaan elkander. Uit den gordel van den Vidûshaka vallen de sieraden.)
Koningszwager (ze grijpend en beziende, verbaasd).
Ziet toch, Edelen, dit zijn immers de sieraden der ongelukkige. (Op Cârudatta wijzend.) Om dit beetje geld is ze gedood en omgebracht.
(De rechters blijven allen met het hoofd naar omlaag gewend.)
Cârudatta (zacht tot den Vidûshaka).
Deze menigte sieraden,
op zoodanigen tijd gezien,
Door vijandschap van ons Noodlot
gevallen, brengen ons ten val.
Vidûshaka.
Maar waarom vertelt ge niet, hoe de zaak zich heeft toegedragen?
Cârudatta.
Vriend!
Zwak is het oog van den heerscher,
de werk’lijkheid aanschouwt het niet,
Wie slechts van armoe kan spreken,
hem wacht een schandelijke dood.†
Rechter.
Helaas, helaas!
Wijl, met Angâraka strijdend,
Bṛhaspati is uitgeput,*
Is die planeet nog daarnevens
verrezen, een komeet gelijk.
Gildemeester en Griffier (tot de moeder van Vasantasenâ).
UEd. bezie dit goudkistje eens opmerkzaam, of het hetzelfde is of niet.
Oude (het beziende).
Het is gelijkend, maar niet hetzelfde.
Koningszwager.
O oude koppelaarster, met de oogen hebt gij het gezegd en met de stem verzwegen.
[139]
Oude.
Nietswaardige, ga heen.
Gildemeester en Griffier.
Spreek niet lichtvaardig; is het hetzelfde of niet?
Oude.
Edele, door des kunstenaars bekwaamheid boeit het het oog, toch is het niet hetzelfde.
Rechter.
Mijn waarde, kent ge deze sieraden?
Oude.
Ik zeg het immers. Neen, neen, ik heb het niet herkend†, maar mogelijk is het door een kunstenaar nagemaakt.
Rechter.
Zie, gildemeester!
Wel komen immers overeen onderscheiden zaken
In vorm en kunstige gesteldheid, het sieraad eigen.
Want ’t maaksel ziende, imiteert het het gild der kunst’naars
En ziet, door vaardigheid der handen, men overeenkomst.
Gildemeester en Griffier.
Zijn die sieraden van den edelen Cârudatta?
Cârudatta.
Neen, neen.
Gildemeester en Griffier.
Van wien dan?
Cârudatta.
Van de dochter dezer achtenswaardige.
Gildemeester en Griffier.
Hoe zijn ze van haar afgeraakt?
Cârudatta.
Zoo is het gebeurd, ja, dat is het.
Gildemeester en Griffier.
Edele Cârudatta, ge moet nu waarheid spreken. Zie, zie:
Door waarheid toch wordt heil verworven,
die waarheid spreekt, valt niet in zonde;
Waarheid—het zijn maar twee syllaben;
verheel niet waarheid door bedrog!
Cârudatta.
De sieraden als sieraden ken ik niet; maar wel weet ik, dat ze uit ons huis hier zijn gebracht.
Koningszwager.
Eerst hebt gij haar in het park gevoerd en gedood en thans verheelt gij het, daar gij een aartsbedrieger zijt.
[140]
Rechter.
Edele Cârudatta, gij moet de waarheid spreken.
Thans zullen harde zweepslagen
op dit uw lichaam, al te teer,
Vrijelijk vallen, zóó vallen
de wenschen tevens van ons hart.
Cârudatta.
In een geslacht van onschuld’gen
geboren, vindt m’ in mij geen schuld;
Maar indien schuld ondersteld wordt,
wat baat, dat ik onschuldig ben?
(Bij zich zelf.) En het is mij niet te doen om het leven, nu ik van Vasantasenâ ben gescheiden. (Luid.) Welnu, waartoe vele woorden!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen wereld-tweetal weet,
Een vrouw of Rati, om ’t even†—
de rest zal deze doen verstaan.
Koningszwager.
Omgebracht; komaan, zeg gij ook: „Omgebracht”.
Cârudatta.
Door U is het gezegd.
Koningszwager.
Luistert, luistert, hooge heeren, door dezen is zij omgebracht. Moet nu niet, daar hierdoor alle twijfel is afgesneden, deze schamele Cârudatta aan den lijve worden gestraft?
Rechter.
Bode, het is, gelijk des konings zwager gezegd heeft. Hé, wachters, grijpt dien Cârudatta. (De wachters grijpen hem.)
Oude.
Weest genadig, weest genadig, Edelachtbaren! Die man, die daar een goudkistje enz. (Herhaalt het vroeger gezegde.) Al is dan mijn meisje omgebracht, toch wensch ik hem een lang leven. En nog dit: Het geding loopt tusschen klager en beklaagde. Ik ben de aanklaagster†, laat hem dus vrij.
Koningszwager.
Ga heen, slavinnendochter, ga heen; wat hebt ge met hem noodig?
Rechter.
Edele, gij moet gaan. Hé, wachters, voert haar naar buiten.
Oude.
Ach kind, ach zoontje! (Weenende af.)
Koningszwager (bij zich zelf).
Ik heb tegenover hem mijner waardig gehandeld, nu ga ik heen. (Af.)
[141]
Rechter.
Edele Cârudatta, in de uitspraak hebben wij te beslissen, in het overige de koning. Toch moet ge, bode, koning Pâlaka doen weten:
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Af; weder opkomend, onder tranen.) Edelen, ik ben daarheen gegaan.† Koning Pâlaka zegt: „Hem, door wien om haar beetje geld Vasantasenâ is omgebracht, moet gij, diezelfde† sieraden aan den hals gebonden, onder trommelslag, naar de zuider-begraafplaats voeren en aan den paal breken.† Ieder ander, die zulk een misdaad bedrijft, zal met deze onteerende straf worden getuchtigd.”
Cârudatta.
Ach, zonder overleg handelt koning Pâlaka! En toch:
In zulk een vuur van rechtspleging
door hun raadslieden neergestort,
Komen immers met recht vorsten
in een beklagenswaarden staat.
En ook:
Door zulke buitengewone
schenders van ’t koninklijk gebod
Worden en zijn reeds duizenden
onschuldigen ter dood gebracht.
Vriend Maitreya, ga, groet uit mijn naam moeder* voor het laatst. En bescherm mijn zoon Rohasena.
Vidûshaka.
Waarom den boom beschermen, als de wortel is afgehouwen!
Cârudatta.
Spreek niet aldus.
Van hen, die dez’ wereld verlieten,
is ’t lijflijk evenbeeld de zoon.
Die liefde, die g’ in mij steldet,
zij Rohasena toegewijd.
Vidûshaka.
Ik, die uw lieve vriend ben, zal het leven, dat door U is verlaten, voortzetten.
Cârudatta.
Laat mij Rohasena nog eens zien.
Vidûshaka.
Dat is gepast.
Rechter.
Waarde bode, ge moet dien Brahmanenjongen wegvoeren. (De bode doet aldus.)
[142]
Rechter.
Hé daar, hé, aan de Cândâla’s* moet bevel worden gegeven. (De wachters laten Cârudatta los en treden allen af.)
Bode.
UEd. kome hierheen.
Cârudatta (droevig).
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach, gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’ U nog immer in ’t grootste onheil.
(In de ruimte.)
Zoo door gif, water, weegschaal, vuur,
mijn onderzoek nog wordt geëischt,*
Mag op mijn lichaam dan de zaag
onachtzaam worden toegepast?†
En toch reeds op eens vijands woord
brengt ge mij, een Brahmaan, ter dood!
Gij valt in ’t midden van de hel,
van kind en kindskind vergezeld.*
Ik kom al. (Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het negende Bedrijf,
„Het Geding”
genaamd.
[143]