DOOR
Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.1
Zoowel als de mensch, geven vele dieren door geluiden hun aanwezigheid, gewaarwordingen en wenschen te kennen. Alleen de mensch brengt echter2 den vorm van het geluid in verband met een voorwerp buiten hem, en gaat dan nog verder en brengt het geluid op dergelijke wijze in verband met algemeene begrippen en gedachten.
Het is onmogelijk in elk geval uit te maken, waarom een vogel zeker geluid maakt; evenmin waarom een mensch die alleen is, zingt (zingen hier in de beteekenis genomen van b.v. een deuntje neuriën, zonder de woorden uit te spreken, of ten minste op de beteekenis te letten).3 Oorspronkelijk kan beide niets anders zijn dan een levensuiting die met geen bepaalde bedoeling wordt gedaan, evenals het rondspringen van het kind of het jonge dier. De ervaring verbindt daarmede [165]echter feiten die men langzamerhand door het maken van het geluid verwezenlijkt tracht te krijgen, hetzij zulks uit overleg of instinkt geschiedt. Zulk een spreekuiting van de laagste soort is de loktoon der vogels in den herfst. In den zomer verspreiden zich de vogels in afzonderlijke families, maar in den herfst, als het voedsel slechts op bepaalde plaatsen is te krijgen, of de tocht naar de landen waar zij zich ’s winters ophouden, moet worden ondernomen, hebben zij er belang bij met de ervaring van allen te rade te gaan, en in zoo groot mogelijke scharen te reizen. Hiertoe dient de loktoon, dien de vogelaar op verraderlijke wijze misbruikt. Als een sijsje omstreeks dezen tijd de elzen afzoekt, verzuimt het niet, intusschen onvermoeibaar een en den zelfden toon te laten hooren. Het heeft daarbij geen bepaald doel; het maakt geluid omdat het er aandrang toe gevoelt, en de aard van dat geluid wordt bepaald door den bouw zijner stemorganen. Dit geluid voortbrengen heeft echter voor den vogel een zeer nuttig gevolg, het roept als het ware aan de andere sijsjes toe: „Hier is een sijsje!” Door den trek naar gezelligheid geleid, komen deze nu naar het eerste sijsje toe, maken het zelfde geluid, dat nu echter door hun aantal sterker klinkt, en roepen dus vereenigd weder als het ware aan wederom andere sijsjes toe: „Hier zijn sijsjes!”
Al moge de vogel ook nooit meer dan dit, en zelfs eigenlijk nauwelijks dit willen zeggen, kunnen de anderen door dat geluid nog veel andere dingen hooren. Uit het hoe langer hoe meer uit de verte klinken van het geluid, hoort de vogel het bericht: „Wij vliegen weg, kom met ons mede!”—en als het geluid naderbij komt, zegt het hun: „Daar komen wij aan!”
Een dergelijk nuttig gebruik heeft natuurlijk ook de oorspronkelijke mensch van zijn stem gemaakt. Als menschen in een bosch elkander hebben verloren, roepen zij thans nog dikwijls luid, zonder dat dat geluid op zich zelf iets uitdrukt. Nu hebben echter de stemorganen van elk individueel mensch een bijzonderen klank, waaraan degeen die hem hoort roepen, ook zonder woorden den persoon die roept, kan herkennen. Dit geroep in het bosch zegt dus niet alleen: „Hier is een mensch!” maar: „Hier is A. of B.!” Tevens drukt ’s menschen stem in nog hoogere mate dan die van het dier zijn gemoedstoestand uit. Hij gevoelt een natuurlijken aandrang om bij smart te schreien, een klagend geluid te maken, bij vreugde te juichen. Als dus twee oorspronkelijke menschen in het bosch elkander (zonder nog woorden te [166]bezigen) op bovenvermelde wijs riepen, kon hun stem niet slechts uitdrukken: „Hier is A.” maar daarenboven: „A. is ginds in het woud zeer blijde” of „A. is ginds in het woud zeer treurig”. Daar de verwachtingen en zorgen van die oorspronkelijke menschen veel eenvoudiger en minder verscheiden waren dan de onze, en hen in het woud vooral het vinden van voedsel verheugd en het ontmoeten van een gevaarlijk roofdier (of vijand) verschrikt zal hebben, ligt het voor de hand, dat men dit zal hebben verstaan als: „A. heeft ginds in het woud voedsel gevonden” en „A heeft ginds in het woud een gevaarlijk roofdier (of vijand) aangetroffen”. Welk voedsel hij aangetroffen of welk roofdier (of vijand) hij ontmoet had, kon men echter niet verstaan, en moest naar hem toe gaan om het te zien als men het wilde weten.
Als echter wellicht slechts een enkele eetbare vrucht of een enkel schrikverwekkend roofdier in dat woud was voorgekomen, zouden de beide kreten voor de familieleden van A. een enger beteekenis hebben gekregen en zich zoodanig in hun gedachten hebben kunnen verbinden, dat zij voor de familieleden de namen van die vrucht en dat roofdier waren geworden. Die namen zouden echter onverstaanbaar zijn geweest voor menschen eener andere streek, waar andere vruchten en roofdieren voorkwamen. (Een hagedissenliefhebber van het zwarte ras zal op het zien van zulk een diertje ook een ander geluid maken dan een blanke jonge dame, en op die wijze kan dus al zeer vroeg de kiem zijn gelegd voor een babylonische spraakverwarring.)
Ook de als tusschenwerpsels gebezigde uitroepen die de natuur zelve aan de menschelijke borst ontlokt, zijn door de gewoonte in onze spraak blijven leven en maken in het gewone leven een veel grooter deel daarvan uit dan men uit de spraakleer zou meenen, die ze slechts als een der tien soorten van rededeelen beschouwt. Deze wijze van uitdrukken treedt meer op den voorgrond, naarmate een taal minder volkomen is of er een onbeschaafder gebruik van wordt gemaakt, en men hoort nu nog het volk dikwijls samenspraken houden, waarbij de eene partij zich bijna alleen bedient van tusschenwerpsels, die afwisselend bijval, schrik, ongeloof, medelijden, afschuw enz. te kennen geven. Zelfs is er nog een overblijfsel van te vinden in de oude Duitsche rechtspleging. De wanhoopkreet: „Jo, io” heeft op zich zelf geen beteekenis, maar hij die hem hoorde, wist dat er een misdaad werd gepleegd en hij verplicht was te helpen. Zoo ontstonden na bijvoeging van een woord dat den aard der misdaad uitdrukte, de bekende kreten „Dieb-io” en „Mord-io” [167]waarvan de Duitschers nu nog de uitdrukking „Mordio roepen” hebben overgehouden.
Dit alles kunnen wij echter nog niet gelijkstellen met een menschelijke taal, waarvan men ten minste kan verlangen, dat elk geluid zoo nauw verbonden is met het begrip van een handeling of voorwerp, dat elk met die taal bekende zich met het geluid ook dadelijk van de beteekenis bewust wordt. En zoo staan wij voor de veelbesproken vraag, of er ééne oorspronkelijke taal heeft bestaan, met andere woorden, of ooit alle menschen de hun bekende voorwerpen met den zelfden naam hebben genoemd en de onderlinge betrekking der dingen op de zelfde wijze aangeduid. Tegen de laatste bewering voert de vergelijkende taalwetenschap genoeg bewijzen aan, daar de verschillende taalstammen der menschen juist daarin van elkaar afwijken, dat zij de betrekking waarin de begrippen onderling staan, op geheel verschillende wijze uitdrukken.
Er blijft dus slechts in zooverre de mogelijkheid over van een eerste algemeene taal, als deze aan de zelfde begrippen de zelfde geluiden zou hebben verbonden; maar daar zij elke uitdrukking voor de onderlinge betrekking miste, zou zij dan veel armer moeten zijn geweest dan de meeste tegenwoordige talen. Dat zulk een taal mogelijk is, bewijst onder de oudere talen het Chineesch, dat geen bijzondere vormen voor zulke betrekkingen kent, en onder de nieuwere het Engelsch, dat ze voor een groot deel weder heeft afgeslepen en over boord geworpen. Dit laatste geschiedt het gemakkelijkst bij overbrenging van een taal op volken die een andere taal spreken. Het is dan veel gemakkelijker de namen der begrippen en dingen te onthouden, dan de meestal verminkte en daardoor onherkenbare betrekkingsvormen in zich op te nemen. Deze laten wij onwillekeurig zelven weg, als we iemand die onze taal slechts weinig kent, iets duidelijk willen maken. Wij noemen dan de zelfstandige naamwoorden in den vorm die ons het duidelijkst de beteekenis schijnt weêr te geven, en de werkwoorden in de onbepaalde wijs, zoodat de onderlinge betrekking alleen aan de opvolging der woorden is te herkennen. Zoo heeft het Latijn een overvloed van betrekkingsvormen in zijn declinaties en conjugaties en daarbij een groote vrijheid van woordvoeging; daarentegen hebben het Fransch en het Engelsch slechts een overblijfsel van die vormen en een vaste woordschikking.
Tylor geeft ons in een Chineeschen zin het volgende beeld van een [168]oude taal. Kou, chi, shi, jen, sse, beteekent woordelijk: „hond, zwijn, eten, mensch, voedsel”; maar de Chinees ziet uit de woordschikking dat de zin beteekent: honden en zwijnen eten het voedsel der menschen. Ook voor de bij ons gebruikelijke vormen van zelfstandig naamwoord, bijwoord en werkwoord heeft het klassieke Oud-Chineesch geen onderscheidingsteekenen. Thwan beteekent in die taal kogel, rond, rondmaken, in het rond zitten, enz., en uit het verband moet blijken wat er mede bedoeld is.
Zooals gezegd is, blijft ons dus voor de onderstelde oorspronkelijke taal niets over dan een hoeveelheid aan allen gemeenzame geluiden, die voor allen met de zelfde begrippen zijn verbonden geweest. Wij moeten dus nagaan of deze onderstelling werkelijk kan worden toegepast op alle soorten van woorden die wij rededeelen noemen. Onder de woorden welke met zelfstandige begrippen zijn verbonden, hebben wij sommigen, die grammaticale rededeelen worden genoemd, en welke in geregelde zinnen niet kunnen worden gemist, zooals de voorzetsels en de voornaamwoorden. Nu zien wij bij vergelijking der talen spoedig, dat deze in nauwen samenhang met de betrekkingsuitdrukkingen staan en dat de verschillende taalfamiliën zich ook op dit gebied zelfstandig hebben bewogen. Zoo heeft het Latijn voor ons woordje „met” een zesden uitgang of naamval, vele Slavische talen een zevenden en de laatsten voor ons „in” een zesden.4 Het Chineesch echter heeft daarvoor in het geheel geen woorden gehad, maar gebruik gemaakt van den voorhanden voorraad.
Zoo zegt de Chinees in plaats van „een mensch met den stok dooden” op zijn wijze „dooden menschen gebruiken stok.” De Mandingo-neger denkt op de zelfde manier bij het begrip „ingesloten zijn” aan zijn buik, en zegt, in plaats van in huis „huis buik”, en bij het begrip „dragen” aan zijn nek, en zegt in plaats van op de tafel „tafel nek”. Zoo zijn dan langzamerhand de zelfstandige naamwoorden kous (buik) en kang (nek) voorzetsels geworden.
Met de voornaamwoorden zijn de verschillende taalstammen even zelfstandig te werk gegaan en de beschaving moet bij sommige volken [169]reeds op een vrij hoogen trap van ontwikkeling hebben gestaan, vóór zij in de taal werden opgenomen. Zoo gebruikten de Groenlandsche Eskimo’s eerst het woordje daar voor den aangesproken en hier voor den eersten persoon, de Maleier maakte van het woordje „amba”, dienaar, zijn eerste en van „toewan”, heer, zijn tweede persoon. Ook bij kinderen kan men opmerken, hoe moeielijk het den ongeoefenden geest valt zich een voorstelling te maken van de telkens wisselende betrekking tusschen de verschillende personen. Op het schreeuwen, als eenvoudige levens- en gevoelsuiting, volgt het verbinden van verschillende geluiden met verschillende voorwerpen en personen, maar als een persoon eenmaal een bepaalden naam heeft ontvangen, behoudt hij dien voor het kind, onverschillig of hij in een gesprek als aangesproken of als sprekende persoon voorkomt. Zoo zal het, van zich zelf sprekende, zeggen, „Karel geeft dit aan Hans”, maar eerst na eenige jaren zal het in het zelfde geval „ik geef het aan u” zeggen. Het kan er zich nog niet indenken, dat een zelfde persoon nu eens ik, dan eens gij en dan weer hij kan worden genoemd. Over deze moeielijkheid, welke het kind door onzen invloed in een paar jaar leert overwinnen, hebben de vroegste menschen, die geen opleiding genoten, niet zoo spoedig kunnen heênkomen, en dus kunnen wij voor deze ontwikkeling der taal een zeer geruimen tijd vaststellen, waarin de menschen echter ver verspreid kunnen zijn geraakt en zeer verschillende wegen kunnen hebben ingeslagen om het doel te bereiken.
Ook het bezit van grammatikale rededeelen moeten wij dus aan de oorspronkelijke taal ontzeggen en zoo kunnen wij ons haar dan niet anders meer denken dan als bestaande uit een reeks geluiden, behoorende bij begrippen van voorwerpen, handelingen en eigenschappen, dus uit zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoegelijke naamwoorden. Maar ook hiervan moeten wij weder iets loslaten. Het bijvoegelijk naamwoord is namelijk òf één met het zelfstandig naamwoord, zooals in het Chineesche woord voor kogel, òf ontstaan door verwijzing naar een zichtbaar voorwerp ter vergelijking, zoodat eigenlijk alleen het daarvoor gebruikte spraakbeeld een zelfstandig deel der taal uitmaakt. Zoo vergeleek de Tasmaniër in zijn taal het harde met den steen en het ronde met de maan. Uit het spraakgebruik der oude Hebreërs heeft men willen afleiden, dat zij kleuren slechts onvolkomen konden waarnemen, daar men de zelfde kleur vergelijkenderwijze aan het gras en aan den hemel toegekend vond. Inderdaad ligt echter juist in de vergelijking [170]de onderscheiding opgesloten en berust ook op de vergelijking het toekennen van eigenschappen. Men kan dit zelfs nog aan vele Nederlandsche bijvoegelijke naamwoorden zien. De uitgang lijk, Duitsch lich, vroeger lîck, steekt in ons woordje gelijk, Duitsch gleich, middelhoogduitsch gelîch, maar ook hierin steekt weder het zelfstandig naamwoord „lich” (lijk), dat oorspronkelijk lijf (lichaam) beteekent en nog voor een dood lichaam wordt gebruikt. Wat wij dus nu kortweg heerlijk noemen, moet in oude tijden zeer omslachtig worden uitgedrukt door aan te duiden, dat iemand of iets naar het „lijf” of naar het uiterlijk een heer, „een heer gelijk” scheen.
Er blijft ons dus niets over dan de mogelijkheid, dat de menschen eens allen de voorwerpen en handelingen door de zelfde woorden aanduidden, en het is nu de vraag, of er in het wezen der dingen zelf iets lag, dat de menschen om zoo te zeggen dwong hen in de onderstelde oorspronkelijke taal juist met een bepaalden klank uit te drukken. Bij een groep van woorden, zooals „brommen” en „piepen” en de namen van de vogels koekoek en kievit schijnt deze onderstelling waarheid te bevatten, en men heeft wel eens geloofd, op die natuurtonen en de daaruit voortkomende toonschildering de geschiedenis der talen te kunnen gronden. Maar ofschoon het zeker is, dat vele woorden zoo zijn ontstaan, kan dit toch alleen het geval zijn geweest, waar sprake was van voorwerpen en handelingen die met een bepaald geluid in verband staan, en daar bovendien door bijna ieder individu het zelfde geluid verschillend wordt opgevat en weêrgegeven, kan ook de nabootsing er van niet als algemeene regel voor het ontstaan der taal gelden.
Het is nu de vraag hoe de mensch er toe is gekomen om aan de overige voorwerpen en handelingen een naam ter onderscheiding te geven. Natuurlijk had hij op den laagsten trap zijner ontwikkeling, toen het zoeken naar voedsel slechts werd afgewisseld door slapen en rusten, de spraak alleen noodig, waar zij voor zijn levensbehoeften dienstig kon zijn, b.v. om mede te deelen wat hij met behulp van anderen wilde doen of laten, wat hem vreugde of wat hem angst veroorzaakte, en zoodra anderen de hiervoor door hem gebruikte geluiden in den zelfden zin opvatten en weder gebruikten, werden zij de namen der voorwerpen en handelingen, doch deze konden alleen gelden voor degenen die in onmiddellijke persoonlijke betrekking tot elkander stonden en leefden. Daar deze geluiden allen slechts werden veroorzaakt door [171]een zekeren graad van opgewondenheid, is deze natuurlijk ook van invloed geweest op de keuze er van, maar dit is geen bewijs voor een (natuurlijke) oorspronkelijke eenheid van woorden, daar nauwelijks twee menschen op de zelfde wijze uiting geven aan een gevoel van vreugde of angst. De keuze van de zelfde geluiden voor de zelfde zaken is dus het gevolg geweest van een overeenkomst tusschen de verschillende leden van eene kleine groep menschen of familie, en de rang van den spreker was daarop van veel invloed. Bevelen en zaken die de jacht betroffen, zullen door allen op de zelfde wijze uitgedrukt zijn als de vader, het hoofd der familie, dat gewend was te doen, daarentegen trad in den huiselijken kring de individualiteit der moeder meer op den voorgrond, en daar het kind in dien kring het eerst geluiden en begrippen met elkander leerde verbinden, heeft men deze wijze van overleveren met recht de „moedertaal” genoemd. Hierdoor wordt ook opgehelderd, dat de zelfde naam voor vader en moeder over bijna den geheelen aardbodem verspreid is. Deze naam wordt gevormd door de lettergrepen ma-ma, pa-pa, ba-ba, ab-ba, ta-ta, at-ta, na-na en dergelijke en is op soortgelijke wijze ontstaan, met dit verschil, dat hier het kind de naamgever was. De eerste klanken welke het kind onopzettelijk uitbracht, werden op de naaste omgeving toegepast, en dat deze over de geheele wereld de zelfde zijn, vindt zijn oorzaak in de onontwikkelde stemorganen van het kind, dat begint met opzet den adem door de even tevoren nog gesloten lippen uit te stooten en daardoor juist die geluiden voortbrengt. Dat het de zaak der omgeving was dezen kleinen woordenvoorraad over de naaste personen te verdeelen, bewijst de omstandigheid, dat bij sommige volken het woordje pa moeder en ma vader beteekent.
Het groote gewicht der keus voor de ontwikkeling eener taal heeft ons C. Abel aangetoond bij het oud-Egyptisch, de oudste der ons bekende talen. De eerste pogingen tot vorming eener taal kunnen alleen tot het ontstaan eener familietaal hebben geleid. Zulke families breidden zich echter, vooral als zij een nomadische levenswijze hadden, meer en meer uit, en werden kleine volken en stammen. Splitste zulk een familie zich, dan behielden de afzonderlijke vertakkingen niet lang meer de zelfde taal, daar deze, hoewel in den beginne zeer arm, in den loop der tijden hoe langer hoe rijker werd. Zij hielden dan nog slechts eenige woorden uit de oorspronkelijke familietaal als gemeenschappelijk eigendom over. Nu zijn er twee wijzen waarop zulke families [172]volken en staten vormden. In het eene geval sloten de naastbij wonenden den vredebond, zooals in de kleine staten van Gothland en IJsland is geschied; in het andere onderwierp de eene familie de andere aan het vaderlijk gezag van haar hoofd, zooals geschiedde bij de Aziatische volken in de oudheid en bij de Russen in de Middeleeuwen. In Egypte vonden beide wellicht na elkander plaats. In de vroegste oudheid sloten misschien de families welke in naburige gouwen leefden, verbonden, terwijl zij bij den aanvang der geschiedenis onder het hoofd van ééne gouw vereenigd waren. Het onvermijdelijk gevolg was een onderlinge ruil van woorden en een nieuwe keuze uit den nu zoo oneindig veel grooter geworden woordenschat.
Bezien wij nu de Egyptische taal in den oudsten ons bekenden vorm, d.i. na de vereeniging der families, eenigszins nader, dan geeft zij ons een schouwspel tegelijk van grooten rijkdom en diepe armoede te zien, wat alleen kan worden verklaard door de boven besproken wijze van taalvorming. Haar armoede bestaat hierin, dat haast elk woord een groote verscheidenheid van begrippen moet uitdrukken, haar rijkdom daarin, dat zij voor bijna iedere zaak een geheelen voorraad verschillende namen heeft. Uit een door C. Abel aangevoerd voorbeeld zien wij, dat het woord „áb” tegelijk beduidt: dansen, hart, kalk, muur, weggaan, verlangen, linkerhand en figuur. Voor het woord „zalven” daarentegen heeft het Egyptisch tien, voor andere voorwerpen en handelingen nog veel méér verschillende woorden, en terwijl voor alle genoemde Nederlandsche woorden nog verscheidene andere uitdrukkingen bestaan dan áb, heeft elk der tien Egyptische voor zalven nog een menigte andere beteekenissen daarbij. De verzekering dat het Oud-Egyptisch overrijk was aan synonymen en homonymen, maakt ons de zaak niet veel duidelijker. Maar wel wordt de zaak duidelijk, als wij de stelling aannemen, dat niet alle woorden met verschillende beteekenissen tegelijk in al die beteekenissen op de zelfde plaatsen zijn gebruikt, alsook dat niet overal het zelfde ding gelijktijdig zulk een groot aantal namen heeft gehad. Wij hebben hier dus een historisch voorbeeld van de ontwikkeling eener volkstaal uit oude familietalen.
Bij de keuze van namen voor de begrippen heeft geen enkele familie zich aan de andere gestoord en ging ieder zijn eigen weg. Later kwam de zoo verkregen woordvoorraad in omloop bij het verkeer aan de gouwmaaltijden en greep een onderlinge ruil plaats; nog later had het zelfde proces op veel grooter schaal plaats, en zoo ontstond langzamerhand [173]een taal, waarbij men met elk woord veel kon uitdrukken en tevens het zelfde op velerlei wijzen kon zeggen, ofschoon in de praktijk zeker niemand dezen geheelen woordenschat in zijn macht had. Als wij nagaan, hoe moeielijk het moet zijn geweest zich in zulk een taal uit te drukken, bemerken wij tevens, hoe onvolkomen de menschelijke taal destijds nog moet zijn geweest, ofschoon zij toen ter tijde zelfs reeds werd geschreven. Voor den ingewijde laat het Egyptisch schrift geen twijfel over aan de uitspraak der woorden, maar dit was bij het overgroot aantal beteekenissen niet voldoende. Daarom voegde men achter elk woord nog een beeld, dat aanduidde in welke groep van begrippen men het bedoelde voorwerp moest zoeken. Teekende men b.v. achter het geschreven woordje áb een dier, dan werd er zonder twijfel een kalf mede bedoeld. Waar men nu zulke verklarende teekens (bij het schrift) gebruikte, moeten er ook bij het spreken noodig en voorhanden zijn geweest.
Dikwijls brachten reeds de omstandigheden mede, dat geen nadere verklaring noodig was. Als b.v. de herder zijn meester iets mededeelde, wist deze in welken kring van denkbeelden hij de zaken moest zoeken, waarover de man met hem wilde spreken. Bovendien speelden de gebarentaal en de toon toen een groote rol bij het spreken, waarvan zij zelfs nu nog niet geheel afstand hebben gedaan, getuige den maatstaf welke het gebruik er van nog aangeeft voor de meerdere of mindere beschaving van een spreker. Het gesproken woord was toen om zoo te zeggen het signaal, dat aankondigde, dat er een mededeeling, in dit geval door een gebaar uitgedrukt, plaats had; later bevatte door toedoen van het telkens meer uitkiezen van woorden de uitroep zelf de mededeeling en werd het gebaar het er aan toegevoegde, verklarende teeken, totdat het eindelijk de taak der meest ontwikkelde talen werd, zich alleen in woorden uit te drukken. Ook de toon van spreken moet onder de verklarende teekens worden gerangschikt, welke rol hij nu nog in de Chineesche en Siameesche talen vervult, waar een woord dikwijls verschillende beteekenissen heeft, welke alleen van elkander worden onderscheiden door den toon waarop men het uitspreekt. De oorzaak dezer homonymie kan niet de eenlettergrepigheid der woorden zijn, daar de Thibetaansche taal ontzettend lange woorden bezit, welke in de schrijftaal op een dergelijke wijze worden behandeld, daar er namelijk als verklaringen een menigte letters aan de woorden voorafgaan, welke niet kunnen worden uitgesproken. [174]
Intusschen bleef de Egyptische taal niet staan bij dezen onbegrensden rijkdom van woorden. Het eerst begon men zich natuurlijk te beperken in de keuze van uitdrukkingen voor zaken welke dikwijls in het openbaar verkeer werden genoemd. Zoo zullen de onderworpen stammen b.v. den koning niet den bij hen gebruikelijken naam hebben gegeven, maar dien, welke bij de heerschende partij in zwang was. Op de zelfde wijze werden ook onder de overige woorden meer en meer de meest geschikte en in omloop zijnde gekozen en geraakten de andere in vergetelheid. Toen men het Oud-Egyptisch begon te schrijven, was deze ontwikkeling der volkstaal reeds zoover gevorderd, dat sommige woorden geen homonymen meer waren en er nauwelijks meer synonymen voor bestonden. De schrijftaal welke tot heilige doeleinden werd gebruikt (de hiëroglyphen en het zoogenaamde hiëratische schrift), hield nog het meest aan het oude vast, maar in de spreektaal (en naar wij onderstellen, ook in het demotische schrift) werd zonder ophouden het zelfde proces voortgezet en leidde langzamerhand tot het ontstaan van het Koptisch, dat in een tijdsverloop van drie eeuwen zulke veranderingen heeft ondergaan, dat de woorden bijna evenals bij ons over de begrippen zijn verdeeld, en dat, waar een woord nog verschillende, ofschoon nu nog alleen verwante, beteekenissen heeft, deze toch aan de eene of andere kleine vormverandering gemakkelijk zijn te herkennen, ongeveer zooals bij ons graf, groeve, gracht, het zelfde woord zijn, maar in begrip en vorm een weinig verschillen.
De wijze waarop tegenwoordig de talen verspreid zijn, wijst ons op een dergelijk ontwikkelingsproces als de Egyptische taal heeft doorloopen. Men kan de talen naar de verspreiding in twee hoofdgroepen verdeelen.
Aan den eenen kant breidt zich een taal over een groote oppervlakte uit over verschillende volken en stammen. Zoo kan men b.v. dwars door Europa gaande, vijftig dagen lang zich alleen met Duitsch verstaanbaar maken, aan den anderen kant wisselt bij sommige volken de taal met elke dagreis, ofschoon zij tot een en het zelfde ras behooren.
Bij de laatstgenoemden is zij nog veranderlijk en in wording, terwijl zij bij de eersten, vergelijkenderwijze gesproken, reeds voltooid is en een vasten vorm heeft aangenomen.
Deze beide groepeeringen nu gaan hand aan hand met de verschillende wijze van organisatie der Europeanen en Aziaten aan de eene en der oorspronkelijke Amerikaansche stammen aan de andere zijde. [175]Bij de eersten heeft men geen ongeorganiseerde menschengroepen en bij gevolg geen ontluikende en weder verdwijnende familietalen, in Amerika echter „staat”, zooals Peschel zich uitdrukt, „de buitengewone verscheidenheid van talen in nauwen samenhang met de ongeregelde levenswijze der zwervende jagerstammen. Waar daarentegen ordelijke maatschappijen bestonden, zooals in het oude Peru, kon de heerschende Quechua-taal zich ook over meer dan 20 breedtegraden uitbreiden.” In Brazilië en Guiana echter, in de onmiddellijke nabijheid van den ouden Peruaanschen Staat, bestaat nu nog de grootst mogelijke spraakverwarring en wordt elke taal slechts door een enkel stammetje begrepen, waarin eerst aan de kusten door den invloed van zendelingen eenige verbetering is gebracht, zoodat nu ééne taal door verscheidene stammen wordt begrepen. Zulk een taal echter is nog altijd zeer bewegelijk en verandert dikwijls. Peschel voert aan, dat bij kleine stammen dikwijls het zelfde plaats grijpt als bij kinderen, die aan verschillende voorwerpen zelf gemakkelijk uit te spreken namen geven, welke het huisgezin overneemt, en zegt, dat (bij Braziliaansche jagers) dit kinderlijke aanwensel tot een gewoonte der volwassenen is geworden, waardoor de afzonderlijke stammen niet alleen door de spoedige ontwikkeling van dialecten onverstaanbaar worden voor hun vroegere taalverwanten, maar bij hen ook ieder uit eigenzinnigheid aan zijn eigen uitspraak vasthoudt. Een omstandigheid die veel bijdraagt tot de groote veranderlijkheid der taal, is het godsdienstige gebruik om den naam van een overledene niet meer te noemen. Zelfs de woorden waarin de zelfde letters voorkomen als in den naam van den overledene, mogen een tijdlang niet worden gebruikt. Zoodra een taal over een groote uitgestrektheid wordt gesproken, bepaalt zich dit tot een zeker tijdsverloop, gedurende ’t welk die woorden in zwang blijven bij de families welke niet tot den doode in betrekking stonden, om later weêr in het algemeen gebruik te worden opgenomen; is er echter alleen van een familietaal sprake, dan raken zij in vergetelheid en moeten er nieuwe voor in de plaats worden genomen.5 Dit gebruik heerscht nu nog onder de Papoea’s op Nieuw-Guinea, de Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs, de Masai’s en Zoeloe’s in Oost-Afrika, de Vuurlanders, Abiponers enz. Bij het laatstgenoemde volkje was het de taak der vrouwen nieuwe woorden uit te denken. [176]
Na al het boven gezegde kunnen wij haast met zekerheid de slotsom trekken, dat van een algemeene oorspronkelijke taal, waaruit al de tegenwoordige talen zich zouden hebben ontwikkeld, geen sprake kan zijn, en tevens, dat de taal vorming geheel onafhankelijk is van de ontwikkeling en afbakening der rassen. Zoo bestaan b.v. de Grieken volgens Lippert den Semieten nader dan den Germanen, maar naar de indeeling in taalgroepen behooren zij tot de zelfde groep als de laatsten (Indo-Germaansche talen), en niet tot die der eersten. Over de taal beslist niet het verschil van ras, maar wel de meestal onbekende voorgeschiedenis der volken. Als ten tijde der afscheiding der Ariërs, Iraniërs, Kelten enz. het stamvolk der Indo-Germanen nog uit jagerstammen had bestaan, zouden de talen der genoemde volken niet kunnen wijzen op zulke aanzienlijke overblijfselen uit een gemeenschappelijke oude taal als nu het geval is. Daarentegen moeten de stamverwante Semieten zich van hen hebben afgescheiden op een tijdstip, dat de blanke rassen verkeerden in den zelfden toestand van verdeeling in verschillende kleine stammen als nu nog bij sommige Amerikaansche volken bestaat.
Op den hoogsten trap harer ontwikkeling gelijkt de taal op een prachtig woud van hooge boomen, waar alle takken aan elkander sluiten en op uitstekende wijze overal schaduw en licht geregeld verdeeld zijn. Deze voorbeeldige toestand is echter slechts het gevolg van een zonder ophouden toegepaste uitdunning. In den beginne was hier de grond bedekt met een weelderigen plantengroei van alle denkbare soorten van lage gewassen. Iedere familie koos naar eigen goedvinden de vormen waardoor zij zich verstaanbaar wilde maken. Toen kwam de houtvester, hier de overeenkomst tusschen de verschillende groepen, die noodzakelijk was geworden door het zich telkens uitbreidende onderlinge verkeer. De houtvester koos in de chaotische verwarring de stammetjes uit, waarvan het zich liet aanzien, dat zij zich het best staande zouden houden en ontwikkelen, en hieuw de overige om. Hierdoor kregen de andere lucht en ruimte om zich uit te breiden en verstikten het weder ontkiemende onkruid in hun schaduw. Deze echter groeien ook niet allen gelijk op en staan nog veel te dicht op elkander, telkens moet de houtvester weder de zwaksten verwijderen. Zoo ontstond langzamerhand het bladerdak van het volmaakt schoone bosch. Op die wijze heeft de houtvester „verkeer” het kreupelbosch der vroegste wortelvorming der taal uitgedund en geschift en hebben de overgeblevene krachtige stammen hun takken op schijnbaar [177]hoogst regelmatige wijze over het geheele taalgebied uitgebreid. Zoo is de taal ontstaan.
Wij kunnen deze vergelijking nog verder uitstrekken. In de eerste jaren eener boschontginning wordt het land meestal bedekt met een weelderige flora van struiken en kruiden, die weder verdwijnt naarmate de boomen die de ontginner er in heeft gezaaid of geplant, opgroeien, totdat eindelijk onder het ondoordringbare bladerdak van het bosch geen struiken of kruiden meer kunnen opkomen en de eenige aanwas in de takvorming der uitverkoren stammen bestaat. Het zelfde heeft plaats met de taal, die in den beginne voor elk nieuw begrip een nieuw geluidsbeeld gebruikte, al bestond dit soms maar alleen in het gebruik van een homonym met een ander accent en een ander gebaar. Dit aanhoudende ontstaan van nieuwe wortelwoorden hield echter langzamerhand bij onderlinge overeenkomst op, toen de taal vaster vormen aannam en de noodzakelijkheid ontstond om bij het uitdenken van een naam voor een nieuw voorwerp dezen te doen aansluiten aan een reeds voorhanden woord en hem zoo voor het algemeen begrijpelijk te maken, daar de taal op dezen trap harer ontwikkeling reeds niet meer uitsluitend door een kleinen kring van menschen maar door een geheel volk werd gebruikt. Zoo ontstond de woordafleiding, doordat men òf het geraamte van het oude woord gebruikte met verandering van klinkers6, òf door de verbinding van woorden tot een samengesteld woord, waarvan de bestanddeelen later samengroeiden, de betrekking tusschen het oude en nieuwe begrip uitdrukte, zooals het geval was bij het vroeger genoemde heer-lijk en dergelijke woorden.7 Zelfs in ééne en de zelfde taal volgde deze woordafleiding echter niet altijd de zelfde wetten. Soms verdrong ook een nieuw voorwerp het oude en nam den naam daarvan aan, evenals bij het ontstaan der nieuwe wapens en der nieuwe versierselen gebeurde.
Tylor geeft ons eenige interessante voorbeelden van de veranderingen die de kennismaking met nieuwe voorwerpen in een taal teweegbrengt. [178]Zoo noemden de Hidatso’s aan de Missouri, die oorspronkelijk alleen steen als grondstof voor wapens kenden, later ijzer en koper, toen zij die leerden kennen, ook steen, maar onderscheidden hen als zwartsteen en roodsteen. Op Otaheite, waar weinig dieren zijn, was het zwijn het voornaamste dier, en de Sioux kenden evenals sommige andere Indianen alleen den hond als huisdier. Toen nu de Europeanen het paard invoerden, noemden de bewoners van Otaheite het een mandragend zwijn en de Sioux een hond, met bijvoeging van een dergelijk kenmerk.
Uit deze voorbeelden zien wij tevens hoe de taal begint namen voor abstracte begrippen te vormen, o.a. voor het begrip der soort. Hiervoor is reeds een zekere trap van ontwikkeling noodig, daar bij de vroegste talen alle dergelijke benamingen ontbreken. De Nieuw-Hollanders hebben voor alle boomen, vogels en visschen die zij kennen, een naam, maar zij missen een woord voor boom, vogel en visch in het algemeen. Een Roodhuidenstam kan zeer goed de verschillende soorten van Amerikaansche eiken van elkander onderscheiden, maar een woord voor het begrip „eik” in het algemeen kent hij niet.
Het zou niet te verwonderen zijn geweest als de Otaheitiër, toen hij meer viervoetige dieren leerde kennen en zich zoodoende langzamerhand een begrip vormde van een „viervoetig huisdier” in het algemeen, daarvoor den naam „zwijn” gekozen en zoodoende de bestaande betrekking tusschen het woord en het begrip verschoven had.8
Op de zelfde wijze gaat de taal te werk als zij op het gebied der „handeling” onderscheid begint te maken tusschen het concrete en het abstracte; de Huronen bijv. hadden geen woord voor „eten”, maar noemden deze handeling telkens anders, naarmate van de spijs die zij gebruikten. In de Bantoetalen in Afrika heeft het woord voor „weven” de beteekenis gekregen van „maken”, en het woord „bârâ”, dat in den bijbel wordt gebruikt voor het scheppen van hemel en aarde, beteekent eigenlijk „snijden” of „houwen”. Zoo zal ook ons woord „maken” vroeger wel een concrete beteekenis hebben gehad, die wij nu niet meer kennen.
Terwijl wij dus zien dat de oorspronkelijke taal een algemeen goed [179]is, waarop uit den aard der zaak niemand een bijzonder bezitsrecht kan doen gelden, blijkt tevens, dat wij slechts tot op zekere hoogte kunnen vertrouwen op de kunst der etymologische woordafleiding. Op een zeker punt beginnen de algemeene stellingen waarop de etymologie berust, haar grond te verliezen, en verder dan de eenvoudige taalwortels hebben zij geen recht van bestaan meer. De Egyptische taal kan voor de keuze van 37 hiëroglyphisch vastgestelde woorden voor het begrip snijden, geen andere reden aanvoeren, dan dat elk geluidsbeeld op zich zelf beantwoordt aan ieder begrip waarmede deze of gene het wil verbinden; bij de keuze van 10 woorden daaruit, die weder verschillende begripsnuances uitdrukken, heeft het Koptisch zich laten leiden door het reeds genoemde proces van uitkiezing; waarvan de bijzonderheden niet verder kunnen worden nagegaan.
Het schijnt ons toe, dat de in dit opstel uiteengezette theorie ongetwijfeld waarde bezit voor de verklaring van het ontstaan der spraak en taal, zoo niet om geheel de plaats der andere theorieën in te nemen, dan toch daarnevens. Die der klanknabootsing b.v. is volstrekt niet met deze in strijd, maar kan er meê samengaan. [180]
1 Hoofdzakelijk naar „Die Ursprache der Menschheit” in „Die Kulturgeschichte in einzelnen Hauptstücken” door Julius Lippert, Leipzig, 1886. ↑
2 Met uitzondering waarschijnlijk van sommige door den mensch onderwezen papegaaien (vergelijk aant. 8, blz. 152). Ook verstaan ongetwijfeld sommige huisdieren b.v. honden, sommige door hun meester gesproken woorden. Sir John Lubbock leerde zelfs zijn hond eenvoudige in letters op plankjes gedrukte woorden begrijpen (zie zijn „Sense in Animals”, Londen, 1889, blz. 277) en het gesprokene of gedrukte te verstaan vereischt een dergelijke verstandelijke verbinding tusschen geluid of teeken en voorwerp of denkbeeld als het spreken of schrijven zelf. In al deze gevallen ging echter de impulsie van den mensch uit. Kan het blaffen, dat den hond alleen in tammen staat eigen is, geen poging zijn om de menschelijke spraak, zoover de stemorganen het toelaten, na te bootsen? ↑
3 Lippert spreekt van „jodeln”, een onvertaalbaar woord, dat echter onze meeste lezers wel zullen verstaan; het drukt een eigenaardige wijze van zingen uit, die bij vele Alpenbewoners, o.a. de Tyrolers in zwang is, en waarvan het eigenaardige in den overgang uit de borsttonen in de falsetstem bestaat. Het is een melodieuse uiting van levenslust, die door de zuivere Alpenlucht zoo gemakkelijk wordt opgewekt. ↑
4 De voorzetsels hadden waarschijnlijk eens in alle talen een plaatselijke beteekenis, althans in het Latijn worden jegens, behalve, wegens, overeenkomstig, uit hoofde van enz., kortom alle de zoo talrijke verbindingen en betrekkingen tusschen personen en zaken door voorzetsels uitgedrukt, die oorspronkelijk slechts plaatselijke verhoudingen, als: voor, achter, boven, tusschen enz. uitdrukten. ↑
5 Op Otaheite heette b.v. de nacht vroeger „Po” maar sedert koning Pomaré is gestorven, is ook het eerste woord uit de taal van het eiland verdwenen. ↑
6 Als b.v. in het Nederlandsch: drank (z. n.), dronk (z. n.), drenk (wortel van het werkwoord drenken), drink (wortel van het werkwoord drinken) waaraan zich het Engelsch drunk b. n. (beschonken) aansluit. Deze methode is zeer algemeen in de Semietische talen, en wordt ook bij onze ongelijkvloeiende en vele onregelmatige werkwoorden naast de volgende toegepast. ↑
7 Hierdoor ontstaan eindelijk ook verbuigingen en vervoegingen door wijziging der uitgangen, en soms met voorvoeging van lettergrepen. De vervoeging onzer gelijkvloeiende werkwoorden behoort hiertoe. ↑
8 Zoo heeft het Engelsche woord deer de beteekenis van hert, reeds zeer vroeg in Germanië het voornaamste jachtdier, en zal dit wellicht de oorspronkelijke beteekenis zijn, terwijl in het verwante Nederlandsch en Hoogduitsch dier en Thier tegenwoordig een dier, meer in ’t bijzonder een viervoetig dier, in het algemeen beteekenen. Een omgekeerde verschuiving zien wij als de boer onder „beesten” eenvoudig koeien verstaat. ↑