The Project Gutenberg eBook of De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Author: Charles Darwin

Translator: H. Hartogh Heys van Zouteveen

Release date: September 19, 2022 [eBook #69013]
Most recently updated: October 19, 2024

Language: Dutch

Original publication: Netherlands: Joh. IJkema, 1872

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS, DEEL 1 (VAN 2) ***
[Inhoud]

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

DARWIN’S
BIOLOGISCHE MEESTERWERKEN,
VIERDE DEEL.
De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus.
Eerste Gedeelte.
Arnhem-Nijmegen.
Gebr. E. & M. COHEN.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

De Afstamming
VAN
DEN MENSCH
DE SEKSUEELE TEELTKEUS,
EERSTE DEEL.
Arnhem-Nijmegen—Gebr. E. & M. COHEN.

[Inhoud]

Stoomdrukkerij—H. BORN—Assen. [I]

[Inhoud]

INHOUD.

Darwin’s Biologische Meesterwerken.

III. De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus.

EERSTE DEEL.

VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK door Dr. H. H. H. van Zouteveen        blz. 1.

VOORREDE VAN DE 2DE ENGELSCHE UITGAAF        5.

INLEIDING        7.

EERSTE GEDEELTE.

De Afstamming van den Mensch.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.

Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.—Gelijkvormigheid van maaksel bij den mensch en de lagere diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—Ontwikkeling.—Rudimentaire organen, spieren, zintuigen, haar, geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie groote klassen van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van den mensch        blz. 11.

AANTEEKENINGEN        33. [II]

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM HEEFT ONTWIKKELD.

Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.—Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van den mensch        blz. 52.

AANTEEKENINGEN        99.

DERDE HOOFDSTUK.

VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.

Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den minst ontwikkelden wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht tot navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen en wapenen door dieren gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof in God, in de werkzaamheid van geesten, bijgeloof        blz. 111.

AANTEEKENINGEN        149.

OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL, door Dr. H. H. H. van Zouteveen        164.

VIERDE HOOFDSTUK.

VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.—VERVOLG.

Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch [III]is een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen andere minder duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde feiten leiden        blz. 180.

AANTEEKENINGEN        215.

WALLACE OVER DE HOOGSTE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH, door Dr. H. H. H. van Zouteveen        226.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.

De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken invloed uit—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat verkeerden        blz. 237.

AANTEEKENINGEN        260.

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.

Plaats van den mensch in het dierenrijk—Het natuurlijke stelsel berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe waarde—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den mensch en de apen—Rang van den mensch in het natuurlijke stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid van fossiele verbindingsleden—Lagere trappen in den stamboom van den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede uit het maaksel van zijn lichaam—Voormalige tweeslachtigheid (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit        blz. 264.

AANTEEKENINGEN        289.

BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.

STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN HET MENSCHELIJK GESLACHT, door Dr. P. Harting, in leven Hoogleeraar te Utrecht        blz. 323. [IV]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVER DE MENSCHENRASSEN.

De aard en waarde van soortkenmerken.—Toepassing op de menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras stamt niet af van een enkel paar.—Het uit sterven van rassen.—Het ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele teeltkeus        blz. 329.

AANTEEKENINGEN        370.

VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN, door Professor Huxley, F. R. S.        389.

AANTEEKENING        399.

HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE VOLKSVERHUIZINGEN IN HET PALAEOLITHISCHE TIJDVAK, door Dr. H. H. H. van Zouteveen        400.

AANTEEKENINGEN        430.

TWEEDE GEDEELTE.

De Seksueele Teeltkeus.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.

Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele dierenrijk.[V]—Over de beperking van het aantal individu’s van elke sekse door natuurlijke teeltkeus        blz. 434.

AANTEEKENINGEN        501.

NEGENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.

Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen dan op volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren; sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda) blz. 511.

AANTEEKENINGEN        528.

TIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.

Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te grijpen.—Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de seksen.—Springstaarten (Thysanura).—Tweelingen (Diptera).—Halfvleugeligen (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen (Homoptera); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen (Orthoptera); de muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel; strijdlustigheid; kleuren.—Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid en kleuren.—Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken; gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen        blz. 531.

AANTEEKENINGEN        570.

ELFDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG.—ORDE DER SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).

Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan beide seksen gemeen of het schitterendst bij de mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot bescherming geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—[VI]Oorzaken van het verschil in kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn dan de mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten        blz. 575.

AANTEEKENINGEN        607.

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XI.

DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, door C. Darwin (vertaald uit Nature, vol. XXI, 1880, blz. 237) blz. 612.

AANTEEKENINGEN        614. [1]

[Inhoud]

DARWINS BIOLOGISCHE MEESTERWERKEN.

III. DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS.

VOORWOORD

BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK

DOOR

Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.

Charles Darwin zegt in zijn autobiographie (voorkomende in het in 1888 verschenen werk van zijn zoon Francis Darwin „The Life and Letters of Charles Darwin”) omtrent zijn werk over de afstamming van den mensch het volgende:

„Mijn „Descent of Man” (Afstamming van den Mensch) verscheen in 1871. Zoodra ik, in het jaar 1837 of 1838, overtuigd was geworden, dat de soorten veranderlijke voortbrengselen der natuur zijn, kon ik mij niet losmaken van het geloof, dat ook de mensch aan de zelfde wet onderworpen moest zijn. Ik verzamelde daarom aanteekeningen over dat onderwerp voor mijn eigen genoegen, en het duurde lang, eer ik het voornemen opvatte ze uit te geven. Ofschoon in de „Origin of Species” (Ontstaan der Soorten) nergens over de afstamming van een enkele bepaalde soort wordt gesproken, achtte ik het toch het best, opdat geen man van eer mij zou kunnen beschuldigen, dat ik mijn gevoelen verzweeg, daarin te vermelden, dat door dit werk „licht zou worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis.”1 [2]Het zou nutteloos en schadelijk voor het succes van het boek zijn geweest, zoo ik, zonder eenige bewijzen te geven, met mijn overtuiging omtrent zijn oorsprong had gepronkt.

„Toen ik echter bevond, dat vele natuuronderzoekers de leer van de ontwikkeling der soorten volkomen aannamen, scheen het mij raadzaam al de aanteekeningen, die ik bezat, uit te werken en een bijzondere verhandeling omtrent den oorsprong van den mensch uit te geven. Ik was des te meer belust zulks te doen, omdat het mij gelegenheid gaf tot uitvoerige bespreking van de seksueele teeltkeus—een onderwerp, waarin ik altijd zeer veel belang had gesteld. Dit onderwerp, en dat van het varieeren der huisdieren en cultuurplanten2, benevens de oorzaken en wetten van het varieeren, de erfelijkheid en het kruisen der planten met elkander, zijn de eenige onderwerpen, waarover ik in staat ben geweest zoo uitvoerig te schrijven, dat ik alle bouwstoffen gebruikte, die ik er over had verzameld.3 Het schrijven van de „Descent of Man” hield mij drie jaar bezig, maar gelijk gewoonlijk ging een gedeelte van dien tijd verloren door mijn slechte gezondheid, en een ander gedeelte daarvan werd verbruikt door het voor de pers gereed maken van nieuwe uitgaven van vroegere werken en andere kleinere verhandelingen. Een tweede en veel vermeerderde uitgaaf van de „Descent” verscheen in 1874.”

In het tweede deel van de „Life and Letters of Charles Darwin”, waarin één hoofdstuk geheel en twee hoofdstukken gedeeltelijk aan de „Descent of Man” zijn gewijd, deelt Francis Darwin o.a. nog mede, dat in Februari 1867, toen het handschrift van het boek over „The Variation of Animals and Plants under Domestication” (Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten) naar den drukker was gezonden, zijn vader een „Hoofdstuk over den Mensch” begon te schrijven, maar spoedig bevond, dat het onder zijn handen zoo aangroeide, dat hij besloot het afzonderlijk uit te geven als een „zeer klein boekje.” Die [3]arbeid werd echter afgebroken door de noodzakelijkheid om de proeven van de „Variation of Animals and Plants” te verbeteren en door eenige botanische onderzoekingen, en niet vóór het volgende jaar kon hij hem weder opvatten en zich geheel daaraan wijden.

Uit het bovenstaande volgt de nauwe samenhang van de „Afstamming van den Mensch” met het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, waarvan het oorspronkelijk slechts een hoofdstuk zou zijn. Evenzoo hangt het „Varieeren der Huisdieren enz.” weder ten nauwste zamen met het „Ontstaan der Soorten”, welke het uitbreidt en met nadere bewijzen versterkt. Zoo vormen deze drie werken een ondeelbaar geheel. De seksueele teeltkeus, in de beide eerstverschenen werken slechts ter loops vermeld, wordt in dit derde uitvoerig behandeld.

Ik had, toen de derde druk van mijn Nederlandsche bewerking van de „Afstamming van den Mensch” verscheen, mij niet durven vleien, dat ze reeds in 1889 geheel uitverkocht en een vierde druk noodzakelijk zou zijn. Ik onderstel, dat bijna ieder, die dezen vierden druk leest, eerst de drie eerste deelen dezer serie, bevattende het Ontstaan der Soorten, het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten en eenige kleinere biologische geschriften zal hebben gelezen, hetgeen hem het recht begrip van het onderhavige werk veel gemakkelijker zal maken. Voor hen die deze drie eerste deelen niet hebben gelezen, zullen enkelen der aanteekeningen, welke ik achter de hoofdstukken van dit werk heb bijgevoegd, waarschijnlijk veel verduidelijken. Die aanteekeningen zijn grootendeels de zelfde als in den vorigen druk; zeer enkele zijn naar het „Ontstaan der Soorten” en het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” overgebracht, een paar der minst beduidende geschrapt, een paar andere verplaatst en bijgewerkt en enkele nieuwe bijgevoegd. Al te uitvoerig kon dit echter niet geschieden, om het boek niet al te lijvig te doen worden.

De van Darwin’s meening gedeeltelijk afwijkende gevoelens omtrent den oorsprong der hoogste geestvermogens, welke Wallace in zijn „Darwinism”, 1889, heeft publiek gemaakt, mochten hier wegens de groote beteekenis die Wallace voor het Darwinisme heeft en wegens de belangrijkheid van zijn boven aangehaald werk, waaraan wij in onze aanteekeningen op „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” zoo menige aanvulling en uitbreiding van Darwins leer en zoo menige scherpzinnige opmerking hebben ontleend, hier niet worden doodgezwegen, ofschoon wij in geenen deele met de door Wallace gegeven [4]verklaring van het ontstaan dier vermogens kunnen instemmen.

Ook Wallace’s, van die van Darwin afwijkende, in het zelfde werk uiteengezette meening omtrent de seksueele teeltkeus, en in verband daarmede omtrent de beteekenis der kleur in de organische wereld in het algemeen, vereischten een nadere uiteenzetting.

Verder scheen het ons wenschelijk, een overzicht in dit werk in te lasschen van Julius Lippert’s beschouwingen over den oorsprong der spraak en taal.

Een paar kleine geschriften van Darwin, die totdusver nog niet in het Nederlandsch waren verschenen, zijn ter behoorlijker plaatse ingelascht.

Eindelijk heeft mijne verhandeling over het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste volksverhuizingen eenige uitbreiding en wijziging ondergaan, waardoor tevens gelegenheid ontstond over eenige in nauw verband daarmede staande vraagstukken eenigszins uitvoeriger te bespreken. [5]

[Inhoud]

VOORREDE VAN DE 2de ENGELSCHE UITGAAF.

Gedurende de achtereenvolgende herdrukken van de eerste, in 1871 verschenen uitgaaf van dit werk, was ik in staat om onderscheidene belangrijke verbeteringen aan te brengen; en thans, nu er meer tijd is verloopen, heb ik mijn voordeel gedaan met de vuurproef, die het boek had ondergaan en gebruik gemaakt van al de kritieken die mij gegrond schenen te zijn. Ik ben ook aan een groot aantal correspondenten de mededeeling verschuldigd van een verwonderlijk aantal nieuwe feiten en opmerkingen. Deze zijn zoo talrijk geweest, dat ik alleen de meest belangrijke heb kunnen gebruiken, en van deze, zoowel als van de belangrijkste verbeteringen, zal ik een lijst hierachter laten volgen. Eenige nieuwe houtsneden zijn in het werk opgenomen, en vier der oude zijn vervangen door betere, naar het leven geteekend door den heer T. W. Wood. Ik moet vooral de aandacht vestigen op eenige opmerkingen, die ik aan de vriendelijkheid van Prof. Huxley verschuldigd ben (gegeven als een Supplement op het einde van het Eerste Gedeelte) over den aard der verschillen tusschen de hersenen van den mensch en die der hoogere apen. Ik ben bijzonder blijde geweest, dat ik die opmerkingen kon mededeelen, omdat over dat onderwerp op het vasteland in de allerlaatste jaren onderscheidene verhandelingen zijn verschenen, en dat de belangrijkheid daarvan in sommige gevallen door populaire schrijvers erg is overdreven.

Ik veroorloof mij bij deze gelegenheid op te merken, dat mijn critici dikwijls verzekeren, dat ik alle veranderingen in het lichamelijk maaksel en de geestvermogens uitsluitend daaraan toeschrijf, dat de natuur bepaalde zoogenaamd spontane verscheidenheden voor de voortplanting uitkiest; terwijl ik toch, zelfs in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, duidelijk uitsprak, dat men groot gewicht moet hechten aan de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik, zoowel ten opzichte [6]van het lichaam als van den geest. Ik schreef ook een zekere hoeveelheid wijzigingen toe aan de rechtstreeksche en voortdurende werking van gewijzigde levensvoorwaarden. Ook moeten wij eenigen invloed toeschrijven aan nu en dan voorkomende atavismen, en moeten ook datgene niet vergeten, wat ik correlatie van groei heb genoemd, waarmede ik bedoelde, dat verschillende deelen van het organisme op de eene of andere onbekende wijze zoodanig met elkander in verband staan, dat als één daarvan verandert, ook de anderen het doen; en indien veranderingen in het eene door natuurlijke teeltkeus worden opgehoopt (en dus grooter gemaakt), ook andere deelen wijzigingen zullen ondergaan. Ook is door verscheidene critici gezegd, dat ik, bevonden hebbende dat vele bijzonderheden in het maaksel van den mensch niet door natuurlijke teeltkeus konden worden verklaard, de seksueele teeltkeus had uitgevonden; ik gaf echter een vrij duidelijke schets van dit beginsel in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, en verklaarde toen reeds, dat het op den mensch kon worden toegepast. Dit onderwerp (de seksueele teeltkeus) wordt in het onderhavige werk uitvoerig behandeld, eenvoudig omdat mij daarin voor het eerst gelegenheid daartoe werd gegeven. Ik ben getroffen geweest door de gelijkenis van velen der halfgunstige critieken omtrent de seksueele teeltkeus met die, welke in het eerst omtrent de natuurlijke teeltkeus verschenen; zooals, dat zij wellicht eenige weinige bijzonderheden kon verklaren, maar zeker niet in zoo uitgebreiden zin toepasselijk was, als ik meende. Mijn overtuiging omtrent het vermogen der seksueele teeltkeus blijft ongeschokt, doch het is waarschijnlijk, of nagenoeg zeker, dat onderscheidenen mijner besluiten later onjuist zullen worden bevonden; dit kan moeilijk anders, wanneer men een onderwerp voor de eerste maal behandelt. Als de natuuronderzoekers gemeenzaam zijn geworden met het denkbeeld van seksueele teeltkeus, zal deze, naar ik vermeen, veel meer algemeen worden aangenomen; en zij heeft reeds een volkomen gunstig onthaal gevonden bij verscheidene bevoegde beoordeelaars.


1 Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel I, „Het Ontstaan der Soorten”, vertaald door Dr. T. G. Winkler, 3de Ned. Uitgaaf, Arnhem, Gebr. E. & M. Cohen, blz. 679. 

2 Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel II, en III, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, vertaald en van aanteekeningen voorzien door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Arnhem, Gebrs. E. & M. Cohen. 

3 De autobiographie loopt tot 1 Mei 1881. Zijn boek over de Vorming van Humus door de werkzaamheid der Aardwormen, was toen nog niet verschenen, maar juist ter perse gezonden. 

[Inhoud]

DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH;
EN OVER
TEELTKEUS MET BETREKKING TOT DE SEKSE.

INLEIDING.

De aard van het volgende werk zal het beste worden begrepen door een korte mededeeling der redenen, die mij aanleiding gaven het te schrijven. Gedurende vele jaren verzamelde ik aanteekeningen over den oorsprong of afstamming van den mensch, zonder eenig voornemen om iets over dat onderwerp in het licht te geven, of liever met het stellige voornemen om niets daarover in het licht te geven, daar ik meende, dat ik daardoor het vooroordeel tegen mijn beschouwingen slechts zou doen toenemen. Het scheen mij voldoende, in de eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan der Soorten” aan te stippen, dat door dit werk „licht zou worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis”, en hierin ligt opgesloten, dat elk algemeen besluit omtrent de wijze, waarop de organische wezens op aarde zijn verschenen, ook op den mensch toepasselijk is. Op dit oogenblik echter verschijnt de zaak in een geheel ander daglicht. Als een zoo beroemd natuuronderzoeker als Carl Vogt niet schroomt om in zijn toespraak als President van het Nationale Instituut van Genève (1869) te zeggen: „personne, en Europe au moins, n’ose plus soutenir la création indépendante et de toutes pièces des espèces”, dan is het duidelijk, dat ten minste een groot aantal natuuronderzoekers moeten aannemen, dat de tegenwoordig levende soorten de gewijzigde afstammelingen van andere soorten zijn; en dit is vooral het geval met de jonge en opkomende natuuronderzoekers. Het grootste gedeelte van hen nemen de werking der natuurlijke teeltkeus aan, schoon sommigen beweren, of het met recht is, moet de toekomst beslissen, dat ik de belangrijkheid er van veel te hoog heb geschat. Van de oudere en geëerde hoofden in de [8]natuurwetenschap zijn ongelukkig velen nog tegenstanders van de ontwikkelingstheorie in welken vorm dan ook.

Ten gevolge van de beschouwingen, die tegenwoordig door de meeste natuuronderzoekers worden aangenomen, en die ten laatste, evenals in elk ander geval, door andere menschen zullen worden gedeeld, ben ik er toe gekomen om mijn aanteekeningen bijeen te brengen, om daardoor te zien in hoeverre de algemeene besluiten, waartoe ik in mijn vorige werken kwam, op den mensch toepasselijk waren. Dit scheen mij des te wenschelijker, daar ik met opzet deze beschouwingen nog nooit op ééne enkele soort, afzonderlijk genomen, had toegepast. Als wij onze aandacht tot een bepaalden vorm beperken, zijn wij beroofd van de gewichtige bewijsgronden, welke worden afgeleid uit den aard der verwantschappen, die geheele groepen van organismen onderling verbinden—hun geographische verspreiding, zoowel in vroegere tijdvakken als tegenwoordig, en hun geologische opeenvolging. De homologe structuur(1), embryologische ontwikkeling en rudimentaire organen(2) van een soort, hetzij het de mensch of eenig ander dier zij, waarop onze aandacht is gevestigd, blijven ter overweging over; maar deze groote klassen van feiten leveren, dunkt mij, overvloedige en afdoende bewijsgronden op ten gunste van het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling. De sterke steun, dien de andere bewijsgronden daaraan nog geven, moet echter steeds in acht worden genomen.

Het eenige doel van dit werk is om na te gaan, eerstens, of de mensch, evenals elke andere diersoort, van dezen of genen vroeger bestaan hebbenden vorm afstamt; ten tweede, de wijze, waarop hij zich heeft ontwikkeld; ten derde de belangrijkheid van de verschillen tusschen de zoogenaamde menschenrassen. Daar ik mij tot deze punten wil beperken, zal het niet noodig zijn de verschilpunten tusschen de onderscheidene rassen uitvoerig te beschrijven—een hoogst uitgebreid onderwerp, dat in vele uitnemende werken grondig is besproken. De hooge oudheid van het menschelijk geslacht is sedert korten tijd bewezen door de onderzoekingen van een menigte uitstekende mannen, te beginnen met den heer Boucher de Perthes(3); en dit is een onmisbare grondslag voor het begrijpen van deszelfs oorsprong. Ik zal daarom dit feit voor bewezen houden, en mijn lezers verwijzen naar de bewonderenswaardige verhandelingen van Sir Charles Lyell(4), Sir John Lubbock en anderen. Ik zal ook geen gelegenheid hebben om meer te doen dan te zinspelen op de hoegrootheid van het verschil [9]tusschen den mensch en de anthropomorphe apen; want Prof. Huxley heeft volgens de meening van zeer bevoegde rechters overtuigend aangetoond, dat de mensch in elk afzonderlijk zichtbaar kenmerk minder verschilt van de hoogere apen, dan deze van de lagere leden der zelfde orde van de Primaten.

Dit werk bevat bijna geen enkel nieuw feit omtrent den mensch; maar daar de besluiten, waartoe ik na een ruwe optelling kwam, mij belangrijk voorkwamen, dacht ik, dat ook anderen er wellicht belang in konden stellen. Men heeft dikwijls met het meeste zelfvertrouwen verzekerd, dat de oorsprong van den mensch nimmer bekend kan worden; maar onwetendheid leidt dikwijls meer tot zelfvertrouwen dan grondige kennis; slechts zij die weinig weten, en geenszins zij die veel weten, verzekeren zoo stellig, dat het eene of andere vraagstuk nimmer door de wetenschap zal worden opgelost. Het besluit, dat de mensch gezamenlijk met andere soorten van den eenen of anderen ouden, lageren en uitgestorven vorm afstamt, is volstrekt niet nieuw. Lamarck kwam reeds lang geleden tot dit besluit, dat onlangs door verscheidene beroemde natuurkundigen en wijsgeeren is verdedigd; bij voorbeeld door Wallace, Huxley, Lyell, Vogt, Lubbock, Büchner, Rolle enz.1, en vooral door Haeckel. Deze laatste natuuronderzoeker heeft, behalve zijn groot werk „Generelle Morphologie” (1866) onlangs (1868, met een tweede uitgaaf in 1870) zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte” uitgegeven, waarin hij de afstamming van den mensch uitvoerig bespreekt. (5) Ware dit werk in het licht verschenen, voor mijn geschrift geheel was geschreven, dan zou ik het waarschijnlijk nooit hebben voltooid. Bijna al de besluiten, waartoe ik ben gekomen, vind ik door dezen natuuronderzoeker bevestigd, wiens kennis op vele punten veel vollediger is dan de mijne. Overal [10]waar ik eenig feit of gevoelen uit Prof. Haeckel’s geschriften hieraan heb toegevoegd, geef ik zulks in den tekst op; andere opgaven laat ik zooals zij oorspronkelijk in mijn handschrift stonden, nu en dan in de noten naar zijn werken verwijzende, als een bevestiging van de meer twijfelachtige of belangrijke punten.

Sinds vele jaren scheen het mij zeer waarschijnlijk, dat de seksueele teeltkeus een groote rol had gespeeld bij het differentieeren der menschenrassen; maar in mijn „Ontstaan der Soorten” stelde ik mij tevreden met slechts te zinspelen op dit geloof. Toen ik er toe kwam, om dit gevoelen op den mensch toe te passen, vond ik het volstrekt noodig dit geheele onderwerp zeer uitvoerig te behandelen.2 Ten gevolge daarvan is het tweede gedeelte van dit werk, dat over de teeltkeus met betrekking tot de sekse handelt, tot een, in vergelijking van het eerste gedeelte, zeer onevenredige lengte aangegroeid, maar dit kon niet worden vermeden.

Ik was eerst voornemens bij deze deelen nog een verhandeling te voegen over het uitdrukken der verschillende gemoedsaandoeningen bij den mensch en de lagere dieren. Mijn aandacht werd reeds vele jaren geleden op dit onderwerp gevestigd door het bewonderenswaardige werk van Sir Charles Bell. Deze beroemde ontleedkundige beweert, dat de mensch sommige spieren alleen bezit, ten einde daarmede zijn gemoedsaandoeningen uit te drukken. Daar dit gevoelen klaarblijkelijk in tegenspraak is met het geloof, dat de mensch van dezen of genen lageren vorm afstamt, was het noodig, dat ik het behandelde. Ik wenschte eveneens uit te maken, in hoeverre de gemoedsaandoeningen door de verschillende menschenrassen op de zelfde wijze worden uitgedrukt. Met het oog op de lengte van het onderhavige werk, heb ik echter gemeend, dat het beter was mijn verhandeling, die gedeeltelijk is voltooid, voor een afzonderlijke uitgave te bewaren.

Ch. DARWIN. [11]


1 De werken der eerstgenoemde schrijvers zijn zoo bekend, dat het mij onnoodig voorkomt de titels daarvan op te geven; maar daar die der laatstgenoemden in Engeland minder bekend zijn, zal ik daarvan de titels noemen:—„Sechs Vorlesungen über die Darwin’sche Theorie”: zweite Auflage, 1868, von Dr. L. Büchner; in het Fransch overgezet onder den titel: „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, 1869. „Der Mensch im Lichte der Darwin’sche Lehre”, 1865 von Dr. F. Rolle. Ik zal niet beproeven hier alle schrijvers op te sommen, die het vraagstuk van de zelfde zijde hebben beschouwd. Zoo heeft G. Canestrini („Annuario della Soc. d. Nat.” Modena, 1867, blz. 81) een zeer merkwaardige verhandeling uitgegeven over rudimentaire kenmerken die wijzen op den oorsprong van den mensch. Een ander werk, in 1869 door Dr. Barrago Francesco uitgegeven, draagt in het Italiaansch den titel van: „De mensch geschapen naar Gods beeld, werd ook geschapen naar het beeld van den aap.” 

2 Prof. Haeckel is de eenige schrijver, die, sinds de uitgave van „The Origin of Species”, in zijn verschillende werken op hoogst bekwame wijze over de teeltkeus met betrekking tot de sekse heeft gesproken, en ten volle de belangrijkheid van dit onderwerp heeft ingezien.