Ik beaam ten volle het gevoelen van die schrijvers1, welke beweren, dat van alle verschillen tusschen den mensch en de lagere dieren het zedelijk gevoel of geweten verreweg het belangrijkste is. Aan dit gevoel komt, zooals Mackintosh2 opmerkt, van rechtswege de heerschappij toe over alle drijfveêren van de handelingen der menschen; het ligt opgesloten in dat korte, maar gebiedende woord plicht, een woord zoo vol van hooge beteekenis. Het is het edelste van alle kenmerken van den mensch; het brengt hem er toe om zonder een oogenblik te aarzelen zijn leven voor een medemensch te wagen, of om het na rijp beraad, alleen door zijn diep gevoel van recht gedreven, voor het eene of andere groote beginsel op te offeren. Immanuel Kant roept uit: „Plicht! wondervolle gedachte, die noch door vleierij, noch door eenige bedreiging, noch ook door u dwaselijk op te dringen, maar alleen door uw naakte wet aan de ziel te doen hooren, op den mensch inwerkt en zoo voor u zelve altijd eerbied, hoewel niet altijd gehoorzaamheid afdwingt; [181]gij, voor wien alle zinnelijke lusten verstommen, hoe sterk zij zich ook in het geheim mogen verzetten, wat is uw oorsprong?”3

Dit groote vraagstuk is door vele schrijvers4 van erkende bekwaamheid besproken en mijn eenige verontschuldiging, dat ook ik het waag het te bespreken, is, dat ik het hier onmogelijk onvermeld kan laten, en dat niemand, voor zoover ik weet, het nog uit een natuurhistorisch oogpunt heeft beschouwd. Daarom is die beschouwingswijze op zich zelve van eenig belang, als een proef om te zien, in hoeverre de studie der lagere diersoorten licht kan werpen op een der hoogste zielsvermogens van den mensch.

De stelling komt mij in hooge mate waarschijnlijk voor, dat elk dier dat goed ontwikkelde sociale instinkten bezit5, ongetwijfeld zedelijk gevoel of een geweten zou verkrijgen, zoodra zijn verstandelijke vermogens even goed ontwikkeld of bijna even goed ontwikkeld waren geworden als die van den mensch. Want eerstens leiden de sociale instinkten een dier er toe om behagen te scheppen in het gezelschap zijner mededieren, om tot op zekere hoogte medegevoel met hen te hebben en hun verschillende diensten te bewijzen. Deze diensten kunnen van een beperkten en duidelijk instinktmatigen aard zijn, of er kan, [182]zooals bij de meeste hoogere sociale dieren het geval is, slechts de wensch en de bereidvaardigheid bestaan om andere dieren op zekere algemeene wijzen te helpen. Deze gevoelens en diensten worden echter geenszins uitgestrekt tot alle dieren van de zelfde soort, maar alleen tot die welke tot de zelfde vereeniging behooren. In de tweede plaats zullen, zoodra de geestvermogens hoog ontwikkeld zijn, beelden van alle vroegere handelingen en beweegredenen onophoudelijk het brein van elk individu doorkruisen, en dat gevoel van onvoldaanheid, dat, zooals wij later zullen zien, het gevolg is van elk onbevredigd instinkt, zal even dikwijls ontstaan als men bemerkt dat het duurzame en steeds tegenwoordige instinkt heeft moeten onderdoen voor een ander instinkt, op dat oogenblik krachtiger, maar geen zeer levendigen indruk achterlatende. Het is duidelijk dat vele instinktmatige begeerten, b.v. van honger, uit haar aard slechts kort van duur zijn en na haar bevrediging niet gemakkelijk of levendig in het geheugen worden teruggeroepen. In de derde plaats zal, nadat het vermogen om te spreken is verkregen en de meeningen van de leden van een zelfde vereeniging duidelijk en juist kunnen worden uitgedrukt, het algemeene gevoelen over de wijze waarop elk lid moet handelen om het algemeen welzijn te bevorderen, natuurlijk voor een groot deel het richtsnoer der handelingen worden. De sociale instinkten zullen echter nog steeds den eersten stoot geven aan het handelen voor het algemeen welzijn, maar die stoot zal versterkt, bestuurd, ja soms van richting veranderd worden door de publieke opinie, waarvan de macht, zooals wij zullen zien, op instinktmatig medegevoel berust. Eindelijk zal niet alleen gehoorzaamheid aan de wenschen en het oordeel van het publiek, maar ook de individueele gewoonte ten laatste een zeer belangrijk aandeel verkrijgen in het besturen van het gedrag van elk lid; want de sociale instinkten of aandriften zullen evenals alle andere instinkten zeer versterkt worden door gewoonte. Deze verschillende ondergeschikte stellingen moeten nu besproken worden en sommigen er van zeer uitvoerig.

Het zal goed zijn eerst de verklaring af te leggen, dat ik niet wil beweren, dat eenige strikt sociale diersoort, als haar verstandelijke vermogens even werkzaam en even hoog ontwikkeld waren als die van den mensch, ook juist het zelfde zedelijk gevoel zou verkrijgen als wij. Op de zelfde wijze als verscheidene dieren eenig schoonheidsgevoel bezitten, hoewel zij uiterst verschillende zaken bewonderen, zouden zij ook een gevoel van goed of kwaad kunnen bezitten, hoewel dat [183]hen aandreef om uiterst verschillende gedragslijnen te volgen. Indien, b.v., om een uiterste te noemen, de mensch onder volkomen de zelfde voorwaarden was opgevoed als de honigbijen, kan men nauwelijks betwijfelen, of onze ongehuwde vrouwen zouden het, evenals de werkbijen, voor een heiligen plicht houden, haar broeders te dooden, en moeders zouden haar vruchtbare dochters trachten te vermoorden, zonder dat iemand er over dacht om tusschenbeide te komen. (1) Toch zou de bij, of eenig ander sociaal dier, in het door ons onderstelde geval eenig gevoel van goed of kwaad of een geweten verkrijgen. Elk individu toch zou zich bewust worden, dat het sommige sterkere en meer duurzame instinkten bezat, en andere, die minder sterk of duurzaam waren; zoodat er dikwijls een strijd zou ontstaan over de vraag, welke aandrift moest worden gevolgd; en als vroegere indrukken, gedurende hun onophoudelijk voor den geest kruisen, met elkander werden vergeleken, zou het zich voldaan of onvoldaan gevoelen. In dit geval zou een inwendige stem het dier zeggen, dat het beter zou zijn geweest de eene aandrift te volgen dan de andere. Die eerste aandrift te volgen zou plicht zijn geweest: die eerste aandrift zou goed en de andere slecht zijn geweest; maar op deze woorden zal ik moeten terugkomen.

Het gezellige leven. Verscheidene diersoorten leven gezellig; soms leeft zelfs meer dan ééne soort gezellig te zamen, zooals met sommige Amerikaansche apen en met de vereenigde vluchten van roeken, kauwen en spreeuwen het geval is. De mensch toonde het zelfde gevoelen in zijn sterke liefde voor den hond, die de hond met belangstelling beantwoordt. Iedereen moet hebben opgemerkt, hoe ongelukkig paarden, honden, schapen enz. zijn, als zij van hun makkers worden gescheiden, en hoeveel genegenheid ten minste de beide eerste diersoorten voor elkander toonen als zij vereenigd zijn. Men kan merkwaardige bespiegelingen maken over de gevoelens van een hond, die met zijn meester of iemand van diens gezin uren lang rustig in de kamer blijft liggen, hoewel men zich volstrekt niet met hem bemoeit, doch droevig blaft en huilt, als men hem een oogenblik alleen laat. Wij zullen onze aandacht bepalen tot de hoogere sociale dieren, met uitsluiting van de insekten, hoewel deze elkander op vele belangrijke wijzen helpen. De meest algemeene dienst dien de hoogere dieren elkander bewijzen, is het waarschuwen voor gevaar door middel van de zintuigen van allen. Ieder jager weet, zooals Dr. Jaeger opmerkt6, hoe [184]moeilijk het is dieren, die in een troep of kudde bijeen zijn, te naderen. Wilde paarden en rundvee geven, geloof ik, volstrekt geen bijzonder teeken om voor gevaar te waarschuwen, maar de houding van den eersten die een vijand ontdekt, waarschuwt de anderen. Konijnen waarschuwen voor gevaar door met hun achterpooten luid op den grond te stampen; schapen en gemzen doen het zelfde met de voorpooten en uiten daarbij tevens een fluitend geluid. Vele vogels en sommige zoogdieren zetten schildwachten uit, waarvoor, naar men zegt, bij de zeehonden gewoonlijk de wijfjes worden gebruikt.7 De aanvoerder van een troep apen handelt als een schildwacht, maakt geluiden, zoowel om gevaar als om veiligheid uit te drukken.8 Sociale dieren bewijzen elkander vele kleine diensten; paarden beknabbelen en koeien likken elkander op plaatsen die hen jeuken; apen luizen elkander, en Brehm getuigt, dat, wanneer een troep apen van een zekere soort (Cercopithecus griseoviridis) een dicht doornachtig kreupelbosch zijn doorgetrokken, elke aap op een tak gaat liggen, waarop een andere aap bij hem komt zitten, zijn haar zeer „conscientieus” doorzoekt, en elken doorn of stekel er uithaalt.

Dieren bewijzen elkander ook belangrijke diensten; zoo jagen wolven en sommige andere roofdieren in troepen, en helpen elkander om hun slachtoffers aan te vallen. Pelikanen visschen gezamenlijk. De Hamadryas-bavianen keeren steenen om, om insekten te vinden, en als zij aan een bijzonder grooten steen komen, gaan er zoovelen van hen daaromheên staan, als de plaats toelaat, en daarna deelen zij den buit. Sociale dieren verdedigen elkander wederkeerig. De mannetjes van sommige herkauwende dieren begeven zich, als er gevaar is, in de voorhoede en verdedigen de kudde met hun horens. In een volgend hoofdstuk zal ik gevallen mededeelen van twee jonge stieren die gezamenlijk een ouden stier aanvielen, en van twee hengsten die te zamen beproefden een derden hengst van een troep merries weg te drijven. Brehm ontmoette in Abessinië een grooten troep bavianen die een vallei doortrokken; sommige hadden den berg aan de andere [185]zijde reeds beklommen en andere waren nog in de vallei; deze laatste werden door honden aangevallen, maar de oude mannetjes klommen dadelijk in allerijl de rotsen weder af en brulden zoo vreeselijk met open muil, dat de honden overhaast de vlucht namen. Zij werden aangehitst om den aanval te hervatten; maar in dien tusschentijd waren al de bavianen weder op de hoogte geklommen, uitgenomen één jong van omtrent zes maanden oud, dat, luid om hulp schreeuwende, op een rotsblok klom en werd omsingeld. Daarop klom één van de grootste mannetjes, een waar held, weder van den berg af, liep langzaam naar het jong toe, liefkoosde het, en nam het zegepralend mede, terwijl de honden te overbluft waren om aan te vallen. Ik kan geen weêrstand bieden aan den lust om nog een ander tooneel mede te deelen, dat door den zelfden natuuronderzoeker werd waargenomen; een arend greep een jongen Cercopithecus, die, omdat hij zich aan een tak vastklemde, niet opeens werd medegevoerd; hij schreeuwde luid om hulp, waarop de overige leden van den troep met groot misbaar tot ontzet aanrukten, den arend omringden en hem zooveel vederen uitrukten, dat hij niet langer dacht om zijn prooi, maar alleen hoe hij zou ontsnappen. Deze arend zal, zooals Brehm opmerkt, wel nooit meer een aap uit een troep hebben aangevallen.

Het is zeker, dat sociale dieren die tot ééne vereeniging behooren, voor elkander een gevoel van liefde hebben, dat volwassen niet-sociale dieren niet bezitten. In hoever zij in de meeste gevallen medegevoel hebben voor elkanders verdrietelijkheden en genoegens, is twijfelachtiger, vooral ten opzichte van de laatste. De heer Buxton echter, die uitnemende gelegenheid tot waarneming bezat9, getuigt, dat zijn papegaaien, die te Norfolk in vrijen staat leefden, „een buitensporig belang” stelden in een paar met een nest, en dat, wanneer ook het wijfje het verliet, zij werd omringd door een troep, die afgrijselijke toejuichingen te harer eere uitgilden. Het is dikwijls moeilijk om te beoordeelen in hoeverre dieren eenig gevoel voor elkanders lijden hebben. Wie kan zeggen, wat koeien gevoelen, als zij een stervenden of dooden makker omringen en stijf aanstaren? Dat dieren soms volstrekt geen medelijden met elkander hebben, is maar al te zeker; want zij zullen een gewond dier uit hun kudde verdrijven, of doodsteken of plagen. Dit is bijna het zwartste feit in de natuurlijke geschiedenis, tenzij de verklaring, die men er van heeft gegeven, inderdaad de ware is, dat namelijk hun [186]instinkt of verstand hen aandrijft om een gekwetsten makker te verdrijven, uit vreeze dat roofdieren, de mensch niet uitgezonderd, zouden worden verlokt om de kudde te volgen. In dit geval is hun gedrag niet veel erger dan dat van de Noord-Amerikaansche Indianen, die hun zwakke stamgenooten in de prairiën achterlaten om daar te sterven, of dat van de Fidsji-eilanders, die hun ouders, als zij oud of ziek zijn geworden, levend begraven.10

Vele dieren hebben echter ongetwijfeld medegevoel voor elkanders ongeluk of gevaar. Dit is zelfs bij vogels het geval; kapitein Stansbury11 vond in een zoutmeer in Utah een ouden en geheel blinden pelikaan, die zeer vet was, en gedurende langen tijd door zijn metgezellen goed moest zijn gevoerd. De heer Blyth deelt mij mede, dat hij heeft gezien, dat Indische kraaien twee of drie hunner makkers, die blind waren, voedden; en ik heb een dergelijk geval gehoord van het gewone hoen. Wij kunnen deze handelingen, als wij willen, instinktmatig noemen, maar zulke gevallen zijn veel te zeldzaam voor de ontwikkeling van eenig bijzonder instinkt.12 Ik heb zelf een hond gezien, die een vriendin van hem, een kat, die ziek in een mand lag, nooit voorbijging zonder haar eens of meermalen met zijn tong te likken, het zekerste bewijs van vriendschap bij een hond.

Het gevoel, dat een moedigen hond er toe brengt om iedereen die zijn meester slaat, aan te vliegen, zooals hij ongetwijfeld zal doen, verdient den naam van medegevoel (sympathie). Ik zag iemand, die zich hield, alsof hij een dame wilde slaan, die een zeer vreesachtig hondje op haar schoot had, en deze proef was nog nooit genomen. Het kleine schepsel sprong dadelijk weg, maar, nadat de voorgewende slag was gegeven, was het wezenlijk aandoenlijk te zien, hoe lang het het gezicht van zijn meesteres likte, en haar trachtte te troosten. Brehm13 zegt, dat, als hij een van de bavianen die hij in gevangen staat bezat, vervolgde om hem te straffen, de anderen dezen trachtten te beschermen. [187]Het moet in de bovenvermelde gevallen medegevoel zijn geweest, dat de bavianen en Cercopitheci er toe bracht om hun jonge kameraden tegen de honden en den arend te verdedigen. Ik wil nog slechts één enkel ander voorbeeld aanhalen, namelijk het medelijdend en heldhaftig gedrag van een kleinen Amerikaanschen aap. Verscheidene jaren geleden vertoonde een oppasser in den Londenschen dierentuin mij eenige diepe en nauwelijks genezen wonden in den nek, die hem door een kwaadaardigen baviaan waren toegebracht, terwijl hij op den grond knielde. Het Amerikaansche aapje, dat een warm vriend van zijn oppasser was, bevond zich in de zelfde kooi, en was verbazend verschrikt van den grooten baviaan. Zoodra het echter zag, dat zijn vriend, de oppasser, in gevaar verkeerde, snelde het te hulp, en door zijn gegil en zijn beten bracht het den baviaan zoo in de war, dat de man in staat was te ontsnappen, na, volgens de meening van den heelmeester die hem verzorgde, groot levensgevaar te hebben geloopen.

Behalve liefde en medegevoel vertoonen dieren nog andere hoedanigheden die bij ons zedelijk zouden worden genoemd, en ik ben met Agassiz14 eens, dat honden iets bezitten, dat zeer sterk op een geweten gelijkt. (2) Zij bezitten ongetwijfeld eenig vermogen van zelfbeheersching, en dit schijnt niet geheel en al een gevolg van vrees te zijn. Zooals Braubach15 opmerkt, zal een hond zich weêrhouden voedsel te stelen bij afwezigheid van zijn meester. Honden zijn lang beschouwd als het eigenlijke type van getrouwheid en gehoorzaamheid. Doch de olifant is eveneens zeer getrouw aan zijn kornak of oppasser, en beschouwt hem waarschijnlijk als den aanvoerder van de kudde. Dr. Hooker meldt mij, dat een olifant waarop hij in Indië reed, zoo diep in het slijk zonk, dat hij bleef vastzitten tot den volgenden dag, toen hij er door menschen met touwen werd uitgehaald. In dergelijke gevallen grijpen olifanten met hun snuit alle voorwerpen, dood of levend, om ze onder hun knieën te plaatsen om daardoor te voorkomen, dat zij dieper in het slijk zinken; en de kornak was vreeselijk bang, dat het dier Dr. Hooker zou grijpen en dooddrukken. Maar de kornak zelf liep, naar men Dr. Hooker verzekerde, volstrekt geen gevaar. Dit gedrag bij een voor een zwaar dier zoo vreeselijk ongeval, is een verwonderlijk bewijs van edele trouw.16 [188]

Alle dieren die in troepen leven, elkander verdedigen en hun vijanden gezamenlijk aanvallen, moeten tot op zekere hoogte elkander getrouw zijn, en die welke een aanvoerder volgen, moeten tot op zekere hoogte gehoorzaam zijn. Als de bavianen in Abessinië17 een tuin plunderen, volgen zij zoo stil mogelijk hun aanvoerder, en als een onvoorzichtig jong dier gedruisch maakt, krijgt het van de anderen een oorveeg om het stilte en gehoorzaamheid te leeren; maar zoodra zij zeker zijn dat er geen gevaar is, toonen allen hun vreugde door een luid geschreeuw.

De heer Galton, die uitstekend in de gelegenheid is geweest om de halfwilde runderen in Zuid-Afrika waar te nemen, zegt18, dat zij zelfs een zeer korte scheiding van de kudde niet kunnen verdragen. Zij zijn zeer slaafsch, volgen na wat de anderen doen en zoeken geen beter lot dan om te worden geleid door den eersten den besten stier die zelfvertrouwen genoeg heeft om de positie aan te nemen. De mannen die deze dieren vangen om er trekossen van te maken, geven vlijtig acht op die, welke door afzonderlijk te grazen bewijzen dat zij zelfvertrouwen bezitten, en deze dresseeren zij om deel uit te maken van het voorste span ossen. De heer Galton voegt er bij, dat dergelijke dieren zeldzaam en kostbaar zijn, en, als er vele werden geboren, zouden zij spoedig worden opgeruimd, daar de leeuwen altijd loeren op de individu’s, die zich van de kudde verwijderen.

Wat de oorzaak aangaat, die sommige dieren aandrijft om gezellig te leven en elkander op vele wijzen te helpen, mogen wij aannemen, dat zij in de meeste gevallen worden aangedreven door het zelfde gevoel van voldoening of genoegen, dat zij ondervinden bij het volbrengen van andere instinktmatige handelingen; of door het zelfde gevoel van onvoldaanheid, als in andere gevallen, waarin instinktmatige handelingen worden verhinderd. Wij zien zulks in tallooze voorbeelden, en het wordt op treffende wijze aangetoond door de instinkten die onze huisdieren na hun temming hebben verkregen; zoo schept een jonge schaapherdershond er behagen in om een kudde schapen te drijven en om dezelve heên te loopen, maar niet om hen te plagen; een jonge voshond houdt veel van de vossenjacht, terwijl ik heb opgemerkt, dat sommige andere hondenrassen volstrekt geen acht op vossen slaan. Wat moet [189]het gevoel van inwendige voldoening sterk zijn bij een vogel, een wezen zoo vol bewegelijkheid, als hij den eenen dag voor en den anderen na zijn eieren zit uit te broeden. Trekvogels gevoelen zich ongelukkig, als men hun belet weg te trekken, en wellicht hebben zij veel genoegen als zij hun langen tocht aanvangen. Het is echter moeilijk te gelooven, dat de arme gekortwiekte gans welke Audubon heeft beschreven, die, toen de tijd van trekken daar was, te voet vertrok voor haar reis van waarschijnlijk meer dan duizend mijlen, eenig genoegen in haar handeling zal hebben gehad.

Eenige weinige instinkten zijn het gevolg van uitsluitend onaangename gewaarwordingen, zooals van vrees, die tot zelfbehoud leidt of meer in ’t bijzonder tegen bepaalde vijanden is gericht. Niemand kan, geloof ik, het gevoel van genoegen of van smart ontleden. In vele gevallen is het echter waarschijnlijk, dat instinkten voortdurend worden gevolgd alleen krachtens de overerving, zonder den prikkel van genoegen of smart. Als een jonge staande hond, voor de eerste maal wild ruikende, staan blijft, is het duidelijk, dat hij zulks onbewust doet. Als een eekhoorn in een kooi op de noten klopt, die hij niet kan eten, even alsof hij ze in den grond wilde begraven, kan men moeilijk aannemen, dat hij daartoe door genoegen of smart wordt aangedreven. De gewone meening, dat de mensch tot iedere handeling moet worden aangedreven door het ondervinden van eenig genoegen of eenige smart, zou daarom wel een dwaling kunnen zijn. Hoewel een gewoonte soms blindelings en onvoorwaardelijk moge worden gevolgd, onafhankelijk van eenig dadelijk gevoel van genoegen of smart, ondervindt men toch, als die gewoonte plotseling met geweld wordt tegengegaan, over het algemeen een onbestemd gevoel van onvoldaanheid; en dit is vooral het geval bij verstandelijk weinig ontwikkelde personen.

Men heeft dikwijls beweerd, dat dieren eerst een gezellige levenswijze aannamen, en dat zij het, als een gevolg daarvan, onaangenaam vonden van elkander te scheiden en er behagen in schepten om bij elkander te zijn; het is echter waarschijnlijker, dat deze laatste gevoelens het eerst werden ontwikkeld, en dat, als een gevolg daarvan, de dieren voor welke het gezellige leven voordeelig was, er toe kwamen in gezelschap te leven. Op de zelfde wijze werden ongetwijfeld het gevoel van honger en de aangename gewaarwordingen bij het eten eerst verkregen om daardoor de dieren aan te drijven om te eten. Het gevoel van behagen in gezelschap is waarschijnlijk een uitbreiding van de ouderlijke of kinderlijke [190]liefde, en deze uitbreiding moet voornamelijk worden toegeschreven aan natuurlijke teeltkeus, maar waarschijnlijk gedeeltelijk alleen aan gewoonte. Want bij die dieren voor welke het voordeelig was gezellig te leven, ontsnapten de individu’s die het meest behagen schepten in gezelschap, ook het best aan allerlei gevaren; terwijl zij die het minst omzagen naar metgezellen en eenzaam leefden, in grooter getal omkwamen. Bespiegelingen te maken over den oorsprong van de ouderlijke en kinderlijke liefde, die de grondslag der sociale genegenheid schijnen te zijn, is een hopelooze zaak; maar wij mogen aannemen, dat zij voor een groot deel door natuurlijke teeltkeus zijn verkregen. (3) Het is bijna zeker, dat ook het ongewone en tegenovergestelde gevoel van haat tusschen de naaste betrekkingen, zooals bij de werkbijen, die hun broeders de darren (4), en bij de bijenkoninginnen, die haar vruchtbare dochters ombrengen, op de zelfde wijze is verkregen; want in dit geval strekte de aandrift om haar naaste betrekkingen te dooden, in plaats van ze lief te hebben, aan het gemeenebest tot voordeel. Ouderliefde of een of ander gevoel dat de plaats daarvan inneemt, heeft zich ontwikkeld bij sommige dieren die uiterst laag in de reeks staan, bij voorbeeld bij zeesterren en spinnen. Zij bestaat somtijds ook alleen bij eenige weinige leden van een geheele groep van dieren, zooals in het geslacht (genus) Forficula of der Oorwormen.

De hoogst belangrijke aandoening van medegevoel (sympathie) is zeer onderscheiden van die der liefde. Een moeder moge haar slapend en lijdelijk kind hartstochtelijk liefhebben, men kan moeielijk zeggen, dat zij er sympathie voor gevoelt. De liefde van een man voor zijn hond is onderscheiden van medegevoel, en evenzoo die van den hond voor zijn meester. Adam Smith beweerde indertijd, evenals de heer Bain onlangs, dat de grondslag van het medegevoel daarin is gelegen, dat wij ons vroegere aangename of onaangename toestanden levendig herinneren. Van daar „roept het gezicht van een ander persoon, die honger of koude lijdt of vermoeid is, die toestanden, waarvan zelfs de gedachte ons onaangenaam aandoet, in ons geheugen terug.” Wij worden daardoor aangedreven om het lijden van anderen te verzachten, opdat ook onze eigen onaangename aandoeningen zouden worden verzacht. Op de zelfde wijze komen wij er toe om in het genoegen dat anderen smaken, te deelen.19 Ik kan echter niet inzien, hoe deze beschouwingswijze [191]het feit verklaart, dat ons medegevoel in oneindig hoogere mate wordt opgewekt door een bemind, dan door een onverschillig persoon. Het gezicht alleen van het lijden zou, onafhankelijk van liefde, voldoende zijn om levendige herinneringen en gedachtenverbindingen in ons op te wekken. De verklaring ligt wellicht daarin, dat bij alle dieren het medegevoel alleen wordt gevoeld voor alle leden der zelfde vereeniging, en dus voor bekende en meer of min beminde individu’s, maar niet voor alle individu’s van de zelfde soort. Dit feit is niet verwondelijker dan dat vele dieren slechts vrees gevoelen voor bijzondere vijanden. Soorten die niet gezellig (sociaal) zijn, zooals leeuwen en tijgers, voelen ongetwijfeld medegevoel voor het lijden van hun eigen jongen, maar niet voor dat van eenig ander dier. Bij den mensch bevorderen eigenbelang, ondervinding en zucht tot nabootsing, zooals de heer Bain heeft aangetoond, ongetwijfeld het medegevoel; want de hoop om op onze beurt goed te worden behandeld, drijft ons aan om anderen op sympathieke en vriendschappelijke wijze te behandelen; en het kan niet worden betwijfeld, dat het medegevoel door de gewoonte zeer wordt versterkt. Op hoe samengestelde wijze een gevoel ook moge zijn ontstaan, zal het toch, wanneer het van hoog belang is voor al die dieren welke elkander helpen en beschermen, door natuurlijke teeltkeus zijn vermeerderd; want die vereenigingen die het grootste aantal medegevoel bezittende leden bevatten, zullen het meest bloeien en de grootste nakomelingschap achterlaten.

In vele gevallen is het volkomen onmogelijk om te beslissen, of sommige sociale instinkten zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, dan wel, of zij het indirecte gevolg zijn van andere instinkten en vermogens, zooals van medegevoel, rede en neiging tot nabootsing; of dat zij eindelijk eenvoudig het gevolg zijn van lang voortgezette gewoonten. Zulk een merkwaardig instinkt als dat om schildwachten uit te zetten om de vereeniging voor gevaar te waarschuwen, kan moeilijk het indirecte gevolg zijn geweest van eenig ander vermogen; het moet daarom rechtstreeks [192]zijn verkregen. Van den anderen kant is wellicht de gewoonte van de mannetjes van sommige sociale dieren om de vereeniging te verdedigen of gemeenschappelijk hun vijand of hun prooi aan te vallen, oorspronkelijk uit wederkeerig medegevoel ontstaan; maar eerst moeten moed en in de meeste gevallen ook kracht zijn verkregen, waarschijnlijk door natuurlijke teeltkeus.

Van de verschillende instinkten en gewoonten zijn sommige veel sterker dan andere, dat wil zeggen, sommige geven òf meer genoegen wanneer men er gehoor aan geeft, en meer smart, wanneer men wordt verhinderd ze te volgen, òf, hetgeen waarschijnlijk even belangrijk is, zij worden door overerving standvastiger gevolgd zonder eenig bijzonder gevoel van genoegen of smart te veroorzaken. Wij zijn ons zelven bewust, dat sommige gewoonten moeilijker na te laten of te veranderen zijn dan andere. Van daar kan men bij dieren dikwijls een strijd tusschen verschillende instinkten of tusschen instinkt en eenige door gewoonte verkregen neiging waarnemen; b.v. als een hond op een haas toesnelt, of beschaamd tot zijn meester terugkeert; of tusschen de liefde van een teef voor haar jongen en die voor haar meester; want men kan soms opmerken, hoe zij ter sluiks naar hen toesluipt, alsof zij half beschaamd was dat zij niet met haar meester meêging. Het merkwaardigste voorbeeld echter, dat mij bekend is van de overwinning van het eene instinkt op het andere, is die van het trekinstinkt op het moederlijk instinkt. Het eerste is wonderlijk sterk; een opgesloten vogel zal, als de tijd van het trekken daar is, zijn borst tegen de traliën van zijn kooi slaan, totdat die naakt en bebloed is. Het drijft jonge zalmen aan om het zoete water te verlaten, waarin zij nog konden blijven leven, en zoo onwillekeurig een zelfmoord te begaan. Iedereen weet hoe sterk het moederlijk instinkt is, dat zelfs aan vreesachtige vogels den moed geeft om aan groote gevaren het hoofd te bieden, hoewel met aarzeling en in weêrwil van het instinkt van zelfbehoud. Het trekinstinkt is echter zoo machtig, dat zwaluwen en gierzwaluwen dikwijls laat in den herfst hun teedere jongen verlaten, en hen zoo in hun nesten aan een ellendigen dood prijs geven.20 [193]

Wij kunnen begrijpen, hoe een instinktmatige aandrift, indien zij op de eene of andere wijze voordeeliger voor een soort was dan eenig ander tegenovergesteld instinkt, de machtigste van de twee gemaakt zou worden door natuurlijke teeltkeus; want van de individu’s bij welke het instinkt het sterkst was ontwikkeld, zouden meer blijven leven, dan van de andere. Of dit echter het geval is met het trekinstinkt in tegenoverstelling met het moederlijk instinkt, is hoogst twijfelachtig. De groote standvastigheid en voortdurende werking van het eerste op sommige tijden van het jaar gedurende den geheelen dag, geeft het wellicht voor een tijd een onbeperkte macht.

De mensch is een sociaal dier.—Bijna iedereen geeft toe, dat de mensch een sociaal wezen is. Wij zien dit uit zijn afkeer van de eenzaamheid en zijn verlangen naar gezelschap behalve dat van zijn eigen huisgezin. Sommige schrijvers onderstellen, dat de mensch oorspronkelijk in afzonderlijke huisgezinnen leefde; maar hoewel tegenwoordig afzonderlijke huisgezinnen, of slecht twee of drie te zamen, de eenzaamheden van sommige woeste landen doorkruisen, zijn zij, zoover ik kan nagaan, altijd bevriend met andere huisgezinnen die de zelfde streek bewonen. Dergelijke huisgezinnen houden somtijds vergaderingen en vereenigen zich tot hun gemeenschappelijke verdediging. Het is geen bewijs tegen de stelling dat de wilde mensch een sociaal dier is, dat de stammen die aangrenzende streken bewonen, bijna altijd in oorlog met elkander zijn; want de sociale instinkten strekken zich nooit uit tot al de individu’s van de zelfde soort. Te oordeelen naar de analogie van de meeste vierhandige zoogdieren, is het waarschijnlijk, dat de voormalige stamouders van den mensch eveneens sociale dieren waren; maar dit is voor ons niet van veel belang. Hoewel de mensch, zooals hij tegenwoordig is, slechts weinige bijzondere instinkten bezit, wellicht omdat hij er eenige heeft verloren, die zijn voormalige stamhouders bezaten, is dat nog geen reden, waarom hij niet een zekere mate van instinktmatige liefde en medegevoel voor zijn medemenschen behouden zou hebben. Wij zijn inderdaad ons zelven bewust, dat wij dergelijke sympathetische gevoelens bezitten21, maar dit bewustzijn leert ons nog [194]niet, of die gevoelens instinktmatig zijn en in lang vervlogen tijden op de zelfde wijze zijn ontstaan als bij de lagere dieren, dan of zij door ieder onzer gedurende zijn prille jeugd zijn verkregen. Daar de mensch een sociaal dier is, is het ook waarschijnlijk, dat hij de neiging om aan zijn makkers getrouw te zijn overerfde, want deze hoedanigheid bezitten de meeste sociale dieren. Hij moest op de zelfde wijze eenig vermogen om zich zelf te beheerschen en wellicht om gehoorzaam te zijn aan den aanvoerder der vereeniging bezitten. Hij moest door een overgeërfde neiging steeds bereid zijn om gezamenlijk met anderen zijn medemenschen te verdedigen en om hen te helpen op elke wijze die niet al te sterk inbreuk maakte op zijn eigen welvaart of zijn eigen sterke begeerten.

De sociale dieren die geheel beneden op de ladder staan, worden bijna uitsluitend, en die welke hooger op de ladder staan, voor een groot deel door bijzondere instinkten geleid tot de hulp die zij aan leden der zelfde vereeniging geven; maar zij worden gedeeltelijk ook gedreven door wederkeerige liefde en medegevoel, waarschijnlijk door een zekere hoeveelheid rede geholpen. Hoewel de mensch, zooals zooeven is opgemerkt, geen bijzondere instinkten bezit om hem te leeren, hoe hij zijn medemenschen moet helpen, heeft hij toch de aandrift daartoe, en wordt met zijn verbeterde verstandelijke vermogens in dit opzicht voor een groot deel door rede en ondervinding geleid. Het instinktmatige medegevoel moet ook veroorzaken, dat hij hooge waarde toekent aan de goedkeuring zijner medemenschen; want, zooals de heer Bain duidelijk heeft aangetoond22, het haken naar lof en de sterke zucht naar roem, en de nog sterker afkeer van minachting en schande, „hebben hun grond in de werking van het medegevoel.” Bijgevolg moeten de wenschen, de goed- of afkeuring zijner medemenschen, uitgedrukt door gebaren en taal, grooten invloed op den mensch uitoefenen. Aldus drijven de sociale instinkten, die door den mensch zijn verkregen toen hij nog zeer onbeschaafd was, en waarschijnlijk zelfs reeds door zijn voormalige op apen gelijkende voorouders, hem nog heden aan tot velen zijner beste handelingen; maar deze handelingen worden bepaald [195]door de uitgedrukte wenschen en het oordeel zijner medemenschen, en ongelukkig nog meer door zijn eigen sterke zelfzuchtige begeerten. Maar zoodra de gevoelens van liefde en medegevoel en het vermogen van zelfbeheersching door de gewoonte worden versterkt, en zoodra het vermogen om te redeneeren zich meer ontwikkelt, zoodat de mensch de rechtvaardigheid van het oordeel zijner medemenschen kan beoordeelen, zal hij zich, onafhankelijk van elke vreugde of smart, tot een bepaalde gedragslijn aangedreven gevoelen. Dan kan hij zeggen: ik ben de opperste rechter van mijn eigen gedrag, en met de woorden van Kant: ik zal niet in mijn eigen persoon de waardigheid der menschheid schenden.

De meer voortdurend werkende sociale instinkten overwinnen die welke minder voortdurend werken.—Wij hebben echter tot dusverre het hoofdpunt nog niet beschouwd, waarvan het geheele vraagstuk van het zedelijk gevoel afhankelijk is. Waarom gevoelt iemand, dat het zijn plicht is liever aan de eene instinktmatige begeerte te gehoorzamen, dan aan de andere? Waarom heeft hij bitter berouw, als hij heeft toegegeven aan het sterke instinkt van zelfbehoud, en zijn leven niet heeft gewaagd om dat van een medemensch te redden; of waarom betreurt hij het, voedsel te hebben gestolen toen hij hevigen honger had?

Het is in de eerste plaats duidelijk, dat bij den mensch de instinktmatige aandriften verschillende graden van kracht bezitten; een jonge en vreesachtige moeder zal, aangedreven door het moederlijk instinkt, zonder een oogenblik te aarzelen, het grootste gevaar loopen voor haar kind, maar niet voor iemand, die niets meer dan een medemensch is. Menig man of zelfs menige jongen, die nooit te voren zijn leven voor een ander waagde, maar wiens moed en medegevoel goed ontwikkeld waren, is zonder acht te slaan op het instinkt van zelfbehoud, oogenblikkelijk in het water gesprongen om een verdrinkend medemensch te redden. In dit geval werd hij door de zelfde instinktmatige oorzaak aangedreven, die het bovenvermelde (blz. 187) Amerikaansche aapje aanzette, om den grooten en gevreesden baviaan aan te vallen en daardoor zijn oppasser te redden. Dergelijke handelingen als de bovenvermelde schijnen eenvoudig daarvan het gevolg te zijn, dat de sociale en moederlijke instinkten krachtiger zijn dan elk ander instinkt of elke andere drijfveer; want zij worden te oogenblikkelijk volbracht, dan dat men ze zou kunnen toeschrijven aan nadenken of aan het gevoel van vreugde of smart, hoewel men zich onvoldaan zou gevoelen als men ze had nagelaten. [196]

Ik weet, dat sommige personen volhouden, dat handelingen die, evenals de bovenvermelde, zonder nadenken worden volbracht, niet onder de heerschappij van het zedelijk gevoel staan en niet zedelijk kunnen worden genoemd. Zij beperken deze benaming tot handelingen die met overleg geschieden, nadat men tegenovergestelde begeerten heeft overwonnen, of tot handelingen die uit deze of gene prijzenswaardige beweegredenen worden volbracht. Het schijnt echter nauwelijks mogelijk een dergelijke scherpe afscheidingslijn te trekken, hoe wezenlijk het onderscheid ook moge zijn. Zoover het verheven beweegredenen betreft, vindt men vele voorbeelden opgeteekend van barbaren, ontbloot van elk gevoel van algemeene welwillendheid jegens het menschdom en volstrekt niet door godsdienstige drijfveêren geleid, die, gevangen genomen zijnde, na rijp overleg liever hun leven opofferden23 dan hun makkers te verraden; en hun gedrag moet ongetwijfeld als zedelijk worden beschouwd. Zoover het overleg en de overwinning over tegenovergestelde drijfveêren betreft, kan men soms opmerken, hoe dieren aarzelen tusschen twee tegenovergestelde instinkten, b.v. of zij hun jongen, dan wel hun makkers in het gevaar zullen bijstaan; echter noemt men hun daden, hoewel ten bestwil van anderen gedaan, niet zedelijk. Daarenboven zal een handeling die herhaaldelijk door ons is volbracht, ten laatste zonder overleg of aarzeling worden gedaan, en kan dan moeilijk van een instinkt worden onderscheiden; voorzeker zal niemand desniettegenstaande beweren, dat een aldus verrichte handeling ophoudt zedelijk te zijn. Van den anderen kant gevoelen wij allen, dat een handeling niet als volmaakt kan worden beschouwd, of niet als op de meest edele wijze volbracht wordende, behalve wanneer zij uit inwendige aandrift wordt volvoerd, zonder overleg of moeite, op de zelfde wijze als door iemand wien de vereischte hoedanigheden aangeboren zijn. Hij die genoodzaakt is zijn vrees of gebrek aan medegevoel te overwinnen, vóór hij handelt, verdient echter in één opzicht meer achting dan de man wiens aangeboren neiging hem aandrijft tot een goede handeling, zonder dat het hem eenige moeite kost. Daar wij de drijfveêren niet kunnen onderscheiden, noemen wij alle handelingen van een bepaalde soort zedelijk, wanneer zij door een zedelijk wezen worden volbracht. Zedelijk noemen wij een wezen, dat het vermogen [197]bezit zijn vroegere handelingen of beweegredenen met zijn toekomstige te vergelijken en ze goed- of af te keuren. Wij hebben geen reden om te onderstellen, dat eenig lager dier dit vermogen bezit; wanneer dus een aap zich aan gevaar blootstelt om zijn makker te helpen, noemen wij zijn gedrag daarom nog niet zedelijk. In het geval van den mensch echter, die alleen met zekerheid onder de zedelijke wezens kan worden gerangschikt, noemt men handelingen van een bepaalde soort zedelijk, hetzij zij met overleg na een strijd met tegenovergestelde drijfveêren, of door de uitwerkselen van langzamerhand verkregen gewoonte of instinktmatig werden volbracht.

Maar om weêr tot ons eigenlijke onderwerp terug te keeren, hoewel sommige instinkten machtiger dan andere zijn en dus tot overeenkomstige handelingen leiden, kan men echter niet volhouden, dat bij den mensch de sociale instinkten oorspronkelijk sterker zijn of door lang voortgezette gewoonte sterker zijn geworden dan b.v. de instinkten van zelfbehoud, honger, wellust, wraak, enz. Waarom heeft de mensch dan berouw, dat hij aan de eene natuurlijke aandrift gehoor heeft gegeven in plaats van aan de andere, zelfs al doet hij moeite om elk gevoel van berouw uit zijn binnenste te bannen, en waarom gevoelt hij ook, dat het zijn plicht is over zijn gedrag berouw te hebben? In dit opzicht verschilt de mensch zeer van de lagere dieren. Wij kunnen, echter, dunkt mij, met zekere mate van duidelijkheid de oorzaak van dit verschil inzien.

De mensch kan wegens de groote werkzaamheid zijner geestvermogens zich niet aan het nadenken onttrekken; vroegere indrukken en beelden doorkruisen onophoudelijk met duidelijkheid zijn geest. Bij die dieren nu die voortdurend gezellig leven, zijn de sociale instinkten altijd tegenwoordig en onophoudelijk werkzaam. Dergelijke dieren zijn altijd bereid den kreet van gevaar te slaken om de vereeniging te verdedigen en om hun makkers volgens hun gewoonte te verdedigen; zij gevoelen ten allen tijde, zonder den prikkel van eenigen bijzonderen hartstocht of begeerlijkheid, een zekere mate van liefde en medegevoel voor hen; zij gevoelen zich ongelukkig als zij gedurende langen tijd van hen worden gescheiden, en altijd gelukkig om in hun gezelschap te zijn. Evenzoo gaat het met ons zelven. Een mensch die geen spoor van dergelijke gevoelens bezat, zou een onnatuurlijk monster zijn. Van den anderen kant zijn de begeerte om zijn honger te stillen, of sommige hartstochten b.v. wraak, van nature tijdelijk, en kunnen voor een tijd volkomen [198]worden bevredigd. Het is ook niet gemakkelijk, ja wellicht nauwlijks mogelijk, om met volkomen levendigheid het gevoel b.v. van honger voor den geest terug te roepen; en evenmin, zooals dikwijls is opgemerkt, dat van eenig lijden. Het instinkt van zelfbehoud wordt slechts gevoeld in tegenwoordigheid van het gevaar, en menig lafaard heeft zich voor dapper gehouden totdat hij zijn vijand van aangezicht tot aangezicht ontmoette. Het verlangen naar de eigendommen van anderen is wellicht een even aanhoudend werkende begeerte, als eenige die men kan noemen; maar zelfs in dit geval is de voldoening over het werkelijke bezit gewoonlijk een zwakker gevoel dan de begeerte er naar; menig dief die niet aan het stelen gewoon was, verwonderde zich er over, na te zijn geslaagd, dat hij de eene of andere zaak had gestolen.24

Daar de mensch derhalve niet kan beletten dat oude indrukken voortdurend opnieuw zijn geest doorkruisen, zal hij zich aangedreven gevoelen om de zwakkere indrukken, b.v. vroegeren honger of botgevierde wraakzucht of ten koste van anderen vermeden gevaar te vergelijken met het instinkt van medegevoel en welwillendheid jegens zijn medemenschen, dat in zijn geest nog bestaat en voortdurend eenigermate werkzaam is. Hij zal dan in zijn verbeelding voelen dat een sterker instinkt heeft ondergedaan voor een dat nu vergelijkenderwijze zwak schijnt en dan zal onvermijdelijk dat gevoel van onvoldaanheid [199]hem bekruipen, waarmede de mensch evenals elk ander dier is begaafd, opdat zijn instinkten zouden worden gehoorzaamd. Het boven medegedeelde geval van de zwaluw geeft een voorbeeld, hoewel van omgekeerden aard, van de overwinning van een tijdelijk maar aanhoudend werkzaam instinkt over een ander instinkt, dat gewoonlijk alle andere beheerscht. In het daartoe dienende jaargetijde schijnen deze vogels den geheelen dag onophoudelijk te zijn vervuld met de begeerte om weg te trekken; hun gewoonten veranderen; zij worden rusteloos, zijn luidruchtig, en komen in zwermen bij elkander. Zoolang de moeder-vogel bezig is met het voeden of uitbroeden harer jongen, is het moederlijk instinkt waarschijnlijk sterker dan het trekinstinkt; het instinkt dat meer voortdurend werkzaam is, behaalt echter de overwinning, en ten laatste, op een oogenblik dat haar jongen niet in het gezicht zijn, vliegt zij weg en laat hen aan hun lot over. Welk een folterende wroeging zou zulk een vogel niet gevoelen, wanneer hij aan het einde zijner lange reis was gekomen en het trekinstinkt ophield te werken, als hij begaafd was met groote geesteswerkzaamheid, en niet kon beletten, dat onophoudelijk het beeld van zijn jongen, in het kille noorden van koude en honger omkomende, hem voor den geest kwam.

Op het oogenblik der handeling zal de mensch zonder twijfel geneigd zijn om de sterkste aandrift te volgen; en hoewel deze hem nu en dan tot de edelste daden kan aansporen, zal zij hem gewoonlijk er toe leiden om zijn eigen begeerten bot te vieren ten koste van anderen. Als hij ze echter heeft botgevierd en de voorbijgegane en daardoor zwakkere indrukken tegenover de voortdurende werkzame sociale instinkten worden gesteld, zal de vergelding ongetwijfeld komen.

Hij zal dan wroeging, berouw, spijt en schaamte gevoelen, welke laatste aandoening echter bijna uitsluitend betrekking heeft op het oordeel van anderen. Hij zal bijgevolg meer of min vast besluiten om in de toekomst anders te handelen; en dit is geweten; want het geweten ziet in het verleden, en dient als een gids voor de toekomst.

De aard en kracht van de gevoelens die wij spijt, schaamte, berouw of wroeging noemen, schijnt niet slechts af te hangen van de kracht van het geschonden instinkt, maar gedeeltelijk van de kracht der verzoeking, en dikwijls nog meer van het oordeel onzer medemenschen. In hoever ieder mensch waarde hecht aan de waardeering van anderen hangt af van de kracht van zijn aangeboren of verkregen medegevoel, [200]en van zijn eigen bekwaamheid om de verwijderde gevolgen van zijn handeling te beredeneeren. Er is nog een hoogst belangrijke, hoewel niet noodzakelijke factor: de eerbied of vrees voor de goden of geesten waarin iemand gelooft: en dit is vooral van toepassing in gevallen van wroeging. Verscheidene critici hebben de tegenwerping gemaakt, dat, hoewel eenige geringe spijt of berouw kon worden verklaard door de in dit hoofdstuk verdedigde meening, het onmogelijk is op die wijze een verklaring te geven van het gevoel van wroeging, dat de ziel doet sidderen. Maar ik kan aan deze tegenwerping slechts weinig gewicht hechten. Mijn critici geven geen bepaling van wat zij onder wroeging verstaan, en ik kan geen bepaling vinden, die meer insluit dan een overstelpend gevoel van berouw. Wroeging schijnt in de zelfde betrekking te staan tot berouw, als woede tot toorn, of foltering tot pijn. Het is ver van vreemd, dat een instinkt, zoo sterk en zoo algemeen bewonderd als moederliefde, als men er niet aan gehoorzaamt, tot de diepste ellende leidt, zoodra de indruk van de voormalige oorzaak der ongehoorzaamheid is verzwakt. Zelfs als een handeling met geen enkel bijzonder instinkt in strijd is, is het genoeg eenvoudig te weten, dat onze vrienden en gelijken ons er om verachten, om ons er ons diep ongelukkig over te doen gevoelen. Wie kan betwijfelen, dat de weigering om te duelleeren heeft veroorzaakt, dat vele mannen door de grootste schaamte werden gefolterd? Menig Hindoe, zegt men, is tot het diepst zijner ziel ontroerd geworden, omdat hij onrein voedsel had gegeten. Ziehier nog een geval van iets dat dunkt mij wroeging moet worden genoemd. Dr. Landor, een voormalig overheidspersoon in West-Australië, verhaalt25, dat een inboorling op zijn hoeve, die een zijner vrouwen had verloren, tot hem kwam en zeide, „dat hij naar een veraf wonenden stam wilde gaan om een vrouw met zijn speer te doorsteken, om te voldoen aan zijn gevoel van plicht jegens zijn overleden vrouw.” Ik zeide hem, dat, als hij dat deed, ik hem levenslang gevangen zou zetten. Hij bleef gedurende eenige maanden in de nabijheid der hoeve, maar werd uiterst mager en beklaagde zich dat hij kon slapen noch eten, dat de geest van zijn vrouw hem kwelde, omdat hij geen leven voor het hare had genomen. Ik was onverbiddelijk en zeide, „dat niets hem zou redden als hij zulks deed.” Toch verdween de man, bleef meer dan een jaar weg en keerde toen in zeer opgeruimde stemming terug, en zijn andere vrouw vertelde [201]aan Dr. Landor dat haar man het leven had genomen van een vrouw die tot een veraf wonenden stam behoorde; maar het bleek onmogelijk te zijn het wettig bewijs van de daad te verkrijgen. Het niet opvolgen van een gewoonte die door den stam voor heilig wordt gehouden, zal dus, naar het schijnt, de diepste gemoedsaandoeningen doen ontstaan—en dit geheel afgescheiden van de sociale instinkten, behalve in zoover als de gewoonte is gegrond op de publieke opinie in den stam. Hoe zoovele vreemde bijgeloovigheden door de geheele wereld heên zijn ontstaan, weten wij niet, en wij kunnen ook niet zeggen, hoe het komt, dat de laagste wilden van sommige wezenlijke en groote misdaden, zooals bloedschande, een afschuw hebben (hoewel die afschuw niet volkomen algemeen is). Het is zelfs twijfelachtig, of men in sommige stammen met grooter afschuw zou nederzien op bloedschande, dan op het huwelijk van een man met een vrouw die den zelfden naam droeg, hoewel zij geen bloedverwant van hem was. „Deze wet te schenden is een misdaad, waarvan de Nieuw-Hollanders den grootsten afschuw hebben, en zij komen daarin geheel en al overeen met sommige stammen van Noord-Amerika. Als in een van beide streken de vraag werd gesteld, wat slechter is, een meisje van een vreemden stam te dooden, of een meisje van zijn eigen stam te huwen, zou zonder aarzeling juist het omgekeerde antwoord worden gegeven, als wij zouden geven.”26 Wij moeten daarom het geloof verwerpen, dat voor korten tijd door sommige schrijvers met aandrang is verdedigd, dat de afschuw van bloedschande wordt veroorzaakt, doordat wij een bijzonder door God in ons gelegd geweten bezitten. (4) Over het geheel is het begrijpelijk, dat iemand die wordt gekweld door zulk een krachtige gemoedsaandoening als wroeging, al is die ontstaan gelijk boven is uiteengezet, er toe komt te handelen op een wijze die men hem heeft geleerd te gelooven dat als boetedoening kan dienen, zooals door zich zelf aan de justitie over te leveren.

De door zijn geweten aangespoorde mensch zal door lange gewoonte een zoo volkomen zelfbeheersching verkrijgen, dat zijn begeerten en hartstochten ten laatste oogenblikkelijk onderdoen voor zijn sociale sympathieën, en dat er niet langer strijd tusschen hen zal zijn. De niet hongerige, of de niet wraakzuchtige mensch zal er niet aan denken voedsel te stelen of zijn wraak te volvoeren. Het is mogelijk, of, zooals [202]wij later zullen zien, zelfs waarschijnlijk, dat de gewoonte van zelfbeheersching, evenals andere gewoonten, kan worden overgeërfd. Zoo komt de mensch er ten laatste toe om uit verkregen of wellicht overgeërfde gewoonte te gevoelen, dat het het beste voor hem is om zijn meer voortdurend werkzame instinkten te volgen. Het gebiedende woord plicht schijnt alleen het bewustzijn te omvatten van het bestaan van een voortdurend werkzaam instinkt, hetzij aangeboren, hetzij gedeeltelijk verkregen, dat hem tot gids dient, hoewel het mogelijk is daaraan niet te gehoorzamen. Wij gebruiken het woord plicht nauwelijks in een overdrachtelijken zin, als wij zeggen, dat het de plicht is van jachthonden om te jagen, van staande honden om voor het wild te staan, van speurhonden om het op te sporen. Indien zij dit niet doen, verzaken zij hun plicht en handelen slecht.

Indien eenige begeerte of instinkt, die tot een handeling leidt in strijd met het welzijn van anderen, iemand, als hij zich haar opnieuw voor den geest brengt, nog even sterk als of sterker dan zijn sociaal instinkt toeschijnt, zal hij geen snijdend berouw gevoelen, dat hij haar heeft gevolgd, maar hij zal zich bewust zijn, dat, als zijn gedrag aan zijn medemenschen bekend was, zij het zouden afkeuren; en weinigen zijn zoo ontbloot van medegevoel, om geen verdriet te gevoelen, wanneer dit het geval is. Indien hij zulk een medegevoel niet bezit, en als zijn begeerten die hem tot slechte daden aandrijven, tegelijkertijd sterk zijn, en als zij bij de herinnering er aan niet door de voortdurend werkende sociale instinkten worden overwonnen, dan is hij werkelijk een slecht mensch27; en de eenige beweegreden die hem nog bedwingt, is de vrees voor straf en de overtuiging, dat het op den langen duur het beste is voor zijn eigen zelfzuchtige belangen, als hij meer let op het welzijn van anderen dan op dat van zich zelf.

Het is duidelijk, dat iedereen met een goed geweten zijn eigen begeerten bot kan vieren, als zij niet in strijd zijn met zijn sociale instinkten, dat is met het welzijn van anderen; maar om geheel vrij te zijn van zelfverwijt of ten minste van angst, is het bijna noodzakelijk voor hem om de afkeuring van zijn medemenschen, hetzij die rechtmatig is of niet, te vermijden. Ook moet hij geen inbreuk maken op zijn vaste levensgewoonten, vooral indien deze door de rede worden gesteund; [203]want indien hij dit doet, zal hij zich zeker onvoldaan gevoelen. Hij moet eveneens de afkeuring vermijden van de één of meer goden, in welke hij krachtens zijn kennis of uit bijgeloof gelooft; maar in dit geval komt er dikwijls daarenboven nog de vrees voor goddelijke straf bij.

De meer uitsluitend sociale deugden eerst afzonderlijk beschouwd.De hierboven uiteengezette beschouwingswijze omtrent den eersten oorsprong en aard van het zedelijk gevoel, dat ons zegt hoe het onze plicht is te handelen, en van het geweten, dat ons berispt als wij daaraan niet gehoorzamen, komt zeer goed overeen met hetgeen wij weten omtrent den vroegeren en onontwikkelden toestand van dit vermogen bij het menschelijk geslacht. De deugden die ten minste in het algemeen door onbeschaafde menschen moeten worden beoefend, willen zij zich tot een maatschappij kunnen vereenigen, zijn die, welke nog tegenwoordig voor de meest belangrijke worden gehouden. Zij worden echter uitsluitend beoefend ten opzichte van menschen van den zelfden stam, en de tegenover haar staande ondeugden worden niet als misdrijven beschouwd ten opzichte van menschen van andere stammen. Geen stam zou bijeen kunnen blijven, wanneer moord, diefstal en verraad algemeen waren; bijgevolg worden dergelijke misdrijven „gebrandmerkt met altoosdurende schande”28; maar wekken geenszins gelijke gevoelens op buiten deze grenzen. Een Noord-Amerikaansch Indiaan smaakt groote zelfvoldoening en wordt door anderen geëerd, als hij iemand van een anderen stam scalpeert; en een Dajak houwt het hoofd af van een persoon van een anderen stam, die hem volstrekt geen leed heeft gedaan, droogt het en bewaart het als een zegeteeken. Kindermoord is op de ruimste schaal over de wereld verspreid geweest29 zonder te worden afgekeurd; want men meende, dat het dooden van kinderen, vooral van dochters, goed of ten minste niet slecht voor den stam was. Zelfmoord werd in vroegere tijden [204]niet algemeen voor een misdaad gehouden30, maar wegens den daarbij betoonden moed eerder voor een eervolle handeling; en hij wordt nog op groote schaal uitgeoefend bij sommige halfbeschaafde volken; want het verlies van een enkel individu wordt door het volk niet gevoeld; hoe het echter ook te verklaren zij, is zelfmoord, naar Sir J. Lubbock mij mededeelt, bij de laagst ontwikkelde wilden zeldzaam. Men heeft opgeteekend, dat een Indische Thug er gemoedelijk zijn leedwezen over betuigde, dat hij niet zooveel vreemdelingen geworgd en bestolen had, als wijlen zijn vader. Op een laag standpunt van beschaving wordt het bestelen van vreemdelingen werkelijk algemeen voor eervol gehouden.

De groote zonde der slavernij heeft bijna overal bestaan, en slaven zijn dikwijls op schandelijke wijze behandeld. Daar barbaren niets geven om de meening hunner vrouwen, behandelen zij deze gewoonlijk ook als vreemden. De meeste wilden zijn volkomen ongevoelig voor het lijden van vreemdelingen, ja, scheppen er zelfs behagen in om het te aanschouwen. Het is algemeen bekend, dat de vrouwen en kinderen der Noord-Amerikaansche Indianen hun behulpzaam zijn bij het martelen hunner vijanden. Sommige wilden scheppen een afgrijselijk behagen in wreedheid jegens dieren31, en menschelijkheid is een hun onbekende deugd. Desniettemin zijn gevoelens van medegevoel en welwillendheid, vooral gedurende ziekten, tusschen leden van den zelfden stam algemeen, en worden somtijds tot buiten de grenzen van den stam uitgestrekt. Mungo Park’s treffend verhaal van de welwillendheid die een negerin uit het binnenland hem betoonde, is algemeen bekend. Het zou mij gemakkelijk vallen vele voorbeelden te geven van de edele trouw van wilden jegens elkander, maar niet jegens vreemden; de algemeene ondervinding bevestigt het Spaansche spreekwoord: „Vertrouw nooit of nimmer een Indiaan.” Trouw is onbestaanbaar zonder oprechtheid; en deze fundamenteele [205]deugd is niet zeldzaam tusschen de leden van den zelfden stam; zoo hoorde Mungo Park, hoe de negerin haar jonge kinderen leerde de waarheid te beminnen. Dit is wederom een van die deugden die zich zoo diep in den geest wortelen, dat zij soms zelfs door wilden, ofschoon het hun veel moeite kost, jegens vreemden worden uitgeoefend; om onzen vijand voor te liegen is maar zelden voor zondig gehouden, zooals de geschiedenis der moderne diplomatie duidelijk bewijst. Zoodra een stam een erkend opperhoofd heeft, wordt ongehoorzaamheid een misdaad, en beschouwt men zelfs slaafsche onderwerping als een heilige deugd.

Daar in onbeschaafde tijden niemand nuttig of getrouw voor zijn stam kan zijn zonder moed, wordt deze hoedanigheid algemeen het meest geacht; en hoewel in beschaafde landen een goed doch vreesachtig man soms veel nuttiger voor de maatschappij is dan een bijzonder dapper, eeren wij onwillekeurig dezen laatsten instinktmatig meer dan een lafaard, hoe welwillend deze ook zij. Van den anderen kant is voorzichtigheid, die geene betrekking heeft op de welvaart van anderen, hoewel een zeer nuttige deugd, nooit op hoogen prijs gesteld. Daar niemand de deugden die voor het welzijn van den stam noodig zijn, kan beoefenen zonder zelfopoffering, zelfbeheersching en geduld, heeft men aan deze hoedanigheden ten allen tijde een hooge en rechtmatige waarde gehecht. De Amerikaansche wilde onderwerpt zich zonder een zucht te slaken aan de afgrijselijkste martelingen om daardoor zijn kracht en moed te bewijzen en te versterken; en onwillekeurig bewonderen wij hem, of zelfs een Indischen Fakir die uit dwaze godsdienstige drijfveeren zich aan een wipgalg laat ophangen door middel van een in zijn vleesch gestoken haak.

De andere deugden die op het individu betrekking hebben, en waarvan het niet zoo duidelijk is, dat zij invloed uitoefenen op het welzijn van den stam, al doen zij zulks in wezenlijkheid toch, zijn door de wilden nooit hooggeschat, hoewel beschaafde natiën ze thans op hoogen prijs stellen. De grootste onmatigheid is bij wilden geen ondeugd. Hun groote losbandigheid, om onnatuurlijke zonden niet te vermelden, is iets verbazends.32 Zoodra echter het huwelijk, hetzij met meer dan ééne, hetzij slechts met ééne vrouw, in gebruik is, zal de ijverzucht leiden tot het inprenten van vrouwelijke deugd; en zoodra deze geëerd [206]is, zal zij zich ook meer en meer over de ongehuwde vrouwen beginnen te verbreiden. Hoe langzaam zij zich onder de mannelijke sekse verbreidt, zien wij nog tegenwoordig. Kuischheid eischt bijzonder veel zelfbeheersching, vandaar is zij geëerd geworden sedert een zeer lang geleden tijdperk van de zedelijke geschiedenis van den beschaafden mensch. Als een gevolg hiervan is de zinnelooze onthouding van het huwelijk sedert een ver verwijderd tijdperk als een deugd beschouwd.33 De afkeer van onwelvoegelijkheid, die ons zoo natuurlijk schijnt, dat men hem voor aangeboren houdt, en die een zoo krachtige hulp aan de kuischheid verstrekt, is een moderne deugd, zooals Sir G. Staunton opmerkt34, uitsluitend aan het beschaafde leven eigen. Dit wordt bewezen door de oude godsdienstige plechtigheden van vele volken, door de teekeningen op de muren van Pompeji en door de gewoonten van vele wilden.

Wij hebben nu gezien, dat handelingen door wilden als goed of kwaad worden beschouwd, en waarschijnlijk door den oorspronkelijken mensch evenzoo werden beschouwd, alleen naar de wijze waarop zij een duidelijken invloed uitoefenen op de welvaart van den stam,—niet op die van de soort, noch op die van den mensch als individueel lid van den stam. Dit besluit komt goed overeen met het geloof, dat het zoogenaamde zedelijke gevoel oorspronkelijk uit de sociale instinkten is ontstaan; want beide hebben eerst uitsluitend op de geheele vereeniging betrekking. De voornaamste oorzaak van het, naar onze begrippen lage, zedelijke standpunt der wilden, is eerstens, de beperking van het medegevoel tot de leden van een zelfden stam. Ten tweede, onvoldoend vermogen van redeneering, zoodat de invloed van vele deugden, vooral van die welke op het individu betrekking hebben, op de welvaart van den stam niet wordt ingezien. Wilden bemerken de vele nadeelen niet, die voor den stam voortvloeien uit onmatigheid, zedeloosheid enz. In de derde plaats eindelijk, een zwak vermogen van zelfbeheersching; want dit vermogen is niet versterkt door lang voortgezette, wellicht overgeërfde gewoonte, onderwijs en godsdienst.

Ik ben in bovenvermelde bijzonderheden omtrent de zedeloosheid der wilden35 getreden, omdat sommige schrijvers in den laatsten tijd [207]een hoog denkbeeld hebben gegeven van hun zedelijken aard of de meeste hunner misdrijven aan verkeerd opgevatte welwillendheid hebben toegeschreven.36 Deze schrijvers schijnen dit besluit daaruit te trekken, dat wilden, soms zelfs in hooge mate, die deugden bezitten, die dienstig of zelfs noodig zijn voor het bestaan van die vereeniging, welke men stam noemt, en dat zij die deugden bezitten, is aan geen twijfel onderhevig.

Slotopmerkingen.—Wijsgeeren van de derivatieve37 zedekundige school beweerden vroeger, dat de grond der zedelijkheid in een vorm van het eigenbelang, maar later, dat zij in het „beginsel van het grootste geluk” was gelegen. Het is echter juister om dit laatste beginsel den maatstaf, dan om het de beweegreden van het gedrag te noemen. Toch schrijven alle schrijvers wier werken ik heb geraadpleegd, met weinige uitzonderingen38, alsof er voor elke handeling een afzonderlijke beweegreden moest zijn en of deze gepaard moest gaan met eenig genoegen of ongenoegen. Maar de mensch schijnt dikwijls van zelf, dat is uit instinkt of lange gewoonte, zonder eenige bewustheid van genoegen te handelen, op de zelfde wijze als waarschijnlijk een mier of bij handelt, als zij blind haar instinkten volgt. Als onder uiterst gevaarlijke omstandigheden, zooals bij een brand, iemand zonder een oogenblik te aarzelen een zijner medemenschen tracht te redden, kan [208]hij moeilijk genoegen gevoelen; en nog minder heeft hij tijd om na te denken over de onvoldaanheid die hij, indien hij de poging niet deed, later wellicht zou gevoelen. Als hij naderhand over zijn gedrag nadacht, zou hij gevoelen, dat er een instinktmatige aandrift in hem lag, zeer verschillend van het zoeken naar genoegen of geluk; en dit schijnt het diep ingeplante sociale instinkt te zijn.

In het geval der lagere dieren schijnt het veel eigenaardiger om te zeggen dat hun sociale instinkten zijn ontwikkeld voor het algemeen welzijn, dan dat zij zulks zijn voor het algemeen geluk van de soort. De uitdrukking „algemeen welzijn” beteekent hier de middelen waardoor het grootst mogelijke aantal individu’s tot volle kracht en gezondheid en tot groote volmaking hunner vermogens kunnen worden gebracht, onder de omstandigheden waaraan zij zijn blootgesteld. Daar de sociale instinkten van den mensch en die van de lagere dieren zich ongetwijfeld langs den zelfden weg hebben ontwikkeld, zou het raadzaam wezen, als het werd bevonden mogelijk te zijn, om in beide gevallen de zelfde uitdrukking te gebruiken en als criterium van zedelijkheid liever het algemeen welzijn van de vereeniging dan het algemeen geluk te nemen; maar deze uitdrukking zou wellicht eenige beperking ten opzichte van politieke zedelijkheid vereischen.

Als iemand zijn leven waagt om dat van een medemensch te redden, schijnt het juister om te zeggen, dat hij handelt voor het algemeen welzijn, dan dat hij handelt voor het algemeen geluk van de menschheid. Ongetwijfeld beteekenen welzijn en geluk voor het individu gewoonlijk het zelfde, en een tevredene en gelukkige stam zal meer bloeien dan een ontevredene en ongelukkige. Wij hebben gezien, dat zelfs in een vroeg tijdperk van de geschiedenis van den mensch, de uitdrukkelijke wenschen van de vereeniging van zelf een grooten invloed moeten hebben gehad op het geluk van elk lid; en daar allen wenschen naar geluk, zal het „beginsel van het grootste geluk” een zeer belangrijke bijkomende leiddraad en doelwit zijn geworden; terwijl echter de sociale instinkten met inbegrip van het medegevoel altijd de voornaamste aandrift en leiddraad gaven. Op deze wijze vervalt het verwijt van den grond van het edelste gedeelte onzer natuur in het lage beginsel van eigenbelang te zoeken; tenzij men de voldoening die elk dier gevoelt wanneer het de aan het zelve eigen instinkten volgt, en de onvoldaanheid die het gevoelt wanneer het die niet bevredigt, zelfzuchtig wil noemen. [209]

De uitdrukking van de wenschen en het oordeel van de leden der zelfde vereeniging, eerst door woorden en daarna door geschreven taal, is, zooals hierboven is opgemerkt, een hoogst belangrijke bijkomende leiddraad van ons gedrag en helpt de sociale instinkten: soms is zij echter met deze in strijd. Van dit laatste is de Wet van Eer een goed voorbeeld, d.w.z. de wet van de meening onzer gelijken en niet van die van al onze landslieden. Het overtreden van deze wet, zelfs wanneer het bekend is dat de overtreding volkomen overeenstemt met ware zedelijkheid, heeft menigeen meer zieleangst gekost, dan een wezenlijke misdaad. Wij herkennen den zelfden invloed in het brandend schaamtegevoel dat de meesten onzer zelfs na verloop van jaren hebben gevoeld als hun de eene of andere toevallige overtreding van een nietigen maar vasten regel van etiquette opnieuw voor den geest kwam. Het oordeel der vereeniging zal gewoonlijk worden geleid door eenige ruwe ondervinding van hetgeen op den langen duur voor alle leden het beste is; maar dit oordeel zal niet zelden onjuist zijn wegens onwetendheid of wegens zwak vermogen van redeneeren. Vandaar zijn de vreemdste gewoonten en bijgeloovigheden, strijdig met het ware welzijn en het ware geluk van het menschdom, overal in de wereld almachtig geworden. Wij zien dit in het afgrijzen dat een Hindoe gevoelt als hij zijn kaste breekt, in de schaamte van een Mohammedaansche vrouw die haar gelaat ontbloot, en in tallooze voorbeelden. Het zou moeilijk zijn, de wroeging welke een Hindoe gevoelt als hij onrein voedsel heeft gegeten, te onderscheiden van die welke hij gevoelt als hij een diefstal heeft begaan, maar waarschijnlijk zou de eerste de sterkste zijn.

Hoe zoovele ongerijmde regelen van gedrag en zoovele ongerijmde godsdienstige dogma’s zijn ontstaan, weten wij evenmin als waarom zij in alle deelen van de wereld zulk een diepen indruk op den menschelijken geest hebben gemaakt; maar het is merkwaardig, dat een geloof dat gedurende de prille jeugd, wanneer de hersenen gemakkelijk indrukken opnemen, onophoudelijk is ingeprent, bijna de natuur van een instinkt schijnt te verkrijgen, en het is het eigenlijke wezen van een instinkt, dat het onafhankelijk van de rede wordt gevolgd. Evenmin kunnen wij zeggen waarom zekere bewonderenswaardige deugden, zooals de waarheidsliefde, door sommige wilde stammen hooger worden geschat dan door andere39, noch ook waarom dergelijke verschillen zelfs tusschen beschaafde volken bestaan. Wetende hoe vast vele vreemde [210]gewoonten en bijgeloovigheden zijn ingeworteld, behoeven wij ons niet te verwonderen, dat de op het individu betrekking hebbende deugden ons nu zoo natuurlijk schijnen dat wij ze voor aangeboren houden, hoewel zij oudtijds door den mensch niet werden gewaardeerd.

Niettegenstaande vele bronnen van twijfel kan de mensch over het algemeen zonder moeite de hoogere zedelijke regels van de lagere onderscheiden. De hoogere berusten op de sociale instinkten en hebben betrekking op de welvaart van anderen. Zij worden gesteund door de goedkeuring onzer medemenschen en door de rede. De lagere regels, hoewel sommige er van, die zelfopoffering vereischen, nauwelijks verdienen lagere te worden genaamd, hebben vooral betrekking op het individu en zijn hun oorsprong verschuldigd aan de publieke opinie, hoewel zij door ondervinding en beschaving zijn gerijpt; want zij worden door onbeschaafde stammen niet in acht genomen.

Naarmate de mensch in beschaving vooruitgaat en kleine stammen zich tot grooter maatschappijen vereenigen, zal de meest eenvoudige rede elk individu doen gevoelen, dat hij zijn sociale instinkten en medegevoel behoort uit te breiden tot al de leden van de zelfde natie, al zijn zij hem ook persoonlijk onbekend. Dit punt eens bereikt zijnde, bestaat er nog slechts een kunstmatige slagboom tegen het uitbreiden van zijn medegevoel tot alle menschen, van welke natie of ras zij ook zijn. Indien echter dergelijke menschen door groote verschillen in uiterlijk of gewoonten van ons zijn gescheiden, bewijst de ondervinding ons ongelukkig, hoe lang het duurt voor wij hen als onze medemenschen beschouwen. Medegevoel tot voorbij de grenzen van den mensch, dat wil zeggen menschelijkheid jegens de lagere dieren, schijnt een der laatst verkregen zedelijke hoedanigheden te zijn. Zij schijnt door wilden alleen ten opzichte hunner geliefkoosde huisdieren te worden gevoeld. Hoe weinig de oude Romeinen haar kenden, blijkt uit hun afgrijselijke vertooningen van zwaardvechters en gevechten van wilde dieren in het amphitheater. Het denkbeeld van menschelijkheid zelf is, zoover ik kon waarnemen, nieuw voor de meeste Gaucho’s van de Pampa’s. Deze deugd, een der edelste waarmede de mensch is begaafd, schijnt als een bijkomende zaak te ontstaan, doordat ons medegevoel teederder en verder verspreid wordt, totdat het zich eindelijk over alle gevoel bezittende wezens uitbreidt. Zoodra deze deugd door eenige weinige menschen [211]wordt geëerd en uitgeoefend, verspreidt zij zich door leering en voorbeeld en soms ook door de publieke opinie onder het jongere geslacht.