1 Zie b.v. over dit onderwerp Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 21, enz. 

2Dissertation on Ethical Philosophy”, 1837, blz. 231, enz. 

3Metaphysics of Ethics”, vertaald door J. W. Semple, Edinburg, 1836, blz. 136. 

4 De heer Bain geeft een lijst („Mental and Moral Science”, 1836, blz. 543, 725) van zes-en-twintig Engelsche schrijvers die dit onderwerp hebben behandeld en wier namen aan elken lezer bekend zijn; bij deze moeten nog de naam van den heer Bain zelf en die van de heeren Lecky, Shadworth Hodgson, Sir J. Lubbock en nog meer anderen worden gevoegd. 

5 Nadat Sir B. Brodie („Psychological Enquiries”, 1855, blz. 192) heeft opgemerkt, dat de mensch een sociaal dier is, stelt hij de belangrijke vraag: „Behoort dit het twistpunt omtrent het bestaan van het zedelijk gevoel niet te beslissen?” Dergelijke denkbeelden zijn waarschijnlijk bij vele personen, evenals in lang verleden tijden bij Marcus Aurelius, opgekomen. De heer J. S. Mill spreekt in zijn beroemd werk, „Utilitarianism” (1864, blz. 46) van de aandrift tot het gezellige leven als van een „machtig natuurlijk gevoel” en als van „den grondslag der van het nuttigheidsbeginsel uitgaande zedeleer”; maar op de vorige bladzijde zegt hij: „indien mijn meening juist is, dat het zedelijk gevoel niet aangeboren, maar aangeleerd is, dan is het daarom nog niet minder natuurlijk.” Met beschroomdheid waag ik het, van een zoo diep denker in meening te verschillen, maar het kan moeielijk worden ontkend, dat de aandrift tot het gezellige leven bij de lagere dieren instinktmatig of aangeboren is; en waarom zou zij dat ook niet bij den mensch zijn? De heer Bain (zie b.v. „The Emotions and the Will”, 1865, blz. 481) en anderen gelooven, dat het zedelijk gevoel door elk individu gedurende zijn leven wordt aangeleerd. Als men de algemeene ontwikkelingstheorie aanneemt, is dit minst genomen zeer onwaarschijnlijk. 

6Die Darwin’sche Theorie”, blz. 101. 

7 De heer R. Browne in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 400. 

8 Brehm, „Thierleben”, B. I, 1864, blz. 52, 79. Voor het verhaal van de apen die elkander doornen uittrekken, zie blz. 54. Wat de Hamadryas aangaat, die steenen omkeeren, dit feit wordt (blz. 76) op autoriteit van Alvarez medegedeeld, wiens waarnemingen Brehm voor volkomen geloofwaardig houdt. Voor het geval van de oude mannetjes-bavianen die de honden aanvielen, zie blz. 79; voor dat van den arend, blz. 56. 

9Annals and Mag. of Nat. Hist.”, November 1868, blz. 382. 

10 Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit., blz. 447. 

11 Aangehaald door den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 272. Kapitein Stansbury geeft ook een belangwekkend verhaal van de wijze, waarop een zeer jonge pelikaan, door een sterken stroom medegesleept, geleid, en in zijn pogingen om den oever te bereiken aangemoedigd werd door een zestal oude vogels. 

12 Zooals de heer Bain zegt: „werkdadige hulp aan iemand die lijdt, ontspruit uit individueel medegevoel.” „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 245. 

13Thierleben”, B. I, blz. 85. 

14De l’Espèce et de la Classe”, 1869, blz. 97. 

15Die Darwin’sche Art-lehre”, 1869, blz. 54. 

16 Zie ook Hooker’s „Himalayan Journals”, vol. II, 1854, blz. 333. 

17 Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 76. 

18 Zie zijn uiterst belangwekkende verhandeling over „Gregariousness in Cattle and in Man”, „Macmillan’s Mag.”, Febr. 1871, blz. 353. 

19 Zie het eerste en treffende hoofdstuk in Adam Smith’s „Theory of Moral Sentiments.” Insgelijks des heeren Bain’s „Mental and Moral Science”, [191]1868, blz. 244, en 275–282. De heer Bain beweert, dat „medegevoel indirect een bron van genoegen is voor hem die het ondervindt”; en hij brengt hierbij ook de wederkeerigheid in rekening. Hij merkt op, dat „de beweldadigde persoon, of anderen in zijn plaats, door hun wederkeerig medegevoel en goede diensten wellicht de geheele opoffering kunnen vergoeden.” Wanneer echter, zooals werkelijk het geval schijnt te zijn, medegevoel eigenlijk een instinkt is, zal de uitoefening daarvan rechtstreeks genoegen verschaffen, evenals de uitoefening van bijna elk ander instinkt doet, zooals wij hierboven reeds opmerkten. 

20 Dit feit werd volgens den weleerw. heer L. Jenyns (zie zijn uitgaaf van White’s „Nat. Hist. of Selborne”, 1853, blz. 204) het eerst vermeld door den beroemden Jenner in „Phil. Transact.”, 1824, en is sinds bevestigd door onderscheidene waarnemers, vooral door den heer Blackwall. Deze laatste zorgvuldige waarnemer onderzocht gedurende twee jaren laat in den herfst zes-en-dertig nesten; hij bevond, dat twaalf daarvan doode jonge vogels bevatten, [193]vijf bevatten eieren op het punt van uit te komen, en drie eieren die nog lang niet waren uitgebroed. Vele vogels die nog niet oud genoeg zijn om lang achtereen te vliegen, worden insgelijks achtergelaten. Zie Blackwall, „Researches in Zoology”, 1834, blz. 108, 118. Voor nog meer bewijzen, hoewel die overbodig zijn, zie men Leroy, „Lettres Phil.”, 1802, blz. 217. 

21 Hume merkt op („An Enquiry concerning the Principles of Morals”, [195]uitgaaf van 1751, blz. 132): „Het schijnt noodzakelijk om te bekennen, dat het geluk en de ellende van anderen voor ons geen volkomen onverschillig schouwspel is, maar het gezicht van het eerste … ons heimelijke vreugde verschaft, terwijl de aanblik van de tweede … een zwaarmoedigen nevel voor onze verbeelding werpt” 

22Mental and Moral Science”, 1868, blz. 254. 

23 Ik heb één dergelijk geval medegedeeld, namelijk van drie Patagonische Indianen, die liever één voor één werden doodgeschoten dan de plannen hunner krijgsmakkers te verraden („Journal of Researches”, 1845, blz. 103). 

24 Vijandschap of haat schijnt ook een gevoel te zijn dat zeer moeilijk verdwijnt, moeilijker wellicht dan eenig ander dat kan worden genoemd. Nijd wordt bepaald als haat tegen een ander, omdat hij in het een of ander uitmunt of slaagt; en Baco zegt (Essay IX): „Van alle hartstochten is de nijd de lastigste en langdurigste.” Honden zijn zeer geneigd zoowel vreemde menschen als vreemde honden te haten, vooral indien zij dichtbij wonen, maar niet behooren tot het zelfde huisgezin, den zelfden stam of clan; dit gevoel schijnt dus aangeboren te zijn, en verdwijnt zeker uiterst moeilijk. Uit hetgeen wij van wilden hooren, zou men afleiden, dat ook bij deze iets van den zelfden aard bestaat. Indien dit zoo ware, zou het slechts een kleine stap voor iemand zijn om die gevoelens over te brengen op eenig lid van den zelfden stam, die hem had beleedigd of benadeeld en zijn vijand was geworden. Het is ook niet waarschijnlijk, dat het oorspronkelijke geweten iemand zou verwijten, dat hij zijn vijand schade had berokkend; eer zou het hem verwijten doen, als hij zich niet had gewroken. Kwaad met goed te vergelden, zijn vijand lief te hebben, is een zedelijke hoogte, waartoe men mag betwijfelen, of de sociale instinkten op zich zelven ooit zouden hebben geleid. Het was noodzakelijk dat deze instinkten, en tevens het medegevoel, zeer werden ontwikkeld en uitgebreid met behulp der rede, van het onderwijs en de liefde of vrees voor God, eer ooit aan zulk een gulden gebod kon worden gedacht of gehoorzaamd. 

25Insanity in Relation to Law”, London, Ontario, 1871, blz. 14. 

26 E. B. Tylor in „Contemporary Review”, April 1873, blz. 707. 

27 Dr. Prosper Despine geeft in zijn „Psychologie Naturelle”; tom. I, blz. 243, tom. II, blz. 169, verscheidene merkwaardige gevallen van de ergste misdadigers, die volstrekt geen geweten schijnen te hebben bezeten. 

28 Zie een uitnemend artikel in de „North British Review”, 1867, blz. 395. Zie ook de artikelen van den heer W. Bagehot over „The Importance of Obedience and Coherence to Primitive Man” in the „Fortnightly Review”, 1867, blz. 529, en 1868, blz. 457 enz. 

29 De uitgebreidste mededeeling die ik daarover heb gevonden, komt voor in Dr. Gerland’s werk „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868. Ik zal echter in een volgend hoofdstuk op den kindermoord terug moeten komen. 

30 Zie de zeer belangrijke bespreking van zelfmoord in Lecky’s „History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 223. Wat wilden aangaat, meldt de heer Winwood Reade mij, dat de negers van West-Afrika dikwijls zelfmoord begaan. Het is algemeen bekend, hoe algemeen die was onder de ongelukkige inboorlingen van Zuid-Amerika, na de verovering door de Spanjaarden. Voor Nieuw-Zeeland, zie de reis van de „Novara”, en voor de Aleutische eilanden, Müller, aangehaald door Houzeau, „Les Facultés Mentales” enz. tome II, blz. 136. 

31 Zie b.v. hetgeen de heer Hamilton over de Kaffers mededeelt „Anthropological Review”, 1870, blz. XV. 

32 De heer M’Lennan heeft („Primitive Marriage”, 1865, blz. 176) een groot aantal hierop betrekking hebbende feiten vermeld. 

33 Lecky, „History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 109. 

34Embassy to China”, vol. II, blz. 348. 

35 Overvloedige bewijzen hiervan zijn te vinden in Hoofdstuk VII van Sir J. Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870 (Ned. Vert. „De oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876). 

36 B. v. Lecky, „Hist. European Morals”, vol. I, blz. 124. 

37 Deze uitdrukking wordt gebruikt in een uitnemend artikel in de „Westminster Review”, Oct. 1869, blz. 498. Over het „Beginsel van het grootste geluk”, zie J. S. Mill, „Utilitarianism”, blz. 17. 

38 Mill erkent („System of Logic”, vol. II, blz. 422) op de duidelijkste wijze, dat handelingen kunnen worden volbracht uit gewoonte zonder het voorgevoel van genoegen. Ook de heer H. Sidgwick merkt in zijn „Essay on Pleasure and Desire” („The Contemporary Review”, April 1872, blz. 671) op: „Om kort te gaan, in tegenspraak met de leer, dat onze bewuste actieve aandriften altijd de strekking hebben om ons zelven aangename gewaarwordingen te bezorgen, houd ik vol, dat wij overal bij de bewuste wezens aandriften vinden die een strekking hebben buiten hen zelven gelegen, en zijn gericht op iets dat geen genoegen is; dat in vele gevallen de aandrift zoo onvereenigbaar is met het egoïsme, dat beide niet gemakkelijk gelijktijdig in ons bewustzijn kunnen bestaan.” Een duister gevoel, dat onze aandriften volstrekt niet altijd ontstaan uit het genoegen waarmede zij vergezeld gaan of waarop zij doen hopen, is volgens mijn overtuiging een der voornaamste oorzaken geweest van het aannemen der intuïtieve theorie der zedelijkheid en van de verwerping van de utilitarische of „grootste geluk” theorie. Wat deze laatste theorie aangaat, zijn ongetwijfeld de maatstaf en de beweegreden van het gedrag dikwijls met elkander verward, maar zij hangen werkelijk tot op zekere hoogte innig met elkander samen. 

39 Goede voorbeelden hiervan geeft de heer Wallace in: „Scientific Opinion”, [210]15 Sept. 1869; en uitgebreider in zijn „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 353. 

40 Tennyson, „Idylls of the King”, blz. 244. 

41The Thoughts of the Emperor M. Aurelius Antonius”, Engelsche vertaling, 2de uitgaaf, 1869, blz. 112. Marcus Aurelius werd geboren in het jaar des Heeren 121. 

42 Brief van den heer Mill in Bain’s „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 722. 

43 Een schrijver in de „North British Review” (Juli 1869, blz. 531) die zeer goed in staat is een gezond oordeel te vellen, drukt zich hierover sterk uit. De heer Lecky („Hist. of Morals”, vol. I, blz. 143) schijnt tot zekere hoogte dit gevoelen te deelen. 

44 Zie zijn merkwaardig werk „Hereditary Genius”, 1869, blz. 349. De hertog van Argyll („Primaeval Man”, 1869, blz. 188) maakt eenige goede opmerkingen over den strijd tusschen goed en kwaad in ’s menschen natuur. 

45The Thoughts of Aurelius” enz., blz. 139. 

46 Wij zeggen met opzet „gewoonlijk.” Wanneer toch de oude koningin met een deel der bijen uit „zwermen” gaat, en een nieuwe koningin in den ouden korf heerscht, zullen, zoodra die jonge koningin op haar beurt moeder is geworden, de bijen in den ouden korf niet meer allen broeders en zusters van elkander zijn, maar er zullen er onder zijn die elkander als oom of tante en neef en nicht bestaan. 

47 Isidore Geoffroy St. Hilaire en Quatrefages. De eerste beweerde, tegen alle evidentie in, dat de mensch het eenige dier is, dat denkt: ook hij zocht daarenboven in het beginsel der moraliteit een qualitatief onderscheid tusschen mensch en dier. 

48 Onder de oudere geschriften over dit onderwerp noemen wij:

„Histoire critique de l’âme des bêtes”, par mr. Guer. à Amsterdam, 1749.

D’Argensius (gelatiniseerd?), „Lettres cabbalistiques”, lib. IV, lettre 134.

Bouiller, „Essai philosophique sur l’âme des bêtes”, 2 ed., Amsterdam 1737.

Reimarus, Hoogleeraar te Hamburg, „Algemeene Beschouwing van de driften der Dieren”, enz., uit het Hoogduitsch vertaald door J. W. van Haar, met een voorrede van Johan Lulofs, Hoogleeraar te Leiden, Leiden 1774.

Geschichte des menschlichen Verstandes” (anoniem), Breslau (nuper 177.?).

’t Bovenstaande aangehaald in J. G. H. Feder, „Homo natura non ferus, dissertatio philosophica”, blz. 447 van „Syntagma dissertationum ad philos. moralem pertinentium”; Ed. M. Tydeman. Traj. ad Rh. 1777 4to.

J. H. Winkler, Prof. te Leipzig, „Philosophische Onderzoekingen over het bestaan en de natuur der ziel bij dieren.” In Nederl. Vert. 1765. „Dit Werkje vervat in zich datgene, waarover de Geleerde Heeren Martinus Schrok, Professor in de Philosophie te Groningen; Johan Lulofs, Professor te Leiden, in zijne Voorrede voor het werk van S. Reimarus, Professor te Hamburg; Adrianus Bradit, Predikant te Amsteldam; Bernardus Martinus, Predikant te Elspeet, en anderen, hunne Gevoelens de Geleerde Wereld hebben medegedeeld.”

Een bibliographie over dit onderwerp gaf Dr. A. van der Linde in „Androcles, Tijdschrift aan de bescherming der dieren gewijd”, 1875 (afl. Mei?).