De hoogste trap van zedelijke ontwikkeling dien wij kunnen bereiken, is wanneer wij bemerken dat wij zelfs op onze gedachten toezicht moeten houden, en „dat de zonden, die het verleden zoo aangenaam voor ons maakten40, het voorwerp niet mogen zijn zelfs van onze meest verborgen gedachten.” Al wat den geest met de eene of andere slechte handeling gemeenzaam maakt, maakt het verrichten daarvan zooveel te gemakkelijker. Gelijk Marcus Aurelius reeds lang geleden zeide: „Zooals uwe gedachten gewoonlijk zijn, zoo zal ook het karakter van uw geest zijn; want de ziel wordt door de gedachten gekleurd.”41
Onze groote wijsgeer Herbert Spencer heeft voor eenige jaren zijn zienswijze over het zedelijk gevoel bekend gemaakt. Hij zegt42: „Ik geloof, dat de ondervinding van hetgeen nuttig is, gedurende alle vervlogen menschengeslachten georganiseerd en bevestigd, overeenkomstige wijzigingen heeft voortgebracht, die door voortgaande overerving en opeenhooping in ons zekere vermogens van zedelijke intuïtie zijn geworden—zekere gemoedsaandoeningen, die aan goed en slecht gedrag beantwoorden en geen grondslag schijnen te hebben in de individueele opvatting van hetgeen nuttig is.” Het is, dunkt mij, op zich zelf in het minst niet onwaarschijnlijk, dat deugdzame neigingen in meerdere of mindere mate worden overgeërfd; want ik heb, om de verschillende neigingen of gewoonten, door velen onzer huisdieren overgeërfd, niet te vermelden (5), van gevallen gehoord, waarin een aandrift tot stelen en een neiging om te liegen zich over families van den hoogsten stand bleek uit te breiden; en daar stelen bij de vermogende klassen zulk een zeldzame misdaad is, kunnen wij moeielijk door een toevalligen samenloop verklaren, dat de aandrift daartoe zich bij twee of drie leden der zelfde familie voordeed. Indien slechte neigingen worden overgeërfd, is het waarschijnlijk, dat zulks ook met goede het geval is. De verschillen die men gelooft dat in dit opzicht tusschen de onderscheidene menschenrassen bestaan, kunnen niet worden verklaard, tenzij wij het beginsel van de erfelijkheid der zedelijke neigingen aannemen. [212]Wij hebben echter tot dusver daaromtrent nog geen genoegzame zekerheid.
Zelfs de gedeeltelijke erfelijkheid van deugdzame neigingen zou ons van ontzaglijk veel dienst zijn om de eerste aandrift daartoe direct van de sociale instinkten en indirect van de goedkeuring onzer medemenschen af te leiden. Wanneer wij voor het oogenblik aannemen dat deugdzame neigingen erfelijk zijn, is het waarschijnlijk, ten minste in zulke gevallen als kuischheid, matigheid, menschelijkheid jegens dieren enz., dat zij vooral in de organisatie van den geest worden geprent door gedurende verscheidene generaties in de zelfde familie voortgezette gewoonte, leering en voorbeeld, en slechts in zeer ondergeschikte mate of in het geheel niet, doordat de individu’s welke die deugden bezitten, het best zijn geslaagd in den strijd om het leven. Mijn voornaamste reden om elke dergelijke erfelijkheid te betwijfelen is, dat zinnelooze gewoonten, bijgeloovigheden en smaken, zooals de afschuw van een Hindoe voor onrein voedsel, volgens het zelfde beginsel ook erfelijk behoorden te zijn. Hoewel dit op zich zelf wellicht niet onwaarschijnlijker is dan dat dieren door overerving smaak krijgen in sommige soorten van voedsel of vrees voor zekere vijanden, heb ik volstrekt geen bewijzen gevonden voor de erfelijkheid van bijgeloovige of zinnelooze gewoonten.
De sociale instinkten eindelijk, die zonder twijfel door den mensch, evenals door de lagere dieren, voor het welzijn der vereeniging werden verkregen, zullen hem van den beginne af eenige begeerte om zijn makkers te helpen en eenig medegevoel voor hen hebben ingeboezemd. Dergelijke aandrijvingen zullen hem in een zeer lang geleden tijd tot een ruwen regel ter onderscheiding van goed en kwaad hebben gediend. Maar naarmate de mensch trapsgewijze vooruitging in verstandelijke vermogens en daardoor in staat werd gesteld om de meer verwijderde gevolgen zijner daden te overzien; naarmate hij kennis genoeg verkreeg om verderfelijke gewoonten en bijgeloovigheden te verwerpen; naarmate hij meer en meer niet alleen op het welzijn, maar ook op het geluk zijner medemenschen lette; naarmate uit gewoonte, ten gevolge van een weldadige ondervinding, van leering en voorbeeld, zijn medegevoel teederder en in ruimer kring werd verspreid, zoodat het zich uitbreidde over menschen van alle rassen, over onnoozelen, verminkten en andere nuttelooze leden der maatschappij en eindelijk tot de lagere dieren—steeg ook het peil zijner zedelijkheid hoe langer hoe meer. Door zedekundigen [213]van de derivatieve school en door sommige intuïtionisten nu wordt aangenomen, dat het peil der zedelijkheid werkelijk sedert een lang verleden tijdvak van ’s menschen geschiedenis43 is gerezen.
Daar men soms een strijd kan opmerken tusschen de verschillende instinkten van de lagere dieren, is het niet te verwonderen dat ook bij den mensch soms strijd ontstaat tusschen zijn sociale instinkten en de daarvan afgeleide deugden en zijn lagere, hoewel op dat oogenblik sterkere driften en begeerten. Dit is, zooals de heer Galton heeft opgemerkt, des te minder te verwonderen, daar de mensch zich in een vergelijkenderwijs kort geleden tijdvak uit den staat van barbaarschheid heeft verheven.44 Wanneer wij voor de eene of andere verzoeking zijn bezweken, gevoelen wij een soort van onvoldaanheid, overeenkomende met die, welke wij gevoelen als wij andere instinkten onbevredigd hebben gelaten, die in dit geval geweten wordt genoemd; want wij kunnen niet verhinderen, dat beelden en indrukken van vroegere gebeurtenissen onophoudelijk onzen geest doorkruisen, en deze vergelijken wij in hun verzwakten toestand met de altijd tegenwoordige sociale instinkten of met gewoonten in onze prille jeugd verkregen en gedurende ons geheele leven versterkt, ja wellicht overgeërfd, zoodat zij ten laatste bijna even sterk als instinkten zijn geworden. Met het oog op volgende generaties is het niet te vreezen, dat de sociale instinkten zwakker zullen worden, en mogen wij verwachten, dat de deugdzame gewoonten sterker zullen worden, omdat zij wellicht door erfelijkheid worden bevestigd. In dit geval zal de strijd tusschen onze hoogere en lagere aandriften minder streng zijn en zal de deugd overwinnen.
Besluit waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde feiten leiden.—Het kan niet worden betwijfeld, dat het verschil tusschen den geest van den laagsten mensch en het hoogste dier verbazend groot is. Een anthropomorphe aap zou, als hij een onpartijdig oordeel kon vellen over zijn eigen toestand, erkennen, dat, hoewel hij een behendig plan kon vormen om een tuin te plunderen, hoewel hij steenen gebruikte om mede te vechten of noten open te breken, de gedachte [214]om uit een steen een werktuig te vervaardigen, zijn bevatting verre te boven ging. Hij zou erkennen, dat hij nog minder een redeneering over bovennatuurkunde kon volgen of een meetkundig vraagstuk oplossen of over het bestaan van God nadenken, of een grootsch natuurtafereel bewonderen. Sommige apen zouden echter waarschijnlijk verklaren, dat zij de schoonheid van het gekleurde vel en den pels hunner echtgenooten bewonderden. Zij zouden erkennen, dat, hoewel zij door geluiden aan andere apen sommige hunner gewaarwordingen en hun meer eenvoudige behoeften kenbaar konden maken, het denkbeeld om bepaalde denkbeelden door bepaalde klanken uit te drukken nooit in hun geest was opgekomen. Zij zouden er wellicht op wijzen, dat zij bereid waren hun medeapen van de zelfde bende op vele wijzen te helpen, hun leven voor hen te wagen en voor hun weezen te zorgen, maar zij zouden genoodzaakt zijn te erkennen, dat belangelooze liefde voor alle levende schepselen, de edelste eigenschap van den mensch, hun bevatting ver te boven ging.
Toch is het geestelijk verschil tusschen den mensch en de hoogere dieren, hoe groot het ook zij, zeker slechts een verschil in hoeveelheid en niet in hoedanigheid. (6) Wij hebben gezien, dat de verschillende gemoedsaandoeningen en vermogens, zooals liefde, geheugen, oplettendheid, nieuwsgierigheid, nabootsing, rede enz., waarop de mensch trotsch is, ook in wordenden of zelfs somtijds in goed ontwikkelden toestand bij de lagere dieren kunnen worden gevonden. Zij zijn ook vatbaar voor een zekere erfelijke verbetering, zooals wij zien in den huishond bij vergelijking met den wolf of jakhals. Indien wordt volgehouden, dat sommige vermogens, zooals zelfbewustzijn, het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen enz., uitsluitend aan den mensch eigen zijn, kan het wel zijn, dat deze toevallige uitvloeisels zijn van andere hoog ontwikkelde verstandelijke vermogens; en deze zijn op hun beurt voornamelijk het gevolg van het voortdurend gebruik van een hoog ontwikkelde taal. Op welken leeftijd komt het pasgeboren kind in het bezit van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, of op welken leeftijd wordt het zelfbewust en begint het na te denken over zijn eigen bestaan? Wij kunnen die vraag niet beantwoorden en evenmin kunnen wij haar beantwoorden met betrekking tot de opklimmende reeks der organische wezens. Het half kunstmatige en half instinktmatige van de taal draagt nog den stempel van haar trapsgewijze ontwikkeling. Het veredelende geloof aan God is niet aan alle menschen [215]eigen, en het geloof aan de werking van geestelijke invloeden volgt op natuurlijke wijze uit zijn andere geestvermogens. Het zedelijk gevoel is wellicht het beste en hoogste kenmerk waardoor de mensch zich van de lagere dieren onderscheidt; maar ik behoef daarover niets meer te zeggen, daar ik zoo even nog heb trachten aan te toonen dat de sociale instinkten—het grondbeginsel van ’s menschen zedelijken aanleg45—met behulp van de werkzaamheid zijner verstandelijke vermogens en de uitwerkselen der gewoonte op natuurlijke wijze leiden tot den gulden regel: „Alle dingen dan, die gij wilt dat de menschen u souden doen, doet gij hun oock alsoo”; en dit is de hoeksteen der zedelijkheid.
In een volgend hoofdstuk zal ik eenige weinige opmerkingen maken over de stappen en middelen waardoor de verschillende verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch zich waarschijnlijk trapsgewijze hebben ontwikkeld. Dat dit ten minste mogelijk is, kan niet wel worden ontkend, daar wij hun ontwikkeling dagelijks in elk kind aanschouwen en daar wij door onmerkbare overgangen van den geest van een volkomen idioot, lager staande dan het laagste dier, kunnen opklimmen tot dien van een Newton.