DOOR
Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
In zijn werk „Darwinism”, Londen 1889, wijdt A. R. Wallace een hoofdstuk aan de „Afstamming van den Mensch.” Hij zegt daarin volkomen in te stemmen met Darwin’s besluit (in hoofdstuk VI van dit werk), dat de mensch in zijn lichamelijk maaksel wezenlijk met de hoogere zoogdieren overeenstemt, en dat de menschen en de anthropomorphe apen van dezen of genen gemeenschappelijken stamvader afstammen. De bewijzen daarvoor schijnen hem overstelpend en afdoende. Verder mag men volgens Wallace, ten minste voorloopig, aannemen, dat de wetten der variatie en natuurlijke teeltkeus, werkende door den strijd om het bestaan en de voortdurende behoefte om hoe langer hoe meer geschikt te worden voor zijn physische en biologische omgeving, de oorzaken zijn geweest, waardoor hij zijn eigenaardig lichamelijk maaksel en die groote, hoog-ontwikkelde hersenen verkreeg, die hem in staat hebben gesteld het geheele dieren- en plantenrijk aan zich te onderwerpen.
Daarentegen schijnt het Wallace toe, dat, hoewel de rudimenten van de meeste, zoo niet van alle, verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch bij sommige dieren mogen worden aangetroffen, toch de ontwikkeling van sommige zijner hoogste geestvermogens niet door variatie, natuurlijke teeltkeus en den strijd om het leven kan worden verklaard, maar het gevolg moet zijn geweest van de inwerking eener geheel verschillende oorzaak. Als zoodanige geestvermogens noemt hij meer in het bijzonder:
[227]
Al deze vermogens zijn bij wilden weinig of niet ontwikkeld. Boerten en schertsen doen zij bijna niet. Met metaphysische bespiegelingen houden zij zich niet veel op. Hun kunsten staan op zeer lagen trap, hun wiskunde beperkt zich tot tellen, dat soms niet verder dan drie schijnt te gaan. Er schijnt dus weinig tegen te zeggen te zijn, dat deze vermogens, in zoo ver zij zich bij de wilden openbaren door de beginselen van Darwin zijn te verklaren. Wallace zegt wel, dat inlandsche muziekkorpsen van wilde rassen onder Europeesche leiding onze beste moderne muziek op dragelijke wijze leeren spelen, en dus de hoogere muzikale vermogens bij die rassen in latenten toestand aanwezig schijnen te zijn, maar men zou o.i. evengoed kunnen beweren, dat die bij de zangvogels aanwezig zijn, omdat men sommigen daarvan aria’s uit opera’s kan leeren fluiten, of dat de papegaaien aanleg hebben voor de studie der doode talen, omdat Humboldt in Zuid Amerika een papegaai aantrof, die de taal van een uitgestorven Indianenstam sprak.
Het bezwaar van Wallace betreft dus niet zoozeer de afstamming van den wilden mensch van het dier als de afstamming van den beschaafden mensch van den wilden. Zijn „hoogste vermogens”, waarvoor de inwerking eener bijzondere oorzaak zou zijn noodig geweest, vormen geen scherp verschil tusschen dier en mensch (de eenige quaestie, waarop het o.i. bij de bespreking van de afstamming van den mensch aankomt), maar wel tusschen den wilden mensch en den beschaafden mensch, die echter door tallooze overgangen zijn verbonden, en wier afstamming van gemeenschappelijke stamouders door niemand ooit is betwijfeld, of ten minste nooit op grond van hun verschil in beschavingstoestand voor onmogelijk, of voor slechts op bovennatuurlijke wijze verklaarbaar is gehouden.
Laten wij echter de bewijsvoering van Wallace eenigszins meer in bijzonderheden nagaan.
1. De aanleg voor wiskunde.
Als wij aannemen, dat de voorhistorische en wilde mensch volstrekt geen aanleg voor wiskunde bezat, zou het hoogst moeilijk zijn te verklaren, hoe die aanleg ontstond. Nemen wij echter aan, dat hij de rudimenten van dien aanleg bezat, zooals het vermogen om tot tien te tellen, maar zonder het eenvoudigste rekenkunstige of wiskunstige vraagstuk te kunnen oplossen, hoe werd dan dit rudimentaire vermogen bij de moderne volken, die voor betrekkelijk korte eeuwen nog barbaren en wilden waren, zoo snel ontwikkeld tot een aanleg voor wiskunde als [228]die van een Newton, Gauss of La Place? De strijd om het leven van den wilde met de elementen, met de dierenwereld of met zijns gelijken kan daarop geen invloed hebben gehad, evenmin als de oorlogen der latere volken met elkander. De Grieken overwonnen de Perzen niet door hun meerdere kennis van wiskunde, maar door hun betere militaire geoefendheid, vaderlandsliefde en zelfopoffering. Tamerlan en Gengis-Khan veroverden Azië, maar geenszins omdat zij zelven of hun volgelingen meer kennis van wiskunde hadden dan de volken die zij overwonnen. De ingenieurskunst der Romeinen vereischte zeker eenige wiskundige kennis, maar deze verhinderde niet, dat zij den inval der barbaren, welke die wiskundige kennis niet bezaten, niet konden weêrstaan. Die barbaren, de Kelten, Germanen en Slaven, zijn, reeds vóór zij vorderingen in de wiskunde hadden gemaakt, gebleken in den grooten strijd tusschen de rassen, de geschiktsten te zijn om te overwinnen, en in dit opzicht de beschaafdste en wiskundig het meest ontwikkelde volken der oude wereld,—de Hindoes, Arabieren, Grieken en Romeinen te overtreffen. Wel hebben in de laatste eeuwen de afstammelingen dier barbaren, de Franschen, Duitschers, Engelschen, Nederlanders enz. zich in de wiskunde tot een vroeger ongekende hoogte ontwikkeld, maar hun voorspoed in en buiten Europa, als kolonisten en veroveraars, als individu’s of als natiën, kan volgens Wallace in geenen deele aan die ontwikkeling der wiskunde worden toegeschreven. Derhalve is de oorzaak dier ontwikkeling niet natuurlijke teeltkeus, maar een andere geheel verschillende.
Wij kunnen geenszins toegeven, dat de ontwikkeling der wiskunde geen aandeel zou hebben in den voorspoed der moderne volken als veroveraars en kolonisten, als individu’s en als natiën. Die voorspoed toch is grootendeels het gevolg van hun betere krijgskunde en bewapening. En ieder weet, dat voor vestingbouwkunde en artilleriewetenschap, voor het uitvinden van nieuwe vuurwapenen en ontplofbare stoffen, wiskunde, werktuigkunde (die zich zonder wiskunde niet kan ontwikkelen) en scheikunde (die de beoefening van andere natuurwetenschappen onderstelt, voor welke wiskunde eveneens onmisbaar is) noodig zijn. Zonder vuurwapens geen succes tegenover de wilden, zelfs als individu, zonder werktuigkunde en natuurwetenschap geen vuurwapens, zonder wiskunde geen werktuigkunde en natuurwetenschap! De wiskunde, die de uitstekendste oefening voor het denkvermogen vormt, ontwikkelt daarenboven de hersenen, die het voornaamste werktuig zijn, waarmede [229]de mensch den strijd om het leven strijdt, en helpt hem daardoor krachtig bij het voeren van dien strijd, al moet de intellectueel meer ontwikkelde soms terugwijken voor meerdere physieke kracht en numerieke overmacht, gelijk in het geval der Romeinen en barbaren, waarbij daarenboven nog andere geheel verschillende oorzaken, zooals het innerlijke verval, ook in zedelijk opzicht, van het Romeinsche rijk bijdroegen om aan de barbaren de zege te verschaffen.
2. Muzikale en andere vermogens.
Bij de wilden bestaat nauwelijks muziek in onzen zin, al scheppen zij ook behagen in den klank van trommen, bekkens, fluitjes enz. en al zingen zij ook eentonige liedjes.1 De Egyptenaars worden voor de oudste beoefenaars der eigenlijke muziek gehouden; op hen volgden de Joden en Grieken, maar evenmin als de Romeinen hadden deze volken (volgens Wallace) eenig begrip van harmonie of van de wezenlijke gronden der moderne muziek. Sedert de vijftiende eeuw is de muziek zich eerst snel beginnen te ontwikkelen, maar voor den strijd om het leven is noch bij de oude volken, noch sedert de vijftiende eeuw de vooruitgang der muziek van eenige beteekenis geweest, en natuurlijke teeltkeus kan dus niet de oorzaak van dien vooruitgang zijn geweest.
Darwin toont in het XIXde hoofdstuk van dit werk aan, dat de eerste ontwikkeling der muzikale vermogens waarschijnlijk met de seksueele teeltkeus in verband staat, zoodat het door Wallace bestreden gevoelen eigenlijk door niemand wordt verdedigd. Bij de latere ontwikkeling der muziek heeft ongetwijfeld de godsdienst een groote rol gespeeld. De krijgsmuziek eindelijk kan door den moed der krijgslieden aan te wakkeren wel degelijk hebben bijgedragen tot de overwinning, en dus tot het overleven der muzikaal het best begaafden. In allen gevalle vinden wij reeds in het dierenrijk de muzikale vermogens zeer ongelijk verdeeld, en is het de vraag of b.v. de zang van den nachtegaal niet even hoog staat boven het gekras van de (in het systeem eveneens onder de zangvogels gerangschikte) raaf als de beste moderne muziek boven het getrommel en de eentonige liederen der wilden, welke laatste zeker [230]in welluidendheid voor het gezang van den nachtegaal onderdoen.
Wat de beeldende kunsten aangaat, de door de vóórhistorische menschen uit het Zuiden van Frankrijk vervaardigde teekeningen van dieren (mammouth, rendier enz.) worden ongetwijfeld in natuurlijkheid niet slechts, gelijk Wallace zegt, nauwelijks geëvenaard door die der hedendaagsche wilden, maar overtreffen zelfs menig kunstwerk uit den Oud Egyptischen tijd. De beeldhouwkunst bereikte haar toppunt in het Oude Griekenland, de schilderkunst in de dertiende tot de vijftiende eeuw in Italië. De bouwkunde, waarvan de eerste rudimenten, tot vroegen vóórhistorischen tijd opklimmen, daar de eenvoudigste hut immers reeds een gebouw is, schiep in Egypte en Assyro-Babylonië kolossale gedenkteekenen, maar bereikte in de oudheid, als schoone kunst beschouwd, haar toppunt eveneens in Griekenland, en in de Middeleeuwen in de gothische kerkgebouwen.
Met den strijd om het leven en het overleven der geschiktsten staat die ontwikkeling der schoone kunsten echter in geen onmiddellijk verband. Griekenland’s ontwikkeling in de kunst belette niet, dat het door de in dat opzicht minder ontwikkelde Romeinen werd onderworpen, en de Engelschen, die stellig in begaafdheid voor de beeldhouwkunst voor de Italianen en Denen, voor de schilderkunst voor de Italianen, Spanjaarden, Franschen en Nederlanders, in de muziek voor de Duitschers en Italianen onderdoen, zijn toch de eerste koloniseerende natie der wereld geworden, en geen ras neemt tegenwoordig zoo sterk in aantal toe als juist het, wat de kunst aangaat, zoo middelmatig begaafde Angel-Saksische.
De hooge ontwikkeling van den aanleg tot wiskunde als die voor de schoone kunsten schijnen het resultaat en geenszins een oorzaak van den socialen en intellectueelen vooruitgang te zijn. Dit willen wij Wallace toestemmen, ofschoon wij geenszins met hem medegaan in de nadere oorzaak welke hij voor die hooge ontwikkeling aanneemt, op welk punt wij straks terugkomen. Evenals een werktuig, met een bepaald doel gemaakt en verbeterd, daardoor dikwijls tevens voor andere, geheel verschillende doeleinden geschikter kan worden, een mes, gemaakt en geslepen om b.v. te snoeien, wordt door den vorm welken men aan het metaal heeft gegeven, en het slijpen tevens geschikter om andere voorwerpen dan takken te snijden, heeft de menschelijke geest, door den strijd om het bestaan voortdurend ontwikkeld, daarmede tegelijkertijd geschiktheid gekregen voor andere zaken, zooals kunst, die [231]veel bijdragen om het menschelijk leven te veraangenamen, maar in geen rechtstreeksche betrekking staan tot dien strijd om het bestaan, en waarvan men de eerste rudimenten reeds bij wilden, en wat de muziek en bouwkunst aangaat, ook in de dierenwereld aantreft.
Wallace’s tweede bewijs, dat de aanleg voor de wiskunde en de schoone kunsten niet door natuurlijke teeltkeus zijn ontstaan.
Daar de natuurlijke teeltkeus de individu’s die een nuttig kenmerk bezitten, bewaart ten koste van het leven van die welke het niet of in geringe mate bezitten, is elk kenmerk, dat onder haar werking tot ontwikkeling is gekomen, vrij gelijkmatig over al de individu’s eener soort verdeeld. Als men de gemiddelde ontwikkeling van zulk een kenmerk op 100 stelt, zullen de variaties, gelijk Wallace in het derde hoofdstuk van zijn „Darwinism” heeft aangetoond, van 80 tot 120 (of iets meer als een zeer groot aantal individu’s wordt vergeleken) loopen, zoodat het bedrag der variatie omstreeks ⅕ tot ⅙ van de gemiddelde waarde is. Daarom bestaan ook alle vermogens, welke voor den mensch in zijn vroege ontwikkelingstrappen van hooge waarde zijn geweest,—zooals snel loopen, lichaamskracht, behendigheid in den wapenhandel, scherpte van zintuigen, vermogen om een spoor te volgen enz.,—bij alle wilden in eenigszins gelijkmatigen graad. Eveneens is het met de instinkten en verstandelijke eigenschappen van de dieren eener zelfde soort gesteld; elk winterkoninkje bouwt ongeveer een even goed nest, elke vos is nagenoeg even slim enz.
Als vermogens die zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, uit den aard der zaak vrij gelijkmatig over alle individu’s eener soort moeten zijn verdeeld, kunnen wij omgekeerd besluiten, dat vermogens die zeer ongelijkmatig over de individu’s eener soort zijn verdeeld, niet kunnen zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus.
De aanleg voor wiskunde en voor de schoone kunsten zijn zeer ongelijk verdeeld. Derhalve kan die aanleg niet zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus.
Ten bewijze dat de aanleg voor wiskunde zelfs onder de beschaafde volken zeer ongelijkmatig is verdeeld, haalt Wallace de getuigenis van twee onderwijzers in de wiskunde aan Engelsche scholen aan, volgens [232]welke slechts één op de honderd jongens een bijzonderen aanleg voor de wiskunde heeft en het er ver in kan brengen, terwijl de groote meerderheid der bevolking er weinig of geen aanleg voor heeft en er niet het geringste belang in stelt. En als wij de grootte der variatie en aanleg voor wiskunde tusschen een wiskunstenaar van de eerste klasse en de meeste andere menschen wilden schatten, zou die aanleg volgens Wallace bij den eerste minstens honderd- en wellicht duizendmaal grooter zijn dan bij de laatsten.
Wat den aanleg tot beeldende kunst betreft, is het resultaat het zelfde. Uit onderzoekingen, door Wallace op Engelsche scholen ingesteld, zou het aantal kinderen dat werkelijk aanleg heeft tot teekenen—dat afbeeldt wat het ziet, niet wat het weet dat de vorm der dingen is, dat van zelf in perspectief teekent, omdat het aldus is, dat het de voorwerpen ziet, dat in zijn teekeningen van zelf licht en schaduw aanbrengt en zich niet bepaalt tot omtrekken, dat herkenbare schetsen kan maken van al zijn bekenden—hoogstens een percent van het geheele aantal kinderen bedragen, en zou de aanleg tot teekenen bij een middelmatig artist minstens vijftig- of zelfs honderdmaal grooter zijn dan die van een gewone man of vrouw „die niet teekent en wiens pogingen om een of ander voorwerp af te beelden, eenvoudig belachelijk zijn.”
Wat den aanleg voor muziek aangaat, deze is, in zijn lagere vormen, meer algemeen verspreid dan de beide vorige, en tegen één persoon die uit zich zelven, als het ware instinktmatig teekent, zijn er stellig vijf of tien die wat zingen of spelen zonder het te hebben geleerd. Een muziekmeester op een groote school verzekerde echter aan Wallace, dat slechts ongeveer één percent der menschen stellig muzikaal talent bezaten, en de muzikale aanleg van een groot componist zal die van een gewoon mensch stellig vele honderden en wellicht duizenden malen overtreffen.
Derhalve moeten volgens Wallace de aanleg voor wiskunde, beeldende kunsten en muziek zijn verkregen door deze of gene oorzaak welke geheel van de natuurlijke teeltkeus verschilt.
Het zelfde is volgens hem het geval met den aanleg voor metaphysica, welke ons in staat stelt afgetrokken begrippen te vormen, welke zoo verwijderd mogelijk van alle practische toepassing zijn, en de laatste oorzaken der dingen, den aard en de eigenschappen van stof, beweging en kracht, van ruimte en tijd, van oorzaak en gevolg, van wil en bewustzijn [233]te bespreken. Wilden houden volgens Wallace geen bespiegelingen over dergelijke afgetrokken en moeilijke vraagstukken, maar zoodra een volk beschaafd wordt en er een klasse van menschen ontstaat, die, hetzij als priesters of als wijsgeeren, niet in de noodzakelijkheid verkeeren te werken of een werkzaam aandeel aan den oorlog of het bestuur te nemen, vertoont zich plotseling die aanleg tot metaphysica, schoon zij, evenals de overige boven besproken vermogens, altijd tot een zeer klein gedeelte der bevolking beperkt blijft.
Tot de zelfde klasse van vermogens behoort eindelijk ook de aanleg tot boert en scherts, het humoristische vermogen. Dit is het laatste dat Wallace in het bijzonder noemt, ofschoon hij blijkbaar schijnt te bedoelen, dat daarmede de opsomming dier vermogens nog niet volledig is.
Ook Weismann bespreekt in zijn verhandeling over „Erfelijkheid” den oorsprong der „talenten” en komt, evenals Wallace, tot het besluit, dat zij niet door de natuurlijke teeltkeus kunnen zijn verkregen. „Die prae-disposities”, zegt hij, „welke wij talenten noemen, kunnen niet zijn ontstaan door natuurlijke teeltkeus, omdat het leven in geenen deele van het bezit daarvan afhankelijk is en er schijnt geen andere weg te bestaan om haar oorsprong te verklaren, dan door aan te nemen, dat de bekwaamheid in den loop van elk individueel leven verkregen, zich” (in den loop der generaties) „ophoopt. In dit geval schijnen wij dus op het eerste gezicht genoodzaakt te zijn de overerving van verworven kenmerken aan te nemen.” Weismann is echter van oordeel, dat de feiten deze meening niet steunen, en wijst er op, dat de aanleg voor wiskunde, beeldende kunst en muziek dikwijls plotseling verschijnt in een familie, waarvan de andere leden en voorouders zich in dit opzicht volstrekt niet onderscheidden, en dat zelfs, waar zulk een aanleg erfelijk is, hij dikwijls het sterkst optreedt in het begin of in het midden der reeks, en naar het einde daarvan niet toeneemt, gelijk men zou hebben mogen verwachten als hij met de overerving van verkregen bekwaamheid in verband stond. Na te hebben aangetoond, dat wiskundigen en kunstenaars van den eersten rang alleen optreden op een bijzonderen trap van menschelijke ontwikkeling, besluit hij als volgt:
„Omtrent dit onderwerp wensch ik hier alleen bij te voegen, dat volgens mijn meening talenten niet het gevolg zijn van de ontwikkeling van deze of gene eigenschap van het verstand door voortdurende oefening, maar dat zij de uitdrukking en tot zekere hoogte het bijproduct [234]zijn van den menschelijken geest, die in alle richtingen zoo hoog ontwikkeld is.”
Wallace, welke deze plaats van Weismann aanhaalt, is met diens verklaring van het vraagstuk in geenen deele tevreden. Hij meent, dat de bedoelde vermogens duidelijk wijzen op de aanwezigheid in den mensch van iets, dat hij niet aan zijn dierlijke voorouders heeft ontleend, en dat men het best zou kunnen aanduiden als een wezen van geestelijken aard of natuur, vatbaar om zich onder gunstige omstandigheden progressief te ontwikkelen,—dat zij verder duidelijk wijzen op een onzichtbaar heelal, een geestelijke wereld, waaraan deze stoffelijke wereld geheel ondergeschikt is.
Zeker zullen velen onzer lezers hierin met voldoening de oude dualistische leer dat de mensch uit ziel en lichaam bestaat, terugvinden, en in Wallace’s verklaring een zinspeling meenen te zien op de dogma’s van den Christelijke godsdienst. Ten onrechte echter, want de juiste verklaring is dat de heer Wallace spiritist is. Als hij van de onzichtbare wereld der geesten (spirits) spreekt, bedoelt hij daarmede de klopgeesten die zich in dansende tafels enz. onder den invloed der mediums openbaren. Of het vermogen van boert of scherts onder den invloed der zoogenaamde „spotgeesten” is ontstaan, die, gelijk bekend is, bij de spiritistische openbaringen zulk een groote rol spelen, zegt hij echter niet! Gelijk men weet, zijn volgens spiritisten de klopgeesten zielen van afgestorvenen. Om na den dood als klopgeest te kunnen optreden, moet de ziel natuurlijk als zelfstandig geestelijk wezen reeds tijdens het leven van den mensch bestaan. Van waar nu de eerste geesten kwamen, die tijdens de mensch zich uit zijn dierlijke voorouders ontwikkelde, hem daarbij behulpzaam waren, blijft in ’t duister. Zielen van menschen kunnen die eerste geesten niet zijn geweest, want vóór de mensch zich had gevormd, bestonden er natuurlijk geen zielen van afgestorven menschen. Waren het dan de zielen van redelijke wezens die op andere wereldbollen hadden geleefd? Ook dit vraagpunt blijft in ’t duister!
Dat Wallace, de zelfstandige mede-opsteller van Darwin’s theorie en een der scherpzinnigste natuuronderzoekers die ooit hebben geleefd, spiritist is, en wel spiritist met hart en ziel in de meest uitgestrekte beteekenis van dat woord, is boven elken twijfel verheven. Dat hij aan spookhuizen en de verschijning van spoken daarin, aan het verschijnen van geesten van afgestorvenen om hun bloedverwanten hun dood aan te kondigen, aan het dierlijk magnetisme met inbegrip van [235]helderzienheid (clairvoyance), aan odkracht enz. enz. gelooft, niet minder. Daarentegen is hij geen aanhanger der zoogenaamde reïncarnatieleer, (d.i. de leer der zielsverhuizing, der wedergeboorte in een nieuw menschelijk lichaam op aarde), maar neemt aan dat de menschelijke ziel zich na den dood in de geestenwereld tot het oneindige kan ontwikkelen, en er dus een zeer groot aantal geesten van verschillenden ontwikkelingsgraad bestaan, die de gaping tusschen mensch en God aanvullen. „De groote wet der continuïteit of van den samenhang van alles (als de laatste uitspraak der moderne wetenschap, welke in alle sferen der stof, der kracht en des geestes, zoover wij ze kunnen doorvorschen, absoluut schijnt te zijn) kan”, zegt Wallace aan het slot van het voorwoord van zijn werk „The Scientific Aspect of the Supernatural”, „onmogelijk ophouden te gelden, zoodra wij ons boven de enge sfeer van onzen gezichtseinder verheffen. Er kan geen oneindige afgrond bestaan tusschen den mensch en den grooten Geest van het Heelal; een dergelijke hypothese komt mij in de hoogste mate onwaarschijnlijk voor.”2
Hoe geheel anders Darwin over het spiritisme dacht, blijkt uit het volgende uittreksel uit een brief, geschreven 18 Januari 1874, en betrekking hebbende op een spiritistische séance ten huize van zijn broeder Erasmus, 6 Queen Anne straat Londen, gehouden, met medewerking van een zeer bekend medium.
„.….Laatst hadden wij op een achtermiddag veel pret; want George had een medium gehuurd, dat de stoelen, een fluit, een schel, een kandelaar en vuurvonken in mijn broeders eetvertrek rond liet springen op een wijze die iedereen in verbazing bracht en ademloos stil maakte. Het was in het duister, maar George en Hensleigh Wedgwood hielden voortdurend de handen en voeten van het medium aan weêrszijden vast. Ik vond het er zoo drukkend warm en vervelend, dat ik wegging, vóór al deze verbazende wonderen of goochelkunsten plaats hadden. Hoe de man bij mogelijkheid kon doen wat werd gedaan, gaat mijn begrip te boven. Ik kwam naar beneden en zag al de stoelen enz. [236]op de tafel staan, die over de hoofden van hen die er om heên zaten, opgelicht was geworden.
„De hemel zij ons genadig als wij aan zulken onzin3 moeten gelooven. F. Galton was er bij en zegt dat het een goede séance was.….”
Bedoelde séance gaf aanleiding, dat er een kleinere en met meer zorg ingerichte op touw werd gezet, waarbij Professor Huxley tegenwoordig was, die er aan Darwin rapport over uitbracht. Deze schreef daarop aan Huxley den volgenden brief:
Down, 20 Januari 1874.
„Waarde Huxley!
„Het was zeer goed van U zulk een lang verslag voor mij te schrijven. Hoewel de séance U zoozeer verveelde, was zij, dunkt mij, de inspanning wel waard, daar de zelfde soort van zaken op alle séances worden gedaan, zelfs op die bij.…., en nu zouden voor mijn geest verbazend sterke bewijsgronden noodig zijn om iemand te doen gelooven dat het iets meer was dan bloote fopperij … Het doet mij genoegen als ik mij herinner, dat ik eergisteren aan mijn geheele huisgezin heb verklaard, dat hoe langer ik nadacht over hetgeen ik hoorde dat in Queen Anne straat was geschied, hoe meer ik overtuigd werd, dat het alles bedrog was .… mijn theorie was, dat [het medium] het zoo wist in te richten, dat de beide personen aan weêrszijden van hem elkanders handen vasthielden, in plaats van de zijne en hij daardoor vrij was om zijn kluchten uit te voeren. Ik ben zeer blijde, dat ik U mijn ukase uitvaardigde om er bij tegenwoordig te zijn.
Uw toegenegen
Charles Darwin.”
[237]
1 Wij herinneren hier, dat er onder de oudheden uit de rendierperiode in het Zuiden van Frankrijk ook een zoogenaamde Pansfluit is gevonden, uit pijpen van verschillende lengte (en dus verschillende tonen gevende) samengesteld, een bewijs, dat de voorhistorische mensch aldaar wel degelijk verschillende modulaties met zijn instrument uitdrukte. ↑
2 Geschreven te Londen, Januari 1874. Een uittreksel van Wallace’s „Scientific Aspect of the Supernatural” (Het Bovennatuurlijke van een Wetenschappelijk Standpunt beschouwd) en een vrije bewerking van zijn verdediging van het hedendaagsche spiritisme („Defence of modern Spiritualism”) vindt men in het Nederlandsche werk „Een Nieuw Veld voor de Wetenschap”, ’s Gravenhage, Mensing en Visser, 1877. Geen lezer van dat werk zal in twijfel trekken, dat Wallace een volkomen overtuigd spiritist is. ↑