[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.

De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken invloed uit.—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat verkeerden.

De onderwerpen die in dit hoofdstuk moeten worden besproken, zijn van het hoogste belang, maar worden door mij slechts hoogst onvolkomen stuksgewijze behandeld. De heer Wallace toont in een reeds vroeger aangehaalde verhandeling1 aan, dat de mensch, nadat hij gedeeltelijk die verstandelijke en zedelijke vermogens had verkregen, welke hem van de lagere dieren onderscheiden, slechts weinig vatbaarheid moet hebben bezeten voor veranderingen in zijn lichamelijk maaksel door natuurlijke teeltkeus of andere middelen. Want de mensch is door zijn geestvermogens in staat „met een onveranderd lichaam in harmonie te blijven met het veranderd heelal.” Hij bezit een groot vermogen om zijn gewoonten te wijzigen naar de behoeften, door nieuwe levensvoorwaarden ontstaan. Hij vindt wapenen, werktuigen en verschillende listen uit, waarmede hij zich voedsel verschaft of zich verdedigt. Als hij naar een kouder klimaat verhuist, gebruikt hij kleederen, bouwt hutten en ontsteekt vuur; met behulp van het vuur kookt hij voedsel, dat anders onverteerbaar zou zijn. Zelfs in een lang vervlogen tijdperk maakte hij eenigszins gebruik van de verdeeling van den arbeid.

Bij de lagere dieren moet daarentegen het maaksel van het lichaam worden gewijzigd, willen zij bij sterk veranderde levensvoorwaarden blijven bestaan. Zij moeten sterker worden of scherper tanden of klauwen verkrijgen om zich tegen hun vijanden te verdedigen; [238]of zij moeten in grootte afnemen om aan ontdekking en gevaar te ontkomen. Als zij naar een kouder klimaat verhuizen, moeten zij met een dikker pels worden bekleed of hun gestel moet veranderen. Wanneer zij dergelijke wijzigingen niet ondergaan, zullen zij ophouden te bestaan.

Met de verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch is het, zooals de heer Wallace terecht heeft beweerd, geheel anders gesteld. Deze vermogens zijn variabel, en wij hebben alle reden om te gelooven, dat die variaties een neiging tot erfelijkheid hebben. Als zij daarom vroeger van hoog belang waren voor den oorspronkelijken mensch en zijn op apen gelijkende voorouders, moeten zij door natuurlijke teeltkeus meer volkomen gemaakt en vooruitgegaan zijn. Over de hooge belangrijkheid der verstandelijke vermogens kan geen twijfel bestaan; want de mensch heeft daaraan voornamelijk zijn verheven plaats op aarde te danken. Wij kunnen nagaan, dat in den ruwsten staat der maatschappij, de individu’s die het scherpzinnigst waren, die de beste wapenen en vallen uitvonden en gebruikten, en die het best in staat waren zich te verdedigen, het talrijkste kroost moesten voortbrengen. De stammen die de meeste aldus begaafde mannen bezaten, moesten in aantal toenemen en andere stammen verdringen. Het aantal menschen hangt oorspronkelijk van de hoeveelheid levensmiddelen af, en deze gedeeltelijk van de natuurlijke gesteldheid van het land, maar in veel grooter mate van de kunsten die daar worden beoefend. Als een stam vermeerdert en overwint, wordt hij verder nog dikwijls vermeerderd, doordat andere stammen met hem samensmelten.2 De lichaamsgrootte en spierkracht van een stam zijn eveneens van belang voor zijn voorspoed, en deze hangen gedeeltelijk van den aard en de hoeveelheid voedsel af, die kan worden verkregen. In Europa werden de menschen van den bronstijd verdrongen door een machtiger ras, dat, te oordeelen naar de gevesten hunner zwaarden, grootere handen bezat3, maar de voorspoed van dit laatste was waarschijnlijk in veel hooger mate daaraan te danken, dat zij veel verder in de kunsten waren gevorderd.

Al wat wij van wilde volksstammen weten, of af mogen leiden uit hun overleveringen en uit oude gedenkteekenen, waarvan de geschiedenis [239]door de tegenwoordige bewoners volkomen is vergeten, bewijst, dat sedert de vroegste tijden voorspoedige stammen andere stammen hebben verdrongen. Overblijfselen van uitgestorven of vergeten stammen zijn overal op aarde ontdekt, zoowel in beschaafde landen als in de woeste vlakten van Amerika en op de eenzame eilanden van den Stillen Oceaan. In den tegenwoordigen tijd verdringen de beschaafde volken overal de onbeschaafde, behalve waar het klimaat een doodelijken slagboom daartegen opwerpt, en zij slagen daarin voornamelijk, hoewel niet uitsluitend, door hun kunsten, die voortbrengselen zijn van het verstand. Het is daarom hoogst waarschijnlijk, dat bij het menschelijk geslacht de verstandelijke vermogens trapsgewijze volkomener zijn geworden door natuurlijke teeltkeus; en dit besluit is genoegzaam voor ons doel. Ongetwijfeld zou het zeer belangwekkend zijn geweest, om de ontwikkeling van elk afzonderlijk vermogen te schetsen van den toestand waarin het zich bij lagere dieren bevindt, af, tot dien waarin het bij den mensch bestaat, toe; maar ik bezit noch genoegzame bekwaamheid, noch genoegzame kennis om dit te beproeven.

Het verdient opmerking, dat zoodra de voorouders van den mensch een gezellige levenswijze aannamen (en dit geschiedde waarschijnlijk in een zeer vroeg tijdperk), de vooruitgang der verstandelijke vermogens in hooge mate geholpen en gewijzigd moet zijn op een wijze, waarvan wij bij de lagere dieren slechts sporen zien, namelijk door het beginsel van nabootsing, verbonden met rede en ondervinding. Apen bezitten, evenals de laagste wilden, de aandrift tot nabootsing in zeer hooge mate; en het vroeger aangehaalde feit, dat na eenigen tijd geen dier op de zelfde plaats in de zelfde soort van val kan worden gevangen, bewijst alleen reeds, dat dieren door ondervinding leeren en elkanders omzichtigheid navolgen. Indien nu één man in een stam, die scherpzinniger dan de anderen was, eene nieuwe list of wapen, of andere middelen van aanval of verdediging uitvond, moest eenvoudig het eigenbelang zonder behulp van veel redeneering de andere leden van den stam aandrijven om hem na te volgen, en zoo moesten allen er voordeel uit trekken. De voortdurende uitoefening van een nieuwe kunst moest ook eenigermate het verstand versterken. Als de nieuwe uitvinding belangrijk was, moest de stam in aantal toenemen, zich uitbreiden en andere stammen verdringen. In een op die wijze talrijker geworden stam moest altijd meer kans bestaan op de geboorte van meer scherpzinnige en vindingrijke leden dan bij andere [240]stammen. Indien dergelijke mannen kinderen nalieten, die hun verstandelijke meerderheid erfden, moest de kans op de geboorte van nog vernuftiger leden iets grooter en in een zeer kleinen stam stellig grooter worden. Zelfs als zij geen kinderen achterlieten, bevatte de stam toch nog hun bloedverwanten; en de veefokkers verzekeren, dat men, door de bloedverwanten van een dier, dat bij het slachten goed was bevonden, uit te kiezen en met elkander voort te doen telen, het gewenschte kenmerk heeft verkregen.

Laten wij thans overgaan tot de sociale en zedelijke vermogens. De oorspronkelijke menschen of de op apen gelijkende voorouders van den mensch moesten, om een gezellige levenswijze aan te nemen, eerst de zelfde instinktmatige gevoelens verkrijgen, die andere dieren aandrijven om in gezelschap te leven; en vertoonden ongetwijfeld de zelfde algemeene neigingen. Zij moeten zich onaangenaam aangedaan hebben gevoeld als zij van hun makkers, voor welke zij een zekere mate van genegenheid koesterden, werden gescheiden; zij moeten elkander voor gevaar gewaarschuwd en bij den aanval en de verdediging geholpen hebben. Dit alles sluit een zekere mate van sympathie, trouw en moed in zich. Dergelijke sociale hoedanigheden, wier hooge belangrijkheid voor de lagere dieren door niemand wordt betwist, werden ongetwijfeld door de voorouders van den mensch op gelijksoortige wijze verkregen, namelijk door natuurlijke teeltkeus, geholpen door overgeërfde gewoonte. Als twee stammen van oorspronkelijke menschen, die in hetzelfde land woonden, elkanders mededingers waren, en als een dier stammen (de overige omstandigheden de zelfde zijnde) een grooter aantal moedige, medegevoel bezittende en getrouwe leden bezat, die altijd bereid waren om elkander voor gevaar te waarschuwen, te helpen en te verdedigen, moest die stam ongetwijfeld het best slagen en de andere overwinnen. Dat men steeds bedenke, van hoe hoog belang bij de onophoudelijke oorlogen der wilden trouw en moed moeten zijn. Het voordeel, dat gedisciplineerde soldaten over ongedisciplineerde hebben, is voornamelijk het gevolg van het vertrouwen dat elk hunner op zijn makkers stelt. Gehoorzaamheid is, zooals de heer Bagehot zeer juist heeft aangetoond4, van de hoogste waarde; want de een of andere vorm van [241]bestuur is beter dan in het geheel geen. Zelfzuchtige en twistzieke menschen zijn niet eensgezind, en zonder eendracht kan niets tot stand worden gebracht. Een stam die de bovengenoemde hoedanigheden in hooge mate bezat, moest zich uitbreiden en andere stammen overwinnen; maar in den loop der tijden moest hij, te oordeelen naar al wat wij van de geschiedenis van vroegere eeuwen weten, op zijn beurt onderdoen voor den eenen of anderen nog hooger begaafden stam. Zoo was er kans, dat de sociale en zedelijke hoedanigheden langzamerhand vooruitgingen en zich over de wereld verspreidden.

Men zou echter kunnen vragen, hoe het kwam, dat binnen de grenzen van een zelfden stam een groot aantal leden voor het eerst met deze sociale en zedelijke hoedanigheden begaafd werden, en op welke wijze deze hoedanigheden hoe langer hoe uitnemender werden. Het is uiterst twijfelachtig, of de meer medegevoel bezittende en welwillende menschen, of zij die het getrouwst waren aan hun makkers, een grooter aantal kinderen moesten nalaten, dan de zelfzuchtige en verraderlijke leden van den zelfden stam. Hij die bereid was zijn leven op te offeren, zooals menig wilde is geweest, liever dan zijn makkers te verraden, moest dikwijls geen kinderen nalaten die zijn edele inborst konden erven. De dapperste mannen die altijd bereid waren om in den oorlog aan de spits te staan en vrijwillig hun leven voor anderen op te offeren, moesten gemiddeld in grooter getale omkomen dan andere menschen. Daarom schijnt het nauwelijks mogelijk (als men bedenkt, dat wij hier niet spreken van éénen stam, die een anderen overwint), dat het aantal der mannen, met dergelijke deugden begaafd, toegenomen, of dat die deugden zelf hooger ontwikkeld zouden zijn door natuurlijke teeltkeus, dat is, door het overleven van hen die ze in de hoogste mate bezaten.

Hoewel de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vermeerdering van het aantal der dus begaafde menschen in den zelfden stam, te ingewikkeld zijn om dadelijk te worden nagegaan, kunnen wij echter eenige waarschijnlijke stappen aangeven. In de eerste plaats moest, zoodra de redeneerkracht en het vooruitziend vermogen der leden vooruitgingen, elk man spoedig door ondervinding leeren, dat hij, als hij zijn medemenschen hielp, gewoonlijk wederkeerig door hen werd geholpen. Door deze lage beweegreden verkreeg hij wellicht de gewoonte om zijn makkers te helpen, en de gewoonte om welwillende handelingen te volbrengen versterkt ongetwijfeld het medegevoel, dat den eersten [242]stoot aan welwillende handelingen geeft. Daarenboven hebben gewoonten die gedurende vele geslachten zijn gevolgd, een neiging tot erfelijkheid.

Er is echter een ander en veel machtiger prikkel voor de ontwikkeling der sociale deugden, namelijk, de lof en de afkeuring onzer medemenschen. De begeerte naar lof en de vrees voor schande berusten oorspronkelijk, zooals wij reeds hebben gezien, op het instinkt van medegevoel; en dit instinkt werd ongetwijfeld, evenals alle andere sociale instinkten, oorspronkelijk verkregen door natuurlijke teeltkeus. In hoe vroeg een tijdperk de voorouders van den mensch in den loop van hun ontwikkeling voor het eerst vatbaar werden om gevoelig te zijn voor en te worden aangedreven door den lof en de afkeuring hunner medeschepselen, kunnen wij natuurlijk niet zeggen. Het schijnt echter, dat zelfs honden gevoelig zijn voor aanmoediging, lof en afkeuring. De ruwste wilden bezitten het gevoel van roem, zooals zij duidelijk toonen door de zegeteekenen hunner heldendaden te bewaren, door hun gewoonte van bovenmate te snoeven en zelfs door de groote zorg die zij aan hun uiterlijk aanzien en versierselen besteden; want, wanneer zij geen prijs stelden op de meening hunner makkers, zouden dergelijke gewoonten zinneloos zijn.

Zij gevoelen ongetwijfeld schaamte, wanneer zij een hunner zedelijke regels overtreden; maar in hoe verre zij ook berouw ondervinden, is twijfelachtig. Ik was eerst verwonderd, dat ik mij niet kon herinneren ooit eenig voorbeeld van dit gevoel bij wilden te hebben opgeteekend gevonden, en Sir J. Lubbock getuigt5, dat ook hem daarvan geen voorbeeld bekend is. Als wij echter alle gevallen uit onzen geest verbannen die in romans en tooneelspelen en in bekentenissen, op het sterfbed aan priesters gedaan, worden medegedeeld, betwijfel ik, of velen van ons in den tegenwoordigen tijd getuige zijn geweest van een oprecht berouw; hoewel wij dikwijls schaamte en droefheid over geringe misdrijven hebben gezien. Berouw is een diep verborgen gevoel. Het is niet te gelooven, dat een wilde die liever zijn leven zou opofferen, dan zijn stam te verraden, of die zich liever gevangen wil geven, dan zijn woord te breken, geen berouw zou gevoelen in het binnenste van zijn ziel, hoewel hij het ook verborgen mocht houden, als hij een plicht had verzuimd, dien hij voor heilig hield. [243]

Wij mogen daarom besluiten, dat in een zeer verwijderd tijdperk de lof of de afkeuring zijner makkers op den oorspronkelijken mensch invloed moet hebben uitgeoefend. Het is duidelijk, dat de leden van den stam een gedrag dat hun voorkwam voordeelig te zijn voor het algemeene welzijn, goedkeuren, en handelingen die daarmede in strijd waren, afkeuren moesten. Anderen goed te doen,—anderen te behandelen, zooals men zelf wenscht door hen te worden behandeld,—is de hoeksteen der zedelijkheid. Het is daarom nauwelijks mogelijk de belangrijkheid van de begeerte naar lof en de vrees voor afkeuring gedurende onbeschaafde tijden te hoog te schatten. Iemand die niet door eenig diep instinktmatig gevoel werd gedreven om zijn leven voor het welzijn van anderen op te offeren, maar toch tot dergelijke daden werd aangezet door de zucht naar roem, moest door zijn voorbeeld de zelfde zucht naar roem bij anderen opwekken en door oefening het edel gevoel van bewondering versterken. Hij deed zoo wellicht veel meer goed aan zijn stam, dan door kinderen te verwekken, die aanleg bezaten om zijn eigen verheven karakter te erven.

Met vermeerderde ondervinding en rede, begrijpt de mensch de meer verwijderde gevolgen zijner handelingen, en de op het individu zelf betrekking hebbende deugden, zooals matigheid, kuischheid enz., die in vroege tijden, zooals wij hierboven zagen, zeer weinig in aanzien stonden, komen in hooge achting of worden zelfs voor heilig gehouden. Ik behoef echter niet te herhalen wat ik hierover in het derde hoofdstuk heb gezegd. Ten slotte bestaat onze zedelijke zin of geweten uit een zeer samengesteld gevoel, dat zijn eersten oorsprong vindt in de sociale instinkten, in hooge mate geleid door de goedkeuring onzer medemenschen, bestuurd door rede, eigenbelang, en in latere tijden door diepe godsdienstige gevoelens, bevestigd door onderwijs en gewoonte.

Men moet niet uit het oog verliezen, dat, hoewel een groote zedelijke ontwikkeling ieder individu en diens kinderen slechts weinig of geen voordeel boven de andere menschen van den zelfden stam geeft, een algemeene vooruitgang in zedelijke ontwikkeling en een vermeerdering van het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen echter ongetwijfeld aan een stam een zeer groot voordeel boven andere zal geven. Het valt niet te betwijfelen, dat een stam die vele leden bevatte, welke, daar zij een groote mate van vaderlandslievenden geest, trouw, gehoorzaamheid, moed en medegevoel bezaten, altijd bereid waren elkander te helpen en zich voor het algemeen welzijn op te offeren, andere [244]stammen zou overwinnen, en dit zou natuurlijke teeltkeus zijn. Ten allen tijde en overal op aarde hebben stammen andere stammen verdrongen; en daar zedelijkheid een der elementen van hun slagen is, moet de zedelijke ontwikkeling en het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen overal een neiging tot vergrooting en vermeerdering hebben.

Het is echter zeer moeielijk zich eenig oordeel er over te vormen, waarom deze of gene bijzondere stam en niet een andere voorspoedig geweest en geklommen is op de ladder der beschaving. Vele wilden zijn in den zelfden toestand als toen zij verscheidene eeuwen geleden werden ontdekt. Zooals de heer Bagehot heeft opgemerkt, zijn wij geneigd om vooruitgang als den normalen regel der menschelijke maatschappij te beschouwen; maar de geschiedenis spreekt dit tegen. De Ouden dachten daaraan zelfs niet; en evenmin doen dit tegenwoordig de volken in het Oosten. Volgens een andere groote autoriteit, den heer Maine6, „heeft het grootste gedeelte van het menschelijk geslacht nooit eenige de minste begeerte aan den dag gelegd naar verbetering van zijn maatschappelijke instellingen.” Vooruitgang schijnt af te hangen van de samenwerking van vele gunstige omstandigheden, veel te ingewikkeld om ze geheel te doorgronden. Het is echter reeds dikwijls opgemerkt, dat een koud klimaat, omdat het tot nijverheid en de beoefening van verschillende kunsten leidt, daartoe zeer bevorderlijk of zelfs onmisbaar is geweest. De Eskimo’s zijn, door harde noodzakelijkheid gedrongen, in vele vernuftige uitvindingen geslaagd, maar hun klimaat was te streng voor voortdurenden vooruitgang. Een nomadische levenswijze, hetzij in uitgestrekte vlakten of in de dichte bosschen der tropische gewesten of langs de stranden der zee, is in elk geval daarvoor zeer nadeelig geweest. Toen ik de onbeschaafde bewoners van Vuurland waarnam, trof het mij, dat het bezit van eenig eigendom, een vaste woonplaats en de vereeniging van vele huisgezinnen onder één opperhoofd de onmisbare vereischten voor beschaving waren. Dergelijke gewoonten maken de bebouwing van den grond bijna noodzakelijk; en de eerste stappen tot den landbouw waren waarschijnlijk, zooals ik elders7 heb aangetoond, het gevolg van een of ander toeval, zooals van het vallen van zaden van een vruchtboom op een hoop afval en het daardoor voortgebracht worden van een buitengewoon [245]schoone verscheidenheid. Het vraagstuk, hoe de wilden er toe zijn gebracht om hun eerste schreden op de baan der beschaving te zetten, is echter tegenwoordig nog veel te moeielijk om te worden opgelost.

De natuurlijke teeltkeus heeft ook op beschaafde volken invloed.Tot dusver heb ik den vooruitgang van den mensch slechts beschouwd van een half-menschelijken staat tot den toestand waarin zich de tegenwoordige wilden bevinden. Het zal echter wellicht de moeite waard zijn om hier eenige opmerkingen over de werking der natuurlijke teeltkeus op beschaafde volken bij te voegen. Dit onderwerp is op uitnemende wijze besproken door den heer W. R. Greg8 en vroeger door de heeren Wallace en Galton.9 Mijn meeste opmerkingen zijn aan deze drie schrijvers ontleend. Bij wilden worden zij die zwak van lichaam of geest zijn, spoedig geëlimineerd; en de overlevenden bezitten gewoonlijk een krachtige gezondheid. Wij beschaafden doen daarentegen ons uiterste best om de eliminatie tegen te gaan; wij bouwen gestichten voor krankzinnigen, idioten, verminkten en zieken; wij maken armenwetten, en onze geneeskundigen doen hun uiterste best om ieders leven zoo lang mogelijk te rekken. Er bestaat reden om te gelooven, dat de koepokinenting duizenden in het leven heeft behouden, die vroeger door hun zwak gestel aan de kinderpokken zouden zijn bezweken. Op die wijze worden de zwakke leden der beschaafde maatschappijen in staat gesteld hun soort voort te planten. Niemand die acht heeft geslagen op de voortteling onzer huisdieren, zal betwijfelen, dat zulks hoogst nadeelig op het menschenras moet inwerken. Het is verwonderlijk hoe spoedig gemis aan zorg of verkeerd bestede zorg tot ontaarding van een huisdierras leiden; maar, behalve in het geval van den mensch, is niemand zoo onwetend, dat hij zijn slechtste dieren toelaat zich voort te planten. [246]

De hulp die wij ons gedrongen gevoelen aan de hulpeloozen te geven, is voornamelijk een bijkomend gevolg van het instinkt van medegevoel, dat oorspronkelijk werd verkregen als een deel der sociale instinkten, maar later op de vroeger aangetoonde wijze teederder en over een ruimer kring verspreid werd. Wij zouden dat medegevoel ook niet kunnen beperken, wanneer wij daartoe door de hardvochtige rede werden genoodzaakt, zonder dat het edelste gedeelte onzer natuur er schade door leed. De heelmeester mag zich harden, terwijl hij een operatie doet; want hij weet dat hij tot het bestwil van zijn patiënt handelt; maar wanneer wij de zwakken en hulpeloozen opzettelijk veronachtzaamden, zou het alleen kunnen zijn om een onzeker toekomstig voordeel te verkrijgen door een zeker en groot tegenwoordig kwaad. Wij moeten daarom zonder ons er over te beklagen dulden, dat de zwakken blijven leven en hun soort voortplanten; maar er schijnt ten minste één beletsel tegen de voortdurende werking daarvan te bestaan, namelijk dat de zwakkere en mindere leden van de maatschappij niet zoo gemakkelijk huwen als de gezonden; en dit beletsel zou onbepaald kunnen worden vergroot, zoo de zwakken naar lichaam en geest zich van het huwelijk onthielden, hoewel dit meer is te hopen dan te verwachten.

In ieder land waar men er een groot staand leger op nahoudt, vallen de fraaiste jonge mannen in de loting of worden aangeworven. Zij zijn daardoor blootgesteld aan een vroegen dood gedurende den oorlog, worden dikwijls tot losbandigheid verleid en zijn verhinderd te trouwen gedurende den bloeitijd van het leven. De kortere en zwakkere mannen met slechte gestellen worden t’huis gelaten en hebben derhalve een veel betere kans om te huwen en hun soort voort te planten.10

De mensch verzamelt eigendom en laat dien aan zijn kinderen na, zoodat de kinderen van de rijken een voordeel boven die der armen hebben in den wedstrijd van het leven, onafhankelijk van lichamelijke of geestelijke meerderheid. Van den anderen kant komen kinderen van ouders die kort leven en dus door elkander genomen slechter van gezondheid en zwakker zijn, spoediger in het bezit van hun eigendom dan andere kinderen, en zullen kans hebben vroeger te huwen en een grooter aantal kinderen na te laten om hun slechtere gestellen te [247]erven. Doch de erfelijkheid van eigendom is op zich zelf ver van een nadeel, want zonder de opeenstapeling van kapitaal zouden de kunsten niet kunnen vooruitgaan; en het is voornamelijk door de macht van deze laatsten, dat de beschaafde rassen zich hebben uitgebreid en zich tegenwoordig nog overal uitbreiden ten koste der lagere rassen. De gematigde opeenstapeling van het kapitaal heft ook de werking der natuurlijke teeltkeus volstrekt niet geheel op. Als een arm man rijk wordt, komen zijn kinderen in zaken en betrekkingen waarin strijd genoeg is; en waarin zij die flink zijn ontwikkeld naar lichaam en geest, het beste slagen. Het bestaan van een stand van menschen die goed onderwijs hebben genoten en niet behoeven te werken voor hun dagelijksch brood, is zoo belangrijk, dat het nimmer te hoog kan worden geschat, daar al het hooge intellectueele werk door hen wordt volvoerd en daar van dat werk de materiëele vooruitgang in alle zaken voornamelijk afhangt, om andere en grootere voordeelen hier niet te vermelden. Ongetwijfeld maakt zeer groote rijkdom de menschen dikwijls tot nuttelooze leegloopers; maar het aantal daarvan is nooit groot en er heeft hierbij een soort van eliminatie plaats, daar wij dagelijks rijke menschen zien, die tevens dwazen of losbollen zijn en hun geheele vermogen verkwisten.

Het recht van eerstgeboorte met de bepaling van onvervreemdbaarheid van het erfgoed is een meer direct nadeel, hoewel het vroeger een groot voordeel moge zijn geweest, daar het aanleiding gaf tot het ontstaan van een heerschenden stand, en eenige vorm van staatsbestuur is beter dan in ’t geheel geen. De oudste zonen huwen gewoonlijk, hoe zwak zij naar lichaam en geest ook mogen zijn, terwijl de jongere zonen, al munten zij ook te dien opzichte uit, niet zoo algemeen huwen. Ook kunnen nietswaardige oudste zonen, waar de bepaling van onvervreemdbaarheid van het erfgoed bestaat, hun vermogen niet verkwisten. Maar hier zijn, evenals elders, de betrekkingen van het beschaafde leven zoo ingewikkeld, dat er sommige verevenende hinderpalen bestaan. De mannen, die door het recht van eerstgeboorte rijk zijn, zijn in staat om van generatie op generatie de schoonste en bekoorlijkste vrouwen uit te kiezen, en deze zullen gewoonlijk gezond van lichaam en werkzaam van geest zijn. De slechte gevolgen, welke die ook mogen zijn, van het voortdurend bewaard blijven van de zelfde lijn van afstamming zonder eenige teeltkeus worden daardoor tegengegaan, dat mannen van rang altijd hun rijkdom en macht wenschen te [248]vermeerderen, en dit brengen zij tot stand door met rijke erfdochters te huwen. Bij de dochters van ouders die slechts één enkel kind hebben verwekt, bestaat echter, zooals de heer Galton heeft aangetoond11, een aanleg tot onvruchtbaarheid; en zoo sterven de adellijke familiën telkens in de rechte lijn uit en vloeit hun rijkdom in het eene of andere zijkanaal; maar ongelukkig wordt dit zijkanaal niet bepaald door bijzondere voortreffelijkheid in het eene of andere opzicht.

Hoewel dus de beschaving op verschillende wijzen de werking der natuurlijke teeltkeus belemmert, begunstigt zij blijkbaar, door middel van de verbeterde voeding en de vrijwaring voor sommige soorten van nu en dan voorkomende ongevallen, de betere ontwikkeling van het lichaam. Men mag dit daaruit besluiten, dat, waar men ook beschaafde menschen en wilden in dit opzicht heeft vergeleken, men steeds heeft bevonden, dat de eersten meer lichaamskracht bezaten dan de laatsten. Zij schijnen ook even groote vermoeienissen en ontberingen te kunnen uitstaan, zooals door vele stoutmoedige tochten is bewezen. Zelfs de groote weelde der rijken kan niet zeer schadelijk zijn; want de vermoedelijke levensduur van onze aristocratie is op alle leeftijden en bij beide seksen slechts weinig korter dan bij gezonde Engelschen uit de lagere standen.12

Wij zullen nu de verstandelijke vermogens alleen beschouwen. Indien in elken stand der maatschappij de leden waren verdeeld in twee even talrijke groepen, waarvan de eene de meest- en de andere de minstverstandigen bevatte, kan er slechts weinig twijfel bestaan, dat de eersten in alle beroepen het best zou slagen en een grooter aantal nakomelingen nalaten. Zelfs in de laagste kringen der maatschappij moeten kunde en bekwaamheid eenig voordeel opleveren, hoewel dat voordeel bij vele bedrijven, ten gevolge der groote verdeeling van den arbeid, zeer gering moge zijn. Daarom zal er bij beschaafde volken eenige kans bestaan, dat de verstandelijk meer ontwikkelden zoowel in aantal als in gehalte toenemen. Ik wil echter niet beweren, dat die kans langs andere wegen niet meer dan opgewogen wordt, b.v. door de vermeerdering van de zorgelooze en niet om de toekomst denkende menschen; maar zelfs aan dezen moet bekwaamheid eenig voordeel opleveren. [249]

Men heeft dikwijls tegen beschouwingen als de voorgaande ingebracht, dat de uitnemendste mannen die ooit hebben geleefd, geen kinderen hebben nagelaten, die hun groot verstand konden erven. De heer Galton zegt13: „Ik betreur het, niet in staat te zijn de eenvoudige vraag op te lossen of, en in hoeverre, mannen en vrouwen die wonderen van genialiteit zijn, onvruchtbaar zijn. Ik heb echter aangetoond, dat uitstekende mannen zulks in geenen deele zijn.” Groote wetgevers, de grondvesters van weldadige godsdiensten, groote wijsgeeren en uitvinders hebben veel meer toegebracht tot den vooruitgang der menschheid door hun werken, dan door het nalaten eener talrijke nakomelingschap. In het geval van lichamelijke eigenschappen is het, gelijk ik in mijn „Ontstaan der Soorten” heb aangetoond, het voor de voortplanting uitgekozen worden van de een weinig beter begaafde, en de eliminatie van de een weinig, minder goed begaafde individu’s, en niet het bewaard blijven van sterksprekende en zeldzame afwijkingen die tot den vooruitgang eener soort leidt. Evenzoo zal het zijn gelegen met de verstandelijke vermogens; de iets meer ontwikkelde menschen zullen gemiddeld in elken stand van de maatschappij wat beter slagen dan de iets minder ontwikkelde, en de eersten zullen derhalve in aantal toenemen, als daartegen geen andere hinderpalen bestaan. Als bij een of ander volk het gehalte van de verstandelijke ontwikkeling en het aantal verstandige menschen is toegenomen, mogen wij, zooals de heer Galton heeft aangetoond, wegens de wet van afwijking van het gemiddelde verwachten, dat groote genieën iets veelvuldiger zullen verschijnen dan vroeger.

Ten opzichte der zedelijke hoedanigheden gaat de eliminatie van de slechtst begaafden zelfs bij de meestbeschaafde volken steeds eenigermate voort. Misdadigers worden ter dood gebracht of gedurende langen tijd gevangen gezet, zoodat zij hun slechte eigenschappen niet vrijelijk kunnen voortplanten. Zwartgallige en krankzinnige menschen worden opgesloten of brengen zich zelven om het leven. Driftige en twistzieke menschen sterven dikwijls een gewelddadigen dood. Ongestadige menschen die volstrekt geen vast beroep willen uitoefenen,—en dit overblijfsel van barbaarschheid is een groote hinderpaal voor de beschaving14,—verhuizen naar nieuw aangelegde volkplantingen, en blijken daar nuttige pioniers te zijn. Onmatigheid werkt zoo verwoestend, dat de vermoedelijke levensduur van een dronkaard op den [250]ouderdom b.v. van 30 jaren, slechts 13​8⁄10 jaar is; terwijl die van Engelsche landbouwers op den zelfden leeftijd 40​59⁄100 jaar is.15 Losbandige vrouwen krijgen weinig kinderen, en losbandige mannen huwen zelden; beiden lijden aan ziekten. Bij de teelt van huisdieren is de eliminatie van die individu’s welke in een of ander opzicht minder goed zijn, hoe gering hun getal ook moge zijn, in geenen deele een onbelangrijk element voor het succes. Vooral is zulks het geval met nadeelige kenmerken die neiging hebben om door atavisme opnieuw te verschijnen, zooals de zwarte kleur bij schapen; en bij den mensch zijn wellicht sommige zeer slechte neigingen die nu en dan, zonder dat men de oorzaak er van kan aangeven, in familiën verschijnen, niet anders dan atavismen, door terugkeer tot het type dier wilde voorouders, van welke wij niet door zeer vele generaties zijn gescheiden. (1) Deze beschouwingswijze schijnt inderdaad te worden teruggevonden in de gewone uitdrukking, dat dergelijke menschen de zwarte schapen van de familie zijn.

Wat de hooge zedelijke ontwikkeling van het algemeen en de vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen aangaat, werkt de natuurlijke teeltkeus blijkbaar slechts in geringe mate op beschaafde volken, ofschoon de oorspronkelijke zedelijke instinkten in den beginne op die wijze werden verkregen. Ik heb echter, toen ik over de lagere rassen handelde, reeds genoeg gezegd over de oorzaken die tot den vooruitgang der zedelijkheid leiden, namelijk: de goedkeuring onzer medemenschen,—de versterking van ons medegevoel door de gewoonte,—voorbeeld en navolging,—rede,—ondervinding en zelfs eigenbelang,—onderwijs gedurende de jeugd en godsdienstige gevoelens.

Op een hoogst belangrijken hinderpaal in beschaafde landen tegen een vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen is door de heeren Greg en Galton16 met nadruk gewezen, op het feit namelijk, dat de zeer arme en zorgelooze lieden, die dikwijls door ondeugd verlaagd zijn, bijna altijd vroeg huwen, terwijl de voorzichtige [251]en spaarzame lieden, die gewoonlijk ook andere deugden bezitten, eerst op lateren leeftijd huwen, opdat zij in staat zouden zijn op voldoende wijze in het onderhoud van zich zelven en hun kinderen te voorzien. Zij die vroeg huwen, brengen niet slechts in een gegeven tijd een grooter aantal generaties voort, maar Dr. Duncan17 heeft aangetoond, dat zij ook een grooter aantal kinderen voortbrengen. Daarenboven zijn de kinderen die geboren worden uit moeders welke in den bloeitijd van het leven zijn, zwaarder en grooter, en daarom waarschijnlijk ook sterker, dan die welke in een ander tijdperk worden geboren. Derhalve bestaat er bij de zorgelooze, verlaagde en dikwijls slechte leden der maatschappij een streven naar sneller vermeerdering dan bij de voorzichtige, spaarzame en over het algemeen deugdzame leden. Of, zooals de heer Greg het geval stelt: „De zorgelooze, smerige, onverschillige Ier vermenigvuldigt als de konijnen; de spaarzame, om den dag van morgen denkende, zich zelf eerbiedigende, eerzuchtige Schot, met zijn strenge zeden, zijn geestelijk geloof, zijn scherpzinnig en ontwikkeld verstand, brengt zijn beste jaren in inspanning en ongehuwd door, huwt laat en laat weinig nakomelingen achter. Gegeven een land, oorspronkelijk bewoond door een duizendtal Saksers en een duizendtal Kelten,—dan zullen in een dozijn generaties vijf zesde gedeelten van de bevolking Kelten zijn, maar vijf zesde gedeelten van den eigendom, de macht, het verstand zullen toebehooren aan het overblijvend één zesde, uit Saksers bestaande gedeelte der bevolking. In den eeuwigen „strijd om het bestaan”, zal het lagere en minder begaafde ras de bovenhand behouden,—en dat, niet krachtens zijn goede hoedanigheden, maar krachtens zijn gebreken.”

Er zijn echter eenige hinderpalen tegen dit streven naar achteruitgang. Wij hebben gezien, dat onder dronkaards de gemiddelde sterfte zeer groot is, en uiterst losbandige lieden laten weinig kroost na. De armste klassen zijn in de steden opeengehoopt, en Dr. Stark18 heeft uit een in Schotland gedurende tien jaren gehouden statistiek bewezen, dat op alle leeftijden de gemiddelde sterfte grooter is in de steden dan op het land, ja, „gedurende de vijf eerste levensjaren is de gemiddelde sterfte in de steden ongeveer dubbel zoo groot als op het land.” [252]Daar deze berekening zoowel de rijken als de armen omvat, zou ongetwijfeld meer dan het dubbele van het aantal geboorten noodig zijn om het aantal zeer arme bewoners in de steden in de zelfde verhouding te doen toenemen als die op het land.

Voor vrouwen is het huwelijk op al te vroegen leeftijd hoogst schadelijk; want in Frankrijk heeft men bevonden, dat „jaarlijks van de gehuwde vrouwen onder de twintig jaar tweemaal meer sterven dan van het zelfde aantal ongehuwde.” Ook de sterfte van gehuwde mannen onder de twintig jaar is „uiterst groot”19, wat echter de oorzaak hiervan is, schijnt twijfelachtig. Als eindelijk de mannen die voorzichtig hun huwelijk uitstellen tot zij hun huisgezin behoorlijk kunnen onderhouden, vrouwen uitkiezen die in den bloeitijd des levens zijn, en dit doen zij dikwijls, zal de gemiddelde hoegrootheid der vermeerdering van de meer welvarende klasse slechts weinig afnemen.

Uit een ontzaglijk aantal statistische gegevens, in het jaar 1853 verzameld, bleek, dat in Frankrijk de ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren in veel sterker verhouding sterven dan de gehuwde: van elke 1000 ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren stierven b.v. jaarlijks 11,3, terwijl van de gehuwde slechts 6,5 stierven.20 Het is bewezen, dat een dergelijke wet gedurende de jaren 1863 en 1864 steek hield bij de geheele bevolking van Schotland die boven de 20 jaar oud was: van elke duizend ongehuwde mannen op den leeftijd van 20–30 jaar stierven b.v. jaarlijks 14,97, en van de gehuwde slechts 7,24, dat is minder dan de helft.21 Dr. Stark bemerkt naar aanleiding hiervan: „De ongehuwde staat werkt verwoestender op het leven dan de ongezondste bedrijven, of dan het verblijf in een ongezond huis of in een ongezonde streek waar men nooit de geringste poging heeft gedaan om den gezondheidstoestand te verbeteren. Hij meent dat de verminderde sterfte een rechtstreeksch gevolg is „van het huwelijk en van de meer geregelde levenswijze welke met [253]dien staat gepaard gaat.” Hij geeft echter toe, dat de onmatige, losbandige en misdadige klassen, wier gemiddelde levensduur kort is, gewoonlijk niet huwen; en men moet eveneens aannemen, dat menschen met een zwak gestel, slechte gezondheid, of eenig groot lichamelijk of geestelijk gebrek, dikwijls niet zullen willen of kunnen huwen. Dr. Stark schijnt tot het besluit te zijn gekomen, dat het huwelijk op zich zelf een hoofdoorzaak van een lang leven is, omdat hij vindt, dat hoogbejaarde gehuwde mannen in dit opzicht nog een aanmerkelijk voordeel hebben boven ongehuwde van den zelfden hoogen leeftijd; maar iedereen zal wel voorbeelden kennen van menschen, die wegens hun zwakke gezondheid in hun jeugd niet huwden en toch hoogbejaard zijn geworden, hoewel zij voortdurend zwak bleven en dus steeds slechts een kleinere kans hadden om te blijven leven. Er is een andere merkwaardige omstandigheid, die Dr. Stark’s besluit schijnt te bevestigen, namelijk, dat weduwnaars en weduwen in Frankrijk in vergelijking van gehuwde lieden aan een zeer groote sterfte onderhevig zijn; maar Dr. Farr schrijft dit toe aan armoede en slechte gewoonten, die het gevolg zijn van het vaneenscheuren van het huisgezin en van droefheid. Over het geheel mogen wij met Dr. Farr besluiten, dat de mindere sterfte van gehuwde dan van ongehuwde lieden, die een algemeene wet schijnt te zijn, „hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de voortdurende eliminatie van onvolmaakte typen, en door de met bekwaamheid geschiedende keuze van de uitnemendste individu’s van elke opeenvolgende generatie”, welke keuze alleen betrekking heeft op den gehuwden staat, en op alle lichamelijke, verstandelijke en zedelijke hoedanigheden acht slaat. Wij mogen daaruit afleiden, dat gezonde en deugdzame lieden die uit voorzichtigheid een tijd lang ongehuwd blijven, aan geen bijzonder hooge sterfte onderhevig zijn.

Indien de verschillende hinderpalen in de beide laatste alinea’s opgenoemd, en wellicht andere die nog onbekend zijn, niet verhinderen, dat de zorgelooze, slechte en op andere wijzen mindere leden van de maatschappij zich sneller vermenigvuldigen dan de betere klasse van menschen, zal het volk achteruitgaan, zooals maar al te dikwijls in de wereldgeschiedenis is gebeurd. Wij moeten ons herinneren, dat de vooruitgang niet onveranderlijk regel is. Het is hoogst moeilijk te zeggen, waarom de eene beschaafde natie tot aanzien klimt, machtiger wordt en zich verder uitbreidt dan de andere; of waarom een zelfde natie op den eenen tijd sterker vooruitgaat dan op den anderen. Wij [254]kunnen alleen zeggen, dat dit afhangt van een vermeerdering van de bevolking in het algemeen, van het aantal mannen, met groote verstandelijke en zedelijke vermogens begaafd, zoowel als van de hoegrootheid dier vermogens. De lichamelijke eigenschappen, behalve in zoover een krachtig lichaam ook kracht aan den geest geeft, schijnen slechts weinig invloed te hebben.

Verschillende schrijvers hebben beweerd, dat, daar groote verstandelijke vermogens voor een volk voordeelig zijn, de oude Grieken, die in verstand eenige graden hooger stonden dan eenig ras dat ooit heeft bestaan22, indien de natuurlijke teeltkeus wezenlijk zulk eene groote macht bezat, nog meer in aanzien gestegen en in getal toegenomen hadden moeten zijn en geheel Europa hebben bevolkt. Hier hebben wij de stilzwijgende onderstelling, zoo dikwijls geschied ten opzichte van lichamelijke eigenschappen, dat er eenige aangeboren neiging bestaat tot voortdurende ontwikkeling van geest en lichaam. Elke soort van ontwikkeling hangt echter van den samenloop van vele gunstige omstandigheden af. De natuurlijke teeltkeus werkt slechts op een beproevende wijze. Individu’s en rassen kunnen zekere onbetwistbare voordeelen hebben verkregen, en toch zijn ondergegaan, omdat zij andere kenmerken misten. De Grieken kunnen zijn achteruitgegaan door gebrek aan samenhang tusschen de vele kleine staten, wegens de geringe grootte van hun geheele land, wegens de gewoonte om slaven te houden, of wegens zeer groote zinnelijkheid; want zij bezweken niet voor zij „tot in den grond waren ontzenuwd en bedorven.”23 De volken van West-Europa, die nu hun vroegere wilde voorouders zoo verbazend overtreffen en aan de spits der beschaving staan, zijn weinig of niets van hun voortreffelijkheid verschuldigd aan rechtstreeksche overerving van de oude Grieken, hoewel zij veel hebben te danken aan de geschrevene werken van dit verwonderlijke volk.

Wie kan met zekerheid zeggen, waarom de Spaansche natie, in een zeker tijdvak zoo machtig, door andere volken is voorbijgestreefd? De ontwaking der volken van Europa uit den slaap der middeleeuwen is nog moeielijker te verklaren. In dien vroegen tijd hadden, zooals de heer Galton heeft opgemerkt24, bijna alle mannen van edelen aard, zij [255]die zich toelegden op nadenken en geestbeschaving, geen ander toevluchtsoord dan in den boezem der kerk, die den ongehuwden staat eischte, en het kon moeielijk missen, of dit moest op elke opeenvolgende generatie een verderfelijken invloed uitoefenen. Gedurende het zelfde tijdvak koos de Heilige Inquisitie met de meeste zorg de meest vrijheidlievende en moedige mannen uit om hen te verbranden en gevangen te zetten. In Spanje alleen werden eenigen van de beste mannen,—zij die twijfelden en onderzochten, en zonder den twijfel kan geen vooruitgang bestaan,—gedurende drie eeuwen geëlimineerd in de verhouding van een duizendtal per jaar. Het kwaad dat de Katholieke kerk op die wijze heeft gesticht, hoewel ongetwijfeld in zekere, ja wellicht in groote mate opgewogen op andere wijze, is onberekenbaar; toch is Europa met ongeëvenaarde snelheid vooruitgegaan.

De merkwaardige voorspoed van de Engelschen als kolonisten boven andere Europeesche natiën, waarvan een vergelijking tusschen de toeneming van het aantal Canadeezen van Engelsche en van Fransche afkomst een goed voorbeeld oplevert, is toegeschreven aan hun „koene en volhardende energie”; maar wie kan zeggen, hoe de Engelschen die energie verkregen.

Er is blijkbaar veel waars in het geloof, dat de verwonderlijke vooruitgang der Vereenigde Staten, zoowel als het karakter van hun bewoners, het gevolg zijn van natuurlijke teeltkeus, daar de energiekste, rustelooste en moedigste mannen van alle deelen van Europa gedurende de tien of twaalf laatste generaties naar dat groote land verhuisd en daar het best geslaagd zijn.25 Met het oog op een verre toekomst, geloof ik, dat de heer Zincke zich niet aan overdrijving schuldig maakt, wanneer hij zegt26: „Alle andere reeksen van gebeurtenissen,—zoowel die welke uitliepen op de geestbeschaving van Griekenland, als die welke het aanzijn gaven aan het Romeinsche Rijk,—schijnen alleen een doel en waarde te hebben als men ze beschouwt in verband met, of liever als ondergeschikt aan .… den grooten stroom der Anglo-Saksische emigratie naar het Westen.” Hoe duister ook het vraagstuk [256]van den vooruitgang der beschaving zij, wij kunnen toch ten minste begrijpen, dat een volk hetwelk gedurende een langdurig tijdperk het grootste aantal verstandelijk hoog ontwikkelde, energieke, dappere, vaderlandslievende en welwillende menschen voortbracht, over het algemeen de bovenhand moest behouden over minder begunstigde natiën.

De natuurlijke teeltkeus is het gevolg van den strijd om het bestaan, en deze van een snelle vermeerdering. Het is onmogelijk de snelheid niet te betreuren, met welke het menschelijk geslacht naar vermeerdering streeft (of het verstandig is zulks te doen, is een andere vraag); want deze leidt bij wilde stammen tot kindermoord en vele andere misdaden, bij beschaafde natiën tot ellende, armoede, een ongehuwd leven en tot late huwelijken van hen die om den dag van morgen denken. Daar de mensch echter onderhevig is aan de zelfde physieke kwalen als de lagere dieren, heeft hij geen recht om te verwachten, dat hij vrij zal zijn van de kwalen die het gevolg zijn van den strijd om het bestaan. Als men nagaat, dat in vele deelen der wereld verbazend uitgestrekte en hoogst vruchtbare streken, die in staat zouden zijn talrijke gelukkige huisgezinnen te voeden, slechts door eenige weinige zwervende wilden worden bewoond, zou men kunnen beweren, dat de strijd om het bestaan niet hevig genoeg is geweest om den mensch tot zijn hoogste ontwikkeling te brengen. Te oordeelen naar al wat wij weten van den mensch en van de lagere dieren, is er altijd genoeg verscheidenheid geweest in de verstandelijke en zedelijke vermogens om ze voortdurend door natuurlijke teeltkeus vooruit te doen gaan. Ongetwijfeld vereischt een dergelijke vooruitgang een samenloop van vele gunstige omstandigheden; maar het mag worden betwijfeld, of zelfs de gunstigste wel voldoende zouden zijn geweest, zoo er geen neiging tot snelle vermeerdering bestaan en derhalve geen uiterst hevige strijd om het bestaan plaats gehad had. Naar hetgeen wij bijvoorbeeld in sommige deelen van Zuid-Amerika zien, schijnt het zelfs, dat een volk dat beschaafd mag worden genoemd, zooals de Spaansche kolonisten, kans loopt om vadsig te worden en achteruit te gaan, als de levensvoorwaarden zeer gemakkelijk zijn. Bij hoogst beschaafde natiën hangt de voortdurende vooruitgang in ondergeschikte mate van natuurlijke teeltkeus af; want dergelijke natiën verdringen elkander niet en roeien elkander niet uit, gelijk wilde stammen. Toch zullen de meer verstandige leden in de zelfde maatschappij op den langen duur beter slagen en talrijker kroost nalaten dan de minder verstandige, [257]en dit is een vorm van natuurlijke teeltkeus. De meer werkdadige oorzaken van vooruitgang schijnen te bestaan in een goede opvoeding gedurende de jeugd, als de hersenen vatbaar voor indrukken zijn, en in een hoogen trap van uitnemendheid, ingeprent door de bekwaamste en beste mannen, verlichamelijkt in de wetten, zeden en overleveringen van de natie, en versterkt door de publieke opinie. Men bedenke echter, dat deze versterking door de openbare meening afhankelijk is van de waarde die wij aan de goed- of afkeuring van anderen hechten, en die waardeering is gegrond op ons medegevoel, hetwelk wij moeilijk kunnen betwijfelen, dat oorspronkelijk is ontwikkeld door natuurlijke teeltkeus als een der meest belangrijke bestanddeelen van de sociale instinkten.27

Bewijzen dat alle beschaafde natiën eens in wilden staat verkeerden. Daar wij de trappen moeten beschouwen, door welke een of ander half-menschelijk schepsel allengs is opgeklommen tot den rang van den mensch in zijn meest volkomen staat, kan dit onderwerp niet geheel onbemerkt worden voorbijgegaan.

Het is echter op zoo volledige en bewonderenswaardige wijze behandeld door Sir J. Lubbock28, de heeren Tylor, M’Lennan en anderen, dat ik hier slechts een zeer kort overzicht behoef te geven van hun resultaten. De onlangs door den Hertog van Argyll29 en vroeger door den Aartsbisschop Whately aangevoerde bewijsgronden ten gunste van het geloof, dat de mensch als een beschaafd wezen in de wereld kwam, en dat alle wilde stammen sinds dien tijd zijn achteruitgegaan, schijnen mij zwak in vergelijking van die, welke van de andere zijde worden aangevoerd. Vele natiën zijn ongetwijfeld in beschaving achteruitgegaan, en sommige wellicht tot de uiterste barbaarschheid vervallen, hoewel ik voor dit laatste geen enkel bewijs heb gevonden. De Vuurlanders werden waarschijnlijk door andere veroverende horden gedwongen om zich in hun ongastvrij land te vestigen, en kunnen ten gevolge daarvan nog een weinig lager zijn gezonken; maar men zou moeielijk kunnen bewijzen, dat zij tot grooter barbaarschheid zijn vervallen dan de Botocudo’s, die de schoonste gedeelten van Brazilië bewonen. [258]

De bewijzen dat alle beschaafde volken de afstammelingen van wilden zijn, berusten eerstens op duidelijke sporen van hun voormaligen onbeschaafden toestand in nog bestaande gewoonten, meeningen, spreekwijzen, enz.; en in de tweede plaats, op bewijzen dat wilden in staat zijn door eigen ontwikkeling eenige weinige schreden voorwaarts te doen op de baan der beschaving en zulks ook werkelijk hebben gedaan. De gronden voor de eerste bewering zijn hoogst merkwaardig, maar kunnen hier niet worden medegedeeld. Ik verwijs naar zulke gevallen als b.v. dat van de telkunst die, zooals de heer Tylor duidelijk aantoont door de woorden die op sommige plaatsen nog worden gebruikt, ontstond door eerst de vingers van de eene hand, daarna die van de andere, en eindelijk de teenen te tellen. Wij hebben daarvan nog sporen in ons eigen tientallig stelsel en in de Romeinsche cijfers, die na het getal V te hebben bereikt, wanneer ongetwijfeld de andere hand werd gebruikt, in VI, enz. overgaan. Evenzoo „gebruiken wij, als wij spreken van drie-score en tien, het twintigtallig stelsel, daar elk aldus in de gedachten gemaakt score staat voor 20—of „één mensch”, zooals een Mexicaan of Caraïbe het zou uitdrukken.”30 (2) Volgens een groote en toenemende school van taalkundigen draagt iedere taal de kenteekenen van haar langzame en trapsgewijze ontwikkeling. Het zelfde is het geval met de schrijfkunst, daar de letters rudimenten zijn van afbeeldingen van voorwerpen. Het is bijna niet mogelijk het werk van den heer M’Lennan te lezen31, en niet toe te geven, dat bijna alle beschaafde volken eenige sporen hebben behouden van zulk een ruwe gewoonte als het met geweld rooven der vrouwen. De zelfde schrijver vraagt, welke natie kan worden genoemd, die oorspronkelijk in monogamie leefde? Het oorspronkelijke denkbeeld van recht was insgelijks hoogst ruw, zooals blijkt uit de wet van den strijd en andere gewoonten, waarvan nog sporen bewaard zijn gebleven. Vele bestaande bijgeloovigheden zijn de overblijfselen van vroegere valsche godsdienstige meeningen. De hoogste vorm van godsdienst,[259]—het groote denkbeeld van een God die de zonde haat en de rechtvaardigheid bemint,—was gedurende de oorspronkelijke tijden onbekend.

Laten wij nu tot de tweede soort van bewijs overgaan: Sir John Lubbock heeft aangetoond, dat sommige wilden in de laatste tijden een weinig zijn vooruitgegaan in sommige van hun meer eenvoudige kunsten. Als men de uiterst merkwaardige mededeelingen nagaat, die hij doet omtrent de wapenen, werktuigen en kunsten, gebruikt of uitgeoefend door wilden in verschillende deelen der wereld, kan men niet betwijfelen, dat dit bijna allen zelfstandige ontdekkingen zijn geweest, behalve wellicht de kunst om vuur te maken.32 De Australische boemerang (3) is een goed voorbeeld van een dergelijke onafhankelijke ontdekking. Toen Otaheite pas was ontdekt, waren deszelfs bewoners in vele opzichten verder gevorderd dan die van de meeste andere eilanden van Polynesië. Er bestaan geen goede gronden om aan te nemen, dat de groote beschaving van de inboorlingen van Peru en Mexico was voortgevloeid uit een vreemde bron33; vele in die landen inheemsche planten werden daar verbouwd en ook enkele inheemsche dieren waren er getemd (4).

Wij moeten bedenken, dat, als de bemanning van een uit een of ander half beschaafd land komend schip naar de stranden van Amerika was gedreven, zij op de inboorlingen zeer weinig invloed zou hebben uitgeoefend, tenzij deze reeds eenigszins in beschaving waren gevorderd, te oordeelen ten minste naar den geringen invloed der meeste zendelingen. Wanneer wij een zeer oud tijdvak van de wereldgeschiedenis beschouwen, vinden wij, om Sir J. Lubbock’s welbekende uitdrukkingen te gebruiken, een palaeolithische en neolithische periode, en niemand zal beweren, dat de kunst om ruwe vuursteenen werktuigen te slijpen, uit vreemde landen was ingevoerd. In alle landen van Europa tot Griekenland toe, in Palaestina, Indië, Japan, Nieuw-Zeeland en Afrika, met insluiting van Egypte, zijn vuursteenen werktuigen in overvloed gevonden; en van het gebruik daarvan bestaat bij de tegenwoordige inwoners geen overlevering. Er bestaan ook indirecte bewijzen van het voormalig gebruik van dergelijke werktuigen bij de Chineezen (5) en oude Joden. Het kan daarom moeielijk worden betwijfeld, dat de inwoners [260]van deze vele landen die bijna de geheele beschaafde wereld omsluiten, eens in wilden staat verkeerden. Om te gelooven, dat de mensch oorspronkelijk beschaafd was en later in zoovele landen tot de uiterste barbaarschheid verviel, moet men een beklagenswaardig laag denkbeeld koesteren van de menschelijke natuur. Het is blijkbaar een meer met de waarheid overeenkomstig en troostvoller denkbeeld, dat vooruitgang veel algemeener is geweest dan achteruitgang, dat de mensch, hoewel langzaam en met afgebroken schreden, is opgeklommen van een laag standpunt tot de hoogste ontwikkeling die hij nog in kennis, zedelijkheid en godsdienst heeft bereikt.

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

(1) Zeer belangwekkend is in het veel besproken, voor een drietal jaren in het Fransch vertaalde werk van Caesar Lombroso „Homo Delinquante” (de misdadige mensch) de min of meer nieuwe theorie van den atavistischen oorsprong van de misdaad. Volgens deze theorie zou de aanleg om misdadiger te worden een erfenis uit ouden tijd zijn, een verschijnsel dat vroeger deel uitmaakte van de organisatie en het karakter onzer voorouders en dat zich op noodlottige wijze bij sommigen hunner nakomelingen opnieuw vertoont door een soort van gril in de slecht verzekerde ontwikkeling van den mensch. Het atavisme is de bron van de misdaad, omdat alle levende wezens een neiging hebben om tot het oorspronkelijk type terug te keeren, en zoo plotseling zekere lang verloren kenmerken hunner voorouders te herkrijgen. Het atavisme staat in nauw verband met de erfelijkheid, maar onderscheidt er zich toch van. „Het is een erfelijkheid na zeer lange tusschenpoozen, waarvan de invloed, door nieuwere kenmerken lang verborgen, zich na eeuwen weder doet gevoelen.

Lombroso meent dus, dat handelingen die wij misdadig noemen, weleer gewone en normale handelingen zijn geweest, die van zelf uit het gestel van het menschelijk wezen voortvloeiden. De misdaad is volgens hem bij wilden de algemeene regel.

Paintel voegt er in zijn „Théorie de la tutelle pénale” bij: „Er is bij de wilden stammen niets dat op een voortdurend werkzaam geweten gelijkt.” De „verharde misdadiger” en onverbeterlijke recidivist is dus een vroeger type, door de wet van het atavisme opnieuw in het leven geroepen of gevormd, en dat men, om het te genezen, aan een speciale behandeling moet onderwerpen. Men versta wel, dat deze theorie niet van toepassing is op individu’s, wier wil onvoorziens door een samenloop van toevallige omstandigheden bezwijkt.

(2) Het Engelsche woord „score” beteekent een twintigtal op de zelfde wijze als ons woord „dozijn” een twaalftal beteekent. Evenzoo beteekent in Friesland „snees” en in Drenthe „stieg” een twintigtal. In het Fransch vindt men vele sporen van het twintigtallig stelsel, b.v. soixante-dix, quatre-vingt, quatre-vingt-dix, six-vingts (120, vroeger in gebruik) enz.

(3) „De Australische boemerang”. Sir J. Lubbock, („l’Homme avant [261]l’Histoire”, Fransche Vert. van Barbier, blz. 353) deelt omtrent dit merkwaardig wapen, dat uitsluitend aan Nieuw-Holland eigen is, o.a. het volgende mede: „Men noemt zoo een stok van gekromden vorm, gewoonlijk aan den eenen kant afgerond, aan den anderen plat, ongeveer 9 decimeter lang, 5 centimeter breed en 1,8 centimeter dik. Op het eerste gezicht gelijkt hij op een zeer grof gemaakten houten sabel. Hij wordt zoowel voor de jacht als voor den oorlog gebruikt. Men neemt hem aan het eene uiteinde in de rechterhand en werpt hem als een sikkel, hetzij in de lucht, van beneden naar boven, hetzij van boven naar beneden, zoodat hij den grond raakt op eenigen afstand van dengene, welke hem werpt. In het eerste geval vliegt hij voort met een draaiende beweging die een gevolg van zijn vorm is; na zich tot een groote hoogte in de lucht te hebben opgeheven, beschrijft hij plotseling een elliptische kromme lijn die hem terugbrengt tot het punt, van waar hij werd geworpen. Als men hem naar beneden op den grond werpt, springt hij in rechte lijn al ricochetteerende vooruit, totdat hij het voorwerp bereikt dat men wil treffen. De vreemdste kromme lijn wordt door dit wapen doorloopen, als men het onder een hoek, grooter dan 45°, in de lucht werpt; het komt dan zonder uitzondering aan de achterzijde terug, en de inboorling die het werpt, keert dan den rug, in plaats van het gelaat, naar den kant van het voorwerp dat hij wil treffen.34 De heer Merry, die eenigen tijd in Nieuw-Holland doorbracht, verhaalt mij, dat hij eens, zich willende overtuigen van de behendigheid, waarmede men den boemerang kon gebruiken, een belooning van 8 pence uitloofde voor elke maal, dat de boemerang terug zou komen naar de plaats, van waar men hem zou hebben geworpen. Hij teekende in het zand een cirkel van 5 à 6 voet middellijn en, hoewel het wapen met veel kracht werd geworpen, gelukte het den inboorling om het vijf keeren van de twaalf in den cirkel te doen terugkomen.”

(4) Het is een tamelijk algemeene dwaling, dat de inboorlingen van Amerika, tijdens de ontdekking, geen landbouw beoefenden en geen dieren hadden getemd. De landbouw bloeide echter in hooge mate bij de Peruanen, gelijk door mij in het aanhangsel op het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, II 509, uitvoerig is aangetoond, terwijl zij ook vee (de lama’s en alpaca’s) en pluimgedierte (de muskuseend) bezaten. Omtrent de cultuurplanten der Azteken zie men ib. I, 392. De Azteken bezaten ook „tamme kalkoenen en groote honden, in staat om met een stier te strijden, en die een lading van twee arroba’s (25 kilo) op een pakzadel droegen als zij op de jacht gingen.” Gomara, die kapelaan van Cortez was, spreekt op verschillende plaatsen van zijn werk35 er van, dat de ten noorden van Mexico wonende volksstammen groote kudden tamme bisons bezaten, die hun kleeding, spijs en drank opleverden. Men kweekte in hun land den wijnstok, moerbeziënboom en rozenboom aan.(?) Andere Indianen in het noorden der tegenwoordige Vereenigde Staten en in Canada bedienden zich van tamme herten om hun sleden voort te trekken. (Brasseur de Bourbourg, „Recherches sur les Ruines de Palenqué”, blz. XVIII, noot 8, 10). Omtrent den landbouw der Indianen van Noord-Amerika, zie men „Var. Huisd. en Cultuurpl.”, I, 363, 387. De Nonville schat de hoeveelheid maïs, door hem in vier dorpen der Seneca’s (in het zuiden der tegenwoordige Ver. Staten) vernield, op 2,400,000 hectoliters (Lubbock, „l’Homme avant l’Histoire”, Fransche vert. van Barbier, blz. 231). In Wisconsin vindt men te midden der dichtste [262]schijnbaar oorspronkelijke wouden overal de sporen eener overoude maïscultuur (ibid. blz. 232).36

Wanneer echter de Mexicaansche beschaving werkelijk uit geen vreemde bron kan worden afgeleid, hoe zijn dan de afbeeldingen van olifantachtige dieren te verklaren die men op de ruïnen van de overoude Mexicaansche stad Palinqué aantreft (vergelijk mijn stuk: „De Voorhistorische Mensch in Amerika”, Album der Natuur, 1870)? Stellen zij wellicht uitgestorven soorten voor?

(5) In Griekenland heeft men in 1870 een menschelijke woning uit den steentijd onder een 20 meters dikke vulkanische tuflaag gevonden. („Ergänzungsblätter zur Kenntnisz der Gegenwart”, Hildburghausen, Verlag des Bibliographischen Instituts; erstes Februarheft, 1870) In Indië zijn voor eenige jaren nabij Madras door de heeren King en Foote op een diepte van vijf meters een aantal zeer ruw bewerkte werktuigen gevonden, vervaardigd van een dichte half glasachtige kwartsiet, en zeer veel gelijkende op dergelijke werktuigen van vuursteen die men in Europa op zoovele plaatsen heeft gevonden („Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, XIV, blz. 155). Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen zijn drie steenen beitels, op Java gevonden.

In Egypte zijn tijdens de opening van het Suez-kanaal door de invités van den Khedive een overvloed van vuursteenen werktuigen op den Ghebel-el-Assassif, nabij de ruïnen van het oude Thebe, gevonden.

Ook in China heeft volgens een mededeeling van den heer Chevreuil in de vergadering van de Académie des Sciences van 13 Aug. 1866, vroeger een steenperiode bestaan. Hij bewijst uit een plaats uit het leven van Confucius door Amyot (Parijs, 1866), dat men aldaar ongeveer 1122 jaren voor Christus reeds ijzeren pijlpunten bezat, doch dat een overlevering van het voormalig gebruik van steenen pijlpunten gewaagde. De heer Stanislas Julien gaf hem (Chevreuil) een menigte plaatsen uit Chineesche werken op die onwederlegbaar bewijzen, dat ook in China in overoude tijden wapenen en werktuigen van steen werden gebruikt. Ook in Japan vond men voorhistorische steenen werktuigen.

Omtrent een voormalige steenperiode in Amerika die in sommige afgelegen streken zelfs nog heden voortduurt, verwijs ik naar mijn stuk „de Voorhistorische Mensch in Amerika”, in het „Album der Natuur”, 1870.

Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen vindt men een steenen beitel uit Suriname en verschillende steenen wapens (pijlspitsen enz.) uit N-Amerika.

In Nieuw-Zeeland vond de heer Th. Tate in een hol op den Waiwo een ouden schedel-typus, ouder dan die der Maori’s, in gezelschap van beenderen van den uitgestorven Moa (Dinornis giganteus) en van steenen werktuigen („Anthrop. Review”, April 1867, blz. 244). Wij moeten hierbij echter opmerken, dat ook de Maori’s zelven, tijdens de ontdekking van Nieuw-Zeeland, steenen werktuigen gebruikten, evenals ook op Nieuw-Holland en elders in Australië het geval was. Een zeeofficier liet mij een zeer fraaien steenen beitel zien, door hem uit Nieuw-Guinea medegebracht, en voegde er bij, dat daar verhaald werd, dat zulke steenen ontstonden als de bliksem in den grond sloeg, wat aan Europeesche folk-lore omtrent dergelijke beitels (donderbeitels) herinnert. [263]

De beitel gelijkt volkomen op de Europeesche uit de neolithische periode.

Men vergelijke ook omtrent de voorhistorische bewoners van Europa enz. mijn werkje „De voorhistorische mensch in Europa”, ’s Gravenhage, Gebr. Belinfante, 1890; H. le Hon, „De mensch in de voorwereld”, bewerkt door H. M. C. van Oosterzee, Amsterdam, 1869, Gebr. Koster; Sir John Lubbock, „De oorsprong der beschaving”, voor ons volk uit het Engelsch vertaald. Met eene aanbeveling van Jhr. B. H. C. K. van der Wijck, Hoogleeraar te Groningen, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, en „De mensch voor de geschiedenis”, door Dr. T. C. Winkler, Leiden, P. van Santen, 1877 (thans Gebr. Cohen). [264]


1Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII. 

2 Na eenigen tijd beweren, zooals de heer Maine opmerkt („Ancient Law”, 1861, blz. 131), de leden van een stam, die met een anderen samengesmolten zijn, dat zij gezamenlijk van de zelfde voorouders afstammen. 

3 Morlot, „Soc. Vaud. Sc. Nat.”, blz. 294. 

4 Zie een merkwaardige reeks artikelen over „Physics and Politics” in de „Fortnightly Review”, Nov. 1867; 1 April, 1868; 1 Juli, 1869. 

5 De heer Wallace geeft hiervan voorbeelden in zijn „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 354. 

6Ancient Law”, 1861, blz. 22. Voor de opmerkingen van den heer Bagehot, „Fortnightly Review”, 1 April 1868, blz. 452. 

7 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 360. 

8Frasers Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. Dit artikel schijnt veel personen te hebben getroffen en heeft aanleiding gegeven tot twee merkwaardige verhandelingen en een repliek in den „Spectator”, 3 en 17 Oct. 1868. Het is ook besproken in het „Q. Journal of Science”, 1869, blz. 152, door den heer Lawson Tait in het „Dublin Q. Journal of Medical Science”, Febr. 1869, en door den heer E. Ray Lankester in zijn „Comparative Longevity”, 1870, blz. 128. Dergelijke beschouwingen verschenen reeds vroeger in de „Australasian”, 13 Juli 1867. Ik heb aan verscheidenen dezer schrijvers denkbeelden ontleend. 

9 Voor den heer Wallace, zie „Anthropolog. Review”, op de vroeger aangehaalde plaats. De heer Galton in „Macmillan’s Magazine”, Aug. 1865, blz. 318; ook zijn groot werk, „Hereditary Genius”, 1870. 

10 Prof. H. Fick („Einfluss der Naturwissenschaft auf das Recht”, Juni 1872) geeft eenige goede opmerkingen omtrent deze en andere dergelijke zaken. 

11Hereditary Genius”, 1870, blz. 132–140. 

12 Zie de vijfde en zesde kolom van de uit goede bronnen geputte tabel in het werk van den heer E. R. Lankester, „Comparative Longevity,” 1870, blz. 115. 

13Hereditary Genius”, 1870, blz. 330. 

14Hereditary Genius”, 1870, blz. 347. 

15 E. Ray Lankester, „Comparative Longevity”, 1870, blz. 115. De opgave omtrent dronkaards is uit Nelson’s „Vital Statistics”. Ten opzichte van losbandigheid, zie Dr. Farr, „Influence of Marriage on Mortality”, „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”, 1858. 

16Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. „Macmillan’s Magazine”, Aug. 1865, blz. 318. De weleerw. heer F. W. Farrar („Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 264) beschouwt de zaak uit een ander oogpunt. 

17On the Law of the Fertility of Women” in „Transact. Royal Soc.” Edinburgh, vol. XXIV, blz. 287. Zie ook de opmerkingen van den heer Galton over het zelfde onderwerp „Hereditary Genius”, blz. 352–357. 

18Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc. in Scotland”, 1867, blz. XXIX. 

19 Deze aanhalingen zijn ontleend aan onze hoogste autoriteit in dergelijke vraagstukken, namelijk Dr. Farr in zijn verhandeling „On the Influence of Marriage on the Mortality of the French People”, voorgedragen voor de „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”, 1858. 

20 Dr. Farr, ibid. De lager aangehaalde feiten zijn aan de zelfde treffende verhandeling ontleend. 

21 Ik heb het gemiddelde genomen van de gemiddelden over vijf jaren, gegeven in „The Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc., in Scotland”, 1853. De aanhaling van Dr. Stark is overgenomen uit een artikel in de „Daily News”, 17 Oct. 1868, dat Dr. Farr voor zeer zorgvuldig geschreven houdt. 

22 Zie het vernuftige en oorspronkelijke bewijs daarvan bij den heer Galton, „Hereditary Genius”, blz. 340–342. 

23 De heer Greg, „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 157. 

24Hereditary Genius”, 1870, blz. 357–359. De weleerw. heer F. H. Farrar („Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 257) brengt bewijsgronden daartegen in. De heer Lyell heeft reeds vroeger („Principles of Geology”, vol. III, 1868, blz. 489) in een treffende passage de aandacht gevestigd op den slechten invloed der Heilige Inquisitie, daar zij door teeltkeus de algemeene verstandelijke ontwikkeling heeft doen achteruitgaan. 

25 De heer Galton, „Macmillan’s Magazine”, Augustus 1865, blz. 325. Zie ook „Nature”, „On Darwinism and National Life”, Dec. 1869, blz. 184. 

26Last Winter in the United States”, 1868, blz. 29. 

27 Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer John Morley voor eenige goede kritische opmerkingen omtrent dit onderwerp; zie ook Broca, „Les Sélections”, „Revue d’Anthropologie”, 1872. 

28On the Origin of Civilisation”, „Proc. Ethnological Soc.”, 26 Nov. 1867. 

29Primeval Man”. 

30Royal Institution of Great Britain”, 15 Maart 1867. Ook, „Researches into the Early History of Mankind”, 1865. 

31Primitive Marriage”, 1865. Zie ook een uitnemend artikel, blijkbaar van dien zelfden schrijver, in de „North British Review”, Juli, 1869. Ook de heer L. H. Morgan, „A Conjectural Solution of the Origin of the Class. System of Relationship”, in „Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868. Prof. Schaaffhausen („Anthropolog. Review”, Oct. 1869, blz. 373) vestigt de aandacht op de „sporen van menschenoffers die men zoowel in Homerus als in het Oude Testament vindt.” 

32 Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit. 1889, chap. XV en XVI et passim

33 Dr. F. Müller heeft hierover eenige goede opmerkingen gemaakt, in de „Reise der Novara. Anthropolog. Theil”, Abtheil. III, 1868, blz. 127. 

34United States Explor. Exp.”, vol. I, blz. 191. 

35 Gomara, „Hist. de las Indias”, blz. 289. 

36 Vergelijk ook Max Scheffer, „Die Landwirthschaft der alt-Amerikanischen Kulturvölker”, Leipzig 1883.