DOOR
Dr. P. HARTING,
in leven Hoogleeraar te Utrecht.
A. Algemeene Stellingen.
1. De organische schepping maakt een onafgebroken geheel uit, van het eerste verschijnen van levende wezens op aarde af tot aan den tegenwoordigen tijd toe.
2. De vormen, waarin zich het leven opvolgend heeft geopenbaard, zijn steeds in overeenstemming geweest met de levensvoorwaarden en deze met de levensomstandigheden.
3. De levensvormen zijn het product van twee factoren: van de erfelijkheid der eigenschappen, die bewarend, en van het het zich voegen (adapteeren) naar de levensomstandigheden, dat veranderend werkt.2 [324]
4. Met en ten gevolge van de allengs voortgaande veranderingen waarvan de oppervlakte der aarde het tooneel is geweest, en van de ontwikkeling van de organische wereld zelve, heeft er een voortdurende differentieering der levensomstandigheden plaats gegrepen, waarmede een differentieering der levensvormen gelijken tred heeft gehouden.
5. Gedurende het bestaan van het organische leven op aarde zijn de levensvormen allengs samengestelder geworden in dien zin: dat zich bij de lagere en eenvoudiger vormen hoogere en samengestelder hebben gevoegd, die in het bezit waren van organen en organenstelsels, welke bij de vroeger geleefd hebbende vormen niet of in minder ontwikkelden toestand bestonden.
6. De ontwikkeling der organische vormen is echter niet een in alle richtingen progressieve geweest; zij is in bepaalde gevallen weder regressief geworden, zoowel ten aanzien der bijzondere levensvormen als ten aanzien der organen. Van laatstgenoemde kunnen, als gevolg van het beginsel der erfelijkheid, bij latere generaties nog zeer langen tijd sporen (rudimenten) overblijven, ook dan wanneer deze geenerlei voor het leven nuttige beteekenis meer hebben. Deze kunnen worden beschouwd als herinneringsteekens aan vroegere toestanden, waarin die deelen wel een nuttige beteekenis hadden.
7. De tijd, gedurende welken de aarde door levende wezens bewoond is geweest, is onberekenbaar lang en volkomen toereikend voor de voorstelling, dat de nakomelingen van oorspronkelijk gelijke vormen,—door zeer kleine, bij de individu’s optredende verschillen, maar die, zich erfelijk voortplantende en zich accumuleerende gedurende een reeks van opeenvolgende generaties, allengs grooter werden,—eindelijk zoozeer van elkander verschillen, dat zij tot onderscheidene Soorten, Geslachten, Families, Orden, en zelfs Klassen worden gebracht.
8. Een onderlinge vergelijking der levensvormen leert, dat zij de verwezenlijking zijn van grondplannen, met tallooze kleinere en grootere wijzigingen in de bijzonderheden der uitvoering, zonder dat daardoor het grondplan ophoudt herkenbaar te zijn. Deze gelijkheid van het plan van bewerktuiging van overigens door gedaante en levenswijze zeer uiteenloopende wezens, wijst met waarschijnlijkheid op een gemeenschappelijken oorsprong.
9. De ontwikkeling der individu’s, welke binnen een kort tijdsbestek plaats grijpt, levert tot op zekere hoogte een getrouw beeld van de opeenvolging der verschillende levensvormen in de zeer lange tijdsruimte, [325]welke is verstreken sedert de aarde de woonplaats van levende wezens is geworden. Elke individueele levensvorm doorloopt gedurende zijn ontwikkeling een reeks van toestanden, welke voor andere, op een lageren trap staande levensvormen, blijvende zijn. Ook de ontwikkeling van het individu gedurende het vruchtleven is deels progressief, deels regressief. Organen die gedurende een zekeren toestand der vrucht een nuttige beteekenis hadden, verdwijnen weder of laten slechts sporen achter.
B. Bijzondere Stellingen met betrekking tot den Oorsprong van het Menschelijk Geslacht.
10. De beschaving is niet van één maar van verscheidene middelpunten uitgegaan. Alleen de Indo-Germaansche beschaving heeft haar bron in de hooglanden van Midden-Azië. Er bestaat derhalve geen enkele reden om daar, met uitsluiting van andere gedeelten der aarde, de plaats van oorsprong van het menschelijk geslacht te zoeken.
11. De ouderdom van het menschelijk geslacht is zeer veel grooter dan men vroeger heeft gemeend. Zelfs de geschiedkundige oorkonden, afkomstig uit een tijd, toen de beschaving van sommige volken reeds een vrij hoogen trap had bereikt, reiken eenige duizenden jaren verder.
12. Een menigte van feiten duidt aan, dat aan dien geschiedkundigen tijd een veel langere tijdruimte is voorafgegaan, gedurende welke Europa reeds werd bewoond door wilde volksstammen die in leefwijze overeenstemden met andere nog heden ten dage levende volken, welke op een zeer lagen trap van beschaving staan. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat overal aan den toestand van beschaving een wilde toestand is voorafgegaan en dat de beschaving, hoewel zij in den loop der tijden en bij bepaalde volken ook van elders kan zijn ingevoerd, toch eenmaal door allengsche zelfstandige ontwikkeling is ontstaan.
13. De oudste menschelijke bewoners van Europa leefden gelijktijdig met verscheidene thans uitgestorven soorten van dieren, in een tijd, toen de gedaante van dit werelddeel en de verdeeling van land en water daarin aanmerkelijk verschilden van de tegenwoordige.
14. Het is niet waarschijnlijk, dat ergens in Europa de plaats van oorsprong van het menschelijk geslacht is geweest, maar dit werelddeel is waarschijnlijk eerst door menschen bevolkt geworden, nadat deze elders de eerste trappen van beschaving hadden bereikt. Vermoedelijk [326]was de eerste woonplaats, die tevens de plaats van oorsprong was, tusschen of nabij de keerkringen gelegen, of althans in een streek, waarvan het klimaat met dat der hedendaagsche keerkringslanden overeenkwam.3 Die plaats van oorsprong is waarschijnlijk in het Oostelijk halfrond te zoeken.
15. De schepping van het menschelijk geslacht kan vergeleken worden met de schepping van elken individueelen mensch. De veranderingen die bij den laatsten, gedurende de vorming der vrucht, in den loop van weinige maanden plaats grijpen, geven een beeld van de veranderingen die, na verloop van millioenen jaren, met het ontstaan van den menschelijken vorm, zooals wij dien kennen, zijn geëindigd.
In zijn allereersten toestand is elk mensch een slechts even zichtbaar protoplasmaklompje, zonder waarneembare differentieering van bijzondere deelen of organen, het naast overeenkomende met de op den laagsten trap staande, zelfstandige levende en zich voortplantende organische wezens, Amoeben en verwante vormen.
Wanneer de differentieering een zekeren trap heeft bereikt, stemt de embryo van een mensch het naast overeen met de larve eener Ascidië.4
Bij voortgaande differentieering van organen, verkrijgt de embryo een maaksel, dat, in meer ontwikkelden, blijvenden vorm, bij de Visschen wordt teruggevonden.
Daarop volgt een toestand, welke voor sommige Reptiliën de blijvende is.
Ook dan, wanneer zich reeds duidelijk de Zoogdieren-typus begint te openbaren, doorloopt de vrucht van den mensch toch nog toestanden, die bij andere, lagere zoogdieren blijvend vertegenwoordigd zijn.
In een zeker levenstijdperk vertoont de vrucht van een mensch geenerlei in het oog loopend verschil van de vrucht van een dier uit de Orde der Quadrumana. Eerst in de laatste maanden der ontwikkeling treden de eigenaardigheden in het maaksel, waardoor het menschelijk [327]lichaam van dat der Quadrumana verschilt, duidelijker en duidelijker te voorschijn.
16. De verschillen in het lichamelijk maaksel der Quadrumana en dat van den mensch zijn geen volstrekte maar betrekkelijke. Zij bepalen zich tot een ongelijkmatige ontwikkeling der zelfde in morphologisch opzicht geheel overeenstemmende organen. In het lichaam van den mensch wordt geen enkel deel gevonden, waarvan het homologon niet ook bij een of meer aapsoorten voorkomt. Verscheidene eigenaardigheden van het maaksel heeft de mensch alleen met de hoogere aapsoorten gemeen.
17. Toch is dit betrekkelijk verschil tusschen zelfs de laagste thans levende menschenrassen en de op den hoogsten trap staande Quadrumana, de Anthropomorphen, zeer aanmerkelijk en grooter dan dat tusschen de verschillende soorten dezer Orde, ofschoon minder groot dan dat tusschen haar op den hoogsten en haar op den laagsten trap staande soorten, die echter door nog levende tusschenvormen zijn verbonden.
Een zeer diepe, alhoewel niet onpeilbare kloof scheidt dus, in de thans bestaande wereldorde, den mensch van de hem het naastbij komende dieren.5
18. Het vroeger gekoesterde vermoeden, dat in de eene of andere, nog onbekende streek der aarde menschen zouden worden aangetroffen die nog meer dan de reeds bekende met sommige soorten van apen zouden overeenstemmen, heeft zich niet alleen geenszins bevestigd, maar bij de thans bestaande zeer uitgebreide kennis van de bewoners der aarde, waarvan bijna geen plekje meer door reiziger onbezocht is gebleven, mag men wel als zeker stellen, dat zulke tusschenvormen als volk nergens bestaan.
19. Er worden echter van tijd tot tijd, zonder dat men daarvoor bepaalde oorzaken kan opgeven, onder verschillende rassen, ook de hoogste, menschen geboren (microcephalen), die in eenige opzichten, vooral door de geringe ontwikkeling van de hersenen en van de schedeldoos [328]en door een daarmede gepaard gaanden lagen trap der intellectueele vermogens, tot de hoogste Quadrumana naderen. Hun toestand is het gevolg van het blijven staan der vrucht op een ontwikkelingstrap die voor den normalen mensch een voorbijgaande is.
20. Onder de Quadrumana is er geen enkele soort, die gezegd kan worden onder alle den mensch het meest nabij te komen. De verschillen van en overeenkomsten met den mensch zijn over verscheidene soorten verdeeld. Er bestaat derhalve ook geen enkele grond om in een der heden ten dage levende aapsoorten den nog levenden vertegenwoordiger te zien van den oorspronkelijken mensch.
21. Daarentegen bestaan er vele gronden die het waarschijnlijk maken, dat de mensch en de soorten van de Orde der Quadrumana uit een gemeenschappelijken stam zijn ontsproten, waarvan een sterk divergeerende tak tot het menschelijk geslacht is geworden. Deze differentieering moet dan echter in een onberekenbaar lang verleden tijd hebben plaats gegrepen. [329]
1 Ik geloof de Nederlandsche lezers van Darwin’s „Afstamming van den Mensch” geen ondienst te doen door aan dit Hoofdstuk als bijlage toe te voegen de stellingen, door den toenmaligen nestor van Nederlands dierkundigen in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Nat. Afd., zitting van 25 Februari 1871, bij gelegenheid, dat hij de eerste uitgaaf van mijn bewerking van Ch. Darwin’s „Afstamming van den Mensch” aan die Akademie aanbood, voorgedragen, en waarin de toenmalige stand van het vraagstuk in korte, duidelijke, algemeene trekken wordt weêrgegeven. Zijn Hoog Geleerde was zoo welwillend mij te veroorloven, die stellingen in mijne bewerking van Darwin’s boek over te drukken.
Dr. H. H. H. v. Z. ↑
2 Dit moet niet zoo worden verstaan dat de door de levensomstandigheden rechtstreeks ontstane veranderingen erfelijk zijn, maar dat door de natuur steeds die variaties in den levensstrijd worden begunstigd, welke het geschiktst zijn voor de levensomstandigheden.
Dr. H. H. H. v. Z. ↑
3 Deze volzin bevat een denkbeeld, dat geheel in strijd is met latere theorieën hieromtrent. Zie mijn opstel over het oorspronkelijk vaderland van den mensch, achter Hoofdstuk VII geplaatst.
Dr. H. H. H. v. Z. ↑
4 Wij verwijzen naar aant. 15, blz. 297, waar de verwantschap tusschen den mensch en de Ascidiën, in verband met latere denkbeelden, uitvoerig wordt besproken. De Ascidiën zijn een gedegenereerde zijtak der Chordadieren, maar behooren niet tot de hoofdafstammingslijn der Gewervelde Dieren.
Dr. H. H. H. v. Z. ↑
5 Dit is ongetwijfeld waar, wanneer men de geestvermogens in rekening brengt. Laat men deze echter buiten rekening, stelt men zich op zuiver anatomisch en zoölogisch standpunt, dan schijnt het mij niet twijfelachtig, dat b.v. de kloven tusschen de Catarrhinen, de eigenlijke Platyrrhinen of Hesperopitheci en de Hapaliden, en vooral tusschen de Ware Apen en de Lemuriden of Prosimiae (welke groepen allen door geen levende tusschenvormen zijn verbonden) grooter zijn, dan die tusschen de hoogste vormen der Catarrhinen en den mensch.
Dr. H. H. H. v. Z. ↑