1 Vrij bewerkt naar een opstel van den markies G. de Saporta, „Un Essai de Synthèse Paléoethnique”, voorkomende in de „Revue des deux Mondes” van 1 Mei 1883. Deze belangrijke studie werpt een geheel nieuw en verrassend licht op het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de verspreiding der menschenrassen, om welke reden wij een vrije bewerking met menigvuldige uitbreidingen daarvan als aanhangsel aan het eerste gedeelte van Darwin’s „Afstamming v. d. Mensch” toevoegen.

Dr. H. H. H. v. Z. 

2 In het jaar 450 v. Chr. vertoonde de Egyptische priester aan Herodotus aan de buitenzijde van den grooten tempel te Thebe de 345 houten beelden der voormalige opperpriesters, welke gedurende even zoovele menschenleeftijden van vader op zoon te Thebe hadden geheerscht (Herod. II, 143). Stellen wij een menschenleeftijd op 30 jaar, dan geeft dit reeds meer dan 10000 jaren. 

3 „La préhistorique antiquité de l’homme”, par M. Gabriel de Mortillet; „Musée préhistorique” par M.M. Gabriel et Adrien de Mortillet; Paris 1883 et 1881. 

4 Andere berekeningen klimmen tot 11000 jaar! Er liggen te Robenhausen drie paaldorpen boven elkander in het veen bedolven! 

5 Deze berekening geeft waarschijnlijk een te hooge uitkomst, daar nieuwere waarnemingen hebben bewezen, dat druipsteen zich veel sneller kan vormen dan men vroeger aannam en niets ons waarborgt, dat die druipsteen zich steeds met eenparige snelheid heeft verdikt (zie „Alb. d. Nat.”, 1888. Wet. Bijblad, blz. 31). Ging de druipsteenvorming echter vóór den Romeinschen tijd tienmaal sneller dan daarna, wat onwaarschijnlijk is, dan komen wij nog tot een minimum van vijf-en-twintigduizend jaar. 

6 Als men de nieuwere theorie van O. Torell aanneemt, waren die veranderingen in Noord- en Centraal-Europa echter veel minder groot dan men vroeger meende, wat natuurlijk ook op den berekenden tijd invloed moet oefenen. Vergelijk mijn stuk „Het diluvium der Nederlandsch-Noordduitsche vlakte” in „Isis”, 1881, blz. 97. 

7 Tot veel matiger berekening (ofschoon altijd nog ver over de vroeger door de theologen op grond van den bijbel aangenomen oudheid van het menschdom) leidt de theorie van den bekenden sterrekundige R. Falb, volgens welke geregeld perioden van grootere koude en grootere warmte, elk van 10500 jaren elkander zouden afwisselen (R. Falb, „Das Wetter und der Mond”, Wien 1887). In vroegere geologische tijdvakken dan het diluvium, tijdvakken, waarin èn de zon èn de aarde warmer waren dan tegenwoordig, behoeven de maxima van koude zich niet gekenmerkt te hebben door vorst en gletschers, maar toch waren zij kouder dan de minima. De voorlaatste ijsperiode kenmerkte zich daarentegen door buitengewoon sterke uitbreiding der gletschers. Zij valt in het zoogenaamde diluvium.

Deze theorie geeft voor de maxima en minima van koude (alleen de laatste en eerstvolgende duizendtallen van jaren in aanmerking nemende) de volgende jaren.

Minimum 19850 jaren v. Chr.
Maximum 14600 jaren v. Chr. (voorlaatste ijstijd, groote ijstijd).
Minimum 9350 jaren v. Chr. (interglaciaire periode).
Maximum 4100 jaren v. Chr. (laatste ijstijd).
Minimum 1150 jaren na Chr. (midden der tegenwoordige interglaciaire periode).
Maximum 6400 jaren na Chr. (eerstvolgende ijstijd.)

Nemen wij dus aan (gelijk nader zal worden uiteengezet) dat de poolgewesten de bakermat van het menschdom zijn geweest en het daaruit door het kouder worden van het klimaat naar het Zuiden is verhuisd, dan zou, als Falb’s theorie juist was, die verhuizing tusschen 19850 en 14600 jaren v. Chr. begonnen zijn. In 14600 was dan zelfs Scandinavië voor den mensch onbewoonbaar en begint in Centraal- en Zuid-Europa de palaeolithische periode. Het rendiertijdperk in Europa kunnen wij dan omstreeks 9350 j. v. Chr. plaatsen. Omstreeks 4100 v. Chr. begint in Europa de neolithische periode of het tijdperk van den geslepen steen (dit komt dus vrij goed uit met den op geheel andere gronden berekenden ouderdom van het paaldorp te Robenhausen, zie blz. 401). In dien tijd zullen door de groote atmosferische neêrslagen vele tegenwoordige woestijnen in Azië en Afrika vruchtbaar zijn geweest; in Centraal-Europa was toen om de zelfde reden groote uitbreiding der gletschers en groote waterrijkdom der rivieren. Dat het in Europa in den Romeinschen tijd niet zoo warm was als in de 12e eeuw, maar dat daarentegen na de 13de eeuw het klimaat van Europa voortdurend kouder is geworden, wordt door vele oude berichten aangetoond (vergelijk Prof. v. Hall, in „Alb. d. Natuur”, 1861, blz. 27), en dat ook in de laatste tientallen jaren de daling der gemiddelde jaarlijksche temperatuur zeer merkbaar voortgaat, is een feit, waarop nog onlangs door C. Flammarion is gewezen, alles geheel in overeenstemming met Falb’s minimum, 1150 na Chr. 

8 Van Diemens Land moet worden beschouwd als de zuidpunt van Nieuw-Holland. 

9 Ofschoon de Azteken nog slechts kort beschaafd waren, waren zij door andere volken voorafgegaan, wier beschaving zij overnamen. Men kan de oudheid der Mexicaansche beschaving vóór Cortez’ tijd, van haar eerste begin af, gerust op een paar duizend jaar stellen. 

10 A. H. Sayce, een der hoogste autoriteiten in Europa op dit gebied, zegt („Nature” en daaruit vertaald in „Isis”, 1876, blz. 84), dat de Babyloniërs tusschen 4000 en 3000 jaren vóór het begin onzer jaartelling Mesopotamië binnentrokken en daarna veroverden, maar er reeds een beschaafd volk (de zoogenaamde Akkadiërs) gevestigd vonden. De stellig historische tijd van China begint met de dynastie Hia (van 2207–1767 v. Chr.), hun half-mythische tijd met den keizer Fo-hi, die tusschen 3468–2952 v. Chr. zou hebben geregeerd, of volgens Prof. G. Schlegel te Leiden 2852 v. Chr. Deze noemt („Uranographie Chinoise”, Leiden, Brill, 1875, blz. 754) nog vijf oudere keizers op. Volgens dezen laatste is de Chineesche beschaving echter nog veel ouder, en zouden de Chineezen vóór ongeveer 19000 jaren de sterrenbeelden hebben uitgevonden (ib. blz. 704) en toen ongeveer even beschaafd zijn geweest als de tegenwoordige wilde bewoners der Zuidzee-eilanden, van de binnenlanden van Afrika, Sumatra en Borneo, en onder keizer Yao (2357 v. Chr.) even beschaafd als de Egyptenaars van dien tijd (ib. blz. 749 en 773). 

11 Ook Voor-Indië in het Noorden waarvan zich reeds zeer vroeg een zelfstandig middelpunt van beschaving vormde, verdient hier te worden genoemd. In Amerika vinden wij nabij den Steenbokskeerkring Peru als een tweede middelpunt van beschaving. Wèl lag dit dichter bij de linie, maar wegens de grootere hoogte boven den zeespiegel in dergelijk klimaat als Mexico. Het uitgangspunt der Peruaansche beschaving lag waarschijnlijk aan het meer Titicaca op 16° Z.B. De Peruaansche beschaving, die ook op dergelijke wijze onderging als de Mexicaansche, schijnt van deze laatste geheel onafhankelijk te zijn ontstaan. Beide volken kenden elkander in de vijftiende eeuw niet. Toch vertoonen hun oudheden onmiskenbare sporen van gelijkenis. In Zuid-Afrika ontdekte Karl Mauch in 1871 de grootsche ruïnen van Zimbalye. Er moeten zich in die streek nog verscheidene andere bouwvallen bevinden. Hun oorsprong ligt geheel in het duister. Geheel ten onrechte heeft men ze met Salomo’s Ophir in verband gebracht. Uit Ophir kwamen zoowel apen als pauwen, en Indië is het eenige land, waar deze beide diervormen naast elkander voorkomen. (2) De ruïnen van Zimbalye liggen op den 20sten graad Zuiderbreedte, 32 graden Oosterlengte van Greenwich, ongeveer 50 mijlen ten Westen van Sofala, niet ver van de rivier Sabia, die de wateren van het Matoppogebergte naar Sofala afvoert. Hier staat op een 400 voet hoogen granietklomp nog een geweldig groot stuk ruïne, dat deels uit de rotsen gehouwen, deels met muren opgebouwd is. Het is met zigzagvormige voorwerken omgeven, die het als vesting kenmerken. Dicht daarbij ziet men op eene gneisplaat nog eene „rondeau”, dat door voorwerken met de vesting verbonden is. In het midden staat een ronde toren, die door een dubbelen muur omsloten wordt. In puin gevallen vertrekken en gangen [407]laten den vroegeren vorm nog raden. Mauch vernam van een ouden priester, dat de toren „het huis van de koningin” heette. Iedere drie of vier jaar gaat het volk daar naar toe om te offeren. Door den Portugees de Barros (zestiende eeuw) wordt medegedeeld, dat hier een gedeelte van den hofstaat van den koning van Monomotapa heeft gewoond. De ruïnen van Zimbalye zijn echter ongetwijfeld veel ouder dan den tijd der Arabieren en Portugeezen, en schijnen te bewijzen, dat eens ook in Afrika onder den Steenbokskeerkring een zelfstandig, geheel ondergegaan middelpunt van beschaving lag. Ruïnen in de Kalahari-woestijn, waarvan wij voor eenige jaren een afbeelding in het Fransche Tijdschrift „Le Tour du Monde” zagen, bevestigen dit gevoelen. Zoo ook een soort van schriftteekens (zie de afbeelding bij J. C. Voigt, „Een belangrijke ontdekking” in „Eigen Haard” 1890, No. 1, blz. 15), die men in een voorhistorische mijnschacht in Transvaal heeft gevonden. Met Egyptische hiëroglyphen hebben deze niets te maken; wèl zijn er teekens bij, die aan onze letters X, Y en O en aan de Grieksche letter π herinneren, maar dit zal wel een louter toeval zijn. Men vindt in het aangehaalde stuk nog verschillende bijzonderheden omtrent de ruïnen van Zimbalye en een bezoek daaraan in den zomer van 1889 door zekeren Posselt uit Transvaal gebracht. Deze middelpunten van beschaving op het Zuidelijk Halfrond zijn echter zonder invloed op de ontwikkeling van het menschdom als geheel gebleven. 

12 Markies de Nadaillac bespreekt deze quaestie uitvoerig in zijn „Amérique préhistorique”, Paris 1883. Hoever echter enkele wilde stammen zich ook over uitgestrekte zeeën hebben verplaatst, bewijzen de landverhuizingen der Polynesiërs, die legenden daaromtrent hebben bewaard, welke men kan vinden in Waitz, „Anthropologie der Naturvölker.” Zij kwamen uit den Maleischen Archipel (waarheên zij oorspronkelijk waarschijnlijk uit Achter-Indië verhuisd waren) naar den Samoa-archipel en verspreidden zich van dezen uit over de Sandwich-eilanden, Tahiti en Nieuw-Zeeland. 

13 Zie Otto Kuntze, „De oudheid van Amerika’s oorspronkelijke bevolking bewezen door haar cultuurplanten” in „Isis”, 1878, blz. 331. 

14 De Bosjesmannen zijn eenerzijds verwant met de dwergstammen, die men als overblijfselen van de oudste bevolking van Centraal-Afrika kan beschouwen, anderzijds met de Hottentotten. De Hottentotten naderen, vooral door den aard van hun haar (vergelijk aanteekening 2, blz. 370), tot de Papoea’s, waartoe ook de Tasmaniërs behooren. Dat ook in Zuid-Amerika eens een met de Papoea’s verwant volk leefde, heeft het nader onderzoek der schedels van Lagoa-Santa bewezen (vergelijk aanteekening 5, blz. 374). Deze met de Papoea’s en Hottentotten verwante menschen zijn in Zuid-Amerika door de Roodhuiden verdrongen, wier laagst ontwikkelde stammen (de Vuurlanders) thans het uiterste Zuiden van dat werelddeel bewonen. Alles wijst er dus op dat een zelfde ras van menschen met wolachtig, in bosjes groeiend kroeshaar, de eerste bevolking was, die zich van uit de bakermat van het menschdom over de verschillende vastelanden verspreidde. Wellicht was dit het uitgestorven ras van Cannstatt, dat ook in Amerika schijnt te zijn doorgedrongen. De tweede bevolking waren in de Oude Wereld donkergekleurde menschen, gedeeltelijk met wolachtig, gelijkmatig over de schedelhuid verspreid kroeshaar (gelijk de Kaffers en Negers), gedeeltelijk sluikharig gelijk de Nieuw-Hollanders, en ook tot deze kan het ras van Cannstatt hebben behoord, dat wellicht ook de stam zoowel van deze rassen als van het eerstgenoemde, met de Papoea’s en Hottentotten verwante ras was. Daarop volgen in de Oude Wereld de Dravida’s en Nubiërs (in de beteekenis die Haeckel (zie blz. 379) aan die woorden geeft; ook den naam Nieuw-Hollanders gebruiken wij hier om een bepaald ras aan te duiden, en geenszins in den zin van inboorlingen van Nieuw-Holland, schoon deze tot dat ras behooren), en de Maleiers. Op deze laatsten volgen weldra de Mongolen, die zich van uit het Noorden [411]van Azië Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts (ook over een groot deel van Europa) verspreiden (de Dravida’s worden teruggedrongen naar Voor-Indië, de Maleiers naar Malakka en den Maleischen archipel en waarschijnlijk ook over Formosa naar de Philippijnsche eilanden) en in Amerika de Roodhuiden en Eskimo’s. De Roodhuiden der Vereenigde Staten bezitten overleveringen die wijzen op een herkomst uit een koud land, waar veel ijs en sneeuw voorkwamen. (Zie „Historical and Statistical Information, respecting the history, conditions and prospects of the Indian Tribes of the United States, collected and prepared under the direction of the bureau of Indian Affairs, by H. R. Schoolcraft, published by authority of the Congress”, Philadelphia 1851.) Ook de Azteken waren volgens hun historische overleveringen uit noordelijker streken naar Mexico verhuisd, streken waar het sterk sneeuwde en de zomer slechts zes weken duurde! Eindelijk komt in de Oude Wereld het blanke ras, dat zich het eerst in het Noorden van Europa vertoonde, en over geheel Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië uitspreidt, de Mongolen worden teruggedrongen naar Centraal- en Oost Azië, de Dravida’s naar het Zuiden van Voor-Indië, de Nubiërs naar Nubië en Soedan. Elk der achtereenvolgende golven van landverhuizing dringt de vroegere naar het Zuiden terug of roeit ze geheel of grootendeels uit of absorbeert ze, en elke opeenvolgende golf bestaat gewoonlijk uit een lichter gekleurd en meer ontwikkelbaar ras. Al deze golvingen hadden plaats van het Noorden naar het Zuiden. Vermenging op groote schaal en wijziging gedurende de verhuizingen zelve, ten gevolge der veranderde levensvoorwaarden, konden daarbij natuurlijk niet uitblijven. 

15 Zie blz. 40. 

16 Vergelijk „Traité de géologie” par A. de Lapparent, Paris 1883, blz. 1245–1248; Voorts: Lowthian Green, „Vestiges of the molten Globe”, London, 1875

17 Tegen het midden van het Secundaire Tijdvak zijn waarschijnlijk de boomen met afvallend loof in de Noordpoolstreken ontstaan (tegen het einde van dat Tijdvak vindt men hun overblijfselen in de gematigde luchtstreek). Het afvallen van het loof is voornamelijk een adaptatie aan den maandenlangen nacht der poolstreken, en niet (of ten minste in veel mindere mate) aan den winter, daar ook ’s winters het bladgroen in het zonlicht zijn functies kan uitoefenen. 

18 Evenzoo zagen wij in aant. 15, blz. 385, dat het Volk der Dolmen zich waarschijnlijk in Europa van het Noorden naar het Zuiden, en van Europa via Noord-Afrika naar Indië heeft verplaatst. Ook de Ariërs zijn volgens de jongste onderzoekingen een volk dat oorspronkelijk in Noord-Europa woonde (zie „Kosmos” 1884, Bd. II, Heft 1, blz. 65 en Prof. S. A. Naber in de Gids van Juli 1884, Penka, die Herkunft der Ariër, Wien 1887), en dus van daar naar Midden- en Zuid-Europa, en Perzië en Indië (en niet omgekeerd) is getrokken. De Oude Perzen hadden overleveringen, dat zij kwamen uit een land, waaruit zij door het strenger worden van den winter verjaagd waren en waar de winter tien en de zomer slechts twee maanden duurde. Dat oorspronkelijk vaderland der Mongoolsche volken in Noord-Azië te zoeken is, is bekend. De oude Egyptenaars waren volgens Mariette over de landengte van Suez naar Egypte getrokken en kwamen dus ook uit noordelijker streken. Zeer merkwaardig is het, dat ook in latere en zelfs in historische tijden verreweg de meeste veroveringen die blijvende ethnologische veranderingen [414]hebben ten gevolge gehad, zich van het Noorden naar het Zuiden bewogen. Zoo hebben de Belgische Kelten, van uit het Noorden komende, de Kymrische Kelten tot over de Seine, en de Germanen, uit het Noorden komende, de Belgische Kelten over den Rijn teruggedrongen, de Kymrische Kelten verdrongen in Spanje de zuidelijker wonende Iberiërs, de Romeinen overwonnen zuidelijker wonende Carthagers en koloniseerden Noordwest-Afrika, de Germanen (Gothen, Franken enz.) drongen bij de volksverhuizing van uit het Noorden het Romeinsche rijk binnen en verdrongen zuidelijker wonende Romaansche volken, de Turken kwamen uit Noord-Azië, toen zij hun eerste invallen in Centraal-Azië en later in het nog zuidelijker Klein-Azië, Balkan-schiereiland, Egypte en Noord-Afrika deden. Van uit het noordelijker gelegen Malakka drongen de Maleiers den Indischen Archipel binnen en drongen de oorspronkelijke zwarte, met de Nieuw-Hollanders verwante bevolking terug. In het jaarverslag van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia over 1890, door den voorzitter Dr. Van der Stok uitgebracht, leest men o.a. omtrent de op regeeringskosten gedane opgravingen van Dr. E. Dubois in Kediri op Java, dat in de grotten van de afdeeling Ngrowo deelen van menschengeraamten werden gevonden, die, evenals een vroeger aan genoemde vereeniging toegezonden schedel, de kenmerken vertoonen van het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras. Blijkbaar hebben dus op Java de Maleiers de Nieuw-Hollanders verdrongen, evenals deze waarschijnlijk vroeger zelve de voorouders der Papoea’s Westwaarts van uit den Maleischen Archipel naar Nieuw-Guinea en omliggende eilanden en van uit Nieuw-Holland naar Van Diemen’s Land drongen. De Moorsch-Arabische bewoners van Noord-Afrika breiden zich allengs over Centraal-Afrika uit, Spaansch-Amerika ligt zuidelijker dan Spanje, de Vereenigde Staten en de meest bevolkte gedeelten van Canada zuidelijker dan Engeland of Frankrijk, Nieuw-Holland, Nieuw-Zeeland, de Kaaplanden, Suriname enz. zuidelijker dan Engeland of Nederland, enz. enz. Van volks- of landverhuizingen van het Zuiden naar het Noorden met blijvend gevolg zal men daarentegen in de geheele geschiedenis nauwelijks een enkel voorbeeld kunnen aanwijzen. De Noorsche kolonisatie van Groenland ging te gronde en de tegenwoordige bezittingen der Denen aldaar worden door Eskimo’s, niet door een Deensche bevolking (uitgezonderd de ambtenaren), bewoond. De Moorsche verovering van Spanje, die hier nog het best zou kunnen worden aangehaald, eindigde daarmede dat de Mooren eindelijk toch weêr naar het Zuiden en ten slotte naar Afrika werden teruggedrongen. De geheele geschiedenis is „im Ganzen und Groszen” beschouwd, een terugdringen en overstroomen van zuidelijke volken door oorspronkelijk meer noordelijk wonende. 

19 Van hier af tot aan II is grootendeels niet ontleend aan den Markies de Saporta, maar (gelijk ook veel van het voorgaande) bijna geheel door mij geschreven. 

20 A. Gaudry, „Les enchaînements du monde animal”, Paris, 1878. 

21 Lartet maakte uit het in 1856 gevonden onderkaaksfragment op, dat deze aap minder vooruitspringend aangezicht dan andere apen zou hebben gehad, dat hij door de afgeronde knobbels der kiezen op de Nieuw-Hollanders zou hebben geleken, en dat de „kies van verstand” bij hem evenals bij den mensch na den hoektand zou zijn verschenen, zoodat hij in al die opzichten nader bij den mensch zou hebben gestaan dan een der thans levende anthropomorphen. Uit een tweede, later ter zelfder plaatse gevonden onderkaak van een ander individu van Dryopithecus leidt Gaudry thans echter af, dat deze den laagsten trap onder de anthropomorphen bekleedde en dus ongetwijfeld niet de bewerker der bedoelde steenen is geweest. 

22 De fjorden en nauwe straten, die thans de pooleilanden onderling en van de vastelanden scheiden, zijn waarschijnlijk allen sedert het begin van het Quaternaire Tijdvak door ijswerking ontstaan. De Barendszee tusschen Noorwegen, Spitsbergen, Nova-Zembla en Frans-Josephsland was ongetwijfeld in een geologisch kort geleden tijd vast land, dat zich, wie weet hoever, naar het Noorden uitstrekte. Er bestond dus oudtijds in de Noordpoolstreken nog veel meer land dan tegenwoordig, en de Oude en de Nieuwe Wereld maakten destijds, over de Pool heên, een nagenoeg onafgebroken geheel uit. Als men een wereldkaart beschouwt, zoo geteekend, dat de Noordpool het middelpunt daarvan vormt, en zich de Poolzee voorstelt als nagenoeg geheel door land ingenomen, zal men zien, dat Azië, Europa en Noord-Amerika een nagenoeg samenhangenden driehoek vormen, waarvan Malakka, Arabië en [418]Mexico de hoeken vormen en dat b.v. de Oostkust van Noord-Amerika (van Noord naar Zuid) in het verlengde valt van de Westkust van de Roode Zee (van Zuid naar Noord)! Men vergelijke het wereldkaartje, blz. 294

23 Reeds vroeger kunnen ook overbevolking en oorlogen tusschen stammen tot verhuizingen aanleiding hebben gegeven. In 1886 is door de Quatrefages in de zitting der Parijsche Académie des Sciences van 6 October en in een zitting van het Parijsche Aardrijkskundig Genootschap in December 1887 een dergelijk gevoelen uitgesproken. Hij houdt het uiterste Noord-Oosten van Azië voor de wieg van het menschdom in het tertiaire tijdvak en laat den mensch door de koude gedwongen naar lagere breedten trekken. Het laatstgenoemd denkbeeld was door hem ook reeds in 1877 in zijn boek „l’Espèce humaine” uitgesproken. 

24 Vandaar zouden palaeontologische nasporingen op het Zuidpoolland, zoo zij mogelijk waren, buitengewoon belangrijke resultaten beloven! Zoolang de equator te warm was om organisch leven toe te laten, maar de polen daartoe genoeg waren afgekoeld, waren de dieren en planten van het Noordelijk en Zuidelijk halfrond elkander even vreemd alsof zij verschillende planeten bewoonden. 

25 Onder de lava van een der uitgebrande vulkanen van Auvergne. 

26 Quatrefages houdt het er voor dat dit ras tot het Tertiaire Tijdvak opklimt („Nature”, 1887, blz. 23). Prof. Fraipont („Bull. de l’Acad. royale de Belgique”), aangehaald door A. H. Keane („Nature”, 1887, blz. 565), brengt het daarentegen tot de zoogenaamde Moustier periode (zie onder, blz. 426) en voor jonger dan de „période Chelléenne” (zie onder, blz. 423), en dus ook [421]dan het nog oudere tertiaire tijdvak. De mensch van „la période Chelléenne” en van het Tertiaire Tijdvak zou dus nog dierlijker ontwikkeld zijn geweest dan het ras van Cannstatt

27 Zij zouden dit hebben gedaan door hem in het vuur te laten springen en de voor het doel geschikte splinters uit te zoeken, en niet door er stukjes af te slaan, gelijk de quaternaire menschen. 

28 Volgens professor J. Kollmann te Bazel (vergelijk: „Het Varieeren der [425]Huisdieren en Cultuurplanten, Deel II, blz. 82) zou ook het blonde menschen-type Europa van uit het Noorden zijn binnengetrokken, wat geheel in overeenstemming met onze hypothese is. Het moet dus uit het centrale Noordpoolgebied of uit het uiterste Noordoosten van Azië over het centrale Noordpoolgebied naar Europa zijn gekomen. Het brunette type zou daarentegen uit het Zuiden, dus uit Noord-Afrika Europa zijn binnengedrongen, hetgeen als een soort terugvloeiing naar het Noorden zou kunnen worden beschouwd door den drang van uit het Noord-Oosten van uit Azië Afrika binnenstroomende stammen. In dit geval zou men zelfs kunnen onderstellen, dat het brunette type, na in het Zuiden brunet geworden te zijn, door nieuwe verhuizingen uit Azië naar zijn vroegere, meer noordelijke woonplaats in Europa werd teruggedrongen. 

29 Dit is slechts schijnbaar in strijd met de in noot 1, blz. 410, gegeven schets van de waarschijnlijke wijze van verspreiding der menschenrassen (die wij daar volgens het systeem van Haeckel noemden). Al stond ’t ras van Cannstatt beneden de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, zoo kunnen deze toch voor de minst veranderde afstammelingen daarvan gelden. [427]En al staan de hoogere menschenrassen nog meer boven het ras van Cannstatt, zoo zullen toch de oorspronkelijke stamvormen dier rassen niet zoo hoog hebben gestaan en onderling meer gelijkvormig zijn geweest dan de tegenwoordige rassen. Het leidt geen twijfel of alle tegenwoordige rassen stammen oorspronkelijk van een enkel ras af, dat lager stond dan zij allen, en dit kan zeer goed het ras van Cannstatt zijn geweest. In elk geval bedoelt de noot 1, blz. 410, alleen een schematisch overzicht te geven van de wijze waarop de tegenwoordige hoofdrassen elkander zijn opgevolgd en elkander zuidwaarts hebben teruggedrongen, en geenszins, dat de voorouders dier rassen, toen zij hun verhuizingen begonnen, reeds geheel de tegenwoordige kenmerken dier rassen bezaten en zich niet, door zich naar nieuwe levensvoorwaarden te voegen, in nieuwe locale rassen hebben gesplitst. In een beschouwing, gelijk in deze verhandeling wordt gegeven, moet noodzakelijk op het tegenwoordig standpunt onzer kennis, veel onbestemds blijven! 

30 Département Saône et Loire. 

31 Arrondissement Sarlat (Dordogne). 

32 In de pyramidengraven van Sakara in Egypte vond men een afbeelding van een vrouw die sterke steatopygie vertoont (zie blz. 378). Ofschoon [431]Dr. H. Ploss („Das Weib”, 3e Auft., Leipzig, 1891), die er een houtsneê naar geeft, het verklaarde voor een Arabische vorstin van Aethiopisch ras uit de 18de eeuw voor Chr., houden wij het er voor, daar steatopygie in onzen tijd alleen bij de Hottentotten en hun naaste verwanten in Zuid-Afrika voorkomt, dat deze afbeelding bewijst, dat òf laatstgenoemde volken zich in de 18de eeuw v. Chr. veel noordelijker uitstrekten dan thans, òf dat de Egyptenaars destijds eenigszins met het uiterste Zuiden van Afrika bekend waren. De gelaatsvorm der afbeelding is volstrekt niet Arabisch, noch Egyptisch, maar bevestigt veeleer laatstgenoemde onderstelling. 

33 Men zie het wereldkaartje, blz. 294, waarop het land geel, de deelen van den Oceaan, die minder dan 1000 vademen diep zijn, wit, en de meer dan 1000 vademen diepe gedeelten van den Oceaan blauw zijn geteekend. 

34 Madagascar bewaart ons nog een voorbeeld van de fauna van Afrika, voordat daar de groote dikhuidige, herkauwende en verscheurende dieren en de ware apen waren, die waarschijnlijk uit het Europeesch-Aziatisch vasteland kwamen. Het Atlasgebergte hing toen met Europa samen, en de Sahara, Egypte en Tripoli waren door de zee bedekt. Dat in een tijd toen in Europa-Azië al de genoemde diervormen reeds voorkwamen (zij het in andere soorten dan de tegenwoordige), in Afrika (met uitzondering der natuurhistorisch tot Europa behoorende Atlaslanden) nog slechts Lemuriden voorkwamen, maakt het uiterst onwaarschijnlijk, dat Afrika het oorspronkelijk vaderland van den mensch zou zijn.

De uitgestorven reuzenvogels van Nieuw-Zeeland wijzen op een vroegeren samenhang, ook van die eilandengroep met een groot vasteland. 

35 Of uit Zuid-Amerika over het Zuidpoolland in Nieuw-Holland en Azië en vice-versa. 

36 De Noordelijke IJszee is zoover bekend, allerwege ondiep, en er is geen reden om aan te nemen, dat die naar de pool toe dieper wordt (wel om aan te nemen dat daar nog onbekend land ligt). Wij hebben het geheele centrale Noordpoolgebied daarom op het kaartje wit geteekend. 

37 Berekening bevestigt dit.

De Atlant. Oceaan is groot 1,610 millioen □ geographische mijlen.
De Ind. Oceaan is,, groot,, 1,340 millioen,, ,, geographische,, mijlen.,,
Afrika is,, groot,, 0,545 millioen,, ,, geographische,, mijlen.,,
Samen 3,495 millioen,, ,, geographische,, mijlen.,,

De Stille Oceaan is groot 3,190 millioen □ geographische mijlen.

Men houde hierbij in het oog, dat geologisch kort geleden een zeer aanzienlijk deel van Afrika (de Sahara, Tripoli en Egypte) stellig een deel des Oceaans was. Stelt men dit op ⅓ van Afrika, dus 0,181 millioen geographische mijlen, dan heeft men 1,610 + 1,340 + 0,181 = 3,131 millioen geographische mijlen, en komen wij nog dichter bij de grootte van den Stillen Oceaan dan bij onze eerste onderstelling Zuid- en Centraal-Afrika blijven dan als een groot driehoekig eiland in het middelpunt van den ring midden in den Indo-Atlantischen Oceaan liggen! 

38 Volgens Wallace is de gemiddelde hoogte van het land 2250 Eng. voet, de gemiddelde diepte van den Oceaan 14,640 Eng. voet, het volumen van het droge land 23,450,000 kub. mijlen, het volumen van het water van den Oceaan 323,800,000 kub. mijlen, zoodat, als al de vaste stof der aarde tot een bol was [433]vereenigd, deze door een Oceaan van omstreeks twee mijlen diep bedekt zou zijn. 

39 Hiermede bedoelen wij dieper dan 1000 vademen. 

40 Deze mogelijkheid wordt door Wallace niet besproken. 

41 Derhalve hebben landen als Lemurië, Atlantis en ’t onderstelde vasteland waarvan de eilanden van Polynesië de overblijfselen zouden zijn, nimmer bestaan. Wel kan Nieuw-Holland over Nieuw-Guinea en den Oost-Indischen Archipel met Azië hebben samengehangen, en hangt het daarmede door een onderzeesch plateau nog heden aldus samen. 

42 De beide bewijzen zijn in hoofdzaak ontleend aan Wallace („Darwinism”, Hoofdstuk XII).