[Inhoud]

Het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste volksverhuizingen in het Palaeolithische Tijdvak,1

DOOR

Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.

De geschiedenis, gegrond op documenten en gedenkteekenen waarvan de belangrijkheid en oudheid vaststaat, en op overleveringen die men op begrijpelijke wijze kan verklaren, klimt op tot de grondvesting van het Egyptische rijk door Menes, volgens Mariette in het jaar 5004 vóór het begin onzer jaartelling. Op dit tijdstip hadden de Egyptenaars een georganiseerde maatschappij, een goed ontwikkelde beschaving en groote steden. Het is niet al te gewaagd om, als wij tot den oorsprong hunner beschaving willen opklimmen, daar nog omtrent even vele jaren bij te voegen, en Plato’s verzekering aan te nemen, dat het Egyptische volk in zijn tijd tienduizend jaar bestond.2

Daaraan—twaalfduizend jaar geleden—gingen de vóórhistorische tijden vooraf, die zich tot een veel ouder verleden uitstrekken. Is het mogelijk om zonder schriftelijke gegevens, zelfs zonder een op gissingen gegronde chronologie, een raming te maken van den duur [401]van die tijden? Al wat wij daartoe hebben, zijn sporen welke de voorhistorische mensch in de natuur heeft nagelaten, welke door haar onophoudelijke werking die sporen onder opeenhoopingen van verschillende lagen bedekt, en ons zoo een soort van betrekkelijke tijdrekenkunde gegeven heeft. De wetenschap houdt het tegenwoordig voor zeker, dat de mensch gedurende het geheele zoogenaamde Quaternaire Tijdvak (het Diluvium) heeft bestaan, en wanneer wij den duur van dat tijdvak kunnen berekenen, zullen wij in staat zijn om voor den ouderdom van het menschelijk geslacht bij benadering een minimum vast te stellen. Dit is hetgeen de Mortillet tracht te doen bij het formuleeren van zijn besluiten in zijn boek over de „Voorhistorische Oudheid van den Mensch.”3 Heeft de mensch echter ook reeds gedurende een deel van het Tertiaire Tijdvak bestaan, dan klimt hij tot een nog verbazend veel hooger ouderdom op.

Ook de vergelijkende taalkunde bevestigt de hooge oudheid van het menschelijk geslacht. Zoo klimt de Arische taalstam, (gelijk wij reeds in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 270, mededeelden) in zijn oorspronkelijke eenheid volgens de geestrijke onderzoekingen van Boltz (vergelijk Aug. Boltz, „Die Sprache und ihr Leben”, 1868) tot een oudheid van wel 50,000 jaar op! Naast het volk, dat 50,000 jaar geleden deze oorspronkelijke taal sprak, leefden natuurlijk destijds vele andere volken, die de moedertalen van de andere tegenwoordig bestaande familiën van talen spraken; want de Arische taalstam is slechts één uit vele!

De jaarringen van boomen, die op bouwvallen in Amerika groeiden, de ouderdom van verschillende achtereenvolgend op de zelfde plaats gegroeide bosschen, die daar, boven elkander liggende, menschelijke overblijfselen bedekten, de vormingssnelheid van rivierdelta’s en aanslibbingen, de dikte van veenlagen enz. zijn de grondslagen geweest van partiëele en ongetwijfeld onvoldoende berekeningen, krachtens welke men o.a. aan het tijdperk van den geslepen steen van Robenhausen (Zwitsersch paaldorp) een ouderdom van vijf- of zesduizend jaar4 toekent, en meer dan dertienduizend jaar aanneemt als de tijd noodig voor de afzetting van het Nijlslib dat een gebakken steen bedekte, welke onder [402]een standbeeld van Rhamses werd gevonden. De druipsteen van de grot van Kent in Engeland, in welke men op verschillende diepten Romeinsche oudheden en overblijfselen uit het palaeolithische tijdvak heeft gevonden, zijn de grondslag geweest van berekeningen, die tot resultaat gaven, dat laatstgenoemde overblijfselen meer dan tweehonderdvijftigduizend jaar oud waren.5 Men ging bij die berekening uit van de onderstelling, dat de vorming van dien druipsteen nooit sneller geschied was dan tegenwoordig. Andere berekeningen hebben een meer algemeene strekking. De schommelingen van den bodem gedurende het Quaternaire Tijdvak, waardoor in Europa en het bekken der Middellandsche Zee aanzienlijke veranderingen in de verdeeling van land en water plaats hadden, vereischten, naar de geologen meenen, niet minder dan zeventigduizend jaar.6 Nog een ander en verwonderlijk verschijnsel, de uitbreiding van het bergijs der Alpen, waardoor groote rotsblokken over afstanden van zeventig of zelfs honderd vijf-en-zeventig mijlen werden vervoerd, vereischte een verbazende lengte van tijd. De snelste verplaatsing van dergelijke blokken door het bergijs is niet meer dan zestig meter in een jaar; doch in het Quaternaire Tijdvak, toen de hellingen nog op verre na zoo steil niet waren als tegenwoordig, ging de verplaatsing volgens de Mortillet vijfmaal langzamer, en elk zwerfblok moet meer dan twintigduizend jaar noodig hebben gehad voor zijn verplaatsing van den Mont Blanc naar de Beneden-Rhône. Wij mogen er bijvoegen, dat een verbazend groot aantal blokken aldus werden vervoerd om de eindmoraine te vormen. Bij den tijd gedurende welken die gletschers zich uitbreidden, moet nog gevoegd worden de tijd welken zij noodig hadden om tot hun tegenwoordige grootte samen te slinken, welke nagenoeg even lang zal zijn geweest als de eerste. De tijdperken van de uitbreiding en het zich weder samentrekken der gletschers [403]werden verder voorafgegaan door een prae-glaciale periode, en al de berekeningen te zamen geven de Mortillet aanleiding om een totaal van 100000 jaar aan te nemen om den geheelen duur van het Quaternaire Tijdvak uit te drukken, gedurende hetwelk wij zeker zijn, dat de mensch op den bodem van Europa leefde.7

Dit tijdvak, hoe lang het ook schijnt, is zeer kort in vergelijking van de tienduizenden eeuwen van geologische ontwikkeling, die er aan voorafgingen, [404]en vertegenwoordigt alleen de laatste en kortste der geologische perioden. De vraag ontstaat: Hoe is het menschelijk geslacht in staat geweest zich over de geheele oppervlakte der aarde te verspreiden? Zijn op de verschillende vastelanden onafhankelijk van elkander menschen ontstaan, of heeft het geheele menschdom een gemeenschappelijke bakermat, een zelfde oorspronkelijk vaderland gehad? Op dit punt verschillen de geleerden van gevoelen; zoo beweert Karl Vogt, dat de menschen op verschillende plaatsen ontstonden, terwijl Quatrefages en Darwin, naar wij meenen terecht, volhouden dat het menschdom uit een enkelen oorspronkelijken stam is ontstaan. Het blijft in elk geval een feit, dat de mensch, de zelfde in al de wezenlijke kenmerken van de soort, zich heeft verspreid over al de bewoonbare plaatsen van den aardbol, en dat niet in de laatste eeuwen, toen hij was voorzien van al de hulpbronnen, welke ondervinding, uitvindend vernuft en wetenschap tot zijn beschikking stelden, maar in overoude tijden, toen hij nog onwetend en onbeschaafd was. Zwak en bijna naakt, nog pas in het bezit van het vuur en eenige weinige ruwe wapenen om zich mede te verdedigen en voedsel te verschaffen, veroverde toen niettemin het menschelijk geslacht de aarde en verspreidde zich van de Noordpoolstreken tot Vuurland, van het land der Samojeden tot Van Diemensland, van de Noordkaap tot de kaap De Goede Hoop. Van dezen oorspronkelijken uittocht, even zeker als hij onbegrijpelijk is, moeten wij een verklaring of ten minste een waarschijnlijke voorstelling geven, en dat in een eeuw, waarin de beschaafde mensch slechts na de verwonderlijkste ontdekkingen, met behulp van de krachtigste toepassingen der werktuigkunde op de scheepvaart, door de stoutste en meest avontuurlijke ontdekkingsreizen, zich hoogstens kan vleien, dat hij even ver is doorgedrongen als de oorspronkelijke mensch trok in een tijd die zoo ver van ons is verwijderd, dat zij met alle berekeningen spot.

Wij moeten nadrukkelijk op dit punt wijzen; want het brengt een hinderpaal aan het licht, welke zij die hebben beproefd het verband op te sporen tusschen ver van elkander wonende rassen en den weg te bepalen, gevolgd door stammen, welke nu door oceanen en uitgebreide landstreken zijn gescheiden, tot dusver onoverkomelijk hebben gevonden; want indien de menschheid één is,—waarvoor wij meenen, dat door Darwin in Hoofdstuk VII van dit werk de meest overtuigende bewijsgronden zijn aangevoerd,—moeten wij aannemen, dat haar verhuizingen oorspronkelijk van een enkel punt zijn uitgegaan. Bij deze verhuizingen is de mensch gegaan [405]waarheên hij slechts kon, en heeft op elke plaats waar hij zich vestigde, eigenaardige kenmerken verkregen, die hem verschillend maakten van de op andere plaatsen gevestigde menschen. Van daar de verschillen tusschen de menschenrassen. Sommige van deze plaatsen schijnen bijzonder gunstig te zijn geweest voor zijn vooruitgang en werden middelpunten van beschaving. Het aantal dier middelpunten is echter zeer klein en hun geographische ligging zeer opmerkelijk.

De vastelanden vormen drie hoofdgroepen, in den vorm waarvan ééne eigenaardigheid iedereen moet treffen, die met aandacht een wereldkaart beschouwt. Hij zal opmerken, dat zij in het Noorden zoozeer zijn uitgebreid, dat zij elkander in die richting aanraken of slechts door nauwe zeearmen zijn gescheiden, en dat zij binnen den Noordpoolcirkel een zee omsluiten vol groote eilanden. Naar het Zuiden gaande vinden wij, dat de drie vastelanden Noord-Amerika, Europa en Azië, die zoo dicht bij elkander liggen, plaats maken voor drie aanhangsels: Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw Holland (met de omliggende continentale eilanden), welke op hun beurt langzamerhand smaller worden, tot zij slinken tot eenvoudige punten in een grenzenloozen oceaan, lang voor zij den Zuidpoolcirkel bereiken.8 Binnen dezen cirkel is de verdeeling van land en zee juist omgekeerd als in het Noorden; rondom de Zuidpool strekt zich een landmassa uit te midden van een uitgestrekten oceaan.

Indien wij de vastelanden nauwkeuriger beschouwen, zullen wij vinden, dat de beschaving in elk daarvan ontstond onder gelijksoortige geographische voorwaarden, namelijk nabij of iets ten Noorden van den Kreeftskeerkring tusschen 20° en 35° N.B. Het oostelijkste van deze middelpunten van beschaving is China, nabij de Japansche zee. Het westelijkste, en naar het schijnt jongste, lag aan de stranden van de golf van Mexico. Deze laatste beschaving was bezig toe te nemen en haar gebied uit te breiden, toen de Europeanen Amerika ontdekten, en was geheel onafhankelijk van die der Oude Wereld door zelfstandige ontwikkeling ontstaan; maar zwak en betrekkelijk nieuw9, was zij niet in staat om weêrstand te bieden aan den plotselingen inval van een sterker ras. [406]

Omstreeks het midden van de ruimte, aan de uiterste punten waarvan China en Mexico zijn gelegen, moeten twee andere middelpunten van beschaving worden geplaatst, ouder dan Mexico en wellicht ook dan China10, doch ongeveer op de zelfde breedte gelegen, Egypte in het Nijldal en nabij de Roode Zee, en Mesopotamië nabij de Perzische Golf. Zoo had elk vasteland zijn eigen middelpunt van beschaving, behalve Azië, dat er twee had—het eene in het uiterste Oosten, het andere nabij de lijn welke het met Europa verbindt11. Deze bijzondere groepeering van de [407]voornaamste middelpunten van beschaving in zulk een betrekkelijke nabuurschap vormt het belangrijkste palaeoëthnische feit dat wij kennen. De Nijl en de Syrische zee in het Westen, Opper-Armenië en de Kaspische zee in het Noorden, het Hindoe-Koh-gebergte en de Indus in het Oosten, en de Roode zee in het Zuiden begrenzen de streek, waar Kushieten, Semieten en Ariërs, de eersten landbouwers, werklieden en stedenstichters, de tweeden een herdersvolk en de derden bergbewoners en later landverhuizers en veroveraars, elkander ontmoetten, in wrijving met elkander kwamen en zich vermengden, beurtelings veroveraars en veroverden, de kunsten en het gebruik der metalen uitvonden, betere wapenen leerden vervaardigen en zich hiërarchisch organiseerden, hun ideaal trachtten te bereiken door den godsdienst, en door de schrijfkunst in het bezit kwamen van het machtigste werktuig, waarover het menschelijk verstand beschikt. Met hen begint de geschiedenis en een onafgebroken keten van maatschappelijke inrichtingen, die zich tot onze dagen uitstrekt. De groei der beschaving in deze middelpunten laat echter de verspreiding der menschheid over de geheele aarde, welke in veel vroegeren tijd plaats vond, nog onverklaard.

De verspreiding van den mensch over Europa en Azië levert geen zeer groote moeielijkheden op; want ten gevolge van de groote breedte waarover beide vastelanden samenhangen, is Europa eigenlijk slechts [408]een stuk van Azië. De moeielijkheden zijn echter verbazend groot, als wij Amerika beschouwen, dat wij van het eene eind tot het andere bezet vinden door rassen, wier eenheid de beste waarnemers heeft getroffen. Niet alleen verhief zich daarenboven de Amerikaansche mensch op den bodem der Nieuwe Wereld tot een oorspronkelijke en betrekkelijk hooge beschaving; maar hij heeft, vooral in het Noorden, onmiskenbare sporen achtergelaten van zijn tegenwoordigheid in de meest verwijderde tijden. Om niet te spreken van de in Californië gevonden overblijfselen van den tertiairen mensch (vergelijk aanteekening 5, blz. 372), heeft men in de Delaware-vallei te Trenton (New-Jersey) en nabij Guanajuato in Mexico werktuigen gevonden, die zoo onmiskenbaar tot het palaeolithische tijdperk behooren, dat geen vergissing mogelijk is, hun vindplaats onder in de aanslibbingen uit het Quaternaire Tijdvak, tezamen met overblijfselen van olifanten en mastodonten bewijzen, evenals de door Lund in de holen van Lagoa Santa gevonden menschenschedels, het bestaan van een ras, gelijktijdig met dat, waarvan de vuursteenwerktuigen uit de Somme-vallei afkomstig zijn en dat in beschavingstoestand en ongetwijfeld ook in levenswijze en in vele lichamelijke kenmerken met dit laatste overeenkwam. Van waar kan dit oorspronkelijke Amerikaansche ras, de broeder van dat hetwelk in dien zelfden tijd in Europa leefde, zijn gekomen, tenzij wij onderstellen dat er een rechtstreeksche landverbinding tusschen beide vastelanden was? De moeielijkheden, die dergelijke menschen zouden hebben ondervonden als zij hadden beproefd den Atlantischen Oceaan over te steken, en de zekerheid, welke ons peilingen geven, van de oudheid van dien oceaan maken het echter volstrekt onmogelijk om aan te nemen dat hij destijds niet bestond of dat één der beide vastelanden van uit het andere werd ontdekt door dezen of genen onbekenden Columbus, welke hem een honderdduizendtal jaren vóór den historischen Columbus overstak.

Wij staan dus tegenover het vraagstuk, dat zich altijd aan ons voordoet en waarvan de oplossing ons altijd ontgaat, van den oorsprong van den Amerikaanschen mensch. Blijkbaar kan het niet worden opgelost door een toevallige kolonisatie door Aziatische landverhuizers of door een troep schipbreukelingen te hulp te roepen; maar moeten wij er rekening bij houden met oorspronkelijke bevolkingen die zich, evenals in Europa, in achtereenvolgende golvingen verspreidden, en getuigen van de voortdurende aanwezigheid van den mensch, wiens trapsgewijze ontwikkeling en verspreiding in Amerika op de zelfde wijze plaats had [409]als in de Oude Wereld.12 De onderstelling van een landverhuizing uit Azië over de Aleutische eilanden naar Alaska13 zou aanneembaar zijn, maar de zekerheid van het bestaan van een bevolking van inboorlingen in Amerika in het Quaternaire Tijdvak, brengt die in elk geval terug tot den rang van een secundair feit. Het zelfde is het geval met de betrekkingen—die wel is waar in tegenspraak met elkander en daarom verdacht zijn—welke sommigen hebben meenen te vinden tusschen de gedenkteekenen, standbeelden en hiëroglyphen van Centraal-Amerika en die van Egypte en Boeddhistisch Azië. Deze analogieën steunen op onvoldoende bewijzen en moeten daarenboven vallen voor twee overwegingen van het hoogste gewicht: in de eerste plaats de zekerheid, dat de mensch in Amerika gelijktijdig met de groote dieren van het Quaternaire Tijdvak heeft geleefd; en in de tweede plaats, de betrekkelijke eenvormigheid van het koperkleurige ras, dat zoo gelijk is over het geheele vasteland heên, met uitzondering van het gedeelte dat door de Eskimo’s wordt bewoond. De moeilijkheid ontspruit uit het feit dat de monogenisten, een enkele geboorteplaats en een enkel uitgangspunt voor het geheele menschelijke geslacht aannemende en geen van beide in de Nieuwe Wereld plaatsende, altijd hebben ondersteld, dat Amerika was gekoloniseerd door landverhuizers uit Europa of Azië, die de richting van de parallelcirkels waren gevolgd. Landverhuizing in deze richting (van Oost naar West of omgekeerd) vindt dadelijk een hinderpaal in de oceanen, die hoe langer hoe breeder worden, naarmate wij zuidelijker komen. Die hinderpaal verdwijnt echter, als wij het denkbeeld van een verhuizing in de richting der parallelcirkels opgeven en onderstellen, dat zij heeft plaats gehad in de richting der meridianen van het Noorden naar het Zuiden. Bij verhuizingen in die richting stuiten wij op volstrekt geen hinderpalen; en de betrekkelijke gelijkvormigheid van de Amerikanen van het eene uiteinde van hun vasteland tot het andere, zou nooit verwondering [410]hebben gewekt, als wij niet bevooroordeeld waren geweest door het denkbeeld, dat zij in een betrekkelijk laten tijd derwaarts waren verhuisd.

Wij moeten in verband hiermede opmerken, dat de uiterste zuidpunten der drie vastelanden worden bewoond door rassen die ongetwijfeld oorspronkelijk ergens elders vandaan kwamen, en die zoowel in Vuurland als aan de Kaap de Goede Hoop en in Van Diemens Land tot de minst ontwikkelde van het menschelijke geslacht worden gerekend. Die rassen, welke door andere derwaarts werden opgedrongen, hebben den zichtbaren stempel bewaard van de betrekkelijk lage ontwikkeling van den stam waaruit zij lang geleden sproten. Wij moeten toch aannemen, dat deze drie takken—Vuurlanders, Bosjesmannen en Tasmaniërs—zoo weinig verheven in hun physieke, intellectueele en moreele eigenschappen, alleen zoo ver voortgetrokken zijn en zich alleen in zoo afgelegen oorden hebben gevestigd, omdat de beide laatste voor zich uit landstreken vonden die nog geheel onbewoond waren, terwijl de Vuurlanders hoogstens door een met de Papoea’s verwante bevolking werden voorafgegaan, welke laatste echter geheel te gronde ging of door het roode ras werd geabsorbeerd.14 Als pioniers voor het overige gedeelte van het menschelijk [411]geslacht hebben zij stap voor stap de uiterste grenzen van het bewoonbare land bereikt. Zij moeten ten minste tijdelijk ook noordelijker gelegen landen hebben bewoond, maar zij konden gene weerstand bieden aan den aandrang der sterkere rassen en konden niet tot onzen tijd blijven bestaan, dan door zich terug te trekken op een klein gebied in het meest afgelegen gedeelte van hun vroegere woonplaats. Er is niets verwonderlijks in het feit dat Quatrefages en Hamy bij het beschrijven van het oudste Europeesche ras waarvan wij schedels bezitten, dat van Cannstatt15, hebben gevonden, dat het alleen overeenkomst bezat met die van deze zelfde bewoners van het uiterste Zuiden—de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs.

Men zal zien, dat wij geneigd zijn de rondom de Noordpool gelegen landstreken als de waarschijnlijke bakermat der oorspronkelijke menschheid te beschouwen. Van daar alleen kan zij, als van een middelpunt uitgestraald zijn om zich tegelijkertijd over verschillende vastelanden te verspreiden en achtereenvolgende landverhuizingen naar het Zuiden te veroorzaken. Deze theorie komt het best overeen met den weg, langs welken de menschenrassen waarschijnlijk hunne tegenwoordige woonplaatsen hebben bereikt. Er blijft over aan te toonen, dat zij evenzeer in overeenstemming is met de meest authentieke en nieuwste geologische [412]gegevens, en dat zij behalve op den mensch ook toepasselijk is op de planten en dieren welke hem vergezellen en bij voortduring in het nauwste verband met hem zijn gebleven in de gematigde luchtstreken welke later de zetel zijner beschaving werden. De algemeene wetten der geologie begunstigen deze onderstelling opmerkelijk. Om haar waarschijnlijk te maken, hebben wij slechts twee hoofdpunten vast te stellen, die door geen geoloog ernstig zullen worden betwist. Vooreerst dat de poolstreken, welke met groote boomen waren bedekt, eens een gematigder klimaat bezaten dan dat van het tegenwoordige Midden-Europa en tot den 80° toe bewoonbaar en vruchtbaar waren minstens tot het midden van het Tertiaire Tijdvak toe, een langzame en voortdurende afkoeling ondergingen. Van toen af maakte de afkoeling snelle vorderingen, totdat het ijs uitsluitend meester werd van het nabij de polen gelegen land. Onder dergelijke omstandigheden moest de mensch, zoo die daar leefde, even goed als de dieren en planten wegtrekken of omkomen—stap voor stap verhuizen of zich tot een dagelijks onzekerder wordend bestaan teruggebracht zien.

Het tweede punt is de betrekkelijke stabiliteit van de bestaande vastelanden en hun ligging rondom een zee welke de Noordpool omsluit; terwijl de andere pool wordt ingenomen door land, omringd door een onmetelijken oceaan. Het belang van de Noordpool ten opzichte van het ontstaan van dieren en planten en hun verhuizingen en de onbeduidendheid van de Zuidpoolstreken in dit opzicht volgen uit die groepeering. De hoofdzaak is, dat er niets grilligs is in die verdeeling van land en zee, en dat er, zoo niet altijd, ten minste sedert een zeer oud tijdvak, zich altijd landen hebben verheven, die een aanmerkelijk gedeelte van het Noordelijk Halfrond besloegen, en rondom de Poolzee een gordel van min of meer samenhangende landen en eilanden vormden. Dit is werkelijk, wat de geologie leert. De veranderingen, dalingen tot onder en verheffingen tot boven den zeespiegel zijn altijd slechts gedeeltelijk en achtereenvolgend geweest, terwijl de hoofdmassa’s der vastelanden sedert de oudste tijden betrekkelijk slechts weinig van gedaante zijn veranderd. Er zijn, zoolang er land bestaat, ook altijd een Europa, een Azië, een Amerika en Poollanden, geweest.16 Wij weten zeker dat er altijd om de Noordpool uitgestrekte grondgebieden bestaan [413]hebben; al zijn het geen vastelanden geweest; dat die langen tijd het verblijf waren van de zelfde planten als het overige gedeelte van den aardbol, en dat sedert het einde van het Jura-tijdvak, het klimaat, dat daar eerst schier even warm was als elders, langzamerhand trapsgewijze kouder is geworden. De daling van de temperatuur openbaarde zich eerst zeer langzaam, en was in het Tertiaire Tijdvak nog lang zoo ver niet voortgeschreden als tegenwoordig; want de boomen, toenmaals in Groenland groeiende,—de sequoia’s, magnolia’s en platanen,—bereiken nu in Zuid-Europa hun volle ontwikkeling en passen niet voor het klimaat van Midden-Europa.17 We zijn dus verzekerd, dat er om de Noordpool vroeger een gordel van landen met een rijken plantengroei heeft bestaan. Het voortdurend bestaan eener Poolzee is niettemin bevestigd door versteeningen in alle gedeelten dier streek gevonden. De omstreken van de Noordpool waren lang bewoonbaar, en werden bewoond door den mensch, in een tijd niet ver van dien, waarop de eerste sporen van zijn nijverheid zich tegelijkertijd in Europa en in Amerika begonnen te vertoonen. Zich van de Poollanden begevende naar die welke aan den poolcirkel grenzen, en van de laatste naar Azië, Europa en Amerika, zou de mensch slechts den zelfden weg gevolgd hebben, als een heir van planten en dieren, hetzij vóór hem of ter zelfder tijd met hem, en onder de prikkel der zelfde omstandigheden.18 [414]Door de hulp van verhuizingen van uit de nabijheid der Noordpool kunnen wij in ’t algemeen het verschijnsel verklaren, dat soorten verspreid of in verschillende afzonderlijke deelen gescheiden zijn, een verschijnsel overeenstemmende met dat hetwelk de menschen van de Oude en die van de Nieuwe Wereld vertoonen, wanneer men ze met elkander vergelijkt.

Wanneer wij de hier uiteengezette opvatting vergelijken met de aanwijzingen, door de fossielen geleverd, dan ontdekken wij talrijke voorbeelden van afscheiding, in welke verwante, dikwijls nauwelijks van [415]elkander te onderscheiden vormen, terzelfdertijd in verschillende streken zijn verspreid, over ver van elkander verwijderde punten van het Noordelijk Halfrond, zonder eenige duidelijke verbinding langs de parallelcirkels, waardoor hun blijkbare overeenkomst zou kunnen worden verklaard. Europa getuigt door vele fossielen op onloochenbare wijze, dat het eertijds een heirleger van plantentypen en vormen had, die nu tot Amerika beperkt zijn, en die het alleen uit het uiterste Noorden kan ontvangen hebben. Het heeft bij voorbeeld magnolia’s, tulpenboomen, sassefras, ahornboomen en populieren bezeten, in alle opzichten vergelijkbaar met die welke tegenwoordig in de Vereenigde Staten groeien. De twee plataansoorten, die van het westelijk halfrond en die van Klein-Azië, waaraan wij een uitgestorven fossielen Europeeschen plataan mogen toevoegen, geven een voorbeeld van het zelfde verschijnsel van verspreiding. Europa was in het Tertiaire Tijdvak getuige van den groei van een ginko, gelijkende op die van Noordelijk China (Ginko biloba of Salisburia japonica). Het had sequoia’s en een kale cypres, overeenkomende met de boomen van dien naam, welke nu in Californië en Louisiana groeien. De beuk schijnt in de streken rondom de Noordpool gegroeid te hebben, vóór hij was doorgedrongen en zich had uitgebreid in de zuidelijker gedeelten van het Noordelijk Halfrond. Zonder twijfel is dit ook het geval geweest met de hemlock-spar (Tsuga canadensis), van welke duidelijke overblijfselen zijn gevonden in Grinnell-land op meer dan 82° breedte, en uit een veel vroegeren tijd afkomstig dan die waarin hij in Canada begon te groeien. De goed vastgestelde tegenwoordigheid in beide vastelanden van vele dieren die eigen zijn aan het Noordelijk Halfrond, moet worden toegeschreven aan landverhuizingen, zoo niet van de pool, dan ten minste uit landen in de nabijheid van den poolcirkel gelegen. Dit is duidelijk in het geval van het rendier, den bison, en het hert; maar het moet even waar zijn ten opzichte van dieren uit oudere tijden, en hoewel wij daarvan geen andere rechtstreeksche bewijzen hebben dan den overvloed van overblijfselen van mammouthen in Opper-Siberië, gaat deze wet ontegenzeggelijk ook voor de olifanten en mastodons door: wij bedoelen hier de soorten van deze beide geslachten, welke zich van het Noorden naar het Zuiden voortplantten, en die in Amerika en Europa de metgezellen van den oorspronkelijken mensch waren. De verbinding van de vastelandmassa’s met hun gordel van nauwelijks gescheiden landen rondom en binnen den Poolcirkel geeft den sleutel tot al deze verschijnselen. [416]

Volgens de denkbeelden van de transformistische school was de oorspronkelijke mensch een anthropomorphe aap, in lichamelijk opzicht volkomener geworden, wat zijn opgerichte houding en het gaan op twee voeten betrof, en in verstandelijk opzicht door het grooter worden en de ontwikkeling van zijn schedel en hersenen, waarmede het ontstaan van het vermogen om gearticuleerd te spreken gepaard ging.19 In overeenstemming nu met onze theorie vinden wij, dat ook de apen, en zelfs de anthropomorphen vroeger in veel noordelijker streken gevonden werden dan tegenwoordig. Als voorbeelden halen wij aan den Mesopithecus Pentelici, door Gaudry20 te Pikermi in Griekenland fossiel gevonden, den Dryopithecus van St. Gaudens, een anthropomorphen aap, aan welken Gaudry vroeger geneigd was de zeer ruw bewerkte vuursteenen toe te schrijven, welke de abt Bourgeois te Thénay in tertiairen kalksteen (Calcaire de la Beauce) vond.21 Verder den Pliopithecus van Sansan (Gers), die op een gibbon gelijkt, enz. Om tegenwoordig de het naast met Pliopithecus en Dryopithecus uit Midden-Europa verwante diervormen te vinden, moet men den Kreeftskeerkring overschrijden en tot 12° noorderbreedte reizen, of meer dan dertig graden zuidelijker dan de plaatsen, waar deze fossielen zijn gevonden. Indien de zelfde afstand (in omgekeerde richting) bestond tusschen de plaatsen, waar men deze fossiele apen heeft gevonden en het oorspronkelijk vaderland van den mensch, dan zou dit laatste op de breedte van Groenland, d.i. op 70° of 75° hebben gelegen. Deze onderstelling wordt gesteund door het feit, dat ook tegenwoordig de streken, waar de mensch de hoogste ontwikkeling bereikt, noordelijker liggen en koeler klimaat bezitten dan die waar anthropomorphe apen leven, en dat de oudste middelpunten van beschaving, allen, gelijk wij hebben gezien, tusschen 20° en 35° N.B. [417]gelegen, in gemiddelde temperatuur overeenstemmen met dat gedeelte van het toenmalige Groenland. De overvloed van ruwe vuursteenwerktuigen in de nabij elkander gelegen valleien van de Somme en de Seine bewijst, dat daar oudtijds een klimaat enz. heerschte, bij uitstek geschikt voor de vermenigvuldiging van den mensch. De flora van dien tijd, waarvan nabij Fontainebleau fossiele overblijfselen zijn gevonden, bewijst dat dit klimaat overeenkwam met dat, ’t welk men tegenwoordig in het Zuiden van Frankrijk nabij den 42sten breedtegraad aantreft. Om nu, van dezen 42sten breedtegraad uitgaande, de bijna tropische streken te bereiken, waar palmen, kamferboomen en zuidelijke laurieren te zamen groeien, moeten wij twaalf of vijftien graden zuidelijker gaan, waar wij de zelfde klimatologische toestanden aantreffen, die in Midden-Europa bestonden, toen het de woonplaats van anthropomorphe apen was. Maar toen er palmen groeiden in de nabijheid van Praag en kamferboomen in de nabijheid van Dantzig, kan de mensch, als hij destijds bestond, zonder bezwaar hebben geleefd in de streken onder den Noordpoolcirkel of nog verder Noordwaarts, en zou van daar uit even gemakkelijk Noord-Amerika als Europa hebben kunnen bereiken, welke hij bestemd was te bevolken. De mensch heeft zich uit zijn stamvorm ontwikkeld in een gematigd klimaat, en zoo hij tegenwoordig ook in de warmste landen leeft, bewijst dit eenvoudig dat hij het vermogen bezat zich naar de omstandigheden te schikken (zich te adapteeren aan de levensvoorwaarden), maar hij bloeit het meest en komt tot zijn hoogste ontwikkeling in de gematigde luchtstreek, terwijl de tegenwoordige anthropomorphen echte tropenkinderen zijn en in de gematigde luchtstreek slechts kort blijven leven.

Het besluit, waartoe wij komen, is dus, dat in het begin van het Tertiaire Tijdvak de Noordpoolstreken grootendeels uit land bestonden22, dat een tropisch klimaat bezat en waar de anthropomorphe stamvorm [418]van den mensch leefde. Toen in den loop van de Miocene en Pliocene periode dit klimaat allengs meer gematigd werd, stierven de anthropomorphen daar gedeeltelijk uit, omdat zij het kouder klimaat niet konden verdragen, gedeeltelijk verhuisden zij naar het Zuiden, waarbij zij zich natuurlijk wijzigden, gedeeltelijk adapteerden zij zich aan de omstandigheden en werden tot menschen. In de Pliocene periode (of reeds vroeger) leefde derhalve de mensch (met vele andere thans naar zuidelijker breedten verhuisde dieren en planten) in de Noordpoolstreken, die een gematigd klimaat bezaten. Bij het invallen van het ijstijdperk werden de Poolstreken voor hem onbewoonbaar23 en verspreidde hij zich (tegelijk met die dieren en planten) in alle richtingen naar het Zuiden over de gematigde luchtstreken van Europa, Azië en Noord-Amerika, terwijl de tropische vegetatie en de dierenwereld, welke die streken in het Tertiaire Tijdvak bezaten, tegelijkertijd ondergingen of naar het Zuiden werden teruggedrongen. Hierbij konden in de Nieuwe Wereld meer plantentypen behouden blijven dan in de Oude, omdat in deze laatste de vaak van het Oosten naar het Westen loopende bergketenen en zeearmen dikwijls onoverkomelijke hinderpalen voor de verhuizing der planten naar het Zuiden opleverden, hetgeen in de Nieuwe Wereld veel minder het geval was, omdat de voornaamste bergketenen daar van het Noorden naar het Zuiden loopen. Voor de dieren vormden echter de bergketenen der Oude Wereld, wegens de snelheid waarmede zij zich kunnen verplaatsen, veel minder onoverkomelijke hinderpalen dan voor de planten.

Over het geheel moeten noodwendig de Poollanden ook in de oudste tijdvakken de plaatsen zijn geweest, waar de landdieren ontstonden en waar zij later de grootste wijzigingen ondergingen, waardoor nieuwe soorten en typen ontstonden, die zich naar den equator toe verspreidden. De polen moeten, zelfs toen de aarde nog gloeiend vloeibaar was, reeds [419]kouder zijn geweest dan de equator; want aan den equator bestond aardwarmte + tropische zonnewarmte, aan de polen aardwarmte + polaire zonnewarmte; dit ging vroeger evenzeer door als tegenwoordig, al waren zoowel aardwarmte als zonnewarmte ook absoluut grooter dan thans. Aan de polen moet de aardschors zijn begonnen zich te vormen, daar moeten reeds voor planten en dieren bewoonbare streken zijn ontstaan toen de equator nog te warm was om organisch leven mogelijk te maken. Daar zijn de eerste planten en dieren ontstaan en van daar hebben zij zich naar den equator verspreid, naarmate de afkoeling voortschreed. Daar ontstonden door de afkoeling voortdurend nieuwe levensvoorwaarden, die nog nergens elders op aarde voorkwamen, naar welke de soorten zich moesten wijzigen of ondergaan, tenzij zij emigreerden en meer naar den equator toe haar oude levensvoorwaarden voor een groot deel terugvonden. Daar is ook eindelijk de ijskorst begonnen zich te vormen, die waarschijnlijk na tal van eeuwen de geheele aarde zal bedekken en een einde maken aan alle organisch leven op aarde! De tropen zijn in palaeontologischen zin achter-, de poolstreken vooruit in vergelijking van de gematigde luchtstreek. De tropen geven ons een beeld uit het verleden der aarde, de poolstreken schilderen ons haar toekomst!

Aan de Zuidpool moet derhalve in de vroegste tijden een geheel van die aan de Noordpool verschillende dieren- en plantenwereld zijn ontstaan, die zich echter, zoover het landbewoners waren, niet verder kon uitbreiden dan het Zuidpoolland, en toen dit door het ijs werd bedekt, volkomen moet zijn ondergegaan.24 (2) De Noordpooltypen konden zich daarentegen, zoodra de afkoeling het toeliet, over al de andere vastelanden, zelfs Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland uitbreiden, daar zij landverbindingen (of hoogstens nauwe zeearmen) op hun verhuizingen ontmoetten. De zeedieren en planten konden zich natuurlijk van uit beide polen gemakkelijk door den geheelen oceaan verspreiden, voor zoover en waar de temperatuur zulks toeliet. Zoo verklaart zich, dat de dieren- en plantenwereld op het land rondom de Noordpool en in de Noordelijke gematigde luchtstreek zoo eenvormig, [420]zich hoe langer hoe meer differentieert naarmate men zuidelijker komt, dat die verschillen in de Zuidelijke gematigde luchtstreek het grootste zijn, en dat evenals men vertegenwoordigers der oudste menschenrassen (door gedwongen verhuizing derwaarts gekomen) aan de zuidpunten der vastelanden vindt, men daar ook de laatste Mohicanen van overal elders geheel of bijna geheel verdwenen dierentypen aantreft. Wij wijzen op de Edentata en Luiaards van Zuid-Amerika, op de Edentata en de aan het Tertiaire Tijdvak herinnerende fauna van Zuid-Afrika, op de Buideldieren, Snaveldieren, Ceratodus enz. van Nieuw-Holland, dat in zijn fauna aan het Secundaire Tijdvak van Europa herinnert!

II.

Uit de boven gegeven uiteenzetting volgt, dat de mensch, uitgaande van een oorspronkelijk vaderland, waarvan de juiste plaats niet te bepalen is, maar dat om vele redenen moet worden geacht waarschijnlijk in het hooge Noorden te hebben gelegen, zich straalsgewijze in verschillende richtingen heeft verspreid; dat zijn verhuizingen over het algemeen plaats hadden van het Noorden naar het Zuiden en dat zij rassen hebben doen ontstaan, waarvan de oudste het verste naar het Zuiden trokken en het minst ontwikkeld waren. De hoogere rassen waren die, welke, later verhuizende en zich vestigende in streken met bijzonder gunstig klimaat, langzamerhand zijn opgeklommen tot hetgeen wij beschaving noemen.

De Mortillet heeft zich met dit onderwerp beziggehouden, en overtuigd, dat de bestaande menschheid slechts een resultante en de laatste term is van een reeks achtereenvolgende transformaties, onderscheidt hij verschillende menschensoorten: de tertiaire mensch, de quaternaire mensch, de tegenwoordige mensch. De mensch van het oudste gedeelte van het Quaternaire Tijdvak, waarvan in het Neanderdal, te Denise25, te Cannstatt, Spy enz. overblijfselen zijn gevonden, schijnt hem zoo verschillend van de tegenwoordige menschen, dat hij er hem niet slechts van scheidt, maar zelfs voor de tijden, voorafgaande aan het Quaternaire Tijdvak, een bijzondere soort van menschen of pseudo-menschen onderscheidt.26 Dit waren, gelijk hij het uitdrukt, „voorloopers van den [421]mensch”, waaraan hij den veelbeteekenenden naam van anthropopithecus of „mensch-aap” geeft, omdat hij gelooft, dat zij in de reeks der wezens aan den mensch voorafgingen, en een type vormden, dat het midden hield tusschen de tegenwoordig levende anthropomorphe apen en den mensch. Wij moeten ze ons voorstellen als wezens, die hoog genoeg stonden boven den gorilla en den chimpanzee om vuursteen ruw te kunnen bewerken27 en het vuur te gebruiken, doch niet in staat waren om zich uit zich zelven boven dien trap van verstandelijke ontwikkeling te verheffen en een wezenlijk mensch te worden, als een ras dus, dat tot de Bosjesmannen en Tasmaniërs ongeveer in de zelfde verhouding stond als deze tot ons. Deze hypothese is door ons, onafhankelijk van de Mortillet, reeds vroeger uitgesproken (zie aanteekening 11, blz. 295). Wij stellen ons die menschapen echter voor als nauw verwant met den stam waaruit de eigenlijke mensch zich heeft ontwikkeld, of wellicht zelfs identiek met dien stam, zoodat wij hun den aanleg tot hoogere ontwikkeling geenszins ontzeggen (gelijk de Mortillet wel schijnt te doen) en houden hen dan zelfs voor een onmisbaren schakel in den stamboom van den mensch. Zulk een vorm moet eens hebben bestaan. Zelfs al vond men nimmer overblijfselen van hem of van zijn werktuigen of wapenen, vloeit zulks met logische noodzakelijkheid uit Darwin’s theorie van de afstamming van den mensch voort! Een geheel verschillende vraag is of die vorm in Frankrijk en Portugal voorkwam en reeds in de miocene periode met de anthropomorphen van St. Gaudens leefde.

Wij worden er zoodoende toe geleid om te onderzoeken of de vuursteenen, door den abt Bourgeois te Thénay verzameld, en die welke later in Portugal zijn verzameld, wezenlijk bewerkt zijn, dan wel of het eenvoudig splinters en natuurlijke brokstukken zijn, die men bij vergissing voor met voordacht vervaardigde werktuigen heeft aangezien. Thénay, waar de oudste dezer vuursteenen zijn ontdekt, behoort tot de onderste miocene formatie welke lager ligt dan die van Sansan, waarin men de overblijfselen van anthropomorphen heeft gevonden, van welke wij hebben gesproken. Het bestaan (op die breedte natuurlijk) van den rhinoceros te dier tijde is nog twijfelachtig, de mastodons waren nog [422]niet verschenen, de olifanten waren nog ver weg, de hipparions, de voorloopers van het paard, zouden niet dan lang daarna verschijnen. De buideldieren waren verdwenen en de verscheurende dieren werden alleen vertegenwoordigd door typen die het midden hielden tusschen tegenwoordig levende geslachten. Geen der diervormen welke den mensch op zijn vroegste tochten zouden vergezellen, en die hij zou moeten bestrijden, of aan zich onderwerpen, had zich nog vertoond. En toch zou de mensch moeten worden geplaatst in deze hem vreemde omgeving, in die wereld, welke als het ware nog slechts de embryo was van de tegenwoordige, en zou hij alleen soortelijk niet veranderd zijn! A priori bestaat dus weinig waarschijnlijkheid, dat destijds echte menschen hebben geleefd. Maar hun voorganger dan, soortelijk van den tegenwoordigen mensch verschillende en op een lageren trap staande dan hij? Om van diens bestaan in Frankrijk en Portugal tijdens de miocene periode volkomen overtuigd te worden, zouden meer bewijzen noodig zijn, dan men ons heeft geleverd,—eenige weinige vuursteenen, die wellicht met voordacht bewerkt zijn, te midden van vele duizenden andere! Het is iets, maar niet genoeg, met het oog op de menigte onwaarschijnlijkheden die ons weêrhouden vertrouwen te stellen in dergelijke aanwijzingen. Gaudry wijst er ook op, dat wanneer men de gerolde en zoogenaamd bewerkte vuursteenen uit den miocenen kalksteen van Thénay in groot aantal naast elkander legt, de grens tusschen beide soorten moeilijk is aan te wijzen.

De tertiaire bewerkte vuursteenen welke men in Portugal heeft gevonden, komen uit een ongetwijfeld tertiaire zoetwatervorming uit de miocene periode. De Portugeesche flora van dien tijd werd gekenmerkt door de aanwezigheid van olmen, populieren, kaneelboomen, saponaria’s en tamarinden, welke bewijzen, dat er in Europa een zacht en gelijkmatig klimaat heerschte, waarin de mensch zeer gunstige voorwaarden voor zijn ontwikkeling zou hebben gevonden. Wanneer wij echter beproeven te bewijzen, dat hij daar toenmaals bestond, kunnen wij niets aanvoeren dan een laag zandsteen, waarin stukken kiezel voorkomen, gedeeltelijk gebroken, die onderworpen is geweest aan latere afspoelingen en atmospherische invloeden, die de tallooze kiezelsplinters verklaren, waarmede de grond bedekt is, en waaruit die, welke men meent dat sporen van bewerking vertoonen, na lang zoeken zijn uitgezift. Cazalis de Foudouce, die lid was van het Praehistorisch Congres te Lissabon in 1880—iemand van erkende bevoegdheid omtrent dergelijke [423]zaken—bezocht de miocene beddingen van Monte Redondo, en rechtvaardigt zijn ongeneigdheid om een bepaalde opinie uit te spreken over het al- of niet bewerkt zijn van de zeer weinige vuursteenen, welke het mogelijk is te vergelijken met die uit de zoogenaamde Moustier periode (waaromtrent later), door te wijzen op de ontblootingen, verschuivingen en verwoestingen, welke de lagen hebben ondergaan. Het is niet onmogelijk, dat de steenen door den mensch of zijn voorlooper bewerkt zijn. Een daarvan schijnt gevonden te zijn in een laag, die sedert haar vorming onaangeroerd was gebleven; maar, al geeft men dit toe, is het dan niet beter te wachten dan zulk een groot vraagstuk maar kortweg in eens en zonder rechtstreeksch bewijs te beslissen? De Mortillet zelf bevestigt niets rechtstreeks dan de echtheid der vuursteenwerktuigen. Hij voegt er bij, dat hun geringe grootte hem doet gelooven, dat de wezens welke ze maakten, geen wezenlijke menschen kunnen zijn geweest. Den twijfel, dien hij terecht oppert omtrent de makers, breiden wij uit tot de werktuigen, en wachten op de resultaten van toekomstige ontdekkingen, vóór wij het vraagstuk als opgelost beschouwen. Blijkt dan echter met zekerheid, dat in de miocene lagen van Zuid-Europa bewerkte vuursteenen voorkomen, dan houden wij het er stellig voor, dat zij afkomstig zijn van wezens, hooger staande dan de anthropomorphen, maar lager dan de echte mensch en soortelijk van dezen verschillende, en dat deze wezens verwant (of wellicht identiek) waren met de soort, waaruit de echte mensch zich ontwikkeld heeft.

Het wordt nog moeielijker de miocene, zoogenaamde bewerkte steenen te beschouwen als bewijzen van het bestaan van den echten mensch in Zuid-Europa gedurende het Tertiaire Tijdvak, als wij zien, hoe helder licht de te Chelles (bij Parijs) gevonden overblijfselen op den mensch van de volgende periode werpen, welke de Mortillet „période Chelléenne” noemt, en die de oudste uit het Quaternaire Tijdvak is. De mensch bezat in die periode een blijkbare nijverheid—primitief wel is waar; want zij bestaat alleen in het vervaardigen van een enkele soort van werktuigen, maar deze zijn toch door hun vorm en grootte zoo duidelijk kunstproducten, dat zelfs de meest bevooroordeelde geest geen oogenblik kan betwijfelen, dat zij van één en het zelfde ras afkomstig zijn. De te Chelles gevonden bewerkte vuursteenen zijn zelfs karakteristieker dan die van St. Acheul, waar dergelijke in zoo groot aantal zijn gevonden. De Elephas antiquus van Falconer, de waarschijnlijke stamvorm van den Afrikaanschen olifant en de voorganger van den mammouth in Europa, wordt [424]uitsluitend te Chelles te zamen met door den mensch vervaardigde werktuigen gevonden, terwijl te St. Acheul de mammouth veelvuldiger wordt gevonden, hoezeer de andere soort niet ontbreekt. De mensch uit de „periode van Chelles” zag dus twee soorten van olifanten voor elkander plaats maken. Waarschijnlijk veranderde ook langzamerhand het klimaat en werd het kouder, zonder echter de levenswijze en nijverheid van den mensch te veranderen. Op den duur bleef echter de werking van de physiologische en biologische gebeurtenissen waarvan Europa het tooneel werd, invloed op den quaternairen mensch uitoefenen en het ras van Chelles, overgaande in dat van Moustier, veranderde langzamerhand zijn levenswijze en leerde andere werktuigen vervaardigen. Deze ontwikkeling behoeft volstrekt niet plotseling in haar werk te zijn gegaan, daar zij het gevolg was van de eischen van een zeer langzaam kouder wordend klimaat. In den beginne waren de dieren, planten en klimaat die van het tegenwoordige Noord-Afrika, en waren de levensomstandigheden voor den mensch uitstekend. De mensch van Chelles leefde in de open lucht, wellicht in hutten van licht vlechtwerk, maar woonde niet in holen en was niet gewoon zijn dooden te begraven. Deze feiten verklaren den overvloed van werktuigen uit dien tijd in aanslibbingen, het ontbreken daarvan in de holen, waarin de mensch in de volgende perioden een schuilplaats zocht, en de zeer groote zeldzaamheid van menschenbeenderen. Het groote aantal werktuigen, in verschillende deelen van Frankrijk gevonden, geven den indruk van een werkzame en dichte bevolking, wier vreedzame uitbreiding gedurende vele eeuwen door geen ongelukkige gebeurtenissen werd verhinderd. Door het vinden van geheel gelijksoortige steenen werktuigen (behalve dat de steensoort natuurlijk verschilt, al naar de petrographische gesteldheid der vindplaatsen) heeft men sporen van dit zelfde menschenras teruggevonden in België, Engeland, Moravië, Duitschland, Spanje Portugal, Italië, Barbarije, Egypte, en zelfs aan de Kaap de Goede Hoop en in Noord-Amerika in de Delaware vallei (New-Jersey) en 4000 kilometers westelijker in het bekken van Bridger (Wyoming op 40° à 44° N.B.).

Het menschenras van Chelles is dus, even voor het klimaat van het ijstijdperk zich in Europa begon te doen gevoelen, van uit het Noorden tegelijkertijd Europa en Noord-Amerika binnengetrokken en in beide tot de zelfde breedte doorgedrongen.28 De Noordzee was destijds nog droog land en Engeland met Europa verbonden. [425]

De amandelvormige werktuigen uit de „periode van Chelles” mogen, volgens de Mortillet, geenszins als eigenlijke bijlen worden beschouwd. Ongeschikt om aan een steel te worden bevestigd, hield men ze in de hand vast, waarin ze juist pasten en waarvan het gewicht er door werd vergroot, terwijl de punt er uit te voorschijn kwam; de Mortillet geeft ze daarom den naam van „coup de poing.” Zij konden, al naar de omstandigheden, worden gebruikt als wapen (een soort van dolk) of als universaal-instrument, dat onvolkomen onze bijl, mes, beitel, zaag, boor enz. verving. Het hoofdwapen van het ras was waarschijnlijk een knots, waarvan alle sporen natuurlijk zijn verdwenen.

De langzame ontwikkeling van de verdeeling van den arbeid schijnt plaats te hebben gehad in de volgende periode, die van Moustier, welke zich aan die van Chelles nauw aansluit, doch in welke de werktuigen, hoewel minder zorgvuldig afgewerkt, toch getuigen van meer bekwaamheid, een snellere bewerking en een meer op nuttigheid lettenden geest. De werktuigen van deze periode zijn verschillender van vorm en meer tot bijzondere doeleinden ingericht. Het klimaat was strenger geworden; de gletschers hadden bijna hun grootste uitgebreidheid bereikt; en de mensch uit de „periode van Moustier” was genoodzaakt een schuilplaats te zoeken in holen, waarin de overblijfselen van zijn nijverheid even veelvuldig worden aangetroffen als daarbuiten. In andere opzichten schijnt het ras en de periode van Moustier eenvoudig een voortzetting te zijn geweest van die van Chelles. Alleen ondervond de mensch, onder den drang van nieuwe noodzakelijkheden, behoeften welke hij vóór dien tijd niet had gekend. Hij moest arbeidzamer worden. De groote dieren waren in aantal toegenomen, hij moest zich voor zijn verdediging wapenen en werd een jager.

Daar men zich geen moeite gaf om aan de dooden een blijvend graf te verschaffen, kunnen wij niet verwachten vele beenderen van deze [426]oudste rassen te vinden. Mogelijk plaatsten zij de lijken op boomen, of in op palen gebouwde hutten, gelijk sommige Indiaansche stammen heden nog doen, en dat zou een reden te meer zijn, waarom hun overblijfselen zijn verdwenen. De twijfelachtige overblijfselen van geraamten daargelaten, vindt de Mortillet slechts eenige weinige beenderen, die geacht kunnen worden van den mensch uit de periode van Chelles afkomstig te zijn. Zij behooren allen tot het ras, dat de Quatrefages en Hamy op zuiver anatomische gronden, als een bijzonder uitgestorven menschenras beschreven, en waaraan zij den naam van „ras van Cannstatt” hebben gegeven, naar den schedel, daar ter plaatse met olifantsbeenderen te zamen gevonden in 1790. Deze schedel, de schedel van Eguisheim bij Colmar, de beenderen van Spy, van Denise, de Neanderdalschedel, die van Gibraltar, de kaak van la Naulette, die uit het Schipkahol, zijn schier al wat wij er van bezitten, en wij moeten erkennen dat zulks zeer weinig is. Genoeg echter om ons het ras in algemeene trekken voor te stellen en aan te toonen, dat het lager stond dan de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, ja volgens de Mortillet meer beneden hen dan deze beneden de Europeanen staan. De Mortillet gelooft, dat het ras van Cannstatt oploopend, ruw en strijdlustig was, en gaat zoover van het het bezit van een gearticuleerde spraak te ontzeggen. Dit is alles wat wij met eenige zekerheid weten van de oudste bewoners van Europa en van hun geschiedenis. Het gelijktijdig optreden van het ras van Cannstatt of Chelles in een zoo groot aantal zoo ver uiteengelegen streken, doet het denkbeeld oprijzen, dat het, ten minste oorspronkelijk, niet een bijzonder ras, maar den gemeenschappelijk stamvorm van alle latere rassen vertegenwoordigde, die zich op verschillende manieren zou wijzigen, toen hij zich op verschillende plaatsen vestigde, waar hij aan uiterst verschillende levensvoorwaarden zou zijn onderworpen. „Zijn bloed ging dus over in alle latere rassen en kan zich”, zegt de Mortillet, „zelfs in den tegenwoordigen tijd door het verschijnen van atavismen openbaren.” Het ras van Cannstatt was dus het origineel van hetgeen volgde. Steeds meer zuidwaarts voorttrekkende, heeft het de aarde bevolkt en is in allerlei locale rassen en stammen verdeeld geworden.29 De periode van Moustier vertegenwoordigt in Europa het tweede bedrijf, en de perioden, volgende [427]op die van Moustier, welke de Mortillet (naar plaatsen, waar in Frankrijk typische overblijfselen daaruit zijn gevonden) die van de Solutré30 en van la Madeleine31 heeft genoemd, stemmen overeen met de tijden, waarin de mensch, zich op bepaalde plaatsen gevestigd hebbende, zich langzamerhand wijzigde, en in verschillende opzichten de specifieke kenmerken verkreeg, waardoor die rassen zich onderscheidden, hoedanigheden ontwikkelde, even verschillend als zijn woonplaatsen, en achtereenvolgens bleef staan op allerlei verschillende sporten van de ladder welke hij bestemd was te beklimmen, maar die hem alleen kon leiden tot de volle uitoefening zijner edelste vermogens op voorwaarde dat hij tot haar hoogste sport zou doorklimmen.

De periode van Solutré is slechts een kort overgangstijdperk, dat ons snel tot die van la Madeleine brengt, en schijnt meer een locale, dan een algemeene ontwikkeling te hebben vertegenwoordigd. Beide perioden zijn de uitdrukking van de steeds toenemende koude van het ijstijdperk, gedurende hetwelk de groote dikhuidige dieren langzamerhand verdwenen door de toenemende ruwheid van het klimaat, en het rendier en het paard zich vermenigvuldigden en de plaats daarvan innamen. Het rendier trok uit het Noorden naar Midden-Europa, schoon het de zuidelijke deelen daarvan niet bereikte, in talrijke verscheidenheden, die echter alle met de nog bestaande rendieren van Lapland verwant waren. Van het paard zijn minstens twintigduizend, mogelijk veertigduizend geraamten te Solutré gevonden. Geen van beide dieren was toen getemd, en de hond was nog onbekend. De mensch bemachtigde de dieren op de jacht, hetzij door hen te dooden, hetzij door hen gebonden mede naar zijn woonplaats te voeren. De mammouth was een [428]soort van legendair wezen geworden, in het diepste der wouden verscholen, een voorwerp van nieuwsgierigheid, veelvuldig genoeg om ivoor op te leveren en den mensch van dien tijd te prikkelen om afbeeldingen van hem te maken. Feitelijk had de mensch uit die periode groote vorderingen in beschaving gemaakt. De verdeeling van den industrieelen arbeid was tot stand gekomen. De bewerking van den vuursteen was tot groote volkomenheid en fijnheid gebracht en een nieuwe tak van nijverheid was er aan toegevoegd, namelijk het bewerken van been, ivoor en rendierhoorn. Men maakte verschillende soorten van werktuigen uit bepaalde grondstoffen, de Saporta vermeldt punten van werpspietsen en pieken, die hij heeft gezien, welke aan beide zijden zeer kunstig waren bewerkt en bestemd om aan houten staven te worden bevestigd; ook de schrappers zijn uitstekend geschikt voor het gebruik waartoe zij uitsluitend waren bestemd. Van been werden naalden, harpoenen en tot sieraad bestemde voorwerpen, zooals beeldhouwwerk, vervaardigd en teekeningen er op gegraveerd. Het rendier, de holenbeer en mammouth werden afgebeeld, alsmede de mensch zelf. Deze schijnt altijd naakt te zijn voorgesteld. Op een afbeelding van een vrouw, uit deze periode afkomstig, ziet het lichaam er uit alsof het met haar was bedekt; wellicht stelt dit echter kleederen van dierenhuid voor. Een der afbeeldingen stelt een loopenden man voor met een knots over zijn schouders. De mensch wijzigde zich ook al naar de plaats die hij bewoonde, en de mensch van la Madeleine levert ons in Europa een der vroegste voorbeelden daarvan op. Het ras van Solutré, wiens lanspunten zoo fraai zijn afgewerkt, en het jongere en meer artistieke ras uit de holen van Périgord, wiens eenvoudige teekeningen en primitieve beeldhouwwerken wij bewonderen, vertoonen ons de eerste pogingen van dien geest van initiatief, die, na bij sommigen van hen tot ontwikkeling te zijn gekomen, hen leidde tot uitvindingen op stoffelijk gebied en tot ideale concepties, en door deze kwam de mensch allengs tot die hoogere ontwikkeling welke wij beschaving noemen.

Gelijk de Mortillet aantoont, waren de menschen van la Madeleine jagers, actief, vernuftig en vatbaar om levendige gemoedsindrukken te ontvangen van de omringende natuur. Zij hadden een tehuis, vreugde en zorgen, vierden jachtfeesten en wisten zich te vermaken met het vervaardigen van primitieve beeldhouwwerken teekeningen en versierselen. Zij hadden verschil van stand en opperhoofden; want zij bezaten eereteekenen en commandostokken. Maar dit was alles. Zij [429]kenden den landbouw niet, bezaten geen huisdieren, en begroeven hun dooden niet: indien zij de eene of andere bijzondere handelwijze omtrent hen in acht namen, plaatsten zij hen op boomen of in hutten op palen in de open lucht; en dit is waarschijnlijk de reden, dat men zoo weinig overblijfselen van hun skeletten vindt.

Is het mogelijk zich een denkbeeld te maken van het lichamelijk voorkomen en de osteologische eigenaardigheden van den mensch van la Madeleine? Men dacht, dat de talrijke menschenbeenderen, te Cro-Magnon gevonden met voortbrengselen van kunstvlijt uit de periode van la Madeleine, van het kunstlievende ras van Périgord afkomstig waren; doch de Mortillet bestrijdt dit en tracht aan te toonen, dat de plaatsen waar men die overblijfselen vond, te huis behooren in een volgende periode, die van Robenhausen (waarmede het Neolithische Tijdvak begint). Hij beweert het zelfde omtrent de te Furfooz, te Aurignac, te Mentone gevonden schedels en geraamten. De menschenbeenderen van Eyzies (zie aant. 25 blz. 49) zijn echter waarschijnlijk van dit ras afkomstig.

Volgens de Mortillet was het Europeesche ras van la Madeleine slechts een voortzetting van dat van Chelles en Moustier. Vermengingen door immigratie en het gelijktijdig bestaan van onderscheidene rassen, verschillend van schedelvorm, vonden volgens hem in Midden-Europa eerst plaats na het einde van het Quaternaire Tijdvak, toen de mammouth geheel was uitgestorven en het rendier zich weder naar het Noorden had teruggetrokken. Toen brak de tijd aan, waarin het klimaat zich weder verbeterde, de gletschers zich tot den voet der bergen terugtrokken en de verdeeling van land en zee in West-Europa meer en meer de zelfde werd als tegenwoordig: het Neolithische Tijdvak begon. Dit was een tijdvak van voortdurende ontwikkeling en werkzaamheid, waarin de vooruitgang ons langzamerhand, stap voor stap, brengt tot de uitvinding der metalen en de morgenschemering der geschiedenis. Dat Neolithische Tijdvak duurde echter zeer lang en wordt in vele kleinere perioden verdeeld. Het duurde nog zeer vele eeuwen vóór men de metalen ontdekte, en tot zoolang was steen nog steeds de eenige grondstof voor eigenlijk gezegde werktuigen; men sleep en polijstte echter den steen. Eenige weinige kunsten en bedrijven, die het noodzakelijke uitgangspunt zijn van elke maatschappij, begonnen te worden uitgeoefend; daaronder de temming van nuttige dieren, te beginnen met den hond, de veeteelt dus; later de landbouw, dus de cultuur van enkele voedselopleverende planten; de kunst om aardewerk [430]te maken (waarvan de beginselen echter reeds tot het Palaeolithisch Tijdvak opklimmen), en eindelijk het bijeenwonen der menschen in dorpen, met het oog op gemakkelijker verdediging en op het nakomen van godsdienstvoorschriften. Overblijfselen uit dit tijdvak worden in alle werelddeelen en door geheel Europa, van Skandinavië tot Zwitserland, en van het hart van Frankrijk tot het Zuiden van Italië toe gevonden. Ook deze te bespreken en onze schets van de oorspronkelijke geschiedenis van den mensch tot den bronstijd toe voort te zetten, ligt buiten ons bestek. Het was het tijdvak der kjökkenmöddinger, der paaldorpen en der hunebedden (dolmen), en in hetzelve begon de mensch in Europa de kinderschoenen te ontwassen. Ofschoon hij (ten minste in ons werelddeel) onbekend was met de metalen en slechts in het bezit van een rudimentairen landbouw en nijverheid, ofschoon zijn voedsel nog schaarsch was en zijn leven door vele gevaren werd bedreigd, was hij reeds begonnen gerst en tarwe te zaaien, weefde hij van vlas ruwe kleederen, maakte hij aardewerk en bakte dat in het vuur, en bouwde hij wezenlijke gedenkteekenen voor zijn dooden, kunstmatige voorstellingen van grotten, vervaardigd door ruwe steenblokken opeen te stapelen. Godsdienstige gebruiken, een soort van weelde in de voorwerpen van dagelijksch gebruik, genees- en heelkundige practijken, zooals het trepaneeren, kwamen in zwang. Wij gevoelen, dat wij hier de morgenschemering aanschouwen van groote uitvindingen en reusachtige inspanning, die den weleer uiterst engen kring der kennis en van de kunstvlijt meer en meer zouden verruimen.

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

(1) Wij zouden, liever dan hier aan Salomo’s Ophir te denken, geneigd zijn de ruïnen in Zuid-Afrika toe te schrijven aan het in de oudheid beroemde volk, dat bij de Grieken onder den naam van Macrobiërs bekend was. Herodotus (III, 17–25) verhaalt, dat eigenlijk tegen hen de tocht van Cambyses gericht was, die, volgens sommige berichten (Dion. p. 38), tot Meroë zou zijn doorgedrongen, en in elk geval tot ver bezuiden de grens van Egypte kwam. Volgens Herodotus woonden deze Macrobiërs aan de zuidelijke zee (d.i. den Indischen Oceaan) aan het uiterste einde der aarde, en had Cambyses, toen hij den tocht opgaf, nog niet het vijfde deel van den weg naar hen afgelegd. Een eenvoudige meting op de kaart kan bewijzen, dat Herodotus vrij nauwkeurig wist, hoever Afrika’s zuidkust van Egypte verwijderd was, en dat de Macrobiërs, als wij zijn bericht streng opvatten, nabij de Kaapkolonie moeten hebben gewoond.32 De Macrobiërs bezaten volgens Herodotus [431]een stad, voor de overblijfselen waarvan ik de ruïnen van Zimbalye houd; het goud was onder hen het algemeenste metaal, zoodat zelfs de boeien der gevangenen in de gevangenis daaruit bestonden (dit stemt overeen met de goudrijkheid van Transvaal en Matabeleland en de sporen van overoude ontginningen van goudmijnen aldaar). Zij kenden echter het brood niet en voedden zich met vleesch, hetgeen overeenstemt met het feit, dat ook de Kaffers en hun verwanten en de Hottentotten herdersvolken zijn, en ook met den grooten rijkdom van Zuid-Afrika (nog heden) aan grof wild (vele soorten van antilopen), dat een uitstekend voedsel oplevert. Macrobiërs, een naam van hun ondersteld lang (makros) leven (bios) afgeleid, kan echter de wezenlijke naam van dit volk evenmin zijn geweest als Kaffer (kafir = ongeloovige) die van de Kaffers, of Bantu’s (Bantu = mensch) die van de Bantuvolken is. In elk geval meenen wij te hebben aangetoond, dat er wel degelijk historische berichten zijn omtrent het bestaan van een beschaafd, stedenbouwend, goudmijnenontginnend volk in Zuid-Afrika, eenige eeuwen vóór het begin onzer jaartelling.

(2) Als men nagaat, dat als de zeespiegel 1000 vademen daalde, het Zuidpoolland (waarvan wij ten stelligste het bestaan aannemen, schoon de kustlijn op het kaartje gedeeltelijk hypothetisch is) door juist zulke nauwe straten van Zuid-Amerika en Nieuw-Holland zou zijn gescheiden als Madagascar van Afrika en Nieuw-Zeeland van Nieuw-Holland33; als men verder bedenkt, dat in zeer ouden tijd Madagascar ongetwijfeld met Afrika34 en Nieuw-Zeeland met Nieuw-Holland samenhing, is de onderstelling niet gewaagd, dat wellicht Zuid-Amerika eens met het Zuidpoolland en dit met Nieuw-Holland en over den Indischen Archipel met Azië samenhing; in welk geval natuurlijk, als die samenhang viel in den tijd dat het Zuidpoolland een warm of gematigd klimaat bezat, organismen van daar wel degelijk in Zuid-Amerika en Nieuw-Holland [432]en uit het laatste in Azië35 konden komen. Den evenaar konden zij echter ook dan niet overkomen vóór deze genoeg was afgekoeld om organisch leven toe te laten. Dan zouden zij echter, nadat de evenaar tot dien graad was afgekoeld, met de in de grootere vastelanden van het Noordelijk Halfrond ontstane organismen in concurrentie zijn gekomen, en daardoor waarschijnlijk op de zelfde wijze zijn verdrongen als de fauna en flora van Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland tegenwoordig terugwijkt voor de Europeesche.

Als men de duizend vademenlijn beschouwt als de eigenlijke grens van het vasteland, ziet men hoe het vasteland op aarde een bijna gesloten kring om den wereldbol maakt, die over beide polen loopt36 en krijgen wij een bijna even regelmatige verdeeling der continenten als op de planeet Mars, waar deze den bol echter in den vorm van een slechts een flauwen hoek met den evenaar makenden ring omgeven, zoodat de evenaar zelf, daar deze ring breed is, overal door land, met enkele nauwe straten er door, wordt bedekt. Die regelmatigheid wordt nog grooter als wij ons Afrika door de zee bedekt denken, daar zich dan aan weerszijden van den over de polen loopenden ring van continenten twee, gelijk men met één oogopslag ziet37, nagenoeg even groote Oceanen uitstrekken

Er is gegronde reden om de lijn van 1000 vademen ongeveer als de eigenlijke grens der continenten aan te nemen. Buiten deze lijn wordt de Oceaan spoedig veel dieper, zoodat men buiten die lijn bijna overal diepten van 2000 tot 3000 vademen aantreft.

Hoe volslagen ontoereikend de gesteentemassa’s van het vasteland zouden zijn om die ontzettende diepten te vullen, blijkt hieruit, dat het vasteland (dat daarenboven slechts 7⁄25 of iets meer dan ¼ van de oppervlakte van den Oceaan beslaat) gemiddeld volgens Krümmel slechts 440 M., volgens von Tillo 693 M. boven den zeespiegel uitsteekt.38 Werd een deel van het diepe gedeelte39 [433]van den Oceaan door rijzing droog, dan zoude, daar de vaste bestanddeelen der geheele aarde niet toenemen, een even groot volumen, dus een zeer veel grootere oppervlakte van het vasteland moeten dalen, en om een eenigszins aanzienlijk gedeelte van den diepen Oceaan droog te doen worden, zou bijna het geheele vasteland beneden den zeespiegel moeten zinken. Alles tenzij men mocht willen aannemen, dat bij de rijzing van een gedeelte van den bodem des diepen Oceaans een ander deel van dien bodem zonk tot veel grooter diepte dan thans ergens wordt aangetroffen40, wat zeer onwaarschijnlijk is. Hierin ligt één bewijs, dat de continenten over het geheel vaste trekken in het wezen der aarde zijn, die zich nimmer buiten beperkte grenzen, ten ruwe door de lijn van 1000 vademen aangegeven, hebben uitgebreid41 en ook over het geheel nimmer gedeeltelijk door zeeën van meer dan 1000 vademen diep zijn bedekt geweest. Waar men op ’t vasteland dikke uit zeewater afgezette formaties aantreft, heeft men te denken aan langdurige daling van den bodem eener ondiepe zee die door de zich daarin afzettende bezinksels ook voortdurend ondiep bleef. Een tweede bewijs ligt daarin, dat uit diepzeepeilingen blijkt dat de bodem der zeer diepe deelen des Oceaans in aard van dien van het vasteland en der ondiepe zeeën afwijkt en bestaat uit eigenaardige slijkformaties (geheel bestaande uit overblijfselen van in zee levende organismen, zonder eenige inmenging van slib of zand) en brokstukken van gesteenten, waaronder men overal vele van vulkanischen aard, en ook een goed herkenbaar, uit de wereldruimte afkomstig (meteorisch) gedeelte onderscheidt, welk laatste natuurlijk op ’t vasteland evengoed neêrvalt, maar daar zeer spoedig door de verweering geheel onkenbaar wordt.42

De projectie in twee halfronden, waarvan de polen het midden innemen, is daarom veel beter voor ons doel dan de door Wallace („Darwinism”, blz. 348) gevolgde Mercatorprojectie, omdat daaruit ten duidelijkste blijkt, dat de vroegere samenhang tusschen Amerika en Europa-Azië niet slechts bestond in tijdelijke landbruggen, nu eens over de Behringstraat, dan weder over IJsland en Groenland, maar dat beide vastelanden oudtijds één geheel uitmaakten, waarover de passage even ruim en vrij was als thans b.v. tusschen Canada en de Vereenigde Staten of tusschen Rusland, Polen en Duitschland. In de tweede plaats omdat er ten duidelijkste uit blijkt wat de beteekenis is der vreemdsoortige verlengstukken van minder dan 1000 vademen diep, die Wallace bezuiden Van Diemens Land en ten zuiden en zuidwesten van Kaap Hoorn teekent; op onze kaart blijken zij de verbinding te zijn tusschen Zuid-Amerika en Nieuw-Holland, over het Zuidpoolland heên, en noodzakelijke schakels in de rangschikking van het vasteland in een over beide polen loopenden ring, met twee nagenoeg gelijke oceanen aan weêrszijden, welke merkwaardige symmetrie wij meenen, dat vroeger nog nimmer door iemand is opgemerkt. [434]