Ik werd er het eerst toe gebracht om te vermoeden, dat er een betrekking van dezen aard bestaat, door het feit, dat wanneer ook en op welke wijze ook het volwassen mannetje er toe is gekomen om van het volwassen wijfje te verschillen, het op de zelfde wijze van de jongen van beide seksen verschilt. De algemeenheid van dit feit is zeer opmerkelijk; het gaat door bij alle Zoogdieren, Vogels, Amphibieën en Visschen, ook bij vele Schaaldieren (Crustacea), Spinnen en bij eenige weinige Insekten, namelijk bij sommige Rechtvleugeligen (Orthophtera) en Waternimfen (Libellulae). In al deze gevallen moeten de variaties, door de opeenhooping waarvan het mannetje de hem eigen mannelijke kenmerken heeft verkregen, zich hebben vertoond in een eenigszins laat levenstijdperk; anders zouden de jonge mannetjes gelijksoortige kenmerken hebben verkregen; en overeenkomstig onzen regel worden zij alleen overgeplant op en ontwikkeld bij de volkomen mannetjes. Als daarentegen het volwassen mannetje veel op de jongen van beide seksen gelijkt (deze laatste komen op zeldzame uitzonderingen na met elkander overeen), gelijkt het over het algemeen ook op het volwassen wijfje; en in de meeste van deze gevallen ontstonden de variaties door welke de jongen en ouden hun tegenwoordige kenmerken verkregen, waarschijnlijk overeenkomstig onzen regel gedurende de jeugd. Er bestaat hier echter reden van twijfel, daar somtijds kenmerken op de jongen worden overgeplant op vroegeren [465]leeftijd dan dien waarop zij zich het eerst bij de ouders vertoonden, zoodat de ouders wellicht zijn afgeweken toen zij volwassen waren, en hun kenmerken op hun kroost hebben overgeplant toen dat nog jong was. Er zijn daarenboven vele dieren bij welke de twee seksen sterk op elkander gelijken en beide toch van de jongen verschillen; hier moeten de kenmerken der volwassenen op lateren leeftijd zijn verkregen, en toch worden deze kenmerken, schijnbaar in tegenspraak met onzen regel, op beide seksen overgeplant. Wij moeten echter de mogelijkheid of zelfs de waarschijnlijkheid niet voorbijzien, dat opeenvolgende variaties van den zelfden aard bij blootstelling aan gelijksoortige voorwaarden zich bij beide seksen tegelijkertijd vertoonden in een vrij laat levenstijdperk; en in dit geval zouden de variaties op de jongen van beiderlei seksen worden overgeplant in een overeenkomstig laat levenstijdperk, en zou er geen wezenlijke tegenspraak bestaan met onzen regel, dat variaties die zich in een laat levenstijdperk vertoonen, uitsluitend worden overgeplant op de sekse bij welke zij het eerst verschenen. Deze laatste regel schijnt meer algemeen door te gaan dan de tweede regel, namelijk dat variaties die zich bij ééne der beide seksen in een vroeg levenstijdperk vertoonen, een neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant. Daar het klaarblijkelijk onmogelijk was, zelfs bij schatting te bepalen, in hoe groot een aantal gevallen deze beide regels door het geheele dierenrijk heên doorgaan, kwam het mij in den zin eenige treffende of beslissende voorbeelden te onderzoeken, en mij op den uitslag te verlaten.

Een uitnemend geval voor het onderzoek wordt opgeleverd door de familie der Herten. Bij alle soorten, ééne enkele uitgezonderd, zijn de horens alleen bij het mannetje ontwikkeld, hoewel zeker door het wijfje heên overgeplant, en vatbaar om nu en dan abnormaal bij haar te worden ontwikkeld. Bij het rendier daarentegen is het wijfje van horens voorzien, zoodat bij deze soort volgens onzen regel de horens vroeg in het leven behooren te verschijnen, lang voor de seksen volwassen geworden en er toe gekomen zijn om veel in gestel van elkander te verschillen. Bij alle andere soorten van herten behooren de horens in een laat levenstijdperk te verschijnen, hetgeen er toe leidt, dat zij alleen tot ontwikkeling komen bij die sekse bij welke zij onder de voorouders der geheele familie het eerst verschenen. Bij zeven soorten nu, tot verschillende afdeelingen van de familie behoorende en verschillende landen bewonende, vind ik, dat de horens het eerst verschijnen [466]op tijdperken, afwisselende van negen maanden na de geboorte bij den reebok tot tien of twaalf of zelfs meer maanden bij de herten van de zes andere grootere soorten.33 Bij het rendier echter is het een geheel ander geval; want, naar ik van Prof. Nilsson hoor, die zoo vriendelijk was voor mij een bijzonder onderzoek in Lapland in te stellen, verschijnen de horens bij de jonge dieren binnen vier of vijf weken na de geboorte en tegelijkertijd bij beide seksen. Wij hebben hier dus een deel, dat bij een enkele soort der familie op een buitengewoon vroegen leeftijd tot ontwikkeling komt, en ook alleen bij die ééne soort aan beide seksen gemeen is.

Bij verscheidene soorten van Antilopen zijn alleen de mannetjes van horens voorzien, terwijl bij de meeste beide seksen horens hebben. Ten opzichte van het tijdperk van ontwikkeling meldt mij de heer Blyth, dat er in den Londenschen dierentuin tegelijkertijd een jonge koedoe (Antilope strepsiceros), bij welke soort alleen de mannetjes gehorend zijn, en de jongen van een verwante soort leefden, namelijk van de eland-antilope (Ant. oreas), bij welke beide seksen gehorend zijn. In volkomen overeenstemming met onzen regel nu, waren bij den jongen mannelijken koedoe, hoewel hij reeds tien maanden oud was, de horens opmerkelijk klein, in vergelijking met de grootte die zij ten laatste bereiken; terwijl bij den jongen mannelijken eland, hoewel nog slechts drie maanden oud, de horens reeds veel grooter dan bij den koedoe waren. Het is ook opmerkenswaardig, dat bij de antilope met gevorkte horens34, bij welke soort de horens, hoewel bij beide seksen aanwezig, bij het wijfje bijna rudimentair zijn, zij niet verschijnen voor vijf of zes maanden na de geboorte. Bij de schapen, de geiten en het hoornvee, waarbij de horens, bij beide seksen goed ontwikkeld, hoewel niet volkomen even groot zijn, kan men ze bij de geboorte of spoedig daarna voelen of zelfs zien.35 Onze regel gaat echter mank bij sommige onder-rassen [467]van schapen, b.v. merino’s, bij welke alleen de mannetjes gehorend zijn; want na onderzoek36 kan ik niet bevinden, dat de horens bij dit ras in een later tijdperk van het leven tot ontwikkeling komen dan bij gewone schapen, bij welke beide seksen gehorend zijn. Bij het tamme schaap is echter de aanwezigheid of afwezigheid van horens geen zeer standvastig kenmerk, daar een zeker aantal ooien van merino-schapen kleine horens dragen en enkele rammen ongehorend zijn, terwijl bij gewone schapen nu en dan ongehorende ooien worden voortgebracht. (3)

Dr. W. Marshall heeft voor eenige jaren een bijzondere studie gemaakt van de uitwassen die op de koppen van vogels zoo algemeen zijn37, en hij komt tot het volgende besluit: bij die soorten waarbij zij tot de mannetjes beperkt zijn, komen zij laat in het leven tot ontwikkeling, terwijl zij bij die soorten bij welke zij aan beide seksen gemeen zijn, op zeer jeugdigen leeftijd tot ontwikkeling komen. Dit is zeker een treffende bevestiging van mijn beide wetten der erfelijkheid.

Bij de meeste soorten van de prachtige familie der Fazanten verschillen de mannetjes in het oog vallend van de wijfjes en verkrijgen zij hun versierselen in een vrij laat tijdperk van het leven. De geoorde fazant (Crossoptilon auritum) maakt hierop echter een merkwaardige uitzondering, want beide seksen bezitten de schoone staartvederen, de groote vederbossen op de ooren en het fluweelachtige karmozijn op den kop; en ik bevind na onderzoek in den Londenschen dierentuin, dat al deze kenmerken zich, overeenkomstig onzen regel, zeer vroeg in het leven vertoonen. Het volwassen mannetje kan echter door één kenmerk van het volwassen wijfje worden onderscheiden, namelijk door de aanwezigheid van sporen en overeenkomstig onzen regel beginnen [468]deze zich, naar de heer Bartlett mij mededeelt, niet te ontwikkelen voor den leeftijd van zes maanden, en zelfs op dien leeftijd kan men te dien opzichte nauwelijks onderscheid tusschen de beide seksen zien.38 De pauw en de pauwin verschillen in het oog loopend van elkander in bijna elk deel van hun gevederte, behalve in de sierlijke kuif, die aan beide seksen gemeen is; en deze ontwikkelt zich op zeer jongen leeftijd, lang voor de andere versierselen, die tot het mannetje zijn beperkt. De wilde eend levert een overeenkomstig geval op; want de fraaie, groene spiegelvlek op de vleugels is aan beide seksen gemeen, hoewel zij bij het wijfje doffer en iets kleiner is, en zij ontwikkelt zich op jongen leeftijd, terwijl de gekrulde staartvederen en andere blonder aan het mannetje eigen versierselen zich later ontwikkelen.39 Men zou vele gevallen kunnen opnoemen, die tusschen de beide uitersten van groote overeenkomst en sterke ongelijkheid van de seksen, zooals die van den geoorden fazant en den pauw, inliggen, en in welke de kenmerken in de orde van hun ontwikkeling onze beide regels volgen.

Daar de meeste Insekten in volwassen toestand uit de pop te voorschijn komen, is het twijfelachtig of het tijdperk van ontwikkeling de overplanting hunner kenmerken op ééne of op beide seksen bepaalt. [469]Wij weten echter niet, of, bij voorbeeld, de gekleurde schubben van twee soorten van kapellen, bij de eene waarvan de seksen in kleur verschillen, terwijl zij bij de andere gelijk gekleurd zijn, op den zelfden betrekkelijken leeftijd in de pop worden gevormd. Wij weten ook niet, of al de schubben zich tegelijkertijd ontwikkelen op de vleugels van de zelfde soort van kapel, bij welke zekere gekleurde teekeningen tot de eene sekse beperkt, en andere teekeningen aan beide seksen gemeen zijn. Een verschil van dezen aard in het tijdperk van ontwikkeling is niet zoo onwaarschijnlijk als het op het eerste gezicht wel schijnt; want bij de Rechtvleugeligen (Orthoptera) die zich tot volkomen insekten ontwikkelen, niet door een enkele gedaanteverwisseling, maar door opeenvolgende vervellingen, gelijken de jonge mannetjes van eenige soorten eerst op de wijfjes en verkrijgen hun onderscheidende mannelijke kenmerken eerst bij een latere vervelling. Volkomen overeenkomstige gevallen komen voor gedurende de opeenvolgende vervellingen van zekere mannelijke Schaaldieren (Crustacea).

Wij hebben tot dusverre de overplanting van kenmerken, met betrekking tot het tijdperk hunner ontwikkeling, alleen beschouwd hij soorten in den natuurstaat; wij zullen nu tot tamme dieren overgaan en eerst monstruositeiten en ziekten beschouwen. De aanwezigheid van overtallige vingers en het ontbreken van zekere kootjes moet in een vroeg embryonaal tijdperk worden bepaald—de neiging tot overmatige bloeding is op zijn minst aangeboren (congenitaal) en evenzoo is het waarschijnlijk met kleurenblindheid,—toch zijn deze en andere dergelijke bijzonderheden dikwijls in haar overplanting tot ééne sekse beperkt, zoodat de regel, dat kenmerken die zich op een vroeg tijdperk ontwikkelen, neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant, hier volstrekt niet doorgaat. Deze regel schijnt echter, gelijk vroeger is opgemerkt, lang zoo algemeen niet steek te houden als de omgekeerde stelling, namelijk dat kenmerken die zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen, in hun overplanting tot die zelfde sekse zijn beperkt. Uit het feit, dat de bovengenoemde abnormale bijzonderheden zich uitsluitend bij ééne sekse vertoonen, lang voor de seksueele functies in werking treden, mogen wij afleiden dat er op uiterst jeugdigen leeftijd reeds een zekere mate van verschil tusschen de seksen moet bestaan. Ten opzichte van tot ééne sekse beperkte ziekten weten wij te weinig van het tijdperk waarop zij ontstaan, om daaruit met eenige zekerheid gevolgtrekkingen te kunnen [470]maken. De jicht schijnt echter aan onzen regel te gehoorzamen; want zij wordt gewoonlijk veroorzaakt door onmatigheid na de vroege jeugd en wordt door den vader op veel sterker uitgedrukte wijze op zijn zonen dan op zijn dochters overgeplant.

Bij de verschillende tamme rassen van schapen, geiten en hoornvee verschillen de mannetjes van hun respectieve wijfjes in den vorm of de ontwikkeling van hun horens, voorhoofd, manen, kossem, staart en bult op de schouders; en deze bijzonderheden ontwikkelen zich overeenkomstig onzen regel eerst vrij laat in het leven. Bij honden verschillen de seksen niet, behalve dat bij sommige rassen, vooral bij den Schotschen hertenhond, het mannetje veel grooter en zwaarder dan het wijfje is; en, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen zien, begint het mannetje in een ongewoon laat tijdperk van het leven in grootte toe te nemen, hetgeen, overeenkomstig onzen regel, verklaart, waarom zijn meerdere grootte alleen op zijn mannelijke nakomelingschap wordt overgebracht. De driekleurigheid van het haar daarentegen, die tot de vrouwelijke katten is beperkt, is bij de geboorte volkomen te onderscheiden, en dit geval strijdt met onzen regel. Er is een duivenras waarbij alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen, en die strepen kan men zelfs al opmerken bij de pasgeboren jongen; maar zij worden bij elke opeenvolgende ruiing duidelijker, zoodat dit gedeeltelijk in tegenspraak en gedeeltelijk in overeenstemming met onzen regel is. Bij den Engelschen Carrier en Kropper heeft de volkomen ontwikkeling van de wrattige huid en den krop vrij laat in het leven plaats, en deze kenmerken worden, overeenkomstig onzen regel, in volkomen ontwikkelden toestand alleen op de mannetjes overgeplant. De volgende gevallen behooren wellicht tot de klasse, waarop vroeger is gezinspeeld, bij welke beide seksen op de zelfde wijze hebben gevarieerd in een vrij laat levenstijdperk, en bij gevolg hun nieuwe kenmerken op beide seksen op een overeenkomstig laat tijdperk hebben overgeplant; en wanneer dit zoo is, strijden dergelijke gevallen niet met onzen regel. Zoo zijn er onder-rassen van duiven door Neumeister beschreven40, bij welke beide seksen van kleur veranderen na twee- of driemaal te hebben geruid, zooals eveneens de Almond-Tuimelaar doet; hoewel deze veranderingen vrij laat in het leven plaats hebben, zijn zij toch aan beide seksen gemeen. [471]Ééne variëteit van den kanarievogel, namelijk de „London Prize”, levert een omtrent overeenkomstig geval op.

Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken door ééne sekse of door beide seksen over het algemeen te worden bepaald door het tijdperk waarop die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo verschilt het volwassen mannetje bij al de vele rassen waarbij hij sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen kenmerken op een vrij laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij de meeste rassen daarentegen bij welke de seksen op elkander gelijken, zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als hun ouders, en dit maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal op jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit bij alle zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van beiderlei sekse op elkander gelijken; en men kan niet beweren, dat er in een zwart of wit gevederte iets bijzonders is, dat tot de overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de wijfjes geheel anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige onder-rassen van het hoen, waarbij de vederen met overdwarse zwarte strepen geteekend zijn, zijn beide seksen en de kuikens op bijna de zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het Bantam-hoen is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen zwarte punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt. Hamburger Pellen maken echter een gedeeltelijke uitzondering; want de beide seksen, hoewel niet geheel gelijk, gelijken veel meer op elkander dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch verkrijgen zij hun eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere kenmerken dan de kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde stamsoort en van de meeste tamme rassen bezitten een redelijk wel ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche hoen ontwikkelt deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de Vechthoenders ontwikkelt zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk jongen leeftijd, waarvan merkwaardige bewijzen kunnen worden gegeven; en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant, zoodat de hennen, wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen in [472]afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders ontwikkelt zich het beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de kuikens uit het ei zijn gekomen, en de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel in het eerst langzaam41; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den schedel en een ontzaglijke kuif de volwassenen van beiderlei sekse.

Wij mogen uit al, wat wij nu hebben gezien van de betrekking, die bij vele natuurlijke soorten en tamme rassen bestaat tusschen het tijdperk van de ontwikkeling hunner kenmerken en de wijze van overplanting daarvan—bij voorbeeld het treffende feit van den vroegen groei der horens van het rendier, bij hetwelk beide seksen horens hebben, in vergelijking van hun veel later groei bij de andere soorten, bij welke alleen het mannetje horens draagt—ten eerste besluiten, dat ééne oorzaak, ofschoon niet de eenige, van het alleen door ééne sekse overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op laten leeftijd is. En ten tweede, dat ééne, hoewel naar het schijnt minder werkzame oorzaak van het door beide seksen overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op jongen leeftijd is, wanneer de seksen slechts weinig in gestel verschillen. Het schijnt echter, dat er zelfs eenig verschil tusschen de seksen moet bestaan gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven; want kenmerken, die zich in dien tijd ontwikkelen, worden niet zelden tot ééne sekse beperkt.

Overzicht en Slotopmerkingen.—Uit de voorgaande bespreking van de verschillende wetten van de erfelijkheid zien wij, dat kenmerken dikwijls of zelfs algemeen een neiging hebben om zich te ontwikkelen bij de zelfde sekse, op den zelfden leeftijd en periodiek in het zelfde jaargetijde, waarbij, waarop of waarin zij zich het eerst bij de ouders hebben vertoond. Deze wetten zijn echter, wegens onbekende oorzaken, zeer onderhevig aan verandering. De opeenvolgende trappen in de wijziging van een soort zouden daarom gemakkelijk langs verschillende wegen kunnen worden overgeplant, doordat sommige dier trappen werden [473]overgeplant op ééne sekse en andere op beide; sommige op de jongen op één leeftijd, en andere op alle leeftijden. Niet slechts de wetten der erfelijkheid zijn uiterst ingewikkeld, maar eveneens ook de oorzaken die de variabiliteit teweegbrengen en besturen. De aldus veroorzaakte variaties worden bewaard en opeengehoopt door seksueele teeltkeus, die op zich zelve al een uiterst ingewikkelde zaak is, daar zij afhangt van de vurigheid in de liefde, van den moed en de mededinging der mannetjes, en van de waarnemingsvermogens, den smaak en den wil van het wijfje. De seksueele teeltkeus zal ook door de natuurlijke teeltkeus worden beheerscht voor het algemeen welzijn van de soort. Het kan daarom niet missen, of de wijze waarop elk der beide seksen of beide worden aangedaan door de seksueele teeltkeus, moet in de hoogste mate ingewikkeld zijn.

Als variaties zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen en bij de zelfde sekse op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven de andere sekse en de jongen noodzakelijkerwijze onveranderd. Als zij zich laat in het leven vertoonen, maar op beide seksen op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven alleen de jongen onveranderd. Variaties kunnen zich echter op den eenen of anderen leeftijd bij ééne sekse of bij beide vertoonen en op beide seksen op alle leeftijden worden overgeplant, en dan zullen alle individu’s der soort op gelijksoortige wijze worden gewijzigd. In de volgende hoofdstukken zal men zien, dat al deze gevallen in de natuur veelvuldig voorkomen.

De seksueele teeltkeus kan nimmer op eenig dier werken, vóór het den leeftijd heeft bereikt, waarop het in staat is zich voort te planten. Wegens de groote vurigheid van het mannetje heeft zij over het algemeen op die sekse en niet op de wijfjes gewerkt. De mannetjes zijn op die wijze voorzien van wapenen om met hun medeminnaars te strijden, of met organen om het wijfje te ontdekken en stevig vast te houden, of om haar op te wekken en te bekoren. Als de seksen in deze opzichten verschillen, is het ook, gelijk wij hebben gezien, een uiterst algemeene wet, dat het volwassen mannetje in meerdere of mindere mate van het jonge mannetje verschilt; en wij mogen uit dit feit besluiten, dat de opeenvolgende variaties waardoor het volwassen mannetje is gewijzigd, zich over het algemeen niet veel vroeger hebben vertoond dan op den leeftijd waarop hij zich voortplant. Telkens, wanneer sommige of vele der variaties zich op jeugdigen leeftijd hebben voorgedaan, zullen de jonge mannetjes in meerdere of mindere mate [474]deelen in de kenmerken der volwassen mannetjes. Verschillen van deze soort tusschen de oude en de jonge mannetjes kunnen dikwijls worden waargenomen, bij voorbeeld bij vogels.

Het is waarschijnlijk, dat jonge mannelijke dieren dikwijls een neiging hebben bezeten om te varieeren op een wijze, die hun niet alleen op jongen leeftijd geen nut zou hebben aangebracht, maar werkelijk schadelijk voor hen zou zijn geweest,—zooals in het verkrijgen van levendige kleuren, die hen aan hun vijanden in het oog zouden hebben doen vallen, of van deelen, zooals groote horens, die bij hun ontwikkeling veel levenskracht zouden hebben verbruikt. Als variaties van deze soort zich bij de jonge mannetjes voordeden, zullen zij bijna zeker door de natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd. Bij de volwassen en ondervinding opgedaan hebbende mannetjes daarentegen zal het voordeel, door de verkrijging van dergelijke kenmerken over hun medeminnaars verworven, dikwijls meer dan opgewogen hebben tegen het blootgesteld zijn aan een zekere mate van gevaar.

Daar variaties, overeenkomende met die welke aan het mannetje een meerderheid gaven over andere mannetjes in het gevecht, of in het vinden, vasthouden of bekoren van de andere sekse, als zij toevallig bij het wijfje ontstonden, haar van geen dienst zouden zijn, zullen zij bij deze sekse niet door seksueele teeltkeus bewaard zijn. Wij hebben voldoende zekerheid, dat bij tamme dieren variaties van allerlei aard spoedig door kruising en toevallige sterfgevallen verloren gaan, als zij niet zorgvuldig voor de voortplanting worden uitgezocht. Derhalve zouden variaties van de bovengemelde soort, als het gebeurde, dat zij eens bij het wijfje voorkwamen, uiterst veel kans hebben om verloren te gaan; en de wijfjes zouden, wat deze kenmerken aangaat, ongewijzigd worden gelaten, behalve in zoover zij van de mannetjes door overplanting werden verkregen. Indien de wijfjes varieerden en haar nieuw verkregen kenmerken op haar jongen van beiderlei sekse overbrachten, zouden ongetwijfeld de kenmerken die voor de mannetjes voordeelig waren, door de seksueele teeltkeus worden bewaard, hoewel zij den wijfjes zelf van geen nut waren. In dit geval zouden beide seksen op de zelfde wijze worden gewijzigd. Ik zal echter later op deze meer ingewikkelde mogelijke gevallen moeten terugkomen.

Variaties die zich laat in het leven vertoonden en slechts op ééne sekse werden overgeplant, hebben onophoudelijk voordeel getrokken uit, en zijn opeengehoopt door seksueele teeltkeus, in verband [475]met de voortplanting der soort; het schijnt daarom op het eerste gezicht een onverklaarbaar feit, dat dergelijke variaties niet dikwijls zijn opeengehoopt door natuurlijke teeltkeus, in verband met de gewone levenswijze. Indien dit ware gebeurd, zouden de beide seksen dikwijls verschillend zijn gewijzigd, met het doel b.v. om de prooi te vangen of aan gevaar te ontsnappen. Wij hebben reeds gezien en zullen er hierna andere voorbeelden van ontmoeten, dat er soms verschillen van deze soort tusschen de beide seksen bestaan, voornamelijk bij de lagere dieren, maar bij de hoogere klassen zijn zij zeldzaam. Wij moeten echter steeds bedenken, dat bij de hoogere klassen de seksen over het algemeen de zelfde levenswijze volgen; en onderstellende, dat alleen de mannetjes varieerden op een wijze die hun vermogen om zich voedsel te verschaffen enz. vermeerderde en dergelijke variaties alleen op hun mannelijke nakomelingschap overplantten, zouden deze een organisatie verkrijgen, voortreffelijker dan die der wijfjes; het is echter waarschijnlijk, dat de wijfjes, daar zij het zelfde algemeen gestel hadden en aan de zelfde voorwaarden waren blootgesteld, vroeger of later op de zelfde wijze zouden varieeren; en zoodra dit gebeurde, zouden de afwijkingen door de natuurlijke teeltkeus bij beide seksen gelijkelijk bewaard blijven, zoodat zij aldus ten laatste aan elkander gelijk zouden worden. Het geval is zeer verschillend bij variaties die door de seksueele teeltkeus worden opeengehoopt; want de gewoonten der beide seksen met betrekking tot de voortplantingsfuncties zijn niet de zelfde, en seksueel overgeplante wijzigingen die voor de eene sekse nuttig waren, zouden bij deze worden bewaard, terwijl gelijksoortige wijzigingen volkomen nutteloos zouden zijn voor de andere sekse en bij deze laatste bijgevolg spoedig verloren zouden gaan.

In de volgende hoofdstukken zal ik handelen over de secundaire seksueele kenmerken bij dieren van alle klassen en zal ik in elk geval de in dit hoofdstuk uiteengezette beginselen trachten toe te passen. De laagste klassen zullen ons slechts zeer korten tijd bezig houden; maar de hoogere dieren, vooral de Vogels, moeten zeer uitvoerig worden behandeld. Men bedenke voortdurend, dat ik, wegens reeds vermelde redenen, mij slechts voorstel eenige weinige toelichtende voorbeelden te geven van de tallooze inrichtingen, met behulp waarvan het mannetje het wijfje vindt, of als hij haar heeft gevonden, vasthoudt. Daarentegen zullen alle inrichtingen en instinkten, waardoor het mannetje andere mannetjes overwint, of waardoor hij het wijfje lokt of opwekt, [476]uitvoerig worden besproken, daar deze in vele opzichten de meest belangwekkende zijn.

Bijvoegsel over de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse bij tot verschillende klassen behoorende dieren.

Daar niemand, voor zoover ik kan nagaan, zijn aandacht heeft gewijd aan de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse door het geheele dierenrijk heên, zal ik hier die bouwstoffen daartoe mededeelen, welke ik in staat was te verzamelen, hoewel zij uiterst onvolkomen zijn. Zij bestaan slechts in eenige weinige voorbeelden van werkelijke telling en de getallen zijn niet zeer groot. Daar de verhoudingen op groote schaal alleen in het geval van den mensch met zekerheid bekend zijn, wil ik die eerst geven, als maatstaf van vergelijking.

De Mensch.—In Engeland zijn gedurende tien jaren (van 1857 tot 1866) jaarlijks gemiddeld 707120 kinderen levend geboren, in de verhouding van 104.5 jongens tegen 100 meisjes. In 1857 stonden echter de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke, over geheel Engeland gerekend, als 105.2 en in 1865 als 104.0 tot 100. Afzonderlijke districten beschouwende, was in Buckinghamshire (waar jaarlijks gemiddeld 5000 kinderen worden geboren), de gemiddelde verhouding van de mannelijke tot de vrouwelijke geboorten, gedurende het geheele tijdperk der bovengenoemde tien jaren, 102.8 tot 100, terwijl die in Noord-Wales (waar jaarlijks gemiddeld 12873 geboorten plaats grijpen) de hoogte van 106.2 tot 100 bereikte; een kleiner district nemende namelijk Rutlandshire (waar jaarlijks slechts gemiddeld 739 geboorten plaats grijpen) stonden daar de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 114.6 en in 1862 als 97.0 tot 100; maar zelfs in dit kleine district was het gemiddelde van de 7385 geboorten gedurende de geheele tien jaren als 104.5 tot 100, d.i. in de zelfde verhouding als over geheel Engeland.42 De verhoudingen worden soms door onbekende oorzaken eenigermate gewijzigd; zoo getuigt Prof. Faye, „dat er in sommige districten van Noorwegen gedurende een tijdperk van tien jaren een voortdurend tekort aan jongens was, terwijl zich in andere tijdperken het tegenovergestelde verschijnsel [477]voordeed.” In Frankrijk stonden gedurende vier-en-veertig jaren de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 106.2 tot 100; maar gedurende dit tijdvak is het in één departement vijfmaal, in een ander zesmaal gebeurd, dat de vrouwelijke geboorten de mannelijke in aantal overtroffen. In Rusland bereikt de gemiddelde verhouding de hoogte van 108.9 tot 100.43 Te Philadelphia in de Vereenigde Staten is de verhouding 110.5 tot 100.44 Het gemiddelde voor Europa, door Bickes afgeleid uit omstreeks zeventig millioen geboorten, is 106 jongens op 100 meisjes. Daarentegen is bij blanke kinderen, aan de Kaap de Goede Hoop geboren, het aantal jongens zoo gering, dat gedurende een reeks van jaren van 90 tot 99 jongens op 100 meisjes werden geboren. Het is een vreemd feit, dat bij de Joden de verhouding der mannelijke geboorten tot de vrouwelijke stellig hooger is dan bij de Christenen (4); zoo is in Pruisen de verhouding als 113, in Breslau als 114 en in Lijfland als 120 tot 100; terwijl de christelijke geboorten in deze landen de zelfde verhouding vertoonen als elders, in Lijfland b.v. als 104 tot 10045. Het is een nog vreemder feit, dat bij verschillende natiën, onder verschillende omstandigheden en luchtstreken, in Napels, Pruisen, Westphalen, Frankrijk en Engeland, de overmaat van de mannelijke over de vrouwelijke geboorten minder is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig zijn.

In verschillende deelen van Europa zou men, volgens Prof. Faye en andere schrijvers, „een nog grooter overmaat van jongens vinden, indien de dood beide seksen in gelijke verhouding trof in de baarmoeder en gedurende de geboorte. Het is echter een feit, dat in onderscheidene landen op 100 doodgeboren meisjes van 134,6 tot 144,9 doodgeboren jongens komen.” Daarenboven sterven gedurende de vier of vijf eerste levensjaren meer jongens dan meisjes; „in Engeland sterven bij voorbeeld gedurende het eerste levensjaar 126 jongens tegen 100 meisjes,[478]—een verhouding die in Frankrijk nog ongunstiger is.46 Dr. Stockton Hough verklaart deze feiten gedeeltelijk, doordat de jongens veelvuldiger gebrekkig ontwikkeld zijn dan de meisjes. Wij hebben reeds vroeger gezien, dat de mannelijke sekse meer variabel van maaksel is dan de vrouwelijke, en variaties in belangrijke organen zullen over het algemeen nadeelig zijn. Doch de grootte van het lichaam, en vooral van het hoofd, dat bij mannelijke kinderen grooter dan bij vrouwelijke is, is een andere oorzaak; want de jongens loopen daardoor meer kans om te worden beschadigd dan de meisjes. Bij gevolg zijn de doodgeborenen onder de jongens talrijker en hebben, gelijk een hoogst bevoegd beoordeelaar, Dr. Crichton Browne, aanneemt47, jongens dikwijls nog eenige jaren na hun geboorte een minder goede gezondheid. Ten gevolge van deze grootere sterfte bij mannelijke kinderen, zoowel bij de geboorte als eenigen tijd daarna, en omdat volwassen mannen aan verschillende gevaren zijn blootgesteld en meer neiging tot landverhuizing hebben, zijn de vrouwen in alle van ouds bewoonde landen waar statistieke opteekeningen zijn gedaan48, aanmerkelijk talrijker dan de mannen. (5)

Het schijnt op het eerste gezicht een geheimzinnig feit, dat in verschillende landen onder verschillende toestanden en klimaten, in Napels, Pruisen, Westfalen, Nederland, Frankrijk, Engeland en de Vereenigde Staten, de overmaat der mannelijke geboorten over de vrouwelijke [479]kleiner is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig zijn.49 Dit is door verschillende schrijvers op vele verschillende wijzen verklaard, zooals omdat de moeders over het algemeen jong zijn, dat het grootendeels de eerste kinderen zijn die zij krijgen, enz. Doch wij hebben gezien, dat jongens wegens de grootere afmeting van hun hoofd bij de geboorte meer lijden dan meisjes; en daar de moeders van onwettige kinderen meer kans loopen een moeilijke baring te hebben dan andere vrouwen, om verschillende oorzaken, zooals pogingen om haar zwangerschap te verbergen door zich sterk te rijgen, harden arbeid, wanhoop enz., zullen haar mannelijke vruchten naar verhouding meer lijden. En dit is waarschijnlijk de krachtigste van alle oorzaken, waarom de verhouding van de jongens tot de meisjes bij levendgeboren kinderen kleiner is bij onwettige dan bij wettige geboorten. Bij de meeste dieren is de oorzaak dat het volwassen mannetje grooter dan het wijfje is, daarin gelegen, dat de sterkere mannetjes de zwakkere hebben overwonnen in hun gevechten om het bezit van het wijfje, en ongetwijfeld is het een gevolg van dit feit, dat de beide seksen, ten minste van eenige dieren, bij de geboorte in grootte verschillen. Zoo hebben wij hier het merkwaardige feit, dat wij de grootere sterfte onder mannelijke dan onder vrouwelijke kinderen, vooral onder de onwettige, ten minste gedeeltelijk aan seksueele teeltkeus mogen toeschrijven.

Men heeft dikwijls ondersteld, dat de betrekkelijke leeftijd der ouders de sekse der kinderen bepaalt, en Prof. Leuckart50 heeft zijns inziens voldoende bewijzen geleverd ten opzichte van den mensch en zekere tamme dieren, om aan te toonen, dat dit een belangrijke factor daartoe is. Evenzoo dacht men ook wel, dat het tijdstip der bevruchting de daarbij werkzame oorzaak was; doch onlangs gedane waarnemingen strijden tegen deze meening. Men heeft ook wel ondersteld, dat bij den mensch de veelwijverij (polygamie) aanleiding gaf tot de geboorte van een naar verhouding grooter aantal meisjes; maar Dr. J. Campbell51 gaf nauwkeurig acht op dit onderwerp in de harems van Siam, en hij komt tot het besluit, dat de verhouding tusschen [480]mannelijke en vrouwelijke geboorten de zelfde is als bij eenwijvige (monogame) verbintenissen. (6) Nauwelijks eenig dier is in zoo hooge mate veelwijvig (polygaam) gemaakt als onze Engelsche renpaarden en wij zullen zoo dadelijk zien, dat hun mannelijk en vrouwelijk kroost in aantal bijna geheel gelijk is.

Paarden.—De heer Tegetmeier is zoo vriendelijk geweest uit de „Racing Calendar” voor mij een tabel te maken van de geboorten van renpaarden gedurende een tijdvak van één-en-twintig jaren, namelijk van 1846 tot 1867; waarbij 1849 is overgeslagen, daar dat jaar het bedrag er van niet publiek is gemaakt. Het totaal aantal geboorten is 25,56052 geweest, bestaande uit 12763 hengstveulens en 12797 merrieveulens, of in de verhouding van 99.7 hengstveulens tegen 100 merrieveulens. Daar deze getallen tamelijk groot zijn, en daar zij zijn getrokken uit alle deelen van Engeland, gedurende verscheidene jaren, mogen wij met veel vertrouwen besluiten, dat bij het tamme paard, of ten minste bij het renpaard, de beide seksen in bijna gelijk aantal worden voortgebracht. De afwisselingen in de verhoudingen gedurende opeenvolgende jaren naderen zeer tot die welke bij den mensch plaats grijpen, als men een klein en dun bevolkt gebied beschouwt; zoo stonden in 1856 de hengstveulens tot de merrieveulens als 107.1, en in 1867 als slechts 92.6 tot 100. Op de tabellen van het bedrag der geboorten wisselen de verhoudingen volgens vaste tijdperken af; want de hengstveulens overtroffen de merrieveulens in aantal gedurende zes achtereenvolgende jaren; en de merrieveulens overtroffen de hengstveulens in aantal gedurende twee tijdperken, elk van vier jaren; dit is echter wellicht slechts toevallig; ik kan ten minste niets van dezen aard ontdekken bij den mensch in de tienjarige tabel in het „Registrar’s Report” voor 1866. Ik mag er bijvoegen, dat zekere merries, en dit is ook het geval bij zekere koeien en vrouwen, een neiging bezitten om meer jongen van de eene sekse voort te brengen dan van de andere; de heer [481]Wright van Yeldersley House meldt mij, dat ééne van zijn Arabische merries, hoewel zeven malen door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens wierp.

Honden.—Gedurende een tijdvak van twaalf jaren, van 1857 tot 1868, zijn de geboorteopgaven van een aanzienlijk aantal windhonden, door geheel Engeland heên, aan de „Field” courant gezonden; en ik ben wederom aan den heer Tegetmeier zorgvuldig bewerkte tabellen van den uitslag verschuldigd. De opgeteekende geboorten waren ten getale van 6878, bestaande uit 3605 reuen en 3273 teven, dat is in verhouding van 110.1 reuen tegen 100 teven. De grootste afwisselingen hadden in 1864 plaats, toen de verhouding als 95.3 reuen, en in 1867, toen zij als 116.3 reuen tegen 100 teven was. De bovenvermelde gemiddelde verhouding 110.1 tot 100 is waarschijnlijk bijna nauwkeurig in het geval van den windhond; maar of zij steek zou houden bij andere tamme rassen, is eenigermate twijfelachtig. De heer Cupples heeft onderzoek gedaan bij onderscheidene groote hondenfokkers en vindt, dat allen zonder uitzondering gelooven, dat er teven in overmaat worden geboren; hij oppert de meening, dat dit geloof wellicht kan zijn ontstaan, doordat teven minder waarde hebben, en doordat de daardoor teweeggebrachte teleurstelling een sterkeren indruk op den geest maakt.

Schapen.—De sekse der schapen wordt door de landbouwers niet onderzocht, dan verscheidene maanden na de geboorte, op het tijdstip, dat de rammen worden gesneden (gecastreerd); zoodat de hier volgende getallen niet de verhoudingen bij de geboorte geven. Ik vind daarenboven, dat verscheidene groote veefokkers in Schotland, die jaarlijks eenige duizenden schapen aanfokken, vast overtuigd zijn, dat er gedurende de eerste een of twee jaar meer rammen dan ooien sterven; de verhouding der rammen zou dus bij de geboorte iets grooter zijn, dan op den leeftijd der snijding (castratie). Dit is een merkwaardiger overeenkomst met hetgeen, zooals wij hebben gezien, bij den mensch gebeurt, en beide gevallen hangen waarschijnlijk van de eene of andere gemeenschappelijke oorzaak af. Ik heb opgaven ontvangen van vier heeren in Engeland, die gedurende de laatste tien of zestien jaar laaglandsche schapen, voornamelijk Leicester-schapen, hebben aangefokt; het gezamenlijk bedrag der geboorten klimt tot 8965, bestaande uit 4407 rammen en 4558 ooien, dat is in de verhouding van 96.7 rammen tot 100 ooien. Ten opzichten van Cheviot- en zwartsnoetige schapen, in Schotland aangefokt, ontving ik opgaven van zes [482]fokkers, twee daarvan op groote schaal, voornamelijk voor de jaren 1867–1869, maar sommige opgaven klommen op tot 1862. Het totale opgeteekende aantal klimt tot 50685, bestaande uit 25071 rammen en 25614 ooien, dat is in de verhouding van 97.9 rammen tot 100 ooien. Indien wij de Engelsche en Schotsche opgaven te zamen nemen, klimt het totale aantal tot 59650, bestaande uit 29478 rammen en 30172 ooien, of als 97.7 tot 100, zoodat het zeker is, dat bij schapen op den leeftijd der snijding (castratie) de wijfjes de mannetjes in aantal overtreffen; maar of dit ook zou doorgaan bij de geboorte, is twijfelachtig, ten gevolge van het meer onderhevig zijn der mannetjes aan een vroegen dood.53

Hoornvee.—Hieromtrent ontving ik opgaven van negen heeren van 982 geboorten, te weinig om vertrouwen te verdienen; deze bestonden uit 477 stierkalveren en 505 koekalveren, d.i. in de verhouding van 94.4 stierkalveren tot 100 koekalveren. De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat in 1867 van 34 kalveren die op ééne hoeve in Derbyshire werden geboren, slechts één een stier was.

Varkens.—De heer Harrison Weir schrijft mij, dat hij bij verscheidene varkensfokkers onderzoek heeft gedaan, en de meesten daarvan schatten, dat de geboorten van beeren tot die van zeugen ongeveer staan als 7 tot 6.

Konijnen.—De zelfde heer heeft voor vele jaren konijnen gefokt en heeft opgeteekend, dat er een veel grooter aantal rekels dan voedsters worden geboren.

Zoogdieren in den natuurstaat.—Omtrent deze heb ik slechts zeer weinig kunnen te weten komen. Omtrent de gewone Rat heb ik tegenstrijdige mededeelingen ontvangen. De heer R. Elliot van Laighwood meldt mij, dat een rattenvanger hem heeft verzekerd, dat hij altijd een groote overmaat van mannetjes had gevonden, zelfs bij de jongen in het nest. Ten gevolge daarvan onderzocht de heer Elliot zelf later eenige honderden oude ratten en vond die mededeeling bevestigd.

De heer F. Buckland heeft een groot aantal witte ratten aangefokt, [483]en ook hij gelooft, dat de mannetjes de wijfjes verreweg in aantal overtreffen. Wat Mollen aangaat, wordt gezegd, dat „de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes”54; en daar het vangen van deze dieren een bijzonder beroep is, kan men deze getuigenis wellicht vertrouwen. Sir A. Smith merkt, een antilope van Zuid-Afrika55 (Kobus ellipsiprymnus) beschrijvende, op, dat bij de kudden van deze en andere soorten de mannetjes gering in aantal zijn in vergelijking van de wijfjes; de inboorlingen gelooven, dat zij in die verhouding worden geboren; anderen gelooven, dat de jongere mannetjes uit de kudden worden verdreven, en Sir A. Smith zegt, dat, hoewel hij zelf nooit kudden heeft gezien die alleen uit jonge mannetjes bestonden, anderen hem verzekeren, dat dit wel voorkomt. Waarschijnlijk zullen de jonge mannetjes, als zij uit de kudde worden verdreven, zeer zijn blootgesteld om de prooi te worden van de vele roofdieren van dat land.

VOGELS.

Omtrent Hoenders heb ik slechts ééne opgaaf ontvangen, namelijk dat van 1001 kuikens van een aan sterke familieparing onderworpen familie Cochinchina-hoenders, gedurende acht jaren door den heer Stretch opgekweekt, 487 hanen en 514 hennen bleken te zijn, zoodat de verhouding 94.7 tot 100 was. Omtrent tamme Duiven bestaan er goede bewijzen, dat er mannetjes in overmaat worden geboren, of dat zij langer leven; want deze vogels leven zonder uitzondering paarsgewijze, en afzonderlijke mannetjes kunnen, naar de heer Tegetmeier mij meldt, altijd goedkooper worden gekocht dan wijfjes. Gewoonlijk bestaan de beide vogels, opgekweekt uit de twee in het zelfde nest gelegde eieren, uit een mannetje en een wijfje; doch de heer Harrison Weir, die zulk een groot duivenfokker was, zegt, dat hij dikwijls twee doffers heeft opgekweekt uit het zelfde nest, en zelden twee vrouwelijke duiven; daarenboven is het wijfje de zwakste van de twee, en aan grootere sterfte onderhevig.

Wat Vogels in den natuurstaat aangaat, zijn de heer Gould en anderen56 overtuigd, dat de mannetjes over het algemeen het talrijkst zijn; [484]en daar de jonge mannetjes van vele soorten op de wijfjes gelijken, zouden deze laatste natuurlijk het talrijkst schijnen. Een groot aantal Fazanten worden door den heer Baker van Leadenhall aangekweekt uit door wilde vogels gelegde eieren, en hij meldt den heer Jenner Weir, dat er gewoonlijk vier of vijf hanen tegen ééne hen worden voortgebracht. Een ondervindingrijk waarnemer merkt op57, dat in Scandinavië de broedsels van het Auerhoen en het Korhoen meer hanen dan hennen bevatten; en dat bij de „Dal-ripa” (een soort van Sneeuwhoen) (7) meer hanen dan hennen op de „lek” of plaatsen waar zij elkander het hof maken, tegenwoordig zijn; maar deze laatste omstandigheid wordt door sommige waarnemers verklaard doordat een grooter aantal hennen door het ongedierte worden gedood. Uit verschillende door White van Seborne58 medegedeelde feiten schijnt het duidelijk, dat in het zuiden van Engeland bij de Patrijzen een groote overmaat van mannetjes moet bestaan; en men heeft mij verzekerd, dat dit ook in Schotland het geval was. Toen de heer Weir onderzoek deed bij de kooplieden, die in zekere tijden van het jaar een groot aantal Kemphanen (Machetes pugnax) ontvangen, verhaalde men hem, dat de mannetjes verreweg het talrijkst zijn. De zelfde natuuronderzoeker heeft ook voor mij een onderzoek ingesteld bij de vogelvangers, die jaarlijks een verbazend groot aantal verschillende kleine vogels levend vangen voor de Londensche markt, en een oud en geloofwaardig man antwoordde hem zonder aarzeling, dat er bij den gewonen Vink een groote overmaat van mannetjes bestond; hij dacht, dat er wel 2 mannetjes tegen 1 wijfje, of minstens 5 mannetjes tegen drie wijfjes waren.59 Ook bij de Merel of Zwarte Lijster beweerde hij, dat de mannetjes verreweg het talrijkst waren, als men ze met strikken of des nachts met netten ving. Deze getuigenissen verdienen blijkbaar vertrouwen, daar de zelfde man zeide, dat de seksen ongeveer even talrijk zijn bij den Leeuwerik, het Barmsijsje (Linaria montana) en den Distelvink. Hij is daarentegen zeker, dat er bij het gewone Kneutje een groote overmaat van wijfjes is, [485]ofschoon ongelijk in verschillende jaren; in eenige jaren heeft hij gevonden, dat de wijfjes tot de mannetjes stonden als vier tot een. Men bedenke echter steeds, dat het voornaamste jaargetijde om vogels te vangen niet voor September begint, zoodat bij sommige soorten gedeeltelijke verhuizingen kunnen zijn begonnen, en de vluchten op dien tijd dikwijls alleen uit wijfjes bestaan. De heer Salvin vestigde zijn aandacht bijzonder op de sekse van de Kolibri’s in Midden-Amerika, en hij is overtuigd, dat er bij de meeste soorten een overmaat van mannetjes is; zoo verschafte hij zich in één jaar 204 voorwerpen, tot 10 soorten behoorende, en daarvan waren 166 mannetjes en 38 wijfjes. Bij twee andere soorten was er een overmaat van wijfjes, doch de verhoudingen wisselden blijkbaar af; hetzij in verschillende jaargetijden of op verschillende plaatsen; want bij ééne gelegenheid stonden de mannetjes van Campylopterus hemileucurus tot de wijfjes als vijf tot twee, en bij een andere gelegenheid60 was de verhouding juist omgekeerd. In verband met dit laatste punt kan ik er bijvoegen, dat de heer Powys bevond dat op Corfu en in Epirus de beide seksen van den vink afzonderlijk leven, „en de wijfjes verreweg het talrijkst zijn”; terwijl de heer Tristram bevond, dat in Palaestina „de vluchten mannelijke vinken die van vrouwelijke verreweg in aantal schijnen te overtreffen.”61 Evenzoo zegt de heer G. Taylor62 omtrent Quiscalus major, dat er in Florida „zeer weinig wijfjes waren, in verhouding tot de mannetjes”, terwijl in Honduras de verhouding omgekeerd was, en de soort daar in veelwijverij (polygamie) leefde.

VISSCHEN.

Bij de Visschen kan men zich alleen vergewissen omtrent de verhoudingsgetallen der seksen door ze in volwassen of bijna volwassen staat te vangen; en het is zeer moeilijk tot eenig juist besluit te komen.63 [486]Onvruchtbare wijfjes kunnen gemakkelijk bij vergissing voor mannetjes worden gehouden, zooals de heer Günther mij opmerkte ten opzichte van de forel. Bij sommige soorten gelooft men, dat de mannetjes sterven, spoedig nadat zij de eieren hebben bevrucht. Bij vele soorten zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, zoodat een groot aantal mannetjes zou ontsnappen uit het zelfde net waarmede de wijfjes werden gevangen. De heer Carbonnier64, die bijzonder acht heeft geslagen op de natuurlijke geschiedenis van den snoek (Esox Lucius) getuigt, dat vele mannetjes, ten gevolge hunner geringe grootte, door de grootere wijfjes worden verslonden; en hij gelooft, dat de mannetjes van bijna alle visschen wegens de zelfde oorzaak aan grooter gevaar zijn blootgesteld dan de wijfjes. Toch schijnen in de weinige gevallen waarin de verhoudingsgetallen werkelijk zijn waargenomen, de mannetjes in groote overmaat voorhanden te zijn. Zoo zegt de heer R. Buist, de superintendent van de Stormontfieldsche proeven, dat in 1865 van de 70 zalmen die het eerst aan land werden gebracht met het doel er de kuit van te verkrijgen, meer dan 60 mannetjes waren. In 1867 „vestigt hij de aandacht nogmaals op de groote wanverhouding tusschen de mannetjes en wijfjes. Wij hadden in den aanvang ten minste tien mannetjes tegen één wijfje.” Later werden genoeg wijfjes gevangen om kuit te verkrijgen. Hij voegt er bij: „wegens het naar verhouding groot aantal mannetjes vechten en razen zij voortdurend met elkander op de plaatsen waar kuit wordt geschoten.”65 Van deze wanverhouding kan men zich ongetwijfeld voor een deel rekenschap geven, doordat de mannetjes vroeger de rivier opzwemmen dan de wijfjes; maar of men haar daardoor geheel kan verklaren, is zeer twijfelachtig. De heer F. Buckland merkt omtrent de forel op, „dat het een merkwaardig feit is, dat de mannetjes zooveel talrijker zijn dan de wijfjes.” Als de eerste visschen zich in het net verwarden, gebeurde het zonder uitzondering, dat men minstens zeven of acht mannetjes tegen één wijfje gevangen vond. Ik kan dit niet volkomen verklaren; òf de mannetjes zijn talrijker dan de wijfjes, òf de laatste zoeken zich liever te beveiligen door zich te verbergen, dan door te vluchten. Hij voegt er daarna bij, dat men door zorgvuldig langs de oevers te zoeken een voldoende [487]aantal wijfjes kan vinden om kuit te verkrijgen.66 De heer H. Lee meldt mij, dat van 212 forellen met dit doel in Lord Portsmouth’s park gevangen, 150 mannetjes en 62 wijfjes waren.

Bij de Karpervisschen (Cyprinidae) schijnen de mannetjes ook in overmaat voorhanden te zijn; maar verscheidene leden van deze familie, namelijk de karper, de zeelt, de brasem en Leuciscus phoxinus, schijnen geregeld de in het dierenrijk zeldzame gewoonte van veelmannerij (polyandrie) te volgen; want bij het kuitschieten wordt het wijfje steeds door twee mannetjes vergezeld, één aan elke zijde, en in het geval van den brasem door drie of vier mannetjes. Dit feit is zoo wel bekend, dat altijd wordt aanbevolen, bij het bevolken van een vijver twee mannelijke zeelten op één wijfje of ten minste drie mannelijke zeelten op twee wijfjes te nemen. Van Leuciscus phoxinus getuigt een uitnemend waarnemer, dat op de plaatsen waar kuit wordt geschoten, de mannetjes tienmaal zoo talrijk zijn als de wijfjes; als een wijfje onder de mannetjes komt, dringt onmiddellijk aan elke zijde een mannetje dicht op haar; en als deze een tijd lang in die positie zijn geweest, worden zij door een paar andere mannetjes vervangen.67

INSEKTEN.

In deze Klasse leveren alleen de Schubvleugeligen (Lepidoptera) de middelen op om over de verhoudingsgetallen van de seksen te oordeelen; want zij zijn met bijzondere zorg door vele goede waarnemers verzameld en op groote schaal uit het ei of den rupsentoestand opgekweekt. Ik had gehoopt, dat sommige kweekers van zijdewormen nauwkeurige opteekeningen zouden hebben gehouden; maar na naar Frankrijk en Italië geschreven en onderscheidene verhandelingen geraadpleegd te hebben, kan ik niet vinden, dat dit ooit is gedaan. De algemeene opinie schijnt te zijn, dat de seksen ongeveer even talrijk zijn; maar in Italië zijn, naar ik van Prof. Canestrini hoor, vele kweekers overtuigd, dat er wijfjes in overmaat worden voortgebracht. De zelfde natuuronderzoeker [488]meldt mij echter, dat bij de twee groote jaarlijksche broedsels van den Ailanthus-zijdeworm (Bombyx Cynthia) de mannetjes verreweg de overhand hebben in het eerste, terwijl in het tweede de seksen nagenoeg even talrijk zijn, of de wijfjes eenigszins de overhand hebben.

Ten opzichte van Kapellen in den natuurstaat zijn verscheidene waarnemers zeer getroffen geweest door de schijnbaar verbazend groote overmaat van mannetjes.68 Zoo zegt de heer Bates69, van de soorten sprekende, niet minder dan ongeveer honderd in getal, die den Boven-Amazonenstroom bewonen, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, zelfs in de verhouding van honderd tot één. In Noord-Amerika schat Edwards die groote ondervinding had, dat bij het geslacht Papilio de mannetjes tot de wijfjes staan als vier tot één; en de heer Walsh welke mij die getuigenis mededeelde, zegt, dat dit bij P. Turnus met zekerheid het geval is. In Zuid-Afrika vond de heer R. Trimen de mannetjes in overmaat bij 19 soorten70, en bij één daarvan, die op open plaatsen rondvliegt, schat hij, dat het aantal mannetjes tot dat der wijfjes staat als vijftig tot één. Van een andere soort, waarvan de mannetjes op sommige plaatsen talrijk zijn, verzamelde hij gedurende zeven jaar slechts vijf wijfjes. De heer Maillard getuigt, dat op het eiland Bourbon de mannetjes van ééne soort van Papilio twintigmaal talrijker zijn dan de wijfjes.71 De heer Trimen meldt mij, dat het, zoover hij zelf gezien of van anderen gehoord heeft, een zeldzaamheid is, als de wijfjes van de eene of andere soort van kapel de mannetjes in aantal overtreffen, doch dat dit wellicht het geval is met drie Zuid-Afrikaansche soorten. De heer Wallace72 getuigt, dat de wijfjes van Ornithoptera Croesus in Insulinde algemeener zijn en gemakkelijker worden gevangen dan de mannetjes; maar dit is een zeldzame soort van kapel. Ik mag hier bijvoegen, dat, volgens Guenée, van Hyperethra, een geslacht van nachtvlinders, van vier tot vijf wijfjes in verzamelingen uit Indië worden gezonden tegen één mannetje. [489]

Toen dit onderwerp van de getalsverhouding der seksen bij insekten in de Engelsche Entomologische Vereeniging ter sprake werd gebracht73, nam men algemeen aan, dat de mannetjes van de meeste Schubvleugeligen (Lepidoptera), in den toestand van volkomen insekt, in grooter aantal worden gevangen dan de wijfjes; maar dit feit werd door onderscheidene waarnemers toegeschreven aan de meer afgezonderde levenswijze van het wijfje en aan de omstandigheid, dat het mannetje vroeger uit de pop komt. Dit laatste is, gelijk welbekend is, het geval met de meeste Schubvleugeligen (Lepidoptera) en ook met andere insekten. Zoo gaan, gelijk de heer Personnat opmerkt, de mannetjes van den tammen Bombyx Yama-Maju in het begin van het seizoen en de wijfjes aan het einde daarvan verloren, wegens gebrek aan voorwerpen van de andere sekse om mede te paren.74 Ik kan echter maar niet tot de overtuiging komen, dat deze oorzaken voldoende zijn om de groote overmaat van mannetjes in de bovenvermelde gevallen bij kapellen die in haar vaderland uiterst gemeen zijn, te verklaren. De heer Stainton, die gedurende vele jaren zooveel studie van de kleinere nachtvlinders heeft gemaakt, meldt mij nog, dat hij, toen hij ze in den toestand van volkomen insekt verzamelde, dacht, dat de mannetjes tienmaal zoo talrijk waren als de wijfjes, maar dat hij, sedert hij ze op groote schaal uit de rups opkweekte, overtuigd is, dat de wijfjes het talrijkst zijn. Verscheidene insektenkenners deelen deze zienswijze. De heer Doubleday echter, en eenige anderen, zijn van een tegenovergestelde meening en overtuigd, dat zij uit de eieren en rupsen naar verhouding meer mannetjes dan wijfjes hebben opgekweekt.

Behalve de meer bedrijvige levenswijze der mannetjes, hun vroeger uit de pop komen en hun veelvuldiger bezoeken van open plaatsen kunnen wellicht nog andere oorzaken worden aangegeven voor een schijnbaar of werkelijk verschil in de getalsverhouding van de seksen bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera), als zij in den toestand van volkomen insekt gevangen, en als zij uit de eieren of rupsen opgekweekt worden. Vele kweekers van zijdewormen in Italië gelooven, naar ik van Professor Canestrini hoor, dat de vrouwelijke rupsen meer van de voor korten tijd gewoed hebbende ziekte te lijden hadden dan de mannelijke; en Dr. Staudinger meldt mij, dat er bij het opkweeken van vlinders [490]meer wijfjes in de pop sterven dan mannetjes. Bij vele soorten is de vrouwelijke rups grooter dan de mannelijke, en een verzamelaar zal natuurlijk de schoonste voorwerpen kiezen en zoo onbewust een grooter aantal wijfjes verzamelen. Drie verzamelaars hebben mij gezegd, dat dit hun gewoonte was; maar Dr. Wallace is zeker, dat de meeste verzamelaars al de voorwerpen nemen die zij kunnen vinden, van de meer zeldzame soorten, die alleen de moeite van het opkweeken waard zijn. Als vogels door rupsen zijn omringd, zullen zij waarschijnlijk de grootste kiezen; en Professor Canestrini meldt mij, dat sommige kweekers in Italië gelooven, hoewel zij geen voldoende bewijzen hebben, dat bij het eerste broedsel van den Ailanthus-zijdeworm de wespen een grooter aantal van de vrouwelijke dan van de mannelijke rupsen vernielen. Dr. Wallace merkt verder op, dat vrouwelijke rupsen, omdat zij grooter dan de mannelijke zijn, meer tijd voor haar ontwikkeling behoeven en meer voedsel en vocht verbruiken, en dus gedurende langer tijd moeten zijn blootgesteld aan gevaar van sluipwespen, vogels enz., en in tijden van schaarschte in grooter aantal moeten sterven. Het schijnt daarom zeer mogelijk, dat in den natuurstaat minder vrouwelijke dan mannelijke Schubvleugeligen (Lepidoptera) tot vollen wasdom komen; en voor ons bijzondere doel hebben wij te maken met de getallen op volwassen leeftijd, als de seksen gereed zijn om haar soort voort te planten.

De wijze waarop de mannetjes van zekere nachtvlinders in buitengewoon grooten getale samenkomen rondom een enkel wijfje, wijst blijkbaar op een groote overmaat van mannetjes, hoewel dit feit wellicht kan worden verklaard doordat de mannetjes vroeger uit de pop te voorschijn komen. De heer Stainton meldt mij, dat men soms van twaalf tot twintig mannetjes verzameld kan zien rondom een enkel wijfje van Elachista rufocinerea. Het is welbekend, dat, indien een maagdelijke Lasiocampa quercus of Saturnia carpini in een kooi wordt tentoongesteld, een groot aantal mannetjes zich rondom haar verzamelen, en als zij in een kamer is opgesloten, zelfs door den schoorsteen naar haar toe komen vliegen. De heer Doubleday gelooft, dat hij van vijftig tot een honderdtal mannetjes van deze beide soorten in den loop van een enkelen dag door een opgesloten wijfje aangelokt heeft gezien. De heer Trimen stelde op het eiland Wight een doos ten toon, waarin den vorigen dag een wijfje van de Lasiocampa was opgesloten geweest, en weldra trachtten vijf mannetjes daarin te komen. Toen de heer Verreaux [491]in Nieuw-Holland een doos in zijn zak had, waarin zich het wijfje van een kleine Bombyx-soort bevond, werd hij door een menigte mannetjes gevolgd, zoodat ongeveer 200 met hem het huis binnenkwamen.75

De heer Doubleday heeft mijn aandacht gevestigd op Dr. Staudinger’s lijst van Schubvleugeligen (Lepidoptera)76, waarop de prijs voorkomt van de mannetjes en wijfjes van 300 soorten of goed uitgedrukte verscheidenheden van dagvlinders (Rhopalocera). De prijzen voor beide seksen van de zeer algemeene soorten zijn natuurlijk de zelfde, maar bij 113 der meer zeldzame soorten verschillen zij, en daarbij is het mannetje, op ééne uitzondering na, het goedkoopst. Bij de 113 soorten staat de prijs van het mannetje tot dien van het wijfje gemiddeld als 100 tot 149; en deze prijs schijnt aan te toonen, dat omgekeerd de mannetjes de wijfjes in de zelfde verhouding in aantal overtreffen. Ongeveer 2000 soorten of verscheidenheden van avond- en nachtvlinders (Heterocera) zijn gecatalogiseerd, waarbij die met vleugellooze wijfjes hier worden uitgesloten wegens de verschillende levenswijze der seksen; van 2000 soorten verschillen 141 in prijs volgens de sekse, daar van 130 de mannetjes goedkooper en slechts van 11 de mannetjes duurder zijn dan de wijfjes. De prijs van de mannetjes der 130 soorten staat gemiddeld tot dien van de wijfjes als 100 tot 143. Ten opzichte van de kapellen op deze prijslijst denkt de heer Doubleday (en niemand in Engeland heeft meer ondervinding gehad), dat er niets in de levenswijze der soorten is, dat rekenschap kan geven van het verschil in prijs tusschen de beide seksen, en dat men het alleen kan verklaren, doordat zijn verzamelaars een grooter aantal mannetjes dan wijfjes vangen en derhalve de eerste lager in prijs zijn. Ten opzichte van uit de rups opgekweekte voorwerpen gelooft Dr. Staudinger, gelijk vroeger is vermeld, dat in gevangen staat een grooter aantal van de wijfjes dan van de mannetjes in de pop sterven. Hij voegt er bij, dat bij zekere soorten de eene sekse gedurende zekere jaren de overhand schijnt te hebben boven de mannetjes.

Van rechtstreeksche waarnemingen omtrent de sekse van Schubvleugeligen (Lepidoptera), gekweekt hetzij uit het ei of uit de rups, heb ik alleen de volgende weinige opgaven ontvangen: [492]