1 Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol II 1840, blz. 541. De later vermelde mededeelingen omtrent Tanais, ben ik aan Fritz Müller verschuldigd. 

2 Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 309. 

3 Dr. Perrier („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 865) voert dit geval aan als een afdoend argument tegen de seksueele teeltkeus, onderstellende, dat ik alle verschillen tusschen de beide seksen aan seksueele teeltkeus toeschrijf. Deze bekende natuuronderzoeker heeft dus, evenals zoovele andere Franschen, de moeite niet genomen om zelfs de eerste beginselen der seksueele teeltkeus te begrijpen. Een Engelsch natuuronderzoeker wijst er op, dat de grijporganen van sommige mannelijke dieren niet door de keus van het wijfje kunnen zijn ontwikkeld. Had ik deze opmerking niet ontmoet, dan zou ik het voor onmogelijk hebben gehouden, dat iemand die dit hoofdstuk had gelezen, zich zou hebben verbeeld, dat ik volhield, dat de keus van het wijfje iets te maken had met de ontwikkeling der grijporganen bij het mannetje. 

4 Zelfs bij die planten, bij welke de seksen zijn gescheiden, zijn de mannelijke bloemen gewoonlijk vroeger rijp, dan de vrouwelijke. Vele tweeslachtige (hermaphroditische) planten zijn, zooals het eerst door C. K. Sprengel is aangetoond, dichogaam, d.i. hun mannelijke en vrouwelijke organen zijn niet tegelijkertijd gereed, zoodat zij zich zelf niet kunnen bevruchten. Nu is bij zulke planten het stuifmeel gewoonlijk vroeger rijp dan de stempel, hoewel eenige soorten, bij welke de vrouwelijke organen vroeger rijp worden dan de mannelijke, hierop een uitzondering maken. 

5 Ik heb hieromtrent mededeelingen ontvangen, waarvan ik later gewag zal maken ten opzichte van hoenders. Zelfs bij vogels, zooals duiven, die zich voor hun geheele leven paren, verlaat, gelijk ik van den heer Jenner Weir hoor, het wijfje haar levensgezel, wanneer deze gekwetst of ziekelijk wordt. 

6 Over den gorilla, Savage en Wyman, „Boston Journal of Nat. Hist.” vol. V, 1845–47, blz. 423. Over Cynocephalus, Brehm, „Illustr. Thierleben”, Bd. I, 1864, blz. 77. Over Mycetes, Rengger, „Naturgesch.: Saügethiere von Paraguay”, 1830, blz. 14, 20. Over Cebus, Brehm, ibid., blz. 108. 

7 Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, Fasc. XII, 1777, blz. 29. Sir Andrew Smith, „Illustration of the Zoölogy of S. Africa”, 1849, pl. 29, over den Kobus. Owen geeft in zijn „Anatomy of Vertebrates” (vol. III, blz. 633) een tabel, waarop bij elke soort van antilope is opgeteekend, of zij paarsgewijze of in kudden leeft. 

8 Dr. Campbell in „Proc. Zoölog. Soc.”, 1869, blz. 138. Zie ook een belangwekkende verhandeling van Luitenant Johnstone in „Proc. Asiatic Soc. of Bengal”, Mei 1868. 

9 Dr. Gray, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, blz. 302. 

10 Zie Dr. Dobson’s uitnemende verhandeling, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. 

11The Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133, over den Progne-Weduwvogel. Zie ook over Vidua axillaris, ibid., vol. II, 1860, blz. 211. Over de veelwijverij van den grooten auerhaan en groote trapgans, zie L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 19 en 182. Montagu en Selby spreken van den korhaan als veelwijvig en van den rooden Schotschen boschhaan als eenwijvig. 

12 De weleerw. heer Dixon zegt echter nadrukkelijk („Ornamental Poultry”, 1848, blz. 76), dat de eieren van het parelhoen onvruchtbaar zijn, als men meer dan één wijfje met een zelfde mannetje houdt. 

13 Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 324. 

14 Een parasietisch Vliesvleugelig Insekt (Westwood, „Modern Classification of Insects”, vol. II, blz. 160) vormt een uitzondering op den regel, daar het mannetje rudimentaire vleugels heeft en de cel waarin hij is geboren, nooit verlaat, terwijl het wijfje goed ontwikkelde vleugels bezit. Audouin gelooft, dat de wijfjes worden bevrucht door de mannetjes die met haar in de zelfde cel worden geboren, maar het is waarschijnlijker, dat de wijfjes andere cellen bezoeken en dus een paring tusschen zeer nauwe bloedverwanten vermijden. Wij zullen later in verschillende klassen eenige weinige exceptioneele gevallen ontmoeten, waarin het wijfje, en niet het mannetje, de andere sekse opzoekt en haar het hof maakt. 

15 Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, vol. I, 1861, blz. 194. 

16 Prof. Sachs („Lehrbuch der Botanik”, 1870, blz. 633) merkt, van de mannelijke en vrouwelijke voortplantingscellen sprekende, op: „Verhält sich die eine bei der Vereinigung activ .… die andere erscheint bei der Vereinigung passiv.” 

17Vorträge über Viehzucht”, 1872, blz. 63. 

18Reise der Novara: Anthropologischer Theil”, 1167, blz. 216–269. De resultaten werden berekend door Dr. Weisbach uit metingen van Dr. K. Scherzer en Dr. Schwarz. Over de grootere neiging tot variabiliteit van de mannetjes van tamme dieren, zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 54, 55. 

19Proceedings Royal Soc.”, vol. XVI, Juli, No. 3, 1868, blz. 519 en 521. 

20Proc. Royal Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 123. 

21Massachusetts Medical Soc.”, vol. II, No. 3, 1868, blz. 9. 

22Archiv für Path. Anat. und Phys.”, 1871, blz. 448. 

23 De besluiten waartoe voor eenige jaren Dr. J. Stockton Hough is gekomen ten opzichte van de temperatuur van den man, worden medegedeeld in de „Pop. Science Review”, 1 Jan. 1874, blz. 97. 

24 Prof. Mantegazza is geneigd te gelooven („Lettera a Carlo Darwin”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1871, blz. 306), dat de levendige kleuren waardoor zoovele mannelijke dieren zich onderscheiden, worden veroorzaakt door de tegenwoordigheid en het door hen bewaren der zaadvloeistof; maar dit kan moeilijk het geval zijn; want vele mannelijke vogels, bij voorbeeld jonge fazanten, worden levendig gekleurd in den herfst van hun eerste levensjaar. 

25 Voor den mensch, zie Dr. J. Stockton Hough, wiens besluiten worden medegedeeld in de „Pop. Science Review”, 1874, blz. 97. Zie omtrent Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) Girard’s mededeelingen, medegedeeld in „The Zoölogical Record”, 1869, blz. 347. 

26 „Mammals and Birds of E. Florida”, blz. 234, 280, 295. 

27 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 54, 55. In op één na het laatste hoofdstuk wordt de hypothese der pangenesis uitvoerig verklaard. 

28 Deze feiten worden medegedeeld op de gewichtige autoriteit van een groot hoenderfokker, den heer Teebay in Tegetmeier’s „Poultry Book”, 1868, blz. 158. Over de kenmerken van kuikens van verschillende rassen, en over de duivenrassen, waarop boven wordt gedoeld, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 288, Deel II, blz. 57. 

29Novae Species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Over de overplanting van de kleur door het paard, zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 67. Ook Deel II, blz. 52, voor de algemeene bespreking van de beperking der overerving door de sekse. 

30 Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”, 1865, blz. 87. Boitard en Corbié, „Les Pigeons de Volière” enz., 1824, blz. 173. Zie ook omtrent dergelijke verschillen tusschen zekere rassen te Modena, „Le variazioni dei Columbi domestici”, del Paolo Bonizzi, 1873. 

31 Sedert het verschijnen van de eerste uitgaaf van dit werk heeft het mij groote voldoening geschonken de volgende opmerkingen te vinden („The Field”, Sept. 1872) van zulk een ondervindingrijk fokker als de heer Tegetmeier. Na eenige merkwaardige gevallen bij duiven te hebben beschreven, van het overplanten der kleur door de eene sekse alleen, en de vorming van een onder-ras met dat kenmerk, zegt hij: „Het is merkwaardig dat de heer Darwin het denkbeeld heeft geopperd, dat het mogelijk was om de seksueele kleuren van vogels door voortgezette kunstmatige teeltkeus te wijzigen. Toen hij dit deed, was hij onbekend met de feiten die ik thans heb medegedeeld; maar het is opmerkelijk hoe nauwkeurig hij de juiste methode aangaf, die men daarbij moest volgen. 

32 Ik verwijs daaromtrent naar mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 52. 

33 Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples, die omtrent den reebok en het edelhert van Schotland een onderzoek voor mij deed bij den heer Robertson, de ondervindingrijke opperhoutvester van den markies van Breadalbane. Wat het damhert aangaat, ben ik den heer Eyton en anderen inlichtingen verschuldigd. Omtrent den eland (Cervus alces) van Noord-Amerika, zie „Land and Water”, 1868, blz. 221 en 254; en omtrent Cervus virginianus en strongyloceros van het zelfde werelddeel, zie J. D. Caton in „Ottawa Acad. of Nat. Sc.”, 1868, blz. 13. Omtrent Cervus Eldi van Pegu, zie Luit. Beavan, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 762. 

34 Antilocapra americana, Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 627. 

35 Men heeft mij verzekerd, dat men de horens van de schapen in Noord-Wallis altijd kan voelen, en dat zij soms bij de geboorte zelfs 2½ c.M. [467]lang zijn. Omtrent hoornvee zegt Youatt („Cattle”, 1834, blz. 277), dat het uitsteeksel van het voorhoofdsbeen bij de geboorte door de huid dringt, en dat de hoornachtige zelfstandigheid zich spoedig daarover vormt. 

36 Ik ben grooten dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus, die bij de hoogste autoriteiten een onderzoek voor mij deed omtrent de merino-schapen van Saksen. Aan de kust van Guinea in Afrika is er een ras van schapen bij hetwelk, evenals bij de merino’s, alleen de mannetjes horens dragen; en de heer Winwood Reade meldt mij, dat in het eenige waargenomen geval een jonge ram, die den 10den Februari was geboren, het eerst horens vertoonde op den 6den Maart, zoodat in dit geval de ontwikkeling der horens in een later tijdperk van het leven plaats had, in overeenkomst met onzen regel, dan bij het schaap van Wales, bij hetwelk beide seksen gehorend zijn. 

37Ueber die knöchernen Schädelhöcker der Vögel” in het „Niederländisches Archiv für Zoologie”, Bd. 1, Heft 2, 1872. 

38 Bij den gewonen pauw (Pavo cristatus) bezit alleen het mannetje sporen, terwijl zich bij den Javaanschen pauw (Pavo muticus) het ongewone geval voordoet, dat beide seksen van sporen voorzien zijn. Ik verwachtte daarom stellig, dat zij zich bij laatstgenoemde soort op jonger leeftijd zouden ontwikkelen dan bij den gewonen pauw; maar de heer Hegt, van Amsterdam, meldt mij, dat tusschen jonge vogels van het vorige jaar, tot beide soorten behoorende, vergeleken op den 23sten April 1869, geen verschil in de ontwikkeling der sporen bestond. De sporen werden toen nog slechts door kleine knobbels of verhevenheden gevormd. Ik onderstel, dat ik bericht zou hebben ontvangen, indien later eenig verschil in de mate van ontwikkeling was waargenomen. 

39 Bij sommige andere soorten van de familie der Eenden verschilt de spiegelvlek bij de twee seksen in grootere mate; maar ik ben niet in staat geweest te ontdekken, of de volkomen ontwikkeling daarvan bij de mannetjes van dergelijke soorten op later leeftijd plaats grijpt dan bij de gewone eend, zooals volgens onzen regel zou moeten geschieden. Bij den verwanten Mergus cucullatus hebben wij echter een geval van dien aard; de beide seksen verschillen in het oog vallend in algemeen gevederte, en in aanmerkelijke mate in de spiegelvlek, die bij het mannetje zuiver wit en bij het wijfje grijsachtig wit is. Nu gelijken de jonge mannetjes eerst in alle opzichten op het wijfje en hebben een grijsachtig witte spiegelvlek; maar deze wordt zuiver wit op een jongeren leeftijd dan dien waarop het volwassen mannetje zijn andere sterker uitgedrukte verschillen in gevederte verkrijgt: zie Audubon, „Ornithological Biography”, vol. III, 1835, blz. 249–250. 

40Das Ganze der Taubenzucht”, 1837, blz. 21, 24. Omtrent het geval der gestreepte duiven, zie Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”, 1865, blz. 87. 

41 Voor uitvoerige bijzonderheden en aanhalingen omtrent al deze punten ten opzichte van de verschillende hoenderrassen, zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 261 v.v. Wat de hoogere dieren aangaat, zijn de seksueele verschillen die ten gevolge der temming zijn ontstaan, in het zelfde werk bij elke soort beschreven. 

42Twenty-ninth Annual Report of the Registrar-General for 1886”. In dit verslag (p. XII) wordt een bijzondere tienjarige tabel gegeven. 

43 Omtrent Noorwegen en Zweden, zie een uittreksel van de onderzoekingen van Dr. Faye in British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, April, 1867, blz. 343, 345. Omtrent Frankrijk, het „Annuaire pour l’An 1867”, blz. 213. 

44 Voor Philadelphia zie Dr. Stockton Hough, „Social Science Assoc.”, 1874. Voor de Kaap de Goede Hoop, Quetelet, aangehaald door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen in de Nederlandsche vertaling van dit werk, in wiens vijfde aanteekening op dit hoofdstuk vele opgaven zijn bijeengebracht omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen. 

45 Ten opzichte der Joden, zie den heer Thury, „La Loi de Production des Sexes”, 1863, blz. 25. 

46British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, April, 1867, blz. 343. Dr. Stark merkt ook op („Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc, in Scotland”, 1867, blz. XXVIII): „Deze voorbeelden mogen voldoende zijn, om aan te toonen, dat op elken leeftijd de mannen in Schotland meer kans hebben om te sterven dan de vrouwen, en dat hun gemiddelde sterfte grooter is dan die van deze laatste. Het feit echter, dat deze bijzonderheid het sterkst is ontwikkeld in dat kinderlijk tijdperk van het leven, waarin de kleeding, het voedsel en de behandeling van beide seksen het zelfde zijn, schijnt te bewijzen, dat de grootere gemiddelde sterfte der mannen een aangeboren, natuurlijke en constitutioneele, alleen door de sekse veroorzaakte bijzonderheid is.” 

47West-Riding Lunatic Asylum Reports”, vol. I, 1871, blz. 8. Sir J. Simpson heeft bewezen, dat het hoofd van de jongens bij de geboorte in omtrek ruim 9 millimeter en in dwarse doorsnede ruim 3 millimeter grooter is dan dat van de meisjes. Quetelet heeft bewezen, dat de meisjes kleiner geboren worden dan de jongens; zie Dr. Duncan, „Fecundity, Fertility, Sterility”, 1871, blz. 382. 

48 Bij de wilde Guarani’s van Paraguay staat volgens den nauwkeurigen Azara („Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome II, 1809, blz. 60, 179) het aantal vrouwen tot dat der mannen als 14 tot 13. 

49 Babbage „Edinburgh Journal of Science”, 1829, vol. I, blz. 88; ook blz. 90, omtrent doodgeboren kinderen. Over onwettige kinderen in Engeland, zie „Report of Registrar-General” voor 1866, blz. XV. 

50 Leuckart in Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”, Bd. IV, 1853, blz. 774. 

51Anthropological Review”, April, 1870, blz. CVIII. 

52 Gedurende de laatste elf jaren is er aanteekening gehouden van het aantal merries die onvruchtbaar bleken te zijn of haar veulens te vroeg baarden, en dit verdient opmerking, daar het bewijst hoe onvruchtbaar deze sterk gevoede en vrij dicht in de familie met elkander gepaarde dieren zijn geworden, zoodat bijna een derde gedeelte van de merries geen levende veulens voortbrachten. Zoo werden in 1886 809 hengstveulens en 816 merrieveulens geboren en 743 merries brachten geen jongen voort. In 1867 werden 836 hengstveulens en 902 merrieveulens geboren, 794 merries bleven onvruchtbaar. 

53 Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples die mij de boven vermelde opgaven uit Schotland, zoowel als sommige van de volgende omtrent hoornvee heeft verschaft. De heer R. Elliot van Laighwood vestigde het eerst mijn aandacht op den vroegtijdigen dood der mannetjes—een mededeeling later door den heer Aitchison en anderen bevestigd. Aan dezen laatsten heer en aan den heer Payan heb ik de uitgebreidste opgaven omtrent schapen te danken. 

54 Bell, „History of British Quadrupeds”, blz. 100. 

55Illustrations of the Zoology of S. Africa”, 1849, blz. 29. 

56 Brehm („Illust. Thierleben”, Bd. IV, blz. 990) komt tot het zelfde besluit. 

57 Op autoriteit van L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 12, 132. 

58Nat Hist. of Selborne”, brief XXIX, uitgaaf van 1825, vol. I, blz. 139. 

59 De heer Jenner Weir ontving overeenkomstige mededeelingen, toen hij gedurende het volgende jaar onderzoek deed. Om het aantal gevangen vinken aan te toonen, kan ik vermelden, dat er in 1869 een wedstrijd tusschen twee deskundigen was; en de eene man ving op éénen dag 62, de andere 40 mannelijke vinken. Het grootste aantal dat ooit door éénen man op een enkelen dag is gevangen, bedroeg 70. 

60 „Ibis”, vol. II, blz. 260, aangehaald in Gould’s „Trochilidae”, 1861, blz. 25. Wat de overige verhoudingsgetallen aangaat, ben ik aan den heer Salvin een tabel van zijn resultaten verschuldigd. 

61 „Ibis”, 1860, blz. 137, en 1867, blz. 369. 

62 „Ibis”, 1862, blz. 137. 

63 Leuckart haalt Bloch aan (Wagner „Handwörterbuch der Phys.” Bd. IV, 1835, blz. 775), die zegt, dat er bij de visschen tweemaal zooveel mannetjes als wijfjes zijn. 

64 Aangehaald in de „Farmer”, 18 Maart, 1869, blz. 369. 

65The Stormontfield Piscicultural Experiments”, 1866, blz. 33. De „Field” Courant, 29 Juni, 1867. 

66Land and Water”, 1862, blz. 41. 

67 Yarrel, „Hist. British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 307; over Cyprinus carpio, blz. 331; over Tinca vulgaris, blz. 331; over Abramis brama, blz. 336. Zie omtrent Leuciscus phoxinus, „Loudon’s Mag. of Nat. Hist.”, vol. V, 1832, blz. 682. 

68 Leuckart haalt Meinecke aan (Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”, Bd. IV, 1853, blz. 775), die zegt, dat bij de Kapellen de mannetjes drie- of viermaal talrijker zijn dan de wijfjes. 

69The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 228, 347. 

70 Vier van deze gevallen worden door den heer Trimen medegedeeld in zijn „Rhopalocera Africae Australis.” 

71 Aangehaald door Trimen, „Transact. Ent. Soc.”, vol. V, part IV, 1806, blz. 330. 

72Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, blz. 37. 

73Proc. Entomolog. Soc.”, 17 Febr. 1868. 

74 Aangehaald door Dr. Wallace in „Proc. Ent. Soc.”, 3rd. Series, vol. V, 1867, blz. 487. 

75 Blanchard, „Metamorphoses, Moeurs des insectes”, 1868, blz. 225–226. 

76 „Lepidopteren-Doubletten Liste”, Berlin, No. X, 1866. 

77 Deze natuuronderzoeker is zoo vriendelijk geweest mij eenige opgaven omtrent vroegere jaren te zenden, gedurende welke de wijfjes de overhand schenen te hebben; maar zoovele daarvan waren slechts schattingen, dat het mij niet mogelijk was er een tabel van te maken. 

78 Günthers „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 260. Over de overmaat van wijfjes bij Lucanus, ibid., blz. 250. Over de mannetjes van Lucanus in Engeland, Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 187. Over Siagonium, ibid., blz. 172. 

79 Walsh, in „The American Entomologist”, vol. I, 1869, blz. 103. F. Smith, „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 328. 

80Farm Insects”, blz. 45–46. 

81 Anwendung der Darwinschen Lehre. Verh. d. n. V. Jahrg. XXIV.” 

82Die Strich-, Zug- oder Wanderheuschrecke”, 1828, blz. 20. 

83Observations in N. American Neuroptera”, door H. Hagen en B. D. Walsh, „Proc. Ent. Soc. Philadelphia”, October 1863, blz. 168, 223, 239. 

84Proc. Ent. Soc. London”, 17 Febr. 1868. 

85 Een andere groote autoriteit in deze klasse, Prof. Thorel van Upsala („On European Spiders”, 1869–70, part I, blz. 205) spreekt, alsof vrouwelijke spinnen over het algemeen meer voorkwamen dan mannelijke. 

86 Zie over dit onderwerp den heer Pickart-Cambridge, aangehaald in „Quarterly Journal of Science”, 1868, blz. 429. 

87The Todas”, 1878, blz. 100, 111, 194, 196. 

88Aboriginal Inhabitants of New-Zealand; Government Report”, 1859, blz. 36. 

89Narrative of a Tour through Hawaii”, 1826, blz. 298. 

90History of the Sandwich-Islands”, 1843, blz. 93. 

91 Dit wordt medegedeeld in des weleerw. heeren H. T. Cheever’s „Life in the Sandwich-Islands”, 1851, blz. 277. 

92 Dr. Coulter zegt („Journal R. Geograph. Soc.” 1835, vol. V, blz. 67), den toestand van Californië omstreeks het jaar 1830 beschrijvende, dat de inboorlingen die door de Spaansche zendelingen waren bekeerd, bijna allen zijn omgekomen of omkomen, hoewel zij goed behandeld en niet uit hun geboorteland verdreven worden, en men hen belet alcoholische dranken te gebruiken. Hij schrijft dit voor een groot deel toe aan het ontwijfelbare feit, dat de mannen de vrouwen aanmerkelijk in aantal overtreffen, maar hij weet niet, of dit komt, omdat er minder meisjes worden geboren, of omdat meer meisjes in haar prille jeugd sterven. Het laatste is volgens alle analogie zeer onwaarschijnlijk. Hij voegt er bij, dat „eigenlijk gezegde kindermoord niet algemeen is, ofschoon men zeer dikwijls zijn toevlucht neemt tot abortie.” Indien Dr. Coulter gelijk heeft omtrent kindermoord, kan dit geval niet tot ondersteuning van kolonel Marshall’s meening worden aangehaald. Wegens de snelle afneming van de bekeerde inboorlingen mogen wij vermoeden, dat, evenals in de vroeger medegedeelde gevallen, hun vruchtbaarheid is verminderd wegens verandering der levensvoorwaarden.

Ik had gehoopt eenig licht te verkrijgen omtrent dit onderwerp uit het fokken van honden, in zoover als bij de meeste rassen, uitgezonderd misschien bij windhonden, meer jonge teven dan reuen worden gedood, gelijk bij de kinderen der Toda’s. De heer Cupples verzekert mij, dat dit gewoonlijk geschiedt bij de Schotsche hertenhonden. Ongelukkig weet ik niets omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen bij eenig ras, met uitzondering der windhonden, en bij deze laatste staat het aantal reuen dat wordt geboren, tot het aantal teven als 110.1 tot 100. Nu schijnt het volgens navraag bij vele fokkers gedaan, dat de teven in sommige opzichten hooger worden geschat, hoewel zij in andere opzichten lastig zijn; en het blijkt niet, dat de jonggeboren teven van de beste hondenrassen die worden gefokt, stelselmatig in grooter aantal worden gedood dan de reuen, hoewel dit soms in beperkte mate plaats grijpt. Ik ben daarom niet in staat te beslissen, of wij volgens de bovenvermelde beginselen de overmaat van mannelijke geboorten bij windhonden kunnen verklaren. Van den anderen kant hebben wij gezien, dat bij paarden, runderen en schapen, die te kostbaar zijn om de jongen van een van beide seksen te dooden, als er eenig verschil is, de vrouwelijke sekse eenigszins talrijker is. 

93 Behalve dit werk worden door Dr. Lubach nog aangehaald: Boudin, [503]Géographie médicale” en „Du non-cosmopolitisme des races humaines”, Nott, „Acclimatation” en Dr. S. Coronel, „Iets over het verschil in levensverhoudingen tusschen Joden en Christenen” in „Schat der Gezondheid”, jaargang VII, blz. 372 v.v. 

94 Dit laatste gaat niet door voor Servië, ofschoon daar het aantal vrouwen in verhouding tot de mannen jaarlijks toeneemt en dus in een nabijzijnde toekomst de wet ook voor Servië door zal gaan. Volgens Dr. Hugo Bach (in een artikel over „De bevolking van het koninkrijk Servië, voorkomende in het Oostenrijksche „Statistische Monatschrift”), kwamen daar op elke duizend mannen:

1859 voor 938 vrouwen.
1863 voor,, 939 vrouwen.,,
1866 voor,, 941 vrouwen.,,
1874 voor,, 946 vrouwen.,,
1884 voor,, 958 vrouwen.,,

In de landen van Europa waar de beschaving geene vorderingen maakt, en bij de natuurvolken zou men tot nog toe in den regel een overwicht van de mannelijke bevolking hebben opgemerkt; het tegenovergestelde verschijnsel treedt in de beschaafde landen aan den dag, ofschoon er toch meer jongens dan meisjes worden geboren. 

95Annuaire du Bureau des Longitudes”, 1834, aangehaald door Prof. G. Boccardo. 

96Mémorial Encyclopédique”, 1832, Mei, aangehaald door Prof. G. Boccardo. 

97 Quetelet, „Physique Sociale”, vol. I, blz. 168 v.v., aangehaald door Prof. G. Boccardo die het verschil aan de Kaap aan de breedte toeschrijft. 

98 Aangehaald door Quetelet (volgens Boccardo; zie ook Brewster’s „Journal of Sciences”, New Series, No. I). 

99 Wij meenen omtrent Nederland, het vaderland van al onze lezers, wel eenigszins uitvoeriger te mogen zijn. 

100 Men onderscheidt: wettelijke, feitelijke en werkelijke bevolking. De wettelijke bevolking is de bevolking in de registers ingeschreven of de wettig gedomicilieerde bevolking (Artt. 74–80 Burg. Wetb.); de feitelijke bevolking wordt uit de wettelijke afgeleid door aftrekking der tijdelijk afwezigen en bijvoeging der tijdelijk aanwezigen. Onder werkelijke bevolking verstaat men de hoegrootheid der bevolking, wanneer tot grondslag wordt genomen, niet de woonplaats of het domicilie in den zin van het Burgerlijk Wetboek, maar de werkelijke woonplaats of de plaats, waar men gewoon is verblijf te houden.