| Mannetjes | Wijfjes | |
| De weleerw. Heer J. Hellius77 van Exeter kweekte in 1886 volkomen insekten van 73 soorten, die bestonden uit | 153 | 137 |
| De heer Albert Jones van Eltham kweekte in 1868 volkomen insekten van 9 soorten, die bestonden uit | 159 | 126 |
| In 1869 kweekte hij volkomen insekten van 4 soorten, bestaande uit | 114 | 112 |
| De heer Buckler van Emsworth, Hants, kweekte in 1869 volkomen insekten van 74 soorten, bestaande uit | 180 | 169 |
| Dr. Wallace van Colchester kweekte uit één broedsel van Bombyx Cynthia | 52 | 48 |
| Dr. Wallace kweekte in 1869 uit poppen van Bombyx Pernyi, hem uit China gezonden, | 224 | 123 |
| Dr. Wallace kweekte in 1868 en 1869 uit twee partijen poppen van Bombyx Yama-Maju | 52 | 46 |
| Totaal | 934 | 761 |
Bij deze zeven partijen poppen en eieren werd dus een overmaat van mannetjes voortgebracht. Te zamen genomen is de verhouding van de mannetjes tot de wijfjes als 122.7 tot 100. De getallen zijn echter nauwelijks groot genoeg om vertrouwen te verdienen.
Over het geheel leid ik uit de bovenvermelde verschillende bewijsgronden, die allen in de zelfde richting wijzen, af, dat bij de meeste soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) de mannetjes in den toestand van volkomen insekt over het algemeen de wijfjes in aantal overtreffen, welke dan ook de verhouding moge zijn bij hun eerste uitkomen uit het ei.
Met betrekking tot de andere orden van Insekten heb ik slechts zeer weinige betrouwbare mededeelingen kunnen verzamelen. Bij het vliegend hert (Lucanus Cervus) „schijnen de mannetjes veel talrijker te zijn dan de wijfjes”; maar wanneer zich, gelijk Cornelius in 1867 opmerkte, [493]een ongewoon aantal van deze kevers in één gedeelte van Duitschland vertoonde, schenen de wijfjes de mannetjes in aantal te overtreffen in de verhouding van zes tot één. Bij een der Springkevers (Elateridae) zegt men, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, en men vindt er dikwijls twee of drie met één wijfje vereenigd78, zoodat hier veelmannigheid (polyandrie) schijnt te heerschen. Bij Siagonium (tot de Kortschilden, Staphylinidae, behoorende), waarbij de mannetjes van horens voorzien zijn, „zijn de wijfjes verreweg talrijker dan de andere sekse.” De heer Janson getuigde in de Engelsche Entomologische Vereeniging, dat de wijfjes van den zich met boomschors voedenden Tomicus villosus zoo algemeen zijn, dat zij een plaag zijn, terwijl de mannetjes zoo zeldzaam zijn, dat men ze nauwelijks kent.
In andere orden zijn, wegens onbekende oorzaken, maar in sommige gevallen blijkbaar ten gevolge van maagdelijke voortplanting (parthenogenesis), de mannetjes nooit ontdekt, of zijn uiterst zeldzaam, gelijk bij verscheidene Galwespen (Cynipidae).79 Bij alle aan den heer Walsh bekende Galwespen zijn de wijfjes vier- of vijfmaal talrijker, dan de mannetjes; en het zelfde is, naar hij mij meldt, het geval met de gal-appelbewonende Cecidomyidae (Tweevleugeligen, Diptera). Bij sommige gewone soorten van Bladwespen (Tenthredinae) heeft de heer F. Smith honderden voorwerpen uit larven van allerlei grootte opgekweekt, maar heeft nooit een enkel mannetje verkregen; daarentegen zegt Curtis80, dat bij zekere door hem opgekweekte soort (Athalia) de mannetjes tot de wijfjes stonden als zes tot één; terwijl juist het omgekeerde het geval was bij de volkomen insekten van de zelfde soort, die in het open veld werden gevangen. In de familie der Bijen verzamelde Herman Müller81 een groot aantal voorwerpen van verschillende soorten en kweekte andere uit de poppen op, en telde de seksen. Hij bevond, dat bij sommige soorten de mannetjes de wijfjes zeer in aantal overtreffen; bij andere was het omgekeerde het geval; en bij wederom andere waren de beide seksen nagenoeg even talrijk. In de meeste gevallen komen echter de mannetjes [494]vroeger uit de pop dan de wijfjes, zoodat zij in het begin van den broedtijd feitelijk de meerderheid hebben. Müller merkte ook op, dat het betrekkelijk aantal van de beide seksen bij sommige soorten op verschillende plaatsen zeer onderscheiden was. Doch gelijk H. Müller zelf mij deed opmerken, moeten deze waarnemingen met eenige omzichtigheid worden ontvangen, daar de eene sekse wellicht gemakkelijker aan de opmerkzaamheid ontsnapt dan de andere. Zoo heeft zijn broeder Fritz Müller in Brazilië opgemerkt, dat de beide seksen van de zelfde soort van bij dikwijls verschillende soorten van bloemen bezoeken. Wat de Rechtvleugeligen (Orthoptera) betreft, weet ik nauwelijks iets omtrent het betrekkelijk aantal der seksen: Körte82 zegt echter, dat onder 500 sprinkhanen die hij onderzocht, de mannetjes tot de wijfjes stonden als vijf tot zes. Omtrent de Netvleugeligen (Neuroptera) getuigt de heer Walsh, dat bij vele, maar geenszins bij alle soorten van Haften (Ephemerina) een groote overmaat van mannetjes is; ook bij het geslacht Hetaerina zijn de mannetjes minstens viermaal zoo talrijk als de wijfjes. Bij sommige soorten van het geslacht Gomphus zijn de mannetjes even talrijk als de wijfjes, terwijl bij twee andere soorten de wijfjes minstens tweemaal of driemaal talrijker dan de mannetjes zijn. Bij sommige Europeesche soorten van Houtluizen (Psocus) kan men duizenden wijfjes verzamelen zonder een enkel mannetje, terwijl bij andere soorten van het zelfde geslacht beide seksen algemeen voorkomen.83 In Engeland heeft de heer MacLachlan honderden wijfjes van Apatania muliebris gevangen, maar het mannetje heeft hij nimmer gezien, en van Boreus hyemalis zijn hier slechts vier of vijf mannetjes gezien.84 Bij de meesten dezer soorten (uitgezonderd, naar ik heb gehoord, bij de Bladwespen, Tenthredinae) is er geen reden om te onderstellen, dat de wijfjes zich zonder bevruchting kunnen voortplanten; en zoo zien wij, hoe onwetend wij zijn omtrent de oorzaken van het blijkbare verschil in de getalsverhouding der beide seksen.
Omtrent de andere klassen der Gelede Dieren (Articulata) heb ik nog minder mededeelingen kunnen verzamelen. Omtrent Spinnen schrijft mij de heer Blackwall, die gedurende vele jaren een studie van deze klasse heeft gemaakt, dat de mannetjes wegens hun meer zwervende levenswijze [495]meer algemeen worden gezien en daarom het talrijkst schijnen te zijn. Dit is werkelijk het geval met eenige weinige soorten; maar hij vermeldt onderscheidene soorten in zes geslachten, bij welke de wijfjes veel talrijker dan de mannetjes schijnen te zijn.85 De geringe grootte der mannetjes in vergelijking met de wijfjes, die dikwijls tot een uitersten graad is gedreven, en hun zeer verschillend uiterlijk, kunnen wellicht in sommige gevallen hun zeldzaamheid in verzamelingen verklaren.86
Sommige der lagere Schaaldieren (Crustacea) bezitten het vermogen hun soort zonder bevruchting (aseksueel) voort te planten, en dit kan de uiterste zeldzaamheid der mannetjes verklaren. Bij sommige andere vormen (zooals bij Tanais en Cypris) is er, naar Fritz Müller mij meldt, reden om te gelooven, dat het mannetje veel korter leeft dan het wijfje, hetgeen, ondersteld dat de beide seksen oorspronkelijk even talrijk waren, de zeldzaamheid der mannetjes zou verklaren. Daarentegen heeft deze zelfde natuuronderzoeker op de stranden van Brazilië zonder uitzondering meer mannetjes dan wijfjes van de Diastylidae en van Cypridina (Watervlooien) gevangen; zoo waren er op 63 voorwerpen van een soort van dit laatste geslacht, op den zelfden dag gevangen, 57 mannetjes. Bij een der hoogere Braziliaansche krabben, namelijk een Gelasimus, vond Fritz Müller de mannetjes talrijker dan de wijfjes. Het omgekeerde schijnt het geval te zijn, volgens de uitgebreide ondervinding van den heer C. Spence Bate, met zes gewone Britsche krabben, waarvan hij mij de namen heeft gegeven.
De verhouding der seksen met betrekking tot de natuurlijke teeltkeus.
Er is reden om te vermoeden, dat in sommige gevallen de mensch door teeltkeus indirect invloed heeft uitgeoefend op zijn eigen seksevoortbrengende vermogens. Zekere vrouwen hebben een geneigdheid gedurende haar geheele leven meer kinderen van de eene sekse dan van de andere voort te brengen; en het zelfde gaat door bij vele dieren, bij voorbeeld koeien en paarden. Zoo vermeldde ik boven (blz. 481) reeds, dat volgens den heer Wright van Yeldersley House, een zijner [496]Arabische merries, hoewel zevenmaal door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens voortbracht. Hoewel ik zeer weinig bewijzen er voor heb, zou de analogie leiden tot het geloof, dat de neiging om bij voorkeur jongen van een bepaalde sekse voort te brengen, kan worden overgeërfd gelijk bijna elke andere eigenaardigheid, bij voorbeeld die om tweelingen voort te brengen; en betreffende deze laatste geneigdheid heeft de heer J. Downing mij feiten medegedeeld, die schijnen te bewijzen dat dit plaats heeft bij sommige families van korthoornige runderen. Kolonel Marshall87 heeft vóór eenige jaren na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Toda’s, een bergstam in Engelsch Indië, bestaan uit 112 mannen en 84 vrouwen van allerlei leeftijd—dit is een verhouding van 133.3 mannen op 100 vrouwen. De Toda’s, bij wier huwelijken veelmannerij (polyandrie) heerscht, brachten in vroeger tijd onveranderlijk de meeste vrouwelijke kinderen om het leven; maar deze gewoonte is nu sedert aanmerkelijken tijd afgeschaft. Bij de in de laatste jaren geboren kinderen zijn de jongens talrijker dan de meisjes in de verhouding van 124 tot 100. Kolonel Marshall verklaart dit feit op de volgende vernuftige manier. „Laat ons bij voorbeeld drie huisgezinnen nemen om het gemiddelde van den geheelen stam voor te stellen; stel dat ééne moeder zes dochters en geen zoon voortbrengt; dat een tweede moeder alleen zes zoons heeft, terwijl de derde moeder drie zoons en drie dochters heeft. De eerste moeder doodt, volgens de gewoonte van den stam, vier dochters en houdt er twee in leven. De tweede behoudt haar zes zoons. De derde doodt twee dochters en houdt er ééne, alsook haar drie zoons. Wij hebben dus uit de drie huisgezinnen negen zoons en drie dochters, die hun geslacht verder voortplanten. Doch terwijl de mannen grootendeels behooren tot huisgezinnen waarin de geneigdheid om zoons voort te brengen groot is, behooren de vrouwen grootendeels tot die bij welke geen geneigdheid bestaat om bij voorkeur meisjes voort te brengen. Zoo versterkt zich de geneigdheid om bij voorkeur jongens voort te brengen met elke generatie, totdat wij eindelijk vinden, dat de huisgezinnen in den regel meer zoons dan dochters hebben.”
Dat dit het gevolg zou zijn van bovengenoemden vorm van kindermoord, schijnt bijna zeker; als wij ten minste aannemen, dat de geneigdheid om bij voorkeur kinderen van een bepaalde sekse voort te brengen, erfelijk is. Daar echter de bovengenoemde getallen zoo uiterst [497]weinige zijn, heb ik naar meer bewijzen gezocht, maar kan niet beslissen, of hetgeen ik heb gevonden, vertrouwen verdient; toch zijn de feiten echter wellicht vermeldenswaardig. De Maori’s van Nieuw-Zeeland hebben lang kindermoord gepleegd, en de heer Fenton88 getuigt, dat hij „voorbeelden heeft ontmoet van vrouwen die vier, zes en zelfs zeven harer kinderen, en wel meest meisjes, hadden vermoord. Zij die het meest bevoegd zijn er over te oordeelen, getuigen algemeen, dat dit gebruik sedert vele jaren bijna geheel heeft opgehouden te bestaan. Waarschijnlijk mag men aannemen, dat 1835 het jaar is, waarin het geheel in onbruik is geraakt.” Nu worden er bij de Nieuw-Zeelanders, evenals bij de Toda’s, aanmerkelijk meer jongens dan meisjes geboren. De heer Fenton merkt op (blz. 30): „Eén ding is zeker, hoewel de juiste tijd waarop deze vreemde toestand van wanverhouding tusschen de beide seksen is begonnen, niet met zekerheid kan worden bepaald, is het volkomen duidelijk, dat deze afneming in volle werking was gedurende de jaren 1830 tot 1844, toen de niet-volwassen bevolking van 1844 werd voortgebracht, en met groote kracht tot heden toe is voortgegaan.” De volgende opgaven zijn ontleend aan den heer Fenton (blz. 26); maar daar de getallen niet groot zijn en de volkstelling niet nauwkeurig was, kan men geen eenvormige resultaten verwachten. Men bedenke in dit en het volgende geval, dat de normale toestand van iedere bevolking een overmaat van vrouwen is, ten minste in alle beschaafde landen, voornamelijk ten gevolge van de grootere sterfte van de mannelijke sekse gedurende de jeugd, en gedeeltelijk van allerlei ongevallen in hun latere leven. In 1858 schatte men de inlandsche bevolking van Nieuw-Zeeland op 31667 mannen en 24303 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is in de verhouding van 130.3 mannen op 100 vrouwen. Maar in dit zelfde jaar werden in sommige beperkte districten de getallen met veel zorg nagegaan, en waren hier de mannen van allerlei leeftijd 753 en de vrouwen 616 in getal; dat is in de verhouding van 122.2 mannen op 100 vrouwen. Het is belangrijker voor ons, dat men in dat zelfde jaar 1858 bevond, dat in het zelfde district het aantal onvolwassen mannen 178 en het aantal onvolwassen vrouwen 142 was, dat is in de verhouding van 125.3 tot 100. Men kan er bijvoegen, dat in 1844, op welken tijd het dooden van vrouwelijke kinderen nog maar pas had opgehouden, de onvolwassen mannen in een district 281 en de onvolwassen vrouwen slechts [498]194 in getal waren, dat is in de verhouding van 144.8 mannen op 100 vrouwen.
Op de Sandwich-eilanden overtreffen de mannen de vrouwen in aantal. Kindermoord werd daar vroeger op schrikbarende wijze gepleegd, maar was in geenen deele tot vrouwelijke kinderen beperkt, gelijk wordt aangetoond door den heer Ellis89 en mij is medegedeeld door bisschop Staley en den weleerw. heer Coan. Toch merkt een ander naar het schijnt geloofwaardig schrijver, de heer Jarves90, wiens waarnemingen zich over den geheelen archipel uitstrekken, op:—„Men vindt zeer vele vrouwen die bekennen van drie tot zes of acht harer kinderen te hebben gedood”; en hij voegt er bij: „Meisjes worden veelvuldiger gedood dan jongens, omdat men ze als minder nuttig beschouwt dan deze.” Wegens hetgeen men weet dat in andere deelen der wereld geschiedt, is dit waarschijnlijk juist, maar moet toch met veel omzichtigheid worden ontvangen. Het gebruik van kindermoord hield omstreeks het jaar 1819 op, toen de afgodendienst werd afgeschaft en zendelingen zich op de eilanden nederzetten. Een zorgvuldige telling in 1839 van de volwassen en belastingschuldige mannen en vrouwen op het eiland Kauai en in één district van Oahu (Jarves, blz. 404), geeft 4723 mannen en 3776 vrouwen; dat is in de verhouding van 125.08 tot 100. Terzelfdertijd was het aantal mannen beneden veertien jaar op Kauai en beneden achttien op Oahu 1797, en dat van de vrouwen van den zelfden leeftijd 1429; en hier hebben wij de verhouding van 125.75 mannen op 100 vrouwen.
Bij een volkstelling van al de eilanden in 185091, bedroeg het aantal mannen van allerlei leeftijd 36272, dat der vrouwen 33128, zoodat de verhouding was 109,49 tot 100. Het aantal mannen beneden zeventien jaar bedroeg 10773, en dat der vrouwen beneden den zelfden leeftijd 9593, zoodat de verhouding was 112.3 tot 100. Volgens de volkstelling van 1872 staat het aantal mannen van allerlei leeftijd (met inbegrip van die van gekruist ras) tot dat der vrouwen als 125.36 tot 100. Men bedenke, dat al deze opgaven omtrent de Sandwich-eilanden de verhouding tusschen het aantal levende mannen en vrouwen aangeven; en te oordeelen naar wat de statistiek in alle beschaafde landen leert, zou [499]het aantal mannen in verhouding nog veel grooter zijn geweest, als de getallen op de geboorten betrekking hadden gehad.92
Uit de verschillende bovenstaande gevallen kunnen wij eenigen grond ontleenen om te gelooven, dat kindermoord, uitgeoefend op de bovenvermelde wijze, een neiging doet ontstaan tot het vormen van een ras waarbij bij voorkeur mannelijke kinderen worden geboren; maar ik ben ver van te onderstellen, dat dit gebruik in het geval van den mensch of de eene of andere dergelijke handelwijze bij andere soorten de eenige determineerende oorzaak van de overmaat der mannelijke sekse is geweest. Er kan de eene of andere onbekende wet zijn, die tot dit resultaat leidt bij in aantal afnemende rassen die reeds eenigszins onvruchtbaar zijn. Behalve de verschillende oorzaken waarop vroeger, [500]is gezinspeeld, zouden de meer gemakkelijke baring bij wilden en het bij gevolg minder beschadigd worden van hun mannelijke kinderen een geneigdheid doen ontstaan om het aantal levendgeboren jongens in verhouding van dat der meisjes grooter te maken. Er schijnt echter geen noodzakelijk verband te bestaan tusschen het wilde leven en een gemarkeerde overmaat van mannen; dat is, wanneer wij mogen oordeelen naar de verhouding bij het weinig talrijke kroost der voor korte jaren nog bestaande Tasmaniërs en het gekruiste kroost der Tahitiërs dat nu Norfolk-eiland bewoont.
Daar de mannetjes en wijfjes van vele dieren eenigszins in leefwijze verschillen en in verschillende mate aan gevaar zijn blootgesteld, is het waarschijnlijk, dat in vele gevallen gemiddeld meer individu’s van de eene dan van de andere sekse worden gedood. Doch zoover ik de ingewikkelde oorzaken kan nasporen, zou een niet stelselmatige, hoewel groote vernieling van een van beide seksen niet de geneigdheid hebben het sekse-voortbrengend vermogen van de soort te wijzigen. Bij strikt sociale dieren, zooals mieren of bijen, welke een in vergelijking van de mannetjes grooter aantal onvruchtbare en vruchtbare wijfjes voortbrengen en voor welke zulks van overwegend belang is, kunnen wij inzien, dat die maatschappijen het meest zullen bloeien, welke wijfjes bevatten die een sterken erfelijken aanleg hebben om hoe langer hoe grooter overmaat van wijfjes voort te brengen; en in dergelijke gevallen zou de aanleg van de beide seksen in ongelijk aantal voort te brengen langzamerhand door natuurlijke teeltkeus kunnen zijn ontstaan. Bij dieren die in kudden of troepen leven, waarbij de mannetjes voor het front komen en de kudde verdedigen, gelijk bij de bisons van Noord-Amerika en sommige bavianen, is het begrijpelijk, dat de aanleg om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, door natuurlijke teeltkeus zou kunnen zijn ontstaan; want de individu’s van de kudden die het best werden verdedigd, zouden de talrijkste nakomelingschap nalaten. In het geval van den mensch onderstelt men, dat het voordeel om een overmaat van mannen in den stam te hebben, een der hoofdoorzaken is van het gebruik om vrouwelijke kinderen te dooden.
In geen geval zou, zoover wij kunnen inzien, een erfelijke aanleg om beide seksen in gelijk aantal of een der seksen in overmaat voort te brengen, voor sommige individu’s meer dan voor andere een rechtstreeksch voordeel of nadeel zijn; een individu met den aanleg om meer mannetjes dan wijfjes voort te brengen, zou bij voorbeeld niet [501]beter slagen in den strijd om het leven dan een individu met den tegenovergestelden aanleg; en daarom zou zulk een aanleg niet door natuurlijke teeltkeus kunnen worden verkregen. Er zijn echter sommige dieren, bij voorbeeld visschen en mosselkreeften (Cirrhipedia), bij welke twee of meer mannetjes noodig schijnen te zijn bij de bevruchting van het wijfje, en in overeenstemming daarmede zijn de mannetjes veel talrijker; maar het is in geenen deele duidelijk hoe deze aanleg om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, kan zijn verkregen. Ik dacht vroeger, dat, wanneer de aanleg om de beide seksen in gelijk aantal voort te brengen voordeelig voor de soort was, hij door natuurlijke teeltkeus zou ontstaan, maar ik zie nu in, dat het geheele vraagstuk zoo ingewikkeld is, dat het veiliger is de oplossing er van aan de toekomst over te laten.