[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.

Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen, dan op volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren; sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda).

Bij de laagste klassen zijn de beide seksen niet zelden in één en het zelfde individu vereenigd, en kunnen daarom geen secundaire seksueele kenmerken worden ontwikkeld. In vele gevallen, waarin de twee seksen zijn gescheiden, zijn beide bestendig aan een of ander steunsel vastgehecht, en de eene kan de andere niet zoeken of om haar bezit kampen. Daarenboven is het bijna zeker, dat deze dieren te onvolmaakte zinnen en veel te laag ontwikkelde geestvermogens hebben om ijverzuchtig op elkander te zijn of om elkanders schoonheid of andere bekoorlijkheden op prijs te stellen

Vandaar komen in deze klassen, zooals de Vormlooze Dieren (Protozoa) (1), de Neteldieren (Coelenterata), de Stekelhuidigen (Echinodermata), de Weekwormen (Scolecida) enz. geen ware secundaire seksueele kenmerken voor, en dit feit komt overeen met het geloof, dat die kenmerken bij de hoogere klassen zijn verkregen door seksueele teeltkeus, welke afhangt van den wil, de begeerten en de keus der beide seksen. Toch bestaan er hierop eenige weinige schijnbare uitzonderingen; zoo verschillen, naar ik van Dr. Baird hoorde, de mannetjes van sommige Ingewandswormen (Entozoa) een weinig in kleur van de wijfjes; maar wij hebben geen reden om te onderstellen, dat die verschillen door seksueele teeltkeus zijn vermeerderd.

Vele der lagere dieren, hetzij hermaphrodieten of met gescheiden [512]geslachten, prijken met de schitterendste kleuren, of zijn op bevallige wijze geschakeerd en gestreept. Dit is het geval met vele Koralen en Zeeanemonen (Actiniae), met sommige Schijfkwallen (Medusae, Porpita enz.), met sommige Platwormen (Planariae), Zakpijpen (Ascidiae), talrijke Zeesterren, Zeeklitten (Echini) enz.; maar wij mogen besluiten om de reeds opgegeven redenen, namelijk de vereeniging van de beide seksen bij sommige dezer dieren, den bestendig vastzittenden toestand van anderen, en de laag ontwikkelde geestvermogens van allen, dat deze kleuren niet dienen als middel om de andere sekse aan te trekken en niet zijn verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus. Met de hoogere dieren is het een geheel ander geval; want, wanneer bij deze de eene sekse veel schitterender of opzichtiger gekleurd is dan de andere, en er geen onderscheid is tusschen de gewoonten der beide seksen, dat dit verschil verklaart, hebben wij reden om aan den invloed der seksueele teeltkeus te gelooven; en dit geloof wordt sterk bevestigd, wanneer de meer versierde individu’s, dat bijna altijd de mannetjes zijn, met hun bekoorlijkheden voor de andere sekse pronken. Wij mogen dit besluit ook tot beide seksen uitstrekken, wanneer zij de zelfde kleuren bezitten, en die kleuren duidelijk overeenkomen met die, welke bij zekere soorten van de zelfde groep alleen aan ééne der seksen eigen is. Hoe moeten wij ons dan rekenschap geven van de schoone en zelfs prachtige kleuren van sommige dieren in de laagste klassen? Het schijnt zeer twijfelachtig, of dergelijke kleuren gewoonlijk tot bescherming dienen; maar wij kunnen uiterst gemakkelijk dwalen ten opzichte van kenmerken van allerlei aard met betrekking tot bescherming, zooals iedereen zal toegeven, die de uitnemende verhandelingen van den heer Wallace heeft gelezen. Het zou bij voorbeeld niemand dadelijk invallen, dat de volkomen doorzichtigheid der Medusen of Schijfkwallen hun als beschermend middel de grootste diensten bewees, maar wanneer Haeckel ons herinnert, dat niet slechts de Medusen, maar ook vele drijvende weekdieren, schaaldieren en zelfs kleine zeevisschen dit zelfde glasachtige maaksel bezitten (2), dan kunnen wij moeilijk betwijfelen, dat zij daardoor ontsnappen aan de opmerkzaamheid van zeevogels en andere vijanden.

Niettegenstaande onze onwetendheid, in hoever de kleur in vele gevallen tot bescherming dient, komt het mij voor de waarschijnlijkste meening ten opzichte der prachtige tinten van vele der laagste dieren te zijn, dat hun kleuren het rechtstreeksche gevolg zijn, hetzij van de scheikundige [513]samenstelling of van de fijnere structuur van hun weefsels, onafhankelijk van elk daaruit ontspruitend voordeel. Geen kleur is wellicht schooner dan die van slagaderlijk bloed; maar er is geen reden om te onderstellen, dat de kleur van het bloed op zich zelve in eenig opzicht voordeelig is; en hoewel zij de schoonheid der wangen van een meisje vermeerdert, zal niemand willen beweren, dat zij tot dit doel is verkregen. Evenzoo is bij vele dieren, vooral bij de lagere, de gal rijk gekleurd; de heer Hancock deelt mij bij voorbeeld mede, dat de buitengewone schoonheid der Eolidae (naakte zeeslakken) vooral daarvan het gevolg is, dat men de galklieren door de doorschijnende huid heên ziet; van deze schoonheid hebben deze dieren waarschijnlijk geen dienst. (3) De tinten der afvallende bladeren in een Amerikaansch bosch worden door iedereen als prachtig beschreven, en toch onderstelt niemand, dat deze tinten aan de boomen in het minst voordeelig zijn. Wanneer men bedenkt, hoevele zelfstandigheden die in hooge mate met natuurlijke organische stoffen overeenkomen, en die de prachtigste kleuren bezitten, in den laatsten tijd door de scheikundigen zijn gevormd, zou het een vreemd verschijnsel zijn geweest, indien eveneens gekleurde stoffen niet dikwijls, onafhankelijk van een daardoor te bereiken nuttig doel, in het samengestelde laboratorium der levende organismen waren ontstaan.

Het Onder-Rijk der Weekdieren (Mollusca).—In deze groote afdeeling (in haar wijdste beteekenis genomen) van het Dierenrijk komen secundaire seksueele kenmerken, zooals die waarover wij hier handelen, voor zoover ik kan nagaan, nooit voor. Dit kon men ook niet verwachten bij de drie laagste klassen, namelijk de Zakpijpen (Ascidiae), de Mosdieren (Polyzoa) en Armpootigen (Brachiopoda), die te zamen de Molluscoïda van Huxley uitmaken; want de meeste dezer dieren zijn bestendig aan een steunsel bevestigd of hebben beide seksen in één en het zelfde individu vereenigd. Bij de Plaatkieuwigen (Lamellibranchiata) is hermaphroditisme niet zeldzaam. Bij de in rang onmiddellijk boven hen staande Buikpootigen (Gasteropoda) zijn de seksen bij sommige soorten vereenigd en bij andere gescheiden. In dit laatste geval bezitten de mannetjes echter nooit bijzondere organen om de wijfjes te vinden, vast te houden of te bekoren, of om met andere mannetjes te vechten. Het eenige uitwendige verschil tusschen de beide seksen bestaat, naar de heer Gwyn Jeffreys mij mededeelt, in een eenigszins [514]anderen vorm van de schelp; zoo is bij voorbeeld de schelp van de mannelijke alikruik (Littorina littorea) nauwer en heeft een langer spiraal dan die van het wijfje. Men mag echter vermoeden, dat dergelijke verschillen in rechtstreeksch verband staan met de voortplantingshandeling of met de ontwikkeling van de eieren.

Hoewel de Buikpootigen zich vrij kunnen bewegen en onvolkomen oogen bezitten, schijnen zij geen genoeg ontwikkelde geestvermogens te bezitten, dan dat de leden van de zelfde seksen als medeminnaars samen zouden strijden en zoo secundaire seksueele kenmerken verkrijgen. Bij de het land bewonende Longslakken (Pulmonata) wordt de paring door een vrijage voorafgegaan; want deze dieren, hoewel hermaphrodieten, worden door hun maaksel genoodzaakt met elkander te paren. Agassiz merkt op1: „Quiconque a eu l’occasion d’observer les amours des limaçons, ne saurait mettre en doute la séduction déployée dans les mouvements et les allures, qui préparent et accomplissent le double embrassement de ces hermaphrodites.” Deze dieren schijnen ook vatbaar te zijn voor een zekere mate van bestendige genegenheid; een nauwkeurig waarnemer, de heer Lonsdale, deelt mij mede, dat hij een paar wijngaardslakken (Helix pomatia), waarvan de eene zwak was, in een kleinen en slecht voorzienen tuin zette. Na korten tijd verdween het sterke en gezonde individu en het slijmige spoor, dat het had achtergelaten, bewees, dat het over den muur naar een naburigen wel voorzienen tuin was gekropen. De heer Lonsdale besloot hieruit, dat het zijn ziekelijken makker had verlaten, maar na een afwezigheid van vier-en-twintig uren keerde het terug en deelde blijkbaar den uitslag van zijn voorspoedige ontdekkingsreis mede; want beide kropen toen langs het zelfde spoor weg en verdwenen over den muur.

Zelfs in de hoogste klasse der Weekdieren, namelijk die der Koppootigen (Cephalopoda), waarin de seksen gescheiden zijn, komen, voor zoover ik kan ontdekken, geen secundaire seksueele kenmerken van die soort welke wij hier beschouwen, voor. Dit is een verwonderlijk feit, daar deze dieren hoog ontwikkelde zintuigen en aanmerkelijke geestvermogens bezitten, zooals iedereen zal toestemmen, die hun kunstige popingen om hun vijanden te ontsnappen heeft waargenomen.2 Sommige Koppootigen onderscheiden zich echter door één buitengewoon kenmerk, dat namelijk het mannelijk element zich in een der armen of [515]voelers verzamelt, die daarna wordt afgeworpen, en, zich met zijn zuignappen aan het wijfje klemmende, voor een tijd een zelfstandig leven leidt. De afgeworpen arm gelijkt zoo volkomen op een afzonderlijk dier, dat hij door Cuvier als een parasietische worm is beschreven onder den naam van Hectocotylus. Dit verwonderlijke orgaan kan echter eer als een primair dan als een secundair seksueel kenmerk worden beschouwd. (4)

Hoewel bij de Weekdieren de seksueele teeltkeus niet in het spel schijnt te zijn gekomen, zijn toch vele horens en schelpen, zooals spiraalhorens (Voluta), kegelhorens (Conus), pelgrimschelpen enz., fraai gekleurd en schoon van vorm. De kleuren schijnen in de meeste gevallen niet tot bescherming te dienen; zij zijn waarschijnlijk, evenals bij de laagste klassen, het rechtstreeksche gevolg van den aard der weefsels, terwijl de vorm van de schelp van haar wijze van groei afhangt. De hoeveelheid licht schijnt tot zekere hoogte van invloed te zijn; want hoewel, zooals herhaaldelijk door den heer Gwyn Jeffreys is getuigd, de horens en schelpen van sommige op groote diepte levende soorten levendige kleuren vertoonen, zien wij toch over het algemeen, dat de ondervlakten en de door den mantel bedekte deelen minder hoog gekleurd zijn, dan de bovenvlakten en de aan het licht blootgestelde deelen.3 In sommige gevallen, zooals bij horens en schelpen wier bezitters tusschen koralen of helder gekleurde zeewieren leven, dienen de levendige kleuren wellicht tot bescherming.4 Vele Naaktkieuwigen (Nudibranchia), of Zeeslakken, zijn echter even schoon gekleurd als eenige horen of schelp, zooals men kan zien in het prachtige werk van de heeren Alder en Hancock; en volgens de inlichting die de heer Hancock zoo vriendelijk was mij te geven, is het uiterst twijfelachtig, of deze kleuren tot bescherming dienen. Bij sommige soorten is dit wellicht het geval, zooals bij een, die op het groene loof van wieren (Algae) leeft en zelf helder groen is. Maar vele helder groene, witte of op andere wijze opzichtig gekleurde soorten zoeken zich niet te [516]verbergen, terwijl daarentegen sommige even opzichtige, evenals andere dof gekleurde soorten onder steenen en in donkere schuilhoeken leven. Bij deze Naaktkieuwigen staat derhalve de kleur blijkbaar volstrekt niet in een nauw verband met den aard hunner woonplaats.

Hoewel deze naakte Zeeslakken hermaphrodieten zijn, paren zij toch met elkander, evenals de Landslakken, van welke laatsten vele uiterst fraaie horens hebben. Het is denkbaar, dat twee hermaphrodieten, door elkanders groote schoonheid aangetrokken, zich vermengen en kroost nalaten, dat de grootere schoonheid hunner ouders zou overerven. Bij zulke laag georganiseerde wezens is dit echter uiterst onwaarschijnlijk. (5) Het is ook volstrekt niet duidelijk, waarom het kroost van de schoonere hermaphrodieten eenig voordeel waardoor het in aantal toenam, zou hebben boven het kroost der minder schoone, wanneer ten minste schoonheid en kracht niet gewoonlijk gepaard gingen. Wij hebben hier niet een aantal mannetjes die vroeger tot volkomen seksueele ontwikkeling komen dan de wijfjes, en waarvan de schoonste door de sterkste wijfjes worden uitgekozen. Indien echter schitterende kleuren voor een hermaphroditisch dier voordeelig waren met betrekking tot zijn algemeene levenswijze, dan zouden inderdaad de levendiger gekleurde individu’s het best slagen en in aantal toenemen; maar dit zou een geval van natuurlijke en niet van seksueele teeltkeus zijn.

Het Onder-Rijk der Wormen (Vermes): Klasse der Ringwormen (Annelida).—Hoewel in deze klasse de seksen (wanneer zij gescheiden zijn) somtijds van elkander verschillen in zoo belangrijke kenmerken, dat zij wel eens tot verschillende geslachten of zelfs families zijn gebracht, schijnen die verschillen echter niet van zoodanigen aard te zijn, dat zij veilig aan seksueele teeltkeus kunnen worden toegeschreven. Deze dieren zijn dikwijls fraai gekleurd; doch, daar de beide seksen in dit opzicht niet verschillen, zijn zij hier voor ons niet van veel belang. Zelfs de Snoerwormen (Nemertina) wedijveren, hoewel zoo laag georganiseerd, „in schoonheid en verscheidenheid van kleuren met elke andere groep ongewervelde dieren”; Dr. McIntosh5 kan echter toch niet ontdekken, dat deze kleuren eenig nut hebben. De vastzittende ringwormen worden volgens Quatrefages6 na den voortplantingstijd [517]doffer gekleurd, en ik onderstel, dat dit aan hun te dier tijde minder krachtigen toestand mag worden toegeschreven. Al deze wormachtige dieren staan blijkbaar te laag op de ladder, dan dat de individu’s van ééne der beide seksen eenige voorkeur zouden betoonen bij het zoeken naar een individu van de andere sekse om zich mede voort te planten, of dat de individu’s van een zelfde sekse als medeminnaars met elkander zouden strijden.

Het Onder-Rijk der Gelede Dieren (Arthrozoa): Klasse der Schaaldieren (Crustacea).—In deze groote klasse ontmoeten wij voor het eerst ontwijfelbare secundaire seksueele kenmerken, die dikwijls buitengewoon ontwikkeld zijn. Ongelukkig zijn de gewoonten der Schaaldieren slechts zeer onvolkomen bekend, en kunnen wij het gebruik van vele deelen die slechts door ééne der beide seksen worden bezeten, niet verklaren. Bij de lagere parasietische soorten zijn de mannetjes klein van gestalte, en bezitten alleen deze volkomen zwempooten, sprieten en zintuigen, terwijl de wijfjes deze organen missen en haar lichaam dikwijls slechts uit een misvormde massa bestaat. Deze buitengewone verschillen tusschen de beide seksen staan echter ongetwijfeld in verband met haar hoogst verschillende levenswijze, en gaan ons derhalve hier niet aan. Bij verschillende Schaaldieren, tot onderscheidene families behoorende, zijn de voorste sprieten voorzien van bijzondere draadvormige lichamen, die men voor reukorganen houdt, en deze zijn veel talrijker bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Daar de mannetjes, ook zonder eenige buitengewone ontwikkeling van hun reukzintuig, bijna zeker in staat zouden zijn om de wijfjes vroeger of later te vinden, is de vermeerdering van het aantal reukdraden waarschijnlijk een gevolg van de seksueele teeltkeus, daar de mannetjes die er het grootste getal van bezaten, er het best in slaagden om wijfjes te vinden en hun geslacht voort te planten. Fritz Müller heeft een opmerkelijke dimorphische soort van Tanais beschreven, bij welke het mannetje door twee verschillende vormen wordt vertegenwoordigd, tusschen welke geen overgangsvormen worden gevonden. Bij den eenen vorm bezit het mannetje een grooter aantal reukdraden en bij den anderen krachtiger en langer knijpers (chelae), welke dienen om het wijfje vast te houden. Fritz Müller oppert het denkbeeld, dat deze verschillen tusschen de beide mannelijke vormen van een zelfde soort zijn ontstaan, doordat bij sommige individu’s het aantal reukdraden, bij andere de vorm en [518]grootte der knijpers varieerden, zoodat van de eersten zij die het best in staat waren het wijfje te vinden, en van de laatsten zij die het best in staat waren haar vast te houden als zij haar hadden gevonden, het grootste aantal nakomelingen hebben nagelaten, die hun respectieve voordeelen erfden.7

Fig. 16.

Fig. 16.

Labidocera Darwinii, naar Lubbock.

a. Een gedeelte van den rechter voorsten spriet van het mannetje, een grijporgaan vormende.

b. Achterste paar borstpooten van het mannetje.

c. Dito van het wijfje.

Bij sommige der lagere Schaaldieren verschilt de rechter voorste spriet zeer in maaksel van den linker, welke laatste evenals die van het wijfje uit leedjes bestaat, die naar het einde toe dunner worden. De gewijzigde spriet van het mannetje is in het midden òf opgezwollen òf met een hoek omgebogen òf in een bevallig en soms verwonderlijk samengesteld grijporgaan (Fig. 16) veranderd.8 Het dient, naar ik van Sir J. Lubbock hoor, om het wijfje vast te houden, en voor het zelfde doel is één der beide achterpooten (b) aan de zelfde zijde van het lichaam in een knijper veranderd. In een andere familie vertoonen de onderste of achterste sprieten alleen bij de mannetjes „een merkwaardigen zigzag-vorm.

Fig. 17.

Fig. 17.

Voorste gedeelte van het lichaam van Calianassa (naar Milne Edwards), om het ongelijke en verschillende maaksel van den rechter en linker knijper van het mannetje te doen zien.

N.B. De graveur heeft bij vergissing de teekening omgekeerd en den linker knijper het grootst gemaakt.

Fig. 18.

Fig. 18.

Fig. 18: Tweede poot van het mannetje van Orchestia Tucuratinga (naar Fritz Müller).

Fig. 19.

Fig. 19.

Fig. 19. Dito van het wijfje.

Bij de hoogere Schaaldieren vormen de voorpooten een paar knijpers (chelae) en deze zijn bij het mannetje gewoonlijk grooter dan bij het wijfje. Bij vele soorten zijn de knijpers aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam van ongelijke grootte; die aan de rechterzijde is, naar de heer C. Spence Bate mij mededeelt, gewoonlijk, hoewel niet altijd, de grootste. Deze ongelijkheid is dikwijls veel grooter bij het mannetje dan bij het wijfje. De beide knijpers verschillen dikwijls ook in maaksel (Fig. 17, 18, 19), waarbij dan de kleinste op die van het wijfje gelijkt. Welk voordeel wordt verkregen [519]door hun ongelijkheid in grootte aan de beide tegenovergestelde zijden van het lichaam, en door hun veel grootere ongelijkheid bij het mannetje dan bij het wijfje; en waarom beide, als zij even [520]groot zijn, bij het mannetje dikwijls veel grooter zijn dan bij het wijfje, is niet bekend. De knijpers zijn dikwijls zoo lang en groot, dat zij, naar ik van den heer Spence Bate hoor, bij geen mogelijkheid kunnen worden gebruikt om voedsel naar den mond te brengen. Bij de mannetjes van zekere zoetwater-steurkrabben (Palaemon) is de rechterpoot feitelijk langer dan het geheele lichaam.9 Het is waarschijnlijk, dat de aanzienlijke grootte van een poot met zijn knijpers het mannetje helpt bij het gevecht met zijn medeminnaars; maar dit gebruik verklaart hun ongelijke grootte aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam bij het wijfje niet. Bij een soort van strandkrab (Gelasimus) leven, volgens een door Milne Edwards aangehaalde mededeeling10, het mannetje en het wijfje in het zelfde hol, hetgeen opmerkenswaardig is, daar het bewijst, dat zij paarsgewijze leven, en sluit het mannetje den ingang van het hol met een zijner knijpers, die verbazend sterk ontwikkeld is, zoodat deze hier indirect als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt. Hun voornaamste doel is echter waarschijnlijk om het wijfje te grijpen en vast te houden, en in sommige gevallen, zooals bij de zoetwatergarnalen (Gammarus) weet men met zekerheid, dat dit zoo is. Bij de gewone strandkrab (Carcinus maenas) paren de beide seksen echter, naar de heer Spence Bate mij verzekert, onmiddellijk nadat het wijfje is verveld en haar harde schaal heeft verloren. Zij is dan zoo zacht, dat zij zou worden beschadigd, als zij door de sterke knijpers van het mannetje werd gegrepen; maar daar zij door het mannetje wordt gevat en medegedragen, vóór zij vervelt, kan het dan zonder gevaar geschieden.

Fig. 20. Orchestia Darwinii (naar Fritz Müller).

Fig. 20. Orchestia Darwinii (naar Fritz Müller).

Fig. 21.

Fig. 21.

Fig. 22.

Fig. 22.

Fig. 21 en 22. De verschillend gevormde knijpers van de beide mannelijke vormen van O. Darwinii (naar Fritz Müller).

Fritz Müller verhaalt, dat sommige soorten van Melito zich van alle andere Vlookreeften (Amphipoda) onderscheiden, doordat bij de wijfjes de „heupplaatjes van het voorlaatste paar pooten tot haakvormige aanhangsels zijn verlengd, welke aanhangsels de mannetjes grijpen met de knijpers van het eerste paar.” De ontwikkeling dezer haakvormige aanhangsels werd waarschijnlijk veroorzaakt, doordat die wijfjes welke gedurende de voortplantingshandeling het stevigst vast konden worden [521]gegrepen, de grootste nakomelingschap nalieten. Fritz Müller beschrijft nog een andere soort van Braziliaansche vlookreeft (Orchestia Darwinii, fig. 20, 21, 22), die een dergelijk dimorphisme als Tanais vertoont; want er bestaan daarvan twee mannelijke vormen, die in den bouw hunner knijpers verschillen.11 Daar knijpers van ééne dier beide vormen zeker voldoende zouden zijn geweest om het wijfje vast te houden, [522]want beide worden tegenwoordig voor dat doel gebruikt, zijn de beide mannelijke vormen waarschijnlijk ontstaan, doordat sommige individu’s op de eene, andere op de andere wijze afweken; terwijl beide vormen het een of ander bijzonder, maar bijna even groot voordeel trokken uit hun verschillend gevormde organen.

Het is niet bekend, of de Schaaldieren met elkander strijden om het bezit der wijfjes, maar dit is waarschijnlijk het geval; want bij de meeste dieren waarvan het mannetje grooter is dan het wijfje, schijnt het zijn grootere gestalte te hebben verkregen, doordat gedurende vele geslachten de grootere mannetjes de kleinere hebben overwonnen. Nu deelt mij de heer Spence Bate mede, dat bij de meeste orden der Schaaldieren, in het bijzonder bij de hoogste, die der Krabben (Brachyura) het mannetje grooter is dan het wijfje; de parasietische geslachten, waarbij de beide seksen een verschillende levenswijze volgen, en de meeste Entomostraca maken hierop echter een uitzondering. De knijpers van de meeste Schaaldieren zijn uitnemend voor den strijd geschikte wapenen. Zoo zag een zoon van den heer Bate een duivelskrab (Portunus puber) met een strandkrab (Carcinus maenas) vechten, waarbij de laatste spoedig op den rug geworpen en alle leden van zijn lichaam afgescheurd werden. Toen Fritz Müller verscheidene mannetjes van een Braziliaansche strandkrab (Gelasimus), een soort die ontzaglijke knijpers bezit, bij elkander in een glazen vat plaatste, doodden en verminkten zij elkander. De heer Bate zette een groote mannelijke strandkrab (Carcinus maenas) in een pot met water, die door een wijfje dat met een kleiner mannetje gepaard was, werd bewoond; dit laatste werd spoedig onteigend; „als zij echter vochten”, voegt de heer Bate er bij „dan kostte de overwinning geen bloed; want ik zag geen wonden.” De zelfde natuuronderzoeker scheidde een mannelijke vlookreeft (Gammarus marinus), zoo gewoon op onze stranden, van zijn wijfje, en zette beide, elk afzonderlijk, in één vat met vele individu’s van de zelfde soort. Het aldus van haar mannetje gescheiden wijfje paarde met haar makkers. Na eenigen tijd werd het mannetje weder in het zelfde vat gebracht, en na een tijd lang te hebben rondgezwommen, begaf hij zich te midden der overigen en voerde zonder eenig gevecht eensklaps zijn wijfje mede. Dit feit bewijst, dat bij de Vlookreeften (Amphipoda), een orde die laag op de ladder staat, de mannetjes en wijfjes elkander herkennen en wederkeerig aan elkander gehecht zijn.

De geestvermogens der Schaaldieren zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld [523]dan men wellicht zou hebben verwacht. Ieder die heeft beproefd een der op vele kusten van tropische landen zoo menigvuldige strandkrabben te vangen, zal hebben bemerkt, hoe voorzichtig en waakzaam zij zijn. Op koraaleilanden vindt men een groote krabsoort (Birgus latro), die op den bodem van een diep hol een dik bed maakt van door haar bijeen verzamelde vezels van de kokosnoot. Zij voedt zich met de afgevallen vruchten der kokospalmen, pelt er de vezels van het omkleedsel vezel voor vezel van af, en begint daarbij altijd aan dat einde, waar de drie oogvormige diepten zijn gelegen. Daarna doorboort zij ééne dier diepten door er met haar groote voorste knijpers op te kloppen, en haalt eindelijk, al ronddraaiende, de taaie witte zelfstandigheid die binnen in de vrucht zit, met haar smalle achterste knijpers er uit. Deze handelingen zijn echter waarschijnlijk instinktmatig, zoodat zij even goed door een jong als door een oud dier worden volbracht. Het volgende geval kan echter niet zoo worden beschouwd: een geloofwaardig natuuronderzoeker, de heer Gardner12, nam een strandkrab (Gelasimus) waar, terwijl zij haar hol maakte, en wierp er eenige schelpen naar toe. Een daarvan rolde in het hol, terwijl drie andere schelpen op weinige duimen van den ingang bleven liggen In ongeveer vijf minuten bracht de krab de naar binnen gevallen schelp weêr naar buiten en droeg haar ongeveer een voet ver weg; toen zag zij de drie andere schelpen liggen, en blijkbaar bedenkende, dat zij er ook in zouden kunnen rollen, droeg zij ze naar de plaats, waar zij de eerste had gelegd. Het zou, dunkt mij, moeielijk zijn deze handelingen te onderscheiden van een die door den mensch met behulp zijner rede wordt volbracht.

Ten opzichte van de kleur, die bij dieren die tot de hoogere klassen behooren, zoo dikwijls bij beide seksen verschilt, kent de heer Spence Bate hiervan geen enkel sterk sprekend voorbeeld bij de Britsche Schaaldieren. In sommige gevallen verschilt echter het wijfje eenigszins in tint met het mannetje; maar de heer Bate houdt dit verschil voor gering genoeg om te kunnen worden verklaard door hun verschillende levenswijze, zooals doordat het mannetje meer rondloopt en derhalve meer aan het licht blootgesteld is. Bij een merkwaardige krab van Borneo, die sponsen bewoont, kon de heer Bate altijd de beide seksen van elkander onderscheiden, doordat de opperhuid van het mannetje minder afgeschaafd was. Dr. Power trachtte de seksen van de soorten [524]die Mauritius bewonen, door haar kleur te onderscheiden; maar het mislukte hem voortdurend, behalve bij een enkele soort van steurkrab (Squilla, waarschijnlijk Squilla stylifera), van welke het mannetje wordt beschreven, als „fraai blauwachtig groen”, met sommige aanhangsels kersrood, terwijl het wijfje bruin en grijs bewolkt is, en de roode deelen bij haar „veel minder levendig zijn dan bij het mannetje.”13 In dit geval mogen wij vermoeden, dat er seksueele teeltkeus in het spel is geweest. Bij Saphirina (een den oceaan bewonend geslacht van Entomostraca, en daarom laag op de ladder) zijn de mannetjes voorzien van kleine schilden of op cellen gelijkende lichamen, die schoone veranderende kleuren vertoonen; deze ontbreken bij de wijfjes en in ééne soort bij beide seksen.14 Het zou echter zeer overijld zijn, hieruit te besluiten, dat deze organen uitsluitend dienen om het wijfje te bekoren. Bij het wijfje van een Braziliaansche soort van strandkrab (Gelasimus) is, naar Fritz Müller mij mededeelt, het geheele lichaam bijna effen grijsachtig bruin. Bij het mannetje is het achterste deel van het kop-borststuk (cephalothorax) zuiver wit, en het voorste prachtig groen, in donkerbruin overgaande; en het is merkwaardig, dat deze kleuren vatbaar zijn, in weinige minuten te veranderen,—waarbij het wit vuil groen, of zelfs zwart wordt, en het groen „veel van zijn schoonheid verliest.” De mannetjes zijn blijkbaar veel talrijker dan de wijfjes Het verdient inzonderheid opmerking, dat zij hun schitterende kleuren niet verkrijgen vóór zij volwassen zijn. Zij verschillen ook van de wijfjes door de meerdere grootte hunner knijpers. Bij sommige soorten van het geslacht, waarschijnlijk bij alle, leven de seksen paarsgewijze en bewonen het zelfde hol. Het zijn ook, zooals wij zagen, zeer verstandige dieren. Op deze verschillende gronden is het zeer waarschijnlijk, dat bij deze soort het mannetje zijn fraaie kleuren heeft verkregen om het wijfje te bekoren of op te wekken.

Ik heb zoo even medegedeeld, dat het mannetje van Gelasimus zijn opzichtige kleuren niet verkrijgt, vóór hij volwassen en ongeveer voor de voortplanting geschikt is. Dit schijnt ten opzichte der vele merkwaardige verschillen in maaksel tusschen de beide seksen in de geheele klasse de algemeene regel te zijn. Wij zullen later zien, dat de zelfde wet in het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren (Vertebrata) doorgaat, [525]en in alle gevallen is het bij uitnemendheid kenmerkend voor alle eigenschappen die door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Fritz Müller15 geeft eenige sterk sprekende voorbeelden van deze wet; zoo verkrijgt het mannetje van de zeevloo (Orchestia) zijn groote tangen, welke geheel anders zijn samengesteld dan die van het wijfje, niet, voordat hij nagenoeg volgroeid is; zoolang hij jong is, gelijken zijn tangen op die van het wijfje. Evenzoo bezit het mannetje van Brachyscelus, gelijk alle andere Vlookreeften (Amphipoda), een paar achterste sprieten; bij het wijfje, en dit is een zeer buitengewone omstandigheid, ontbreken zij, en eveneens bij het mannetje, voordat het volwassen is. (6)

Klasse der Arachnida (Spinnen).—De mannetjes zijn dikwijls donkerder, maar soms ook lichter dan de wijfjes, zooals men kan zien in het prachtige werk van den heer Blackwall.16 Bij sommige soorten verschillen de beide seksen sterk van elkander in kleur; zoo is het wijfje van Sparassus smaragdulus dof groen, terwijl het achterlijf van het mannetje schoon geel is, met drie overlangsche strepen van rijk rood. Bij sommige soorten van krabspinnen (Thomisus) gelijken de seksen nauwkeurig op elkander; bij andere verschillen zij zeer, zoo zijn bij Thomisus citreus de pooten en het lichaam van het wijfje bleek-geel of groen, terwijl de voorste pooten van het mannetje roodachtig bruin zijn; bij T. floricolens zijn de pooten van het wijfje bleekgroen, terwijl die van het mannetje zeer in het oog loopende ringen van verschillende kleur vertoonen. Talrijke dergelijke gevallen zouden kunnen worden gegeven uit de geslachten Epeira, Nephila, Philodromus, Theridion, Linyphia, enz. Het is dikwijls moeilijk te zeggen, welke der beide seksen het meest afwijkt van de gewone kleur van het geslacht waartoe de soort behoort; maar de heer Blackwall denkt, dat het over het algemeen het mannetje is. Canestrini17 merkt op, dat in zekere geslachten de soortsbepaling bij de mannetjes gemakkelijk, doch bij de wijfjes hoogst moeilijk is. De heer Blackwall deelt mij mede, dat de seksen in haar jeugd gewoonlijk op elkander gelijken; en beide ondergaan dikwijls groote veranderingen in kleur bij haar opeenvolgende ververvellingen, [526]vóór zij volwassen zijn. Zoo gelijkt het mannetje van den bovengenoemden Sparassus eerst op het wijfje, en verkrijgt zijn bijzondere kleuren pas, als het omstreeks volwassen is. Spinnen bezitten scherpe zintuigen en vertoonen veel verstand. Gelijk algemeen bekend is, toonen de wijfjes dikwijls de sterkste liefde voor haar eieren, die zij, in een zijden web omsloten, bij zich dragen. De mannetjes zoeken vurig naar de wijfjes, en Canestrini en anderen hebben gezien, dat zij om het bezit daarvan vochten. De zelfde schrijver zegt, dat de paring der beide seksen bij ongeveer twintig soorten is waargenomen; en hij verzekert stellig, dat het wijfje sommige van de mannetjes die haar het hof maken, weigert, hen met open kaken bedreigt en ten laatste na veel aarzeling het uitverkoren mannetje aanneemt. Op deze verschillende gronden mogen wij met eenig vertrouwen aannemen, dat de goed uitgedrukte verschillen in kleur tusschen de seksen van sommige soorten het resultaat van seksueele teeltkeus zijn, hoewel de beste soort van bewijs, het pronken van het mannetje met zijn versierselen, hier ontbreekt. Wegens de uiterst groote variabiliteit van kleur bij het mannetje van sommige soorten, bijvoorbeeld van Theridion lineatum, schijnt het, dat deze seksueele kenmerken van de mannetjes tot dusver niet zeer bestendig zijn geworden. Canestrini leidt het zelfde besluit af uit het feit, dat de mannetjes van sommige soorten twee vormen vertoonen, die van elkander verschillen in de grootte en lengte der kaken; en dit herinnert ons aan de bovenvermelde gevallen van dimorphische schaaldieren.

Het mannetje is over het algemeen veel kleiner dan het wijfje, somtijds in buitengewone mate18, en hij is genoodzaakt uiterst voorzichtig te zijn als hij haar het hof maakt, daar het wijfje dikwijls haar preutschheid tot een gevaarlijke hoogte opvoert. De Geer zag een mannetje dat midden in zijn voorbereidende liefkoozingen door het voorwerp zijner liefde gegrepen, in spinrag gewikkeld en daarna verslonden werd, een gezicht dat hem, zooals hij er bijvoegt, „met afschuw en verontwaardiging vervulde.”19 [527]

De weleerw. heer O. P. Cambridge20 verklaart op de volgende wijze de uiterste kleinheid van het mannetje in het geslacht Nephila. „De heer Vinson geeft een levendige beschrijving van de vlugge manier waarop het uiterst kleine mannetje aan de bloeddorstigheid van het wijfje ontsnapt, door weg te glijden en verstoppertje te spelen op haar lichaam en reusachtige ledematen; bij zulk een vervolging is het duidelijk, dat de kleinste mannetjes de grootste kans hebben van te ontsnappen, terwijl de grootere spoedig slachtoffers van het wijfje zouden worden; en op die wijze moest allengs door natuurlijke teeltkeus de grootte van de mannetjes afnemen, totdat zij ten laatste de geringste grootte verkregen, die nog vereenigbaar was met de uitoefening van hun voortplantingsfuncties,—feitelijk waarschijnlijk tot de grootte die zij nu bezitten, d.i. zoo klein, dat zij een soort van parasiet op het wijfje zijn, en hetzij beneden haar aandacht, of te vlug en te klein, dan dat zij ze zonder groote moeite kan vangen.”

Westring heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de mannetjes van verscheidene soorten van Theridion21 het vermogen bezitten om een sjirpend (striduleerend) geluid voort te brengen (gelijk dat hetwelk vele kevers en andere insekten maken, maar zwakker), terwijl de wijfjes geheel stom zijn. Het daartoe dienend orgaan is een getande lijst aan het grondvlak van het achterlijf, waartegen het harde achterste deel van het borststuk wordt gewreven, en van dit deel kon bij de wijfjes geen spoor worden ontdekt. Het verdient opmerking, dat verscheidene schrijvers waaronder de welbekende araneoloog Walckenaer, hebben verklaard, dat spinnen door muziek worden aangetrokken.22 Uit de analogie met de Rechtvleugelige en Gelijkvleugelige Insekten (Orthoptera en Homoptera), die in het volgende hoofdstuk moeten worden beschreven, mogen wij bijna met zekerheid opmaken, dat dit geluid, zooals Westwood opmerkt, dient, hetzij om het wijfje te roepen of om haar op te wekken, en dit is het eerste mij bekende voorbeeld, bij het opklimmen op de ladder van het dierenrijk, van geluiden die met dit doel worden gemaakt. (7)

[528]

Klasse der Myriapoda (Duizendpooten).—In geen der beide orden van deze klasse, die de eigenlijke duizendpooten en millioenpooten omvat, kan ik eenig sterksprekend voorbeeld vinden van dergelijke seksueele verschillen als die welke ons hier meer in het bijzonder aangaan. Bij Glomeris limbata echter, en wellicht bij eenige weinige andere soorten, verschillen de mannetjes eenigszins van de wijfjes in kleur; maar deze Glomeris is een zeer veranderlijke soort. Bij de mannetjes van de Diplopoda zijn de pooten die tot een der voorste segmenten van het lichaam, of tot het achterste segment behooren, vervormd in grijporganen, welke dienen om het wijfje te vatten. Bij sommige soorten van Julus zijn de voeten (tarsi) van het mannetje met het zelfde doel van vliezige zuigers voorzien. Een veel ongewoner geval is het, zooals wij zullen zien als wij de Insekten behandelen, dat het bij Lithobius het wijfje is, dat aan het einde van het lichaam grijpwerktuigen heeft om het mannetje te vatten.23

[Inhoud]

AANTEEKENINGEN.

(1) De Protozoa, en volgens de meeste hedendaagsche dierkundigen ook de Coelenterata (waarmede zij dan ook de Sponzen vereenigen) en Echinodermata, zijn Onder-Rijken, en geen Klassen. De afdeeling der Weekwormen (Scolecida), die ook op een hoogeren rang dan dien van klasse, schoon geenszins op een zoo hoogen rang als dien van onder-rijk, aanspraak zou kunnen maken, omvat volgens Haeckel alle Wormen, met uitzondering der Ringwormen (Annelida) en van de, door vele dierkundigen met de Crustaceeën vereenigd wordende Raderdieren (Rotatoria). De naam Ringwormen wordt dan beperkt tot die vormen welke door Harting („Leerboek”, III, 1, blz. 507) tot de orde der Borstelwormen (Chaetophora st. Setigera) worden gebracht.

(2) Tot deze „pelagische Fauna der Glasdieren”, zooals Haeckel ze noemt, behooren: uit de klasse der Visschen, de familie der Helmichthyoïdeï (Leptocephalus, Oxystomus, Tilurus, Leptocephalichthys, Helmichthys); uit de klasse der Cephalopoden, de familie der Loligopsidae (Loligopsis, Taonius), uit die der Gasteropoden, de familie der Phyllirhoïdae (Phyllirhoë, Acura) en bijna alle Pteropoden en Heteropoden; uit die der Tunicata, de beide orden der Thaliacea en Luciae; uit de klasse der Schaaldieren, menigvuldige soorten uit alle orden, vooral uit die der Copepoden en Amphipoden; uit het rijk der Wormen, de geslachten Alciope en Sagitta en vele larven; uit het onder-rijk der Echinodermata, de zwemmende larven; uit dat der Coelenterata, de geheele klasse der Rib- of Kamkwallen (Ctenophora), verder de Schijf- of Schermkwallen (Discomedusae) en de Siphonophoren.

(3) Ongetwijfeld zal niemand willen beweren, dat de schoone kleur van [529]het slagaderlijk bloed is verkregen om de schoonheid van een meisje te verhoogen. Schrijft men echter de verschillen tusschen de menschenrassen aan seksueele teeltkeus toe, dan ligt het voor de hand, dat bij die rassen bij welke de huid der wangen doorschijnend genoeg is om de kleur van het slagaderlijk bloed door te laten, die doorschijnendheid waarschijnlijk het gevolg van seksueele teeltkeus is. De zelfde redeneering zou men op de Eoliden kunnen toepassen, en veronderstellen, dat niet de schoone kleur der galklieren, maar de doorschijnendheid der huid, welke toelaat, dat die kleuren uitwendig waarneembaar zijn, het gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn. Zeer waarschijnlijk vinden wij echter deze onderstelling niet.

(4) Bij Argonauta bezit alleen het wijfje de verbreede eindplaten aan twee der vangarmen en de daardoor afgescheiden wordende schelp. Deze schijnen ons een goed voorbeeld van een secundair seksueel kenmerk bij Cephalopoden.

(5) Wanneer dit niet zoo onwaarschijnlijk was, kon men op deze wijze wellicht de vorming der zonderlinge zoogenaamde liefdepijlen (Harting, „Leerboek”, Deel III, Afd. 1, blz. 816) bij sommige Gasteropoden verklaren.

(6) Wij zullen in de volgende hoofdstukken zien, dat bij verschillende dieren de mannetjes eigenaardige bewegingen, als het ware dansen uitvoeren, als zij aan de wijfjes het hof maken. In „Eigen Haard”, 11 Mei 1889, no. 19, vinden wij een referaat van een stuk van den heer Morgan uit de „Popular Science Monthly”, waaruit blijkt, dat ook een soort van krab (Platyonychus ocellatus) zulks doet. Als het mannetje van deze krab aan het wijfje het hof maakt, gaat hij recht op staan op het derde en vierde paar pooten, trekt het achterste paar tegen zijn lichaam aan, slaat zijn scharen en oogen naar boven, en gaat om zijn as staan draaien. Nu en dan staakt hij die draaiende beweging om zich naar links en rechts te buigen of zich wat vooruit of achteruit te bewegen. Dit gaat zoo door tot vermoeidheid hem dwingt er mede op te houden. Zoodra echter het wijfje hem nadert, begint hij weêr van voren af aan en gedraagt zich „als een dronken man.” Nu en dan tracht hij met zijn lange scharen het wijfje te „omhelzen, maar op zoodanige wijze, dat men er aan twijfelt, of het zijn doel is haar door overreding en niet door geweld voor zich te winnen, dan wel of ontzag voor de scharen van zijn dame hem zich zoo betamelijk doet gedragen.”

(7) Het is bekend, dat de spinnen een uitnemend gehoor en veel smaak voor muziek bezitten. Pélisson merkte in zijn gevangenis een spin op, die dagelijks voor den dag kwam, wanneer men in de gevangenis op den doedelzak speelde. Walckenaer verhaalt, dat een dame bij het bespelen van haar harp een spin opmerkte, die aan den zolder juist boven haar zat. Zij verplaatste zich herhaaldelijk, doch werd telkens door de spin gevolgd.24 Grétry zag, wanneer hij op de piano speelde, telkens een spin naderen, die zich op de piano zette en zich verwijderde, wanneer Grétry met spelen ophield. Van Beethoven wordt een dergelijke opmerking verhaald. Ik heb zelf waargenomen, hoe bij het spelen van een trio in een kamer een spin te voorschijn kwam, hoe langer hoe nader kwam en zich eindelijk plaatste op de hand van den persoon die violoncel speelde. Dit alles versterkt in geen geringe mate het geloof, dat de muzikale geluiden welke sommige mannelijke spinnen voortbrengen, dienen om het wijfje te bekoren en aan te lokken. Volgens sommigen voelen de spinnen wel de trillingen [530]der geluidgevende lichamen, maar hooren het geluid niet. Dit verklaart moeilijk het geval van de spin die zich op de hand van den cellist plaatste, daar zoo’n week deel wel niet gevoelig zal trillen. In elk geval werd de spin gelokt, ’t zij dan door de trilling of door het geluid.

Wood Mason nam te Bombay waar, dat twee groote schorpioenen, welke tegen elkander werden opgehitst, een geluid maakten, gelijkende op dat hetwelk men hoort als men over een stuk zijde schrapt of met de nagels over een stijven tandenborstel strijkt. Het geluidmakend orgaan bleek te bestaan uit een schrapper en een rasp. De schrapper is bezet met stevige, kegelvormige en gebogen tandjes en ligt aan de platte buitenvlakte van het grondlid der voelerpooten. De rasp vertoont talrijke regelmatige, dicht bij elkander geplaatste paddestoelvormige knobbeltjes en ligt op het aan het grondlid der voelerpooten beantwoordende lid van het eerste paar pooten. („Nature, 25 Oct. 1876, blz. 565.) [531]


1De l’Espèce et de la Class.” enz., 1869, blz. 106. 

2 Zie b.v. mijn mededeeling in „Journal of Researches”, 1845, blz. 7. 

3 Ik heb („Geolog. Observations on Volcanic Islands”, 1844, blz. 53) een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van den invloed van het licht op de kleuren van een loofvormige korst, door de branding op de rotsachtige kusten van Ascension afgezet, en door de oplossing van fijngewreven zeeschelpen gevormd. 

4 Dr. Morse heeft voor eenige jaren dit onderwerp besproken in zijn verhandeling over „Adaptive Colouring of Mollusca”, „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XIV, April 1871. 

5 Zie zijn fraaie monografie over „British Annelids”, deel I, 1873, blz, 3. 

6 Zie Perrier, „l’Origine de l’Homme d’après Darwin”, „Revue scientifique”, Feb. 1873, blz. 866. 

7 In „Facts and Arguments for Darwin”, Eng. Vert., 1869, blz. 20, is het bovenvermeld onderzoek over de reukdraden te vinden. Sars (aangehaald in „Nature”, 1870, blz. 455) heeft een dergelijk geval beschreven bij een Noorweegsch schaaldier, Pontoporeia affinis

8 Zie Sir J. Lubbock in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XI, 1853, [519]pl. I en X; en vol. XII (1853), pl. VII. Zie ook Lubbock in „Transact. Ent. Soc.”, vol. VI, nieuwe serie, 1856–1858, blz. 8. Ten opzichte van de lager aangehaalde zigzagvormige sprieten, zie Fritz Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 40, onderste noot. 

9 Zie een verhandeling met platen van den heer C. Spence Bate in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 363, en over de nomenclatuur van het geslacht, ibid., blz. 585. Ik ben den heer Spence Bate grooten dank verschuldigd voor bijna al de bovengaande mededeelingen ten opzichte der knijpers bij de hoogere Schaaldieren. 

10Hist. Nat. des Crust.”, tome II, 1837, blz. 50. 

11 Fritz Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 25–28. 

12Travels in the Interior of Brazil”, 1846, blz. 111. Ik heb in mijn „Journal of Researches”, blz. 463, de levenswijze van den Birgus medegedeeld. 

13 De heer Ch. Fraser, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 3. De mededeeling omtrent Dr. Power ben ik aan den heer Bate verschuldigd. 

14 Claus: „Die freilebenden Copepoden”, 1863, blz. 35. 

15 Facts and Arguments” enz., blz. 79. 

16A History of the Spiders of Great Britain”, 1862. Omtrent de volgende feiten, zie blz. 102, 77, 88. 

17 Deze schrijver heeft vóór eenige jaren een belangrijk stuk geschreven over „Caratteri sessuali secondarii degli Arachnidi”, in de „Atti della Soc. Veneto-Trentina di Sc. Nat.”, Padova, vol. I, fasc. 3, 1873. 

18 Aug. Vinson („Aranéides des Iles de la Réunion”, pl. VI, fig. 1 en 2) geeft een goed voorbeeld van de geringe grootte van het mannetje bij Epeira nigra. Bij deze soort, moet ik er bijvoegen, is het mannetje bruin, en het wijfje zwart met roode banden op de pooten. Andere nog sterker voorbeelden van ongelijke grootte der beide seksen zijn opgeteekend in „Quarterly Journal of Science”, 1868, Juli, blz. 429; maar ik heb de oorspronkelijke verhandelingen niet gelezen. 

19 Kirby en Spence. „Introduction to Entomology”, vol. I, 1818, blz. 280. 

20Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 621. 

21 Theridion (Asagenas, Sund.) serratipes, 4 punctatum en guttatum: zie Westring, in Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, vol. IV, 1842–43, blz. 349. Zie ook, voor andere soorten, „Araneae Suecicae”, blz. 184. 

22 Dr. Hartogh Heys van Zouteveen heeft in zijn Nederlandsche vertaling van dit werk (zie aant. 7 op dit hoofdstuk) verscheidene gevallen hiervan bijeengebracht. 

23 Walckenaer en P. Gervais, „Hist. Nat. des Insectes Aptères”, tome IV, 1847, blz. 17, 19, 68. 

24 Darwin noemt Walckenaer in de eerste uitgaaf van dit werk niet en ontleende zijn opmerking omtrent Walckenaer aan deze aanteekening, die reeds in de eerste uitgaaf van dit werk iets korter voorkomt.